Rolnummer C04/260HR mr. De Vries Lentsch-Kostense Zitting 13 januari 2006 Conclusie inzake [de vrouw] tegen [de man] Inleiding 1. Partijen (verder: de vrouw en de man) zijn gewezen echtgenoten. Zij zijn huwelijkse voorwaarden houdende een Amsterdams verrekenbeding overeengekomen; tussen hen heeft nimmer verrekening plaatsgevonden. In cassatie is slechts aan de orde de vordering van de vrouw tot verrekening van (een evenredig deel) van de waarde van de (voormalige) echtelijke woning die de man staande huwelijk uit de nalatenschap van zijn moeder heeft verkregen tegen voldoening van een vordering wegens overbedeling; de vrouw baseert haar vordering op de stelling dat deze vordering wegens overbedeling is voldaan uit overgespaarde inkomsten. Het hof heeft vooropgesteld dat geen der partijen heeft aangetoond uit welke bronnen de vordering tot overbedeling is betaald, zodat het bedrag waarmee deze vordering is voldaan in beginsel als onverteerd inkomen dient te worden aangemerkt tenzij uit de eisen van de redelijkheid en billijkheid in het licht van de verrekenplicht voortvloeit dat dit bewijsvermoeden niet geldt; het heeft vervolgens geoordeeld dat de redelijkheid en billijkheid zich ertegen verzetten uit te gaan van dit bewijsvermoeden op de grond dat aannemelijk is dat de vrouw de administratie van partijen voerde en de vrouw is tekortgeschoten in de administratieve vastlegging waardoor de man in een zeer moeilijke bewijspositie is komen te verkeren; het hof is tot de slotsom gekomen dat het redelijk en billijk is dat de waardestijging van de woning alleen toekomt aan de man. Hiertegen richt zich het cassatiemiddel. 2. Tussen partijen staat het volgende vast (zie rechtsoverweging 1 van het bestreden arrest in verbinding met de rechtsoverwegingen 1.1-1.4 onderscheidenlijk 4-5 van de vonnissen van de rechtbank van 1 november 2000 en 9 januari 2002):
(2000), p. 94-95; zie ook de Nota naar aanleiding van het verslag, Tweede Kamer 2000-2001, 27 554, nr. 5, p. 7. Geconcludeerd kan dan ook worden dat, zoals het hof kennelijk ook tot uitgangspunt heeft genomen, de vrouw aanspraak kan maken op verrekening van een evenredig deel van de waardestijging van de woning ingeval aangenomen moet worden dat de vordering wegens overbedeling mede uit overgespaarde inkomsten is gefinancierd en dat - anders dan de rechtbank oordeelde - verrekening niet is uitgesloten op de enkele grond dat de man de woning krachtens erfrecht heeft verkregen; zou verrekening reeds zijn uitgesloten op de grond dat de man de woning krachtens erfrecht heeft verkregen, zoals de rechtbank oordeelde, dan zou het de vrouw ontbreken aan belang bij de door haar in cassatie aangevoerde klachten. 11. Middelonderdeel 1 keert zich tegen 's hofs oordeel, vervat in rechtsoverweging 3, dat geen der partijen heeft aangetoond uit welke bronnen het bedrag van f 18.770,80 is voldaan; het klaagt dat dit oordeel onbegrijpelijk is en/of ontoereikend gemotiveerd. Het middelonderdeel voert in dit verband aan dat de man uitdrukkelijk heeft aangegeven uit welke bronnen de overbedelingsvordering is voldaan, dat de vrouw daarop - uitgaande van de juistheid van deze stellingen - het standpunt heeft ingenomen dat al deze geldstromen uiteindelijk moeten worden geacht uit overgespaard inkomen te zijn gefinancierd en dat de man deze stellingname van de vrouw niet gemotiveerd heeft betwist, althans geen argumenten heeft aangevoerd die voor de hier aan de orde zijnde verrekening rechtens relevant zijn; het middelonderdeel klaagt dat het hof als tussen partijen vaststaand had moeten aannemen dat de door de man gestelde geldstromen (uiteindelijk) moeten worden geacht uit overgespaard inkomen te zijn gefinancierd. 12. Vooropgesteld zij dat het hof, waar het spreekt van "bronnen waaruit de overbedelingsvordering is voldaan", onmiskenbaar het oog heeft gehad op de vraag of deze vordering al dan niet uit overgespaarde inkomsten is gefinancierd en dat het hof niet heeft miskend dat de vrouw - na kennisneming van de stellingen van de man - uitgaande van de juistheid van de stellingen van de man heeft geconcludeerd dat de overbedelingsvordering geacht moet worden te zijn voldaan uit overgespaarde inkomsten. Dat het laatste het geval is, is evenwel door de man betwist: zowel in eerste aanleg als in appel heeft de man aan zijn eigen lezing de (gemotiveerde) conclusie verbonden dat bij deze financiering geen sprake is geweest van het aanwenden van overgespaard inkomen (zie akte na comparitie, nr. 3-4; memorie van antwoord tevens memorie van grieven in het incidenteel appel, nr. 11-14). Dat het hof de stellingen van de man heeft aangemerkt als een voldoende gemotiveerde betwisting van de stelling van de vrouw dat de overbedelingsvordering geacht moet worden te zijn is voldaan uit overgespaarde inkomsten, is niet onbegrijpelijk. Anders dan het middelonderdeel kennelijk wil betogen, kon het hof als een voldoende gemotiveerde betwisting kwalificeren de stelling van de man dat hij tijdelijk een bedrag van f 9.500,- heeft onttrokken aan zijn eenmanszaak en dat deze onttrekking later is aangevuld door middel van een hypotheek op de woning ten bedrage van f 90.000,-. Dat de man zich niet heeft uitgelaten over de wijze waarop de hypothecaire geldlening is afgelost en dat hij terzake van de "afbetaling" van de lening van een vriend steeds wisselende verklaringen heeft gegeven, behoefde, anders dan het onderdeel betoogt, voor het hof geen aanleiding te zijn om de stellingen van de vrouw als onvoldoende gemotiveerd betwist en daarmee als tussen partijen vaststaand te beschouwen. Hierbij zij aangetekend dat het in het beginsel aan de vrouw was om feiten en omstandigheden te stellen waaruit kan worden afgeleid dat de vordering wegens overbedeling uit overgespaarde inkomsten is voldaan. Middelonderdeel 1 treft dan ook geen doel. 13. De middelonderdelen 2-4 komen met diverse klachten op tegen 's hofs oordeel, vervat in rechtsoverweging 4, dat de redelijkheid en billijkheid zich ertegen verzetten dat van het bewijsvermoeden wordt uitgegaan dat de gelden die zijn genvesteerd in de onroerende zaak, aangemerkt dienen te worden als overgespaard inkomen; dit, nu het aannemelijk is dat de vrouw - die bij conclusie van repliek heeft erkend dat zij in het begin van het huwelijk de boekhouding van de man heeft gedaan - in de periode waarin de zaak werd verkregen, de administratie van haarzelf en van de man voerde en in de gegeven omstandigheden van de vrouw had mogen worden verlangd dat zij op deugdelijke wijze de geldstromen voor beide partijen zou vastleggen, doch de vrouw in de administratieve vastlegging is tekortgeschoten en de man daardoor in een zeer moeilijke bewijspositie is komen te verkeren. Middelonderdeel 2 komt op tegen 's hofs oordeel dat de vrouw in de betrokken periode de administratie van beide partijen voerde. Middelonderdeel 3 komt op tegen 's hofs oordeel dat de vrouw in de administratieve vastlegging is tekortgeschoten en dat de man daardoor in een zeer moeilijke bewijspositie is komen te verkeren. Middelonderdeel 4 bestrijdt als rechtens onjuist en/of onvoldoende gemotiveerd 's hofs oordeel dat in dit specifieke geval de redelijkheid en billijkheid zich ertegen verzetten dat van het bewijsvermoeden van art. 1:141 lid 3 BW wordt uitgegaan. Middelonderdeel 4.1 klaagt dat het hof allereerst heeft miskend dat afwijking van het bewijsvermoeden pas dan aan de orde is indien de procespartij die afwijking wenst, daarop een beroep doet, althans omstandigheden stelt die een dergelijke afwijking rechtvaardigen; het middelonderdeel betoogt dat de man in deze zaak niet meer dan een algemeen beroep op de redelijkheid en billijkheid heeft gedaan en slechts heeft gesteld dat partijen tijdens het huwelijk geen uitvoering hebben gegeven aan het verrekenbeding en dat een daarop gerichte administratie ontbreekt, een omstandigheid die op zichzelf genomen geen rechtvaardiging is om van de in art. 1:141 lid 3 BW neergelegde bewijsregel af te wijken omdat - aldus onderdeel 4.1 in samenhang met onderdeel 4.2 -
- i)de ratio van art. 141 lid 3 nu juist mede ligt besloten in de mogelijkheid om een tussen de echtgenoten geldend periodiek verrekenbeding bij het einde van het huwelijk af te wikkelen ondanks het feit dat partijen daaraan tijdens het huwelijk geen uitvoering hebben gegeven en ook geen administratie terzake zullen hebben gevoerd en
- ii)van de in art 141 lid 3 neergelegde bewijsregel eerst kan worden afgeweken indien dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en de omvang van de verrekenplicht voortvloeit. Middelonderdeel 4.3 bevat de subsidiaire klacht dat afwijking van de bewijsregel op de door het hof genoemde grond eerst mogelijk is indien de administrerende echtgenoot van het tekortschieten een verwijt kan worden gemaakt, in welk verband het middelonderdeel - onder verwijzing naar middelonderdeel 2.2 - betoogt dat gesteld noch gebleken is dat de vrouw verwijtbaar is tekortgeschoten in het voeren van een deugdelijke administratie. 14. Bij de beoordeling van deze cassatieklachten moet het volgende worden vooropgesteld. Zoals het middelonderdeel terecht aanneemt, diende het hof bij zijn bestreden oordeel uit te gaan van de toepasselijkheid van art. 1:141 lid 3 BW dat overigens in essentie het voordien geldende recht weergeeft; zie het hiervoor onder 9 besproken arrest van 26 oktober 2001, NJ 2002, 93, m.nt. WMK. Zoals hiervoor reeds aangehaald, bepaalt het derde lid van dit wetsartikel dat indien bij het einde van huwelijk aan een bij huwelijkse voorwaarden overeengekomen periodieke verrekenplicht als bedoeld in het eerste lid niet is voldaan, het alsdan aanwezige vermogen wordt vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van de redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en de omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit. Het hof is klaarblijkelijk ook van toepasselijkheid van deze bepaling uitgegaan getuige zijn overweging dat het bedrag van f 18.770, 80 als onverteerd inkomen dient te worden aangemerkt tenzij uit de eisen van de redelijkheid en billijkheid in het licht van de verrekenplicht anders voortvloeit, al spreekt het hof van "in het licht van de verrekenplicht" en niet van "in het licht van de aard en de omvang van de verrekenplicht". De op de redelijkheid en billijkheid gebaseerde uitzonderingsclausule van het derde lid van art. 141 is bij Nota van wijziging toegevoegd naar aanleiding van vragen van de vaste commissie voor Justitie van de Tweede Kamer met betrekking tot de aanvankelijk voorgestelde tekst, waarin geen uitzonderingsclausule voorkwam. De commissie vroeg - onder verwijzing naar het advies van de Raad van State - of het geen aanbeveling verdient om uitdrukkelijk te bepalen dat het vermoeden van art. 141 lid 3 niet geldt ten aanzien van vermogen dat ingevolge art. 1:134 (inhoudende dat geen verrekening plaatsvindt ten aanzien van goederen waaraan een uitsluitingsclausule is verbonden) buiten de verrekening blijft, bij welke beantwoording zij betrokken wilde zien de door Luijten (WPNR 6432, 2001, p. 99 r.k.) gestelde vraag waarom bij verrekening van inkomsten ervan moet worden uitgegaan dat het aanwezige vermogen is ontstaan uit inkomsten. Deze vraag is in door de staatssecretaris als volgt beantwoord in de Nota naar aanleiding van het verslag (Tweede Kamer, vergaderjaar 2001-2002, 27 554, nr. 5, p. 12-13): "In het nader rapport is aangegeven dat het vermoeden van artikel 141, derde lid, zowel geldt ten aanzien van aangebracht vermogen als ten aanzien van vermogen dat onder uitsluitingsclausule krachtens erfrecht of schenking verkregen is. Dat betekent dat een echtgenoot die stelt dat een deel van het vermogen krachtens erfrecht of schenking onder uitsluitingsclausule verkregen is of die stelt dat het aangebracht vermogen betreft, dat dient aan te tonen. In het omgekeerde geval (zoals, voor zover het krachtens erfrecht of schenking verkregen vermogen betreft, bepleit door de Raad van State) zou de andere echtgenoot dienen aan te tonen dat vermogen, waarvan door de ene echtgenoot gesteld wordt dat het aangebracht of krachtens erfrecht of schenking onder uitsluitingsclausule verkregen is, tot het te verrekenen vermogen behoort. In feite gaat de wet ervan uit dat, als periodieke verrekening niet heeft plaatsgevonden deze zich aan het einde van het huwelijk of geregistreerd partnerschap oplost in een finaal verrekenbeding. Ik geef toe dat, als het alsdan aanwezige vermogen grotendeels betrekking heeft op aangebracht en/of krachtens erfrecht of schenking onder uitsluitingsclausule verkregen vermogen, terwijl er uitsluitend een periodiek verrekenbeding met betrekking tot arbeidsinkomsten (die van veel geringere omvang bleken te zijn) is overeengekomen, de aard en de waarschijnlijke omvang van de verrekenverplichting bij de bewijslastverdeling een rol zouden behoren te spelen (..). Ik stel daarom voor het bewijsvermoeden van artikel 141, derde lid, te verzachten door daarop een uitzondering te formuleren. De rechter wordt daarmee een handvat geboden om, indien de aard en omvang van de verrekenverplichting daartoe aanleiding geeft, de bewijslast anders te verdelen. Met deze uitzondering wordt ook tegemoet gekomen aan de wens van de commissie om artikel 134 van het bewijsvermoeden uit te sluiten, zij het dat het geen dwingendrechtelijke uitsluiting betreft." 15. Uit de wettekst en de hiervoor geciteerde passage uit de parlementaire geschiedenis volgt dat de op de redelijkheid en billijkheid gebaseerde uitzondering op het in art. 1:141 lid 3 neergelegde bewijsvermoeden betrekking dient te hebben op de aard en omvang van de verrekenplicht, waarbij in het bijzonder moet worden gedacht aan het geval dat de te verrekenen arbeidsinkomsten veel geringer in omvang zijn dan hetgeen onder een uitsluitingsclausule krachtens erfrecht is verkregen. Dat geval doet zich in de onderhavige zaak niet voor, niet alleen omdat het verrekenbeding ook de inkomsten uit vermogen omvat en de aanwezigheid van een uitsluitingsclausule is gesteld noch gebleken, maar ook omdat de erfrechtelijke verkrijging van de man - die zoals onder 9 is betoogd slechts een deel van de geschatte waarde van de woning bedroeg (f 2.229,20 van de geschatte waarde van f 25.000,-) - niet het grootste deel van het ten tijde van de echtscheiding aanwezige vermogen uitmaakt. De omstandigheid die het hof ten grondslag heeft gelegd aan zijn oordeel dat van het bewijsvermoeden moet worden afgeweken, te weten dat de vrouw naar 's hofs (in cassatie overigens) bestreden oordeel is tekortgeschoten in de administratieve verslagging waarvoor zij verantwoordelijk kon worden gehouden, houdt geen verband met de aard en de omvang van de verrekenplicht en kan derhalve 's hofs oordeel dat moet worden afgeweken van het bewijsvermoeden als neergelegd in art. 1:141 lid 3 niet dragen. Met zijn oordeel ziet het hof overigens eraan voorbij dat het bewijsvermoeden van art. 141 lid 3 een wezenlijk onderdeel vormt van hetgeen geldt - voorheen krachtens jurisprudentie en thans ingevolge de nieuwe wettelijke regeling inzake verrekenbedingen - voor de afwikkeling van periodieke verrekenbedingen waaraan tijdens het huwelijk geen uitvoering is gegeven en ter zake waarvan partijen ook niet een zodanige administratie hebben bijgehouden dat de verdeling in overeenstemming met de strekking van hun verrekenbeding nog zou kunnen plaatsvinden; het komt mij voor dat de door het hof gevolgde gedachtegang geen recht doet aan de omstandigheid dat de rechtvaardiging van bedoelde regels, zoals hiervoor onder 9 gezegd, daarin ligt dat wordt aangesloten bij het feit dat de echtgenoten zelf ervoor hebben gekozen geen uitvoering te geven aan hetgeen in de huwelijkse voorwaarden was bepaald, een keuze die los staat van de vraag aan wie van beide echtgenoten het voeren van de administraties was opgedragen. Naar mijn oordeel verzet ook de hanteerbaarheid van het systeem zich tegen de door het hof geformuleerde uitzondering op het bewijsvermoeden van art. 141 lid 3 BW. Middelonderdeel 4 klaagt in zoverre terecht dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. 's Hofs arrest kan niet in stand blijven en verwijzing zal moeten volgen; de overige cassatieklachten vervat in middelonderdeel 4 en in de middelonderdelen 2 en 3 behoeven naar mijn oordeel bij gebrek aan belang geen behandeling meer. Conclusie De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing ter verdere behandeling en beslissing. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden