Griffienr. 00126/05 Mr. Wortel Zitting:22 november 2005 Conclusie inzake: [verzoeker = verdachte]
(1). Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder: (a. - e) f. gevaar: 1°. gevaar voor degene, die het veroorzaakt, hetgeen onder meer bestaat uit: a. het gevaar dat betrokkene zich van het leven zal beroven of zichzelf ernstig lichamelijk letsel zal toebrengen; b. het gevaar dat betrokkene maatschappelijk te gronde gaat; c. het gevaar dat betrokkene zichzelf in ernstige mate zal verwaarlozen; d. het gevaar dat betrokkene met hinderlijk gedrag agressie van anderen zal oproepen. 2°. gevaar voor een of meer anderen, hetgeen onder meer bestaat uit: a. het gevaar dat betrokkene een ander van het leven zal beroven of hem ernstig lichamelijk letsel zal toebrengen; b. het gevaar voor de psychische gezondheid van een ander; c. het gevaar dat betrokkene een ander, die aan zijn zorg is toevertrouwd, zal verwaarlozen. 3°. gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen;"
- 'Gevaar' kan derhalve, in ieder geval bij de toepassing van de Wet BOPZ, ook gelegen zijn in een dreiging voor de psychische gezondheid. Ik zie geen reden om het begrip bij de toepassing van art. 37 Sr beperkter uit te leggen; ook dan moet onder omstandigheden ook een dreigende aantasting van de geestelijke integriteit (van de betrokkene of van anderen) onder de gevaarzetting gebracht kunnen worden.
- De volgende vraag is of er (bewijsrechtelijk) ook een bepaalde ondergrens aan de dreigende psychische schade gesteld moet worden. Er wordt wel aangenomen dat het veroorzaken van overlast niet aan het gevaarscriterium voldoet, en ook het veroorzaken van ernstige overlast geen toereikende grondslag vormt om 'gevaar' aan te nemen, vgl Kooijmans, a.w., p. 130, verwijzend naar HR NJ 1989 en HR NJ 1998,
- Zo algemeen gesteld lijkt mij die afbakening te resoluut. Een doelmatige toepassing van art. 37 Sr (en van de Wet BOPZ) vergt naar mijn inzicht dat ook vormen van ernstige overlast als 'gevaar' kunnen worden beschouwd. Uit HR NJ 1998, 816 maak ik overigens op dat de Hoge Raad dit toestaat. Daarin werd immers een motiveringsgebrek geconstateerd in een rechterlijke machtiging tot gedwongen opname, omdat bij de behandeling in feitelijke aanleg aan de orde was geweest dat de ernstige overlast (voor buren, en daardoor dreigend verlies van de eigen huurwoning) die de kennelijke grondslag voor de machtiging vormde inmiddels niet meer aanwezig was. Mij dunkt dat hierin besloten ligt dat de Hoge Raad een nog immer voortdurende vorm van ernstige overlast op zichzelf beschouwd niet ongeschikt acht om aan het gevaarscriterium te voldoen.
- De steller van het middel geef ik toe dat de bestreden uitspraak ten aanzien van de veronderstelde kans op recidive - als feitelijke invulling van het in art. 37 Sr bedoelde 'gevaar' - wel wat breder gemotiveerd had kunnen zijn. Kennelijk heeft het Hof aangenomen dat verzoeker zonder psychiatrische behandeling spoedig opnieuw in de situatie terecht kan komen waarin hij het ontzag voor andermans geestelijke integriteit uit het oog verliest.
- In dat oordeel zie ik geen onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van 'gevaar' als voorwaarde voor het opleggen van de in art. 37 Sr voorziene maatregel, terwijl ik dat oordeel nog niet als onbegrijpelijk zou willen aanmerken, in aanmerking genomen dat uit de gebezigde bewijsmiddelen valt op te maken dat verzoeker het slachtoffer op indringende wijze is blijven benaderen, ofschoon zij hem duidelijk had gemaakt dat zij niet van zijn avances was gediend, terwijl het geestelijk welbevinden van het slachtoffer daardoor in min of meer ernstige mate verstoord is geraakt.
- Anders gezegd: ik heb de indruk dat het Hof voor een praktische aanpak heeft gekozen door verzoeker en diens omgeving in de voorzienbare toekomst bescherming te bieden. Het zou betreurenswaardig zijn als dit effect (voor zover niet reeds verminderd door het met dit beroep gemoeide tijdsverloop) om juridisch-technische redenen weer ongedaan moet worden gemaakt.
- Ook het derde middel acht ik vruchteloos te zijn voorgesteld.
- Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,