maakt van Technips computerprogramma Spyro een werk in de zin van de Auteurswet is, respectievelijk of het hof daarnaar in dit kort geding nader onderzoek had moeten doen. De klachten van Technip tegen 's hofs arrest kunnen m.i. niet tot cassatie leiden. 2. Feiten In rov. 2.1 t/m 2.8 van het vonnis in eerste aanleg d.d. 26 februari 2004 heeft de voorzieningenrechter een aantal feiten als vaststaand aangenomen. Blijkens rov. 3 van het arrest a quo is ook het hof hiervan
gegaan. In cassatie is van deze feitenvaststelling m.i. nog slechts het volgende van belang (in het vonnis nrs. 2.1, 2.2 en 2.8): a. Technip is auteursrechthebbende op het computerprogramma Spyro (hierna: Spyro), een simulatieprogramma ten behoeve van onder meer de sturing van het productieproces van ethyleen en propyleen in de petrochemische industrie. b. Essentieel onderdeel van Spyro is een kinetisch schema, waarin genoemd productieproces schematisch in onder andere een verzameling chemische reactievergelijkingen wordt weergegeven (hierna: het kinetisch schema). c. [Verweerder] heeft op 10 september 2003 aangegeven voornemens te zijn het kinetisch schema van Primo/Genics te publiceren. Technip heeft hierop aan [verweerder] bericht een dergelijke publicatie niet toe te staan, stellende dat daarmee Technips auteursrechten op Spyro worden geschonden.
ingen of andere
ingen in commercieel verband te verwijzen naar het kinetisch schema of enig ander aan Spyro ontleend gegeven, daaronder begrepen de computerprogramma's Genics, Primo en/of PRIMX, een en ander op straffe van het verbeuren van dwangsommen. 3.5. Na gehouden pleidooien heeft het hof bij arrest van 7 oktober 2004 het vonnis in conventie vernietigd en de door Technip gevraagde voorzieningen (alsnog) geweigerd. Het hof heeft het vonnis in reconventie bekrachtigd. Het hof heeft daartoe, voor zover in cassatie van belang, overwogen: '4.2 De eerste rechter heeft de toewijzing van vordering 1 van Technip doen berusten, kort gezegd, op de volgende overwegingen (hierna: overwegingen 1 tot en met 5).
maakt van Spyro - waarvan Technip auteursrechthebbende is - merkt hij publicatie van (een deel van) het kinetisch schema aan als inbreuk op het auteursrecht van Technip.
eindelijk heeft plaatsgevonden op de basis van een subjectieve beoordeling, gebaseerd op de kennis, het inzicht en de ervaring van de maker. 4.4 Voor zover [verweerder] met zijn grieven I, II en III opkomt tegen evengenoemd oordeel, zijn die grieven terecht voorgesteld. Vooreerst valt
de verklaringen van [betrokkene 1], voor zover van belang in deze procedure, niet (zonder meer) op te maken dat de selectie van de componenten en reacties die in het kinetisch schema tot
drukking zijn gekomen,
eindelijk heeft plaatsgevonden op de basis van een subjectieve beoordeling. 4.5
hetgeen [betrokkene 1] verklaarde volgt niet anders dan dat die selectie geen wiskundig automatisme is, maar slechts kan plaatsvinden door de verkregen theoretische inzichten te toetsen en te verbeteren met behulp van experimenteel onderzoek, waarbij de maker van de selectie, die de litteratuur op het gebied van de chemische reactie moet kennen, een goed experimenteel programma moet opzetten en
voeren om hypothesen te toetsen; en voorts dat de vereiste theoretische en experimentele inspanningen langjarig kunnen zijn, waarbij de effectiviteit van die grote inspanningen afhankelijk is van het individuele vermogen tot expertise en analyse van de betrokken maker van de selectie. [Betrokkene 1] verklaart aldus niet dat de beoordeling van de maker van de selectie subjectief is, terwijl dat in zijn verklaringen ook niet besloten ligt. 4.6 Vervolgens kan ook niet worden geoordeeld dat [verweerder] niet voldoende heeft betwist dat de selectie van componenten en reacties die in het kinetisch schema tot
drukking zijn gekomen,
eindelijk heeft plaatsgevonden op de basis van een subjectieve beoordeling, gebaseerd op de kennis, het inzicht en de ervaring van de maker. Dat heeft hij wél en de betwisting wordt gestaafd door de verklaringen van [betrokkene 1]. 4.7 De partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of het kinetisch schema - los van het computerprogramma Spyro, waarvan het een essentieel onderdeel is - zelf een werk is niet een eigen, oorspronkelijk karakter, dat het stempel van de maker draagt. Dat antwoord kan niet worden gegeven zonder feitelijk onderzoek waarvoor in dit korte geding geen plaats is. Dat betekent dat overweging 1 niet als juist kan worden aanvaard. 4.8 Daaruit volgt dat overweging 2 voorbarig is en voorshands evenmin als juist kan worden beschouwd. 4.9 Overweging 3 schiet eveneens tekort. De daartegen gerichte grief IV moet gegrond worden geacht, want de enkele omstandigheid dat het kinetisch schema een essentieel onderdeel van Spyro
maakt, kan niet meebrengen dat publicatie van dat onderdeel (of een deel ervan) moet worden aangemerkt als inbreuk op het auteursrecht van Technip ten aanzien van Spyro. Niet bestreden is dat het kinetisch schema zich ook leent voor toepassing in andere computerprogramma's dan Spyro. 4.10 Het voorgaande brengt mee dat ook de overwegingen 4 en 5 niet kunnen worden onderschreven, alsmede dat de door Technip gevorderde voorzieningen niet kunnen worden gegrond op de gestelde inbreuk van een auteursrecht van Technip ten aanzien van het kinetisch schema, dat een essentieel onderdeel van het computerprogramma Spyro is. Op een andere auteursrechtinbreuk is vordering 1 van Technip niet gegrond. De grieven I tot en met VI behoeven dan niet verder besproken te worden.' 3.
gegaan, verwijt onderdeel 2 het hof dat de motivering om in casu geen auteursrechtelijk beschermd werk aan te nemen, onvoldoende begrijpelijk zou zijn. Onderdeel 3 ten slotte klaagt tegen de achtergrond van HR 4 juni 1993, NJ 1993, 659 (Vredo/Veenhuis) erover dat het hof als kort geding-rechter in te ruime mate ('onvoldoende terughoudend') gebruik gemaakt heeft van zijn bevoegdheid om, indien hij zich niet het voor een verantwoorde beslissing vereiste inzicht kan verschaffen, de gevraagde voorziening te weigeren, respectievelijk geen nadere instructie toe te staan. 4.
gegaan van de
leg en toepassing van art. 1 en 10 Auteurswet 1912 ten aanzien van het auteursrechtelijke werkbegrip in het algemeen (vgl. art. 10, aanhef en art. 10, lid 1, slot: '...en in het algemeen ieder voortbrengsel op het gebied van letterkunde, wetenschap of kunst, op welke wijze of in welken vorm het ook tot
drukking zij gebracht'). Technip heeft zich (tegen deze achtergrond terecht) dus niet beroepen op kwalificatie van het kinetisch schema (als zodanig) als een 'computerprogramma' of 'het voorbereidend materiaal' voor een computerprogramma in de zin van art. 10 lid 1 onder 12o Auteurswet 1912 en (daarmee) in de zin van art. 1 van Richtlijn 91/250/EEG van 14 mei 1991 betreffende de rechtsbescherming van computerprogramma's. Communautairrechtelijke
leg van aan de auteursrechtelijke bescherming van een computerprogramma (en het voorbereidend materiaal) te stellen drempeleisen is daarmee in deze zaak niet aan de orde. Technip heeft ook geen beroep op bescherming van het kinetisch schema als 'geschrift' in de zin van art. 10 lid 1 onder 1o Aw. Ook het bijzondere zgn. 'geschriftenbeschermingsregime' van de Auteurswet komt daarmee in deze zaak niet in beeld. Onderdeel 1 4.
drukking brengt.
hetgeen het hof heeft overwogen valt niet op te maken dat het om zulk een selectie gaat. Daarin is, integendeel, slechts sprake van "de schat van woorden die deel
maken van de Nederlandse taal", waarbij ten aanzien van de selectiecriteria niet anders blijkt dan dat het gaat om woorden die in een modern woordenboek als de Grote Van Dale voor vermelding in aanmerking komen.
het voorgaande volgt dat het hof hetzij is
gegaan van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van het begrip werk in de Auteurswet 1912, hetzij zijn oordeel niet genoegzaam heeft gemotiveerd. (...)'. 4.5. Het arrest Van Dale/Romme is destijds en ook later ampel becommentarieerd, waarbij het perspectief
eraard niet alleen tot de inzet van díe zaak (het al dan niet eigen karakter van een selectie van 230.000 woorden
de Nederlandse taal) is beperkt. De meest recente evaluatie valt aan te treffen in de 3e druk
.9:) 'Wellicht de belangrijkste aan een werk te stellen eis is, dat het een eigen karakter moet hebben. Dit kan in zeer
eenlopende aspecten van het werk tot
drukking komen. (...) Romans, schilderijen, symfonieën en dergelijke voldoen in feite altijd aan deze eis. Hoogstens kan het voorkomen dat de "auteur" zijn werk van een ander heeft overgenomen; ook dan heeft het werk een eigen karakter, alleen is het niet het werk van degene die zich als maker voordoet, maar van degene van wie hij het heeft overgenomen. Twijfel over de vraag of een werk een eigen karakter heeft, en dus wel als werk kan gelden, komt in de praktijk dan ook vrijwel alleen voor bij voortbrengselen waarvan de maker weinig ruimte heeft gehad voor eigen inbreng, dan wel vérgaand heeft voortgeborduurd op een bestaande stijl, zoals met name het geval kan zijn bij werken van toegepaste kunst, technische tekeningen, computerprogramma's, en voorts zeer kleine werken zoals slagzinnen, korte berichtjes en dergelijke. Het is niet toevallig dat met name over de vraag of een bepaald voorwerp van toegepaste kunst een auteursrechtelijk beschermd werk is, veel jurisprudentie bestaat (zie ook par. 3.38). In de praktijk kan men voor de vraag of een werk een eigen karakter heeft veelal de volgende vuistregel hanteren: is denkbaar dat twee auteurs, onafhankelijk van elkaar, exact hetzelfde werk maken? Als dit menselijkerwijs
gesloten moet worden geacht is al snel het vermoeden gerechtvaardigd dat het aan die eis voldoet. Overigens dient met zich wel bewust te blijven van het feit dat het hier een vuistregel betreft, die niet als zelfstandig beslissend criterium mag worden gehanteerd.' (
.10:) 'Men zegt wel dat het auteursrecht alleen de vorm beschermt, niet de inhoud. (...) Liever dan tussen vorm en inhoud willen wij onderscheiden tussen de subjectieve en objectieve trekken van een werk. Objectief (feitelijk) is om te beginnen al het reeds bestaande materiaal dat de auteur in zijn werk heeft verwerkt: feiten, gegevens, gebruikelijke
drukkingen, bestaande stijlkenmerken, gangbare vormen, e.d. Daarnaast is ook datgene objectief dat weliswaar van de auteur afkomstig is, maar dat een objectieve geldigheid bezit: logische - hoezeer wellicht ook verrassende - theorieën, redeneringen, ontdekkingen, onderzoeksresultaten e.d., alsmede datgene wat voortvloeit
functionele eisen. Subjectief (persoonlijk) is daartegenover al datgene waarvoor geen objectieve maatstaf aanwezig is, en dat de auteur dus bepaalt op grond van zijn eigen smaak, voorkeur of gewoonte. Voorbeelden kwamen hierboven al ter sprake, bij de bespreking van de vraag, wat het eigen karakter van een werk
maakt. De manier waarop een auteur zijn onderwerp, zijn materiaal, zijn voorbeelden en zijn woorden kiest, waarop hij zijn verhaal opbouwt; waarop de schilder zijn tafereel afbakent en het gestalte en kleur geeft -
dat alles volgt het eigen karakter, steeds wanneer niet
de gestelde taak en de regels van de kunst objectief volgt dat het op een bepaalde manier moet. Huydecoper en Quaedvlieg hebben er terecht op gewezen dat ook constructies van zuiver technische aard de ontwerper ruimte laten voor subjectieve keuzes. Een te sterk (en eenzijdig) accent op de keuzevrijheid kan er daarom toe leiden dat men eerder geneigd kan zijn om ook dergelijke constructies, na toetsing op hun subjectieve eigen karakter, tot werken te bestempelen en langs auteursrechtelijke weg te beschermen. Quaedvlieg wil daarom min of meer toevallige keuzes van een ingenieur buiten beschouwing laten, omdat diens aandacht z.i.
sluitend gericht was op het oplossen van technische problemen; dergelijke keuzes vormen daarom niet de "
ing van datgene wat de maker tot zijn arbeid heeft bewogen". Zie verder par. 3.14. Hugenholtz merkt op, dat het criterium van de keuzevrijheid de keuzes vrijlaat die als de "beste" vallen te beschouwen, met het gevolg dat "alleen de suboptimale keuze gemonopoliseerd wordt". O.i. is dat een wat al te sombere constatering. Veeleer kan men constateren dat het auteursrecht zijn bescherming richt op aspecten van een voortbrengsel welker optimalisering in het geheel niet aan de orde is. Daarnaast constateert Hugenholtz dat het van de context kan afhangen of een keuze subjectief dan wel objectief is. Dat is juist, maar het zal gewoonlijk slechts spelen voor enkele van de vele keuzen die aan de orde zijn. Zo kan Hugenholtz net als ieder van ons in vrijheid, en dus subjectief kiezen om een boek over softwarebescherming te schrijven. Een aantal aspecten van het te schrijven boek vloeit vervolgens echter min of meer noodzakelijk
die eerste keuze voort.
het bovenstaande volgt dat auteursrechtelijk niet ter zake doet of een werk mooi of lelijk, goed of slecht, al dan niet van een hoog wetenschappelijk gehalte is; voor de beoordeling van het eigen karakter speelt het kwaliteitsoordeel geen rol. Hetzelfde geldt voor de vraag of het al dan niet veel moeite heeft gekost om het werk te maken. Een in een ogenblik gemaakte foto kan dan ook even goed beschermd zijn als een schilderij waar de schilder maanden aan heeft gewerkt. Ook de omvang van het werk is geen (zelfstandige) maatstaf voor de beoordeling van het eigen karakter. Weliswaar zal de auteur gewoonlijk meer speelruimte hebben voor eigen inbreng naarmate het werk omvangrijker en complexer is, maar veel zal daarbij afhangen van het soort werk, en beslissend blijft steeds of hij de beschikbare creatieve vrijheid ook daadwerkelijk heeft benut. Het eigen karakter van een kort gedicht kan dan ook groter zijn dan dat van een lang rapport. Het eigen karakter moet worden beoordeeld naar de situatie ten tijde van het tot stand komen van het voortbrengsel. Voor de vraag of van een werk sprake is doet derhalve niet terzake of bepaalde aspecten daarvan sindsdien gebruikelijk geworden zijn en daardoor niet meer als origineel worden ervaren. Het feit dat bepaalde aspecten in de loop der tijd gebruikelijk zijn geworden zou mogelijk wel een rol kunnen spelen bij de beschermingsomvang van het werk.' (
heeft de HR met de hier besproken formulering geen zwaardere toets willen introduceren dan voordien gold. (...) Wel maakt de HR met nadruk duidelijk dat betrokkenheid van de auteur bij het ontstaan van het werk voorwaarde blijft voor bescherming. Behalve in de woorden "persoonlijk stempel" ligt dat o.i. eveneens besloten in het woord "eigen, oorspronkelijk karakter". Waarom de HR dit woord hier gebruikt (in de oude werktoets kwam het niet voor) valt niet met zekerheid te zeggen. Zoals in par. 3.3 reeds besproken, wordt oorspronkelijkheid gebruikt in verschillende betekenissen; het kan zowel een aanduiding zijn van kwaliteit (wat alledaags is kan geen werk zijn), van verbondenheid met de auteur (het werk is het resultaat van persoonlijke schepping), als van uniciteit (onafhankelijk identieke schepping is
gesloten). Het laatste ligt reeds min of meer besloten in de woorden "eigen karakter", en gezien het feit dat de huidige formulering haar intrede deed in het Screenoprints-arrest, gewijd aan autojaloezieën welker bescherming niet a priori werd afgewezen, gaat het ons vooralsnog te ver om aan te nemen dat de HR met "oorspronkelijkheid" een kwaliteitseis heeft willen introduceren. Het meest aannemelijk lijkt ons, dat de HR de "verbondenheid met de auteur" die ook in de woorden "persoonlijk stempel" besloten ligt extra heeft willen benadrukken. Daarmee lijkt de HR althans een grens te willen stellen aan een waarneembare tendens in literatuur en lagere jurisprudentie om het enkele eigen karakter tot een geheel zelfstandige toets te maken. Van oudsher heeft men gezocht naar objectieve criteria waaraan een werk - liefst eens en voor altijd - herkend kan worden. De rechtspraktijk heeft behoefte aan eenvoudige en betrouwbare maatstaven, en er werd en wordt naar gestreefd om subjectieve waardeoordelen - niet denkbeeldig bij de invulling van op papier hoogdravende begrippen als letterkunde, wetenschap en kunst - zoveel mogelijk te vermijden als het gaat om de auteursrechtelijke beschermbaarheid. Op zich zelf is dit een begrijpelijk en toe te juichen streven. Het
bannen van het subjectieve oordeel kan echter ook leiden tot een onwenselijke reductie, iets wat bij de toepassing van het eigen karakter als enige maatstaf inderdaad soms lijkt te gebeuren. In haar
erste consequentie kan deze ontwikkeling er toe leiden dat alleen wordt nagegaan of het product "statistisch gezien uniek" is. De hierboven beschreven vuistregel: "is denkbaar dat twee auteurs, onafhankelijk van elkaar, exact hetzelfde werk maken?" is dan niet langer een hulpmiddel, maar wordt tot enige maatstaf. Dit bergt het gevaar in zich dat de relatie tussen auteur en werk, die het fundament van het auteursrecht vormt,
het beeld kan verdwijnen. Verschillende auteurs, zoals Gerbrandy en Quaedvlieg waarschuwen dan ook tegen al te gemakkelijke bescherming van allerhande voortbrengselen door middel van het auteursrecht. Terecht wijst Gerbrandy erop dat oorspronkelijkheid een rechtsbegrip is. Het begrip leent zich niet voor mechanische toepassing, maar zal altijd geïnterpreteerd moeten worden. Recht is nu eenmaal geen exacte wetenschap, maar blijft een ars boni et aequi. Deze kwestie ontleent ook actualiteit aan het toenemende gebruik van computers bij het maken van werken, en de daaruit resulterende vraag of producten die aldus zonder menselijke sturing tot stand komen, bijv. computervertalingen (die overigens nog steeds in het experimentele stadium zijn) of door een computer gegenereerde muziek beschermd kunnen zijn. De Engelse Copyright Act van 1988 beantwoordt deze vraag bevestigend, maar de HR lijkt aan te geven dat in ons systeem geen plaats is voor een auteursrecht zonder auteurs.' (
.13:) 'Het persoonlijk stempel moet blijken
het werk zelf, niet
daarbuiten gelegen omstandigheden. Dat volgt
de formulering die de HR in o.m. het Van Dale-arrest gebruikt: beschermd wordt een voortbrengsel dat [...] het persoonlijk stempel van de maker draagt. Weliswaar overweegt de HR eveneens dat de trefwoordenverzameling slechts in aanmerking komt voor bescherming indien zij "het resultaat zou zijn van een selectie die een persoonlijke visie van de maker tot
drukking brengt", maar dat betekent niet dat die persoonlijke visie nu ook geëxpliciteerd zou moeten worden. Kenbron voor het persoonlijk stempel blijft het werk. Gerbrandy lijkt van oordeel te zijn dat een persoonlijk stempel ook zonder eigen, oorspronkelijk karakter van het werk mogelijk is, en toereikend kan zijn voor bescherming. Als voorbeelden noemt hij o.a. een concordantie op de bijbel, alsmede een volledigheid nastrevende inventarisatie (zoals Koechels Verzeichnis van Mozarts composities) of
gave van de werken van één auteur (zoals Heijermans' toneelwerken). Zelfs buiten het werk gelegen factoren komen in aanmerking, zoals het door een fotograaf genomen risico. Dit lijkt evenwel niet verenigbaar met de jurisprudentie van de HR, die immers allereerst een eigen, oorspronkelijk karakter van het werk vereist, iets wat o.i. in de genoemde aspecten niet te vinden valt. Naar onze mening nemen verdienstelijkheid en begrijpelijke bewondering hier de plaats in van oorspronkelijkheid.' Tot zover deze voor de beoordeling van onderdelen 1 en 2 relevante citaten. 4.6. De door onderdeel 1 opgeworpen vraag is of in het licht van met name het arrest Van Dale/Romme geoordeeld moet worden dat het hof in de onderhavige zaak Technip/[verweerder] van een onjuiste rechtsopvatting is
gegaan. 4.7. Het inleidende subonderdeel 1.a betoogt dat 's hofs rov. 4.4-4.6 berusten op een onjuiste rechtsopvatting van de criteria 'eigen oorspronkelijk karakter' en/of 'persoonlijk stempel', voor zover het hof met zijn criterium 'subjectieve beoordeling' heeft bedoeld: (i) dat dit karakter en/of stempel niet (slechts) gebaseerd mag zijn op wetenschappelijk(e) en/of technisch(e) -
intensieve en langdurige onderzoeken en experimenten verkregen - kennis, inzicht en ervaring gebaseerde keuzes bij (in casu) de selectie ten behoeve van zo'n kinetisch schema van een groot aantal chemische componenten en reacties
een veel groter (schier oneindig) aantal van dergelijke componenten en reacties; (
beduchtheid voor het oordeel dat de hier weergegeven klachten feitelijke grondslag missen, omdat Technip in de aangevallen rechtsoverwegingen van het hof meer of anders leest dan het hof nu eenmaal overwogen hééft, geeft het slot van subonderdeel 1.b ten deze nog het volgende schot voor deze boeg: 'Aangezien 1e) in [verweerder]' betoog (verweer resp. grieven) zo'n grote nadruk lag op aspecten als 'persoonlijke smaak of voorkeur' (i.t.t. 'judicious choices'; zie o.a. MvG § 39 en plta II § 20) en 'objectieve wetenschappelijke gegevens resp. wetmatigheden' (zie bij onderdeel 2.b sub i hierna) en 2e) het hof in r.o. 4.6 - zonder enige nadere specificatie - [verweerder]' betoog als een 'voldoende betwisting' heeft aangemerkt van Technips beroep op het 'werk'-karakter van haar kinetisch schema, moet althans mag in cassatie worden aangenomen dat het hof de juist hierboven sub (i) en (ii) bedoelde rechtsopvattingen - volgens Technip dus ten onrechte - afwijst.' 4.9. Ook als ik met Technip ervan
ga dat de subonderdelen 1.a en 1.b niet (althans niet aanstonds) feitelijke grondslag missen, kunnen zij m.i. niet tot cassatie leiden, omdat het door Technip in subonderdeel 1.a aan het hof toegeschreven rechtsoordeel in het licht van het arrest Van Dale/Romme m.i. niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigt. 4.9.1. 's Hofs oordeel komt er samengevat op neer dat een selectie die op basis van 'kennis of kunde' of technische vereisten is gemaakt (nog) niet in voldoende mate van subjectiviteit getuigt om (al) als werk te kunnen worden aangemerkt. Voorts gaat het hof ervan
dat de elementen waaruit deze selectie bestaat auteursrechtelijk niet beschermd zijn, omdat het (enkel) om wetenschappelijke of technische gegevens en wetmatigheden gaat. 4.9.2. Dat oordeel wordt dus in subonderdeel 1.a als rechtens onjuist aangevallen. In subonderdeel 1.b wordt deze klacht
gewerkt met behulp van de zojuist geciteerde stellingen (
gegaan wordt van de juistheid van deze stelling, moet (in de eerste plaats) gelden dat zij, anders dan de klacht suggereert, niet zo maar omkeerbaar is. Dat de aan een tot stand gebrachte selectie of verzameling ten grondslag liggende beoordeling resp. keuzes gestuurd is door des makers expertise en analyse, resp. gericht is op doeleinden, van wetenschappelijke en/of technische aard, hoeft inderdaad niet (zonder meer) aan het werkkarakter af te doen, maar de vraag is nu juist of met dit een en ander het werkkarakter gegeven is. Díe vraag is, naar het mij voorkomt, door de Hoge Raad in het Van Dale/Romme-arrest nu juist ontkennend beantwoord. Vgl. andermaal rov. 3.4, eerste alinea van dat arrest, met door mij toegevoegde cursivering: '3.4. (...) Op zich zelf is zulk een verzameling immers niet meer dan een hoeveelheid feitelijke gegevens die als zodanig voor auteursrechtelijke bescherming niet in aanmerking komt. Dat zou slechts anders zijn indien de verzameling het resultaat zou zijn van een selectie die een persoonlijke visie van de maker tot
drukking brengt.' Ik wijs andermaal op de inzet van die zaak, waarbij Van Dale's selectie van 230.000 trefwoorden, niet (zonder, ontbrekende, nadere motivering) kon gelden als 'een oorspronkelijke selectie', óók niet met het argument dat sprake was van 'de schat van woorden die deel
maken van de Nederlandse taal', nu ten aanzien van de selectiecriteria niet anders gebleken was dan dat het gaat om woorden die in een modern woordenboek als de Grote Van Dale voor vermelding in aanmerking komen. Ik teken hierbij ten overvloede aan dat naar men mocht en mag aannemen, ook de Van Dale-redactie niet naar willekeur of persoonlijke smaak te werk ging, doch zich daarentegen - naar men eveneens mag aannemen - baseerde op keuzes gestuurd door expertise en analyse, resp. gericht op doeleinden van wetenschappelijke aard. 4.10.2. In de tweede plaats roept Technips onderhavige stelling m.i. een al te zwart/witte (en in zoverre onzuivere) tegenstelling op, waar tegenover elkaar gesteld worden enerzijds beoordeling resp. keuzes gestuurd door expertise en analyse, of gericht op doeleinden van wetenschappelijke en/of technische aard, en anderzijds keuzes op grond van persoonlijke smaak of voorkeur en gericht op een esthetisch of opiniërend doel. Hoewel het onderscheid tussen beide categorieën op zichzelf dienstig is bij het onderscheiden tussen subjectieve en objectieve (wél resp. níet) voor auteursrechtelijke bescherming aanmerking komende trekken, ligt het voor de hand om te onderkennen dat de werkelijkheid hier grijstinten kan laten zien, waarbij redelijke mensen over de meest passende categorisering van mening kunnen verschillen. De vorige volzin is
eraard een opmaat naar mijn nu geëxpliciteerde mening dat er tussen notoir 'zwart' en notoir 'wit' een gebied ligt dat aan de feitenrechter moet worden voorbehouden, en waarbij diens oordeel in cassatie dus niet op juistheid, doch slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst. 4.11. Thans mijn commentaar op de in subonderdeel 1.b onder (
hetgeen ik in nr. 4.10.1
dat arrest aanhaalde en over de inzet van die zaak vermeldde. 4.12. Het hof heeft, door in rov. 4.4-4.5, voor zover hier relevant, te oordelen: '4.4 (...) Vooreerst valt
de verklaringen van [betrokkene 1], voor zover van belang in deze procedure, niet (zonder meer) op te maken dat de selectie van de componenten en reacties die in het kinetisch schema tot
drukking zijn gekomen,
eindelijk heeft plaatsgevonden op de basis van een subjectieve beoordeling. 4.5
hetgeen [betrokkene 1] verklaarde volgt niet anders dan dat die selectie geen wiskundig automatisme is, maar slechts kan plaatsvinden door de verkregen theoretische inzichten te toetsen en te verbeteren met behulp van experimenteel onderzoek, waarbij de maker van de selectie, die de litteratuur op het gebied van de chemische reactie moet kennen, een goed experimenteel programma moet opzetten en
voeren om hypothesen te toetsen; en voorts dat de vereiste theoretische en experimentele inspanningen langjarig kunnen zijn, waarbij de effectiviteit van die grote inspanningen afhankelijk is van het individuele vermogen tot expertise en analyse van de betrokken maker van de selectie. [Betrokkene 1] verklaart aldus niet dat de beoordeling van de maker van de selectie subjectief is, terwijl dat in zijn verklaringen ook niet besloten ligt.' m.i. dan ook, als gezegd, geen rechtsregel geschonden. Daarop stuit subonderdeel 1.a af. Voorzover subonderdeel 1.b een zelfstandige klacht vertolkt over het miskennen van de daarin verwoorde stellingen, mist deze feitelijke grondslag. Voorzover de rechtsklacht van subonderdelen 1.a en 1.b zich mede richt tegen rov. 4.6, deelt die klacht hetzelfde lot. 4.
gegaan zou moeten worden van een auteursrechtelijk beschermd werk. In de literatuur wordt in dit verband slechts van een 'vuistregel' gesproken, en gewaarschuwd tegen verabsolutering daarvan
eraard evenzeer ondenkbaar dat, gelet op de ook daar ontelbare keuzemogelijkheden en de overwegende invloed van de persoonsgebonden inzichten, expertise en analyse bij dit onderzoeken en) selecteren twee onafhankelijk van elkaar werkzame (teams van) wetenschappers tot een resultaat gekomen zouden zijn dat (in relevante mate) zouden overeenstemmen. Onderdeel 2 4.15. Onderdeel 2 gaat, als gezegd,
van de veronderstelling dat het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting is
gegaan, maar klaagt dan over ontoereikende motivering. 4.16. Subonderdeel 2.a verwijt het hof dat het onvoldoende heeft gerespondeerd op Technips volgende (expliciet bij het Van Dale/Romme-arrest aansluitende) stellingen: - (i) het kinetische schema veel meer is dan een verzameling objectieve, feitelijke gegevens, omdat het - op basis van intensieve en langdurige onderzoeken - de persoonlijke ervaringen, inzichten en visie van de maker ([A] c.s.) tot
drukking brengt ; - (ii) het creatieve, oorspronkelijke en persoonlijke karakter van het kinetisch schema is gelegen in de - door het analytisch vermogen en de persoonlijke veronderstellingen en beoordelingen bepaalde - selectie
de ontelbare, potentieel relevante reactievergelijkingen; - (iii) dat ondenkbaar is dat twee onafhankelijk van elkaar ontwikkelde modellen/schema's overeenstemmen. 4.17. De klachten met betrekking tot de onder (
de 'ontelbare, potentieel relevante reactievergelijkingen', dringt zich wederom een vergelijking op met de Van Dale/Romme-zaak (zie hierboven nr. 4.10.2). 4.
drukking komende selectie
eindelijk heeft plaatsgevonden op de basis van een subjectieve beoordeling.
het bestreden arrest blijkt volgens het subonderdeel immers niet, althans onvoldoende, wélke stelling(
slagen van empirisch onderzoek worden opgenomen, de maker daaruit geen subjectieve keuze kan maken. 4.20. Ook dit subonderdeel kan niet tot cassatie leiden. Ik wijs erop dat de
leg van de processtukken is voorbehouden aan de feitenrechter. Dat het hof in (een of meer van) de door subonderdeel 2.b aangehaalde stellingnamen zijdens [verweerder] een voldoende betwisting heeft gelezen dat de in het kinetisch schema tot
drukking komende selectie
eindelijk heeft plaatsgevonden op de basis van een subjectieve beoordeling - om vervolgens in samenhang met de motivering in rov. 4.5 aan de hand van de beoordeling van de verklaringen van [betrokkene 1] tot het oordeel te komen dat, kort gezegd, de op auteursrecht op de selectie
het kinetisch schema gebaseerde grondslag voor vordering I in conventie onvoldoende aannemelijke te achten - is niet onbegrijpelijk. Ik denk daarbij in het bijzonder aan de in het subonderdeel onder (
komst'; de vereisten van een 'goed experimenteel programma' en 'significante inspanningen'; de afhankelijkheid van 'het expertiseniveau en analysevermogen van de betrokken onderzoekers' en 'verfijnen tot de gewenste precisie'. 4.22. Ook de
leg die het hof aan de verklaringen van [betrokkene 1] heeft gegeven kan in cassatie niet op juistheid, doch slechts op begrijpelijkheid worden getoetst. Voor zover het subonderdeel het hof een onbegrijpelijke
leg verwijt, deel ik die opvatting niet. Ook ten aanzien van de door het onderdeel aangehaalde strofen
de tweede verklaring van [betrokkene 1] (d.d. 11 februari 2004) heeft het hof niet onbegrijpelijk kunnen oordelen dat daaruit niet meer volgt dan het in rov. 4.5 heeft aangegeven, en dat in de verklaring van [betrokkene 1] ook niet besloten ligt dat de beoordeling van de maker van de selectie subjectief is. Ik herinner in dit verband mede aan het - aan de feitenrechter voorbehouden - gebied waarop door redelijke mensen verschillend gedacht kan worden over een overwegend objectief dan wel overwegend subjectief karakter van een bepaalde selectie (hierboven nr. 4.10.2) en aan de in dit verband te trekken parallel met de inzet van het Van Dale/Romme-arrest (hierboven nr. 4.10.1). 4.23. Aan het slot van de bespreking van onderdeel 2 merk ik nog op dat blijkens HR 29 juni 2001 (Vijf spellen)
drukkelijk dergelijke nadere voorlichting en/of bewijslevering is aangeboden. Mede blijkens de klachten van de onderdelen 1 en 2 is het hof in deze motiveringsplicht tekortgeschoten, nu 's hofs - apodictisch geformuleerde - rov. 4.6 en 4.7 geen enkel inzicht bieden in de aard van de door het hof gevoelde twijfel resp. gemiste gegevens inzake het 'werk'-karakter resp. van de gestelde onmogelijkheid van nader feitelijk onderzoek binnen dit kort geding. Het onderdeel voert nog aan dat net als in de zaak Vredo/Veenhuis gold ten aanzien van een gestelde inbreuk op octrooirecht, in de hier gegeven omstandigheden gesteld is dat de dreigende inbreuk door [verweerder] op het (gestelde) auteursrecht van Technip - nu de integriteit van dat recht immers onbetwist van wezenlijke betekenis is voor haar bedrijfsvoering en concurrentiepositie - tot voor Technip zeer nadelige en niet of nauwelijks herstelbare gevolgen zal leiden. 4.
eindelijk heeft plaatsgevonden op de basis van een subjectieve beoordeling, gebaseerd op de kennis, het inzicht en de ervaring van de maker.' In rov. 4.4 oordeelt het hof dat, en in rov. 4.5 motiveert het hof waarom, de verklaringen van [betrokkene 1] het oordeel van de voorzieningenrechter niet kunnen dragen. In rov. 4.6 oordeelt het hof ook onjuist de pijler dat [verweerder] niet voldoende heeft betwist dat de selectie van componenten en reacties die in het kinetisch schema tot
drukking zijn gekomen,
eindelijk heeft plaatsgevonden op de basis van een subjectieve beoordeling, gebaseerd op de kennis, het inzicht en de ervaring van de maker. 4.25.2. Nu gaat het in 's hofs rov. 4.5, bij de bespreking van de verklaringen van [betrokkene 1], niet om een 'sideline', maar om de kern van het auteursrechtelijk debat. Ter motivering van haar stelling dat het kinetisch schema aan de werktoets voldeed had Technip - in haar systeem vanzelfsprekend - immers één- en andermaal gesteld dat daarin de persoonlijke visie van de maker tot
drukking was gebracht (vgl. dagvaarding sub 4.4, 5.4; pleitnota in eerste aanleg sub 4.2; MvA sub 2.4, 3.1, 3.3). Het was, naast de betwisting door [verweerder] zelf, de door [verweerder] in het geding gebrachte eerste verklaring van [betrokkene 1] d.d. 29 januari 2004 die hieromtrent - zacht gezegd - twijfel kon doen rijzen. Dat moet voor Technip aanleiding zijn geweest om aan [betrokkene 1] een tweede verklaring te vragen, die van 11 februari
sluitsel konden geven, het hof hetzij zelf tot (nadere) bestudering van het betrokken, omvangrijke kinetisch schema zou dienen over te gaan, vermoedelijk in vergelijking tot andere kinetische schemata en verdere literatuur, en zulks tegen de achtergrond van de - volgens Technip talloze - chemische reactievergelijkingen; en/of een deskundigenbericht zou dienen te bevelen. Nadat het hof zich, als gezegd, aan de hand van de op de stellingen van Technip betrekking hebbende door partijen overgelegde verklaringen wel degelijk over de kernvraag had
gelaten, kon het m.i. gevoeglijk en zonder daaraan nog een expliciete overweging te wijden een zodanige nadere ronde voor dit kort geding te belastend oordelen, zowel in conventie als in reconventie. Ik teken hierbij nog aan dat het voor Technip mogelijk was geweest (en ook wel op haar weg gelegen had) om eerder in eerste aanleg en/of in hoger beroep te trachten een of meer haar standpunt (wél) ondersteunende verklaringen van deskundigen
te lokken, maar dat zij dit niet gedaan heeft (of daarin niet geslaagd is). Ik teken voorts aan dat Technip zelf bij dagvaarding (sub 4.1) had gesteld: 'In het kader van een kort geding bestaat voor discussie over auteursrechten slechts beperkte ruimte.' 4.
dat boek zijn hier niet overgenomen. 4 Vgl. de aanhef van onderdeel 1. 5 Vgl. de citaten in nr. 4.5
Spoor/Verkade/Visser, a.w.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.