7.4, alsmede in de memorie na tussenarrest, eerste alinea, uitdrukkelijk op ongeldigheid van het bindend advies heeft beroepen (zie de cassatiedagvaarding, in het bijzonder onder 21). Het middel betoogt dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting heeft blijk gegeven als het van oordeel zou zijn geweest dat voor rechterlijke vernietiging van het bindend advies een uitdrukkelijke, daarop gerichte vordering was vereist (zie de cassatiedagvaarding, in het bijzonder onder 21, derde volzin), en dat het hof in het andere geval zijn beslissing dat [eiser] geen beroep in rechte op de vernietigingsgrond van art. 7:904 lid 1 BW heeft gedaan, niet naar behoren heeft gemotiveerd (zie de cassatiedagvaarding, in het bijzonder onder 22, laatste volzin). Ten slotte klaagt het middel (in de cassatiedagvaarding onder 23) dat het hof althans heeft miskend dat het gestelde in de memorie van grieven onder 7.
7.4, alsmede in de memorie na tussenarrest, eerste alinea, (mede) een buitengerechtelijke verklaring als bedoeld in art. 3:50 lid 1 BW belichaamt. 2.7 Bij de beoordeling van het middel stel ik voorop dat [eiser] daaraan terecht ten grondslag heeft gelegd dat vernietiging van een rechtshandeling bij rechterlijke uitspraak niet noodzakelijkerwijs een daarop gerichte vordering vooronderstelt en dat voor een dergelijke vernietiging de aanvaarding van "een beroep in rechte op een vernietigingsgrond" volstaat (art. 3:51 BW). Een dergelijk beroep kan de vorm van een vordering aannemen (art. 3:51 lid 2 BW), maar kan ook zijn vervat in een verweer ter afwering van een op de rechtshandeling steunende vordering of andere rechtsmaatregel (art. 3:51 lid 3 BW; vergelijk HR 25 oktober 1997, NJ 1997, 68, waarin de bepaling - in het kader van een verzoekschriftprocedure - toepassing vond ten aanzien van het antwoord op een verweer van de wederpartij dat op de vernietigbare rechtshandeling was gegrond). Voorts kan aan [eiser] worden toegegeven dat rov. 11 minst genomen twijfel oproept of het hof zulks niet heeft miskend, waar het enerzijds heeft vastgesteld dat "[eiser] (...) in hoger beroep wel vraagtekens bij de geldigheid van een en ander (o.a. in de memorie van grieven 4.6 en 4.7) (zet)", maar anderzijds heeft geoordeeld dat [eiser], ook nadat hij bij tussenarrest in de gelegenheid was gesteld op de stellingen ter zake van VTN te reageren, "zodanige vorderingen (met welke term het hof kennelijk aan de in de tweede volzin van rov. 11 bedoelde aantasting van de vaststellingsovereenkomst of van het bindend advies refereerde) niet heeft ingesteld, zodat het hof daaromtrent geen uitspraak kan doen" (rov. 11, derde volzin). Zou het hof hebben bedoeld dat hetgeen [eiser] omtrent de geldigheid van het bindend advies heeft aangevoerd, niet relevant is, zolang dit niet de vorm van een op vernietiging van dit advies gerichte vordering heeft aangenomen, zou het inderdaad van een onjuiste rechtsopvatting blijk hebben gegeven. 2.8 Er is ook een andere lezing van rov. 11 mogelijk. Na in de tweede volzin van die rechtsoverweging van het aantasten van de vaststellingsovereenkomst, bijvoorbeeld op grond van dwaling, dan wel van het bindend advies langs de weg van art. 7:904 BW te hebben gesproken, heeft het hof met de term "zodanige vorderingen" in de derde volzin mogelijk mede het oog gehad op een voor het bewerkstelligen van vernietiging door rechterlijke tussenkomst toereikend beroep in rechte op een vernietigingsgrond, voor zover daaraan niet de vorm van een rechtsvordering is gegeven. Het bestreden oordeel dient in dat geval aldus te worden verstaan dat, wat het bindend advies betreft, het hof in de stellingen van [eiser] niet heeft gelezen dat deze zich heeft beroepen op de vernietigingsgrond van art. 7:904 BW, te weten dat gebondendheid aan het advies in verband met inhoud of wijze van totstandkoming daarvan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Het middel heeft echter ook het aldus opgevatte oordeel van het hof bestreden en daartoe aangevoerd dat het feit dat [eiser] ook ná het bindend advies bij zijn vordering volhardde en zich daarenboven in § 7.
.4 van de memorie van grieven en in de eerste alinea van de memorie na tussenarrest op de ongeldigheid van het bindend advies heeft beroepen, een toereikend beroep op vernietiging in rechte impliceerde. 2.9 Ik deel niet de opvatting van het middel dat reeds het enkele handhaven van de oorspronkelijke vordering van [eiser] een beroep in rechte op een vernietigingsgrond met betrekking tot het bindend advies impliceerde, nu de gehandhaafde vordering slechts toewijsbaar was als [eiser] niet aan het advies van de commissarissen van de voormalige Groenteveiling Westland zou zijn gebonden. Het enkele feit dat vernietiging van het bindend advies voor het welslagen van de vordering van [eiser] noodzakelijk was, brengt immers nog niet met zich dat [eiser], door bij zijn vordering te volharden, ook moet worden geacht het voor rechterlijke vernietiging van het bindend advies vereiste beroep in rechte te hebben gedaan. Voor zover [eiser] zich op het standpunt heeft gesteld dat een beroep op de wettelijke vernietigingsgrond (mede) is gelegen in § 7.
.4 van de memorie van grieven en in de eerste alinea van de memorie na tussenarrest, wijs ik er allereerst op dat § 7.
.4 van de memorie van grieven onderdeel vormen van de toelichting op de vierde grief van [eiser], volgens welke de rechtbank zou hebben miskend dat (het door het hof hoe dan ook niet van toepassing geachte) art. 34 van de statuten van Groenteveiling Westland (en niet het op grond van een daartoe strekkende vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen bindend advies) met de redelijkheid en de billijkheid in strijd zou zijn. In § 7.3 van de memorie van grieven heeft [eiser] gewezen op het bezwaar dat in de opzet van art. 34 van de statuten van Groenteveiling Westland geschillen tussen leden en de coöperatie feitelijk door de coöperatie worden beslist, en dat de bepaling om die reden met de redelijkheid en billijkheid in strijd zou zijn. Nog daargelaten dat deze argumentatie is gericht tegen een door het hof niet van toepassing geachte statutaire bepaling van de voormalige Groenteveiling Westland (en niet tegen het op grond van een daartoe strekkende vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen bindend advies), schiet zij al daarom in het licht van art. 7:904 lid 1 BW tekort, omdat de wet zich niet a priori tegen een bindende partijbeslissing verzet (vergelijk art. 7:900 lid 2 BW). In § 7.4 van de memorie van grieven heeft [eiser] zich op het standpunt gesteld dat de statutaire rechtsgang niet met voldoende waarborgen is omkleed, en in dat verband volstaan met een verwijzing naar een vonnis van de president van de rechtbank 's-Gravenhage van 7 juli 1995 over een (volgens [eiser]) gelijke bepaling in de statuten van Coöperatie Bloemenveiling Holland B.A. (productie 1 bij de conclusie van repliek). Dat, zoals [eiser] heeft betoogd, het in die uitspraak om een gelijke bepaling gaat als (het door het hof overigens niet van toepassing geachte) art. 34 van de statuten van Groenteveiling Westland, blijkt niet uit de genoemde uitspraak; daarin is (onder 2) slechts sprake van een ingevolge het veilingreglement bestaande mogelijkheid van beroep tegen het litigieuze besluit van de betrokken veiling bij het bestuur. De president oordeelde dat "(v)oor niet-ontvankelijkheid van (eiser) op grond van de voor hem krachtens het veilingreglement openstaande beroepsmogelijkheid (...) geen aanleiding (bestaat), al was het maar omdat deze rechtsgang niet als met voldoende waarborgen omkleed kan worden beschouwd", zonder daarbij aan te geven in welke opzichten de bedoelde beroepsmogelijkheid tekortschoot. De door de president gebruikte formuleringen doen denken aan de in de rechtspraak ontwikkelde leer dat de burgerlijke rechter bevoegd is kennis te nemen van vorderingen waaraan de eiser ten grondslag heeft gelegd dat jegens hem een onrechtmatige daad is gepleegd, maar de eiser niettemin niet-ontvankelijk dient te verklaren, wanneer, kort gezegd, langs bestuursrechtelijke weg (en meer in het bijzonder door de bestuursrechter) voldoende rechtsbescherming wordt geboden
7.4, alsmede in de memorie na tussenarrest, eerste alinea, althans een buitengerechtelijke vernietiging van het bindend advies is vervat. Nog daargelaten of VTN hetgeen in rechte is betoogd redelijkerwijs als een buitengerechtelijke verklaring moest opvatten en nog daargelaten of [eiser] zich ten overstaan van het hof überhaupt op een buitengerechtelijke vernietiging van het bindend advies heeft beroepen (als dat niet zo is, zou in zoverre van een ontoelaatbaar novum in cassatie sprake zijn), geldt mijns inziens ook voor de buitengerechtelijke verklaring dat daaruit duidelijk moet blijken op welke rechtshandeling zij betrekking heeft, dat de betrokkene zich van zijn gebondenheid aan die rechtshandeling wil bevrijden en waarom de betrokkene meent daartoe gerechtigd te zijn. De door het middel bedoelde passages in de processtukken schieten in deze opzichten te kort, om dezelfde redenen als hiervoor bij de bespreking van het standpunt van [eiser] dat hij zich in rechte naar behoren op de vernietigingsgrond van art. 7:904 lid 1 BW heeft beroepen, reeds aan de orde kwam. Ook in zoverre kan het tweede middel daarom niet tot cassatie leiden. 2.12 De cassatieklachten van [eiser] richten zich slechts tegen het eindarrest van het hof, terwijl het cassatieberoep mede tegen het tussenarrest is ingesteld. [Eiser] zal in zijn beroep, voor zover dit tegen het tussenarrest is gericht, daarom niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, terwijl zijn beroep voor het overige zal moeten worden verworpen.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.