Nr. 00845/05 Mr. Knigge Zitting: 03 januari 2006 Conclusie inzake: [verdachte]
(1), blijkt uit het proces-verbaal van de zitting van het Hof van 30 september 2004 niet dat dit verweer in hoger beroep is herhaald. Het Hof was dan ook - anders dan de steller van het middel kennelijk meent - niet gehouden hier uitdrukkelijk op in te gaan (zie o.m. HR 7 mei 2002, NJ 2002, 428).
- Voorzover de steller van het middel wil betogen dat het op bed duwen geen geweld in de zin van art. 242 Sr oplevert, zij opgemerkt dat de afgrenzing tussen "geweld" en "een andere feitelijkheid" afhankelijk is van de aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval (zie HR 3 november 1998, NJ 1999, 125). Het kennelijk oordeel van het Hof dat het op bed duwen van het slachtoffer geweld oplevert in de zin van art. 242 Sr, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
- Voorts wordt in de toelichting op het middel geklaagd dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat het slachtoffer de verdachte heeft verzocht te stoppen.
- Uit de bewijsmiddelen, waaronder in het bijzonder bewijsmiddel 3 (inhoudende dat het slachtoffer heeft gezegd dat zij zich niet uit wilde kleden) en bewijsmiddel 6 (inhoudende dat het slachtoffer tegenover [betrokkene 1] heeft verklaard dat zij tegen de verdachte heeft gezegd dat ze niet wilde), kan worden afgeleid dat het slachtoffer de verdachte duidelijk heeft gemaakt dat zij de seksuele handelingen tegen haar wil onderging en dat hij derhalve diende te stoppen. Voorzover evenwel de bewezenverklaring zo moet worden uitgelegd dat daarin tot uitdrukking is gebracht dat het slachtoffer de verdachte expliciet - met zoveel woorden - heeft verzocht om te stoppen, wijst de steller van het middel er op zich terecht op dat dit onderdeel van de bewezenverklaring niet wordt gedragen door de gebezigde bewijsmiddelen. Om een wezenlijk onderdeel van de bewezenverklaring gaat het dan echter niet. Daarom mag het ervoor gehouden worden dat het Hof dit onderdeel als gevolg van een kennelijke vergissing in de bewezenverklaring heeft opgenomen en kan de Hoge Raad - nu de aard en de ernst van het bewezenverklaarde daardoor niet wordt aangetast - de bewezenverklaring lezen met herstel van deze misslag. Daardoor komt aan het middel de feitelijke grondslag te ontvallen (zie o.m. HR 18 januari 2005, LJN: AR4883)