Nr. 01190/05 B Mr. Knigge Zitting: 4 april 2006 Conclusie inzake: [klaagster]
(2)"De formulering van het voorgestelde nieuwe derde lid van artikel 94a geeft aan in welke gevallen, naast de gevallen bedoeld in het eerste en tweede lid, beslag kan worden gelegd bij derden die te kwader trouw voorwerpen onder zich hebben genomen of vervreemd. Het gaat daarbij niet alleen om voorwerpen die onmiddellijk afkomstig zijn van het misdrijf. Ook voorwerpen die in niet rechtstreeks verband staan met het misdrijf zijn voor beslag vatbaar. Te denken valt bijvoorbeeld aan de met de opbrengsten van het misdrijf gekochte auto, die is gaan toebehoren aan de ander. Bij het middellijk verband valt eveneens te denken aan de vruchten van het onmiddellijk of middellijk van misdrijf afkomstige voorwerp. Voorts moet bij middellijkheid gedacht worden aan het geval waarin de ander het voorwerp niet meer heeft, bijvoorbeeld doordat hij het heeft doorverkocht. Dan kan beslag gelegd worden op de opbrengst of een ander voorwerp dat ervoor in de plaats is gesteld. Ook voorwerpen die gedeeltelijk met wederrechtelijk verkregen middelen zijn gefinancierd en gedeeltelijk met legale middelen, zijn "middellijk" van misdrijf afkomstig. Waar het om gaat is dat het beoogde voorwerp geheel of gedeeltelijk, rechtstreeks of via verschillende schakels, te herleiden is tot het oorspronkelijk door het misdrijf verkregen voorwerp. Deze uitbreiding van de beslagmogelijkheden betekent dat ook aan een derde toebehorende onroerende zaken in beslag genomen kunnen worden ter bewaring van het recht tot verhaal. Door de plaatsing van deze uitbreiding van de voor beslag en uitwinning vatbare voorwerpen in artikel 94a, derde lid, is, vanwege artikel 94c, op deze voorwerpen hetzelfde regiem van toepassing als geldt voor het beslag op de in de twee eerste leden van artikel 94a bedoelde voorwerpen."
- Met deze verwijzing naar art. 94c Sv kan, alleen al vanwege de uit de onderstreepte passage blijkende bedoeling van de wetgever, niet beoogd zijn beslag uit te sluiten dat ex art. 94a lid 3 en 4 Sv beslag wordt gelegd op aan een ander toebehorende onroerende zaken. Dat art. 94c Sv - en daarmee de artt. 718 en 475 Rv - van toepassing zijn op een ex art. 94a lid 3 en lid 4 Sv gelegd beslag op voorwerpen die aan een ander toebehoren, lijkt er veeleer op te duiden dat dit beslag ook onder derden kan worden gelegd indien het voorwerp zich in handen van een derde blijkt te bevinden. Dit "echte" derdenbeslag (onder een derde die niet de in art. 94a lid 3 Sv bedoelde ander is) kan, zo volgt uit art. 475 Rv, zich niet uitstrekken tot onroerende zaken. Van een dergelijk derdenbeslag is evenwel als gezegd in casu geen sprake.
- Het middel faalt.
- Het derde middel stelt dat de beschikking van de Rechtbank onvoldoende met redenen is omkleed voor zover de Rechtbank heeft overwogen dat klaagster geweten moet hebben van de betalingen van grote bedragen door de Stichting aan [B].
- In dit verband heeft de Rechtbank het volgende overwogen (onderstreping, Kn): "Door klaagster wordt niet betwist dat per saldo een bedrag van Euro 199.680,-- aan haar - door middel van diverse overboekingen - is betaald door [B]. Ook wordt door haar niet betwist dat van dit geld in 2002 een bedrag van Euro 85.000 is gebruikt ter voldoening van de koopsom van het registergoed. In het "Verzoek last tot het leggen van conservatoir beslag op grond van een SF0 ex artikel 126 Sv." van 7 juni 2004 is aangegeven dat [betrokkene 1] en de Stichting met [B] hebben samengewerkt en dat uit misdrijf verkregen voordeel naar de rekening van [B] is overgemaakt. Klaagster heeft deze beweringen niet betwist of tegengesproken. Klaagster heeft ter zitting aangegeven dat zij niet op de hoogte is van de herkomst van genoemde bedragen nu zij haar geldzaken steeds aan [betrokkene 1] overliet. Zij heeft geen enkele aannemelijke verklaring kunnen geven voor genoemde betalingen aan haar. Klaagster was uit hoofde van haar functie als office-manager van de Stichting bevoegd tot het aangaan van iedere verplichting, zodat zij geweten moet hebben van de betalingen van grote bedragen van de Stichting aan [B]. Voor zover klaagster met haar verweer bedoelde dat sprake was van geleend geld van [B] oordeelt de rechtbank dat niet is gebleken van enige aflossing daarvan. Ook heeft zij aangegeven dat zij steeds met [betrokkene 1] heeft samengewoond en nog steeds samenwoont. Vanaf 1998 bewonen zij het registergoed, tot de aankoop in 2002 als huurders. [Betrokkene 1] heeft meegetekend voor de verlening van hypotheekrecht op het registergoed. Ter zitting heeft zij tevens aangegeven dat de beslissing tot scheiding van tafel en bed slechts was genomen om de gemeenschap van goederen op te heffen, in verband met eventueel toekomstige schulden. De officier van justitie heeft aangegeven dat hij slechts om opportuniteitsredenen de vervolging van klaagster heeft gestaakt. Op grond van hetgeen hiervoor overwogen is, is aan de vereisten van art. 94a lid 3 Sv voldaan."
- Ik stel voorop dat art. 94a lid 3 sub c Sv niet vereist dat de "ander" wist dat de voorwerpen afkomstig zijn van het misdrijf in verband waarmee het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden ontnomen, maar alleen dat die ander wist of redelijkerwijze kon vermoeden dat de voorwerpen afkomstig waren van enig misdrijf. Tot haar oordeel dat (ook) aan dit vereiste is voldaan, is de Rechtbank kunnen komen op grond van de in haar overwegingen vermelde feiten en omstandigheden. Het maakt daarbij niet uit of klaagster nu wel of niet van de betalingen heeft geweten. Anders gezegd: een dragend onderdeel van de motivering vormt de aangevallen passage niet. Reeds daarom zal het middel niet tot cassatie kunnen leiden. Overigens acht ik het feitelijke oordeel van de Rechtbank - verstaan in die zin dat aannemelijk is dat klaagster, in het bijzonder gelet op haar bevoegdheden als office manager, geweten heeft dat door de Stichting grote bedragen aan [B] zijn overgemaakt - niet onbegrijpelijk.
- Het middel faalt.
- Het vierde middel komt op tegen het niet responderen op de in het klaagschrift subsidiair ingenomen standpunt dat het beslag beperkt dient te worden tot een bedrag van € 199.680,-.
- Een als bijlage 9 aan het klaagschrift gehechte brief van de officier van Justitie van 21 september 2004 vermeldt voor zover hier relevant: "Het maximumbedrag van € 199.680,- heeft (enkel) betrekking op de beslaglegging ex art. 94a lid 4 Sv in de zaak [betrokkene 1] op goederen toebehorende aan [klaagster]."
- Het klaagschrift vermeldt onder 3.24 het volgende: "Tot slot hecht [klaagster] eraan subsidiair op te merken dat beperking in de Aanvraag machtiging aangegeven limiet (groot EUR 199.680,00) tot uitsluitend het geval waarin beslag wordt gelegd op de voet van het vierde lid van art. 94a Sv (zie tevens de daarop betrekking hebbende brief van de officier van justitie, bijlage 9) onterecht is. Zoals hiervoor (onder 3.5) reeds opgemerkt, kan de toepassing van het vierde lid van genoemd artikel niet los worden gezien van het derde lid van dat artikel; ook bij beslaglegging op de voet van het derde lid zou dat slechts mogelijk zijn tot ten hoogste genoemd bedrag, aangezien dat het bedrag weergeeft dat aan de ander zou zijn gaan toebehoren."
- Ik vermag niet in te zien waarom de Rechtbank op deze opmerking zou moeten responderen. In het klaagschrift is niet aangeven welke relevantie het opgemerkte heeft met betrekking tot enige in de onderhavige beklagprocedure te nemen beslissing. Tot opheffing van het beslag kan het opgemerkte in elk geval niet leiden.
- Ten overvloede wijs ik nog op het volgende. In zijn - zich bij de stukken bevindende en blijkens het proces-verbaal aan de Rechtbank overgelegde schriftelijke standpunt - merkt de officier van Justitie het volgende op: "Het in onderdeel 3.24 aangeduide wijst op een verkeerde interpretatie van mijn brief. In deze brief heb ik nog eens expliciet aangegeven dat het onderhavige beslag zijn rechtsgrond vindt in art. 94a lid 4 Sv. Niet meer maar ook niets minder. Wanneer de raadsvrouw daarin echter wil lezen dat ik daarmee tevens heb aangegeven dat de criteria zoals gesteld in art. 94a lid 3 Sv niet van toepassing zijn en/of dat genoemd maximum bedrag niet zou gelden wanneer beslag zou zijn gevolgd ex art. 94a lid 3 Sv (en dus i.c. op bedoelde bankrekening ten name van [klaagster] te Luxemburg) gaat zij daarmee voorbij aan de tekst van de brief en de juridische betekenis daarvan."
- In deze reactie op het verweerschrift onderschrijft de officier van justitie niet alleen dat beslaglegging ex art. 94a lid 4 Sv niet los kan worden gezien van het bepaalde in het derde lid van art. 94a Sv, maar ook dat de beperking tot het bedoelde maximumbedrag geldt ongeacht de precieze basis van het beslag. Daarover kan dus in redelijkheid geen misverstand hebben bestaan
- Het middel faalt.
- De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering
- Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden beschikking ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, AG 1 HR 11 oktober 1994, NJ 1995, 156, r.o. 5.5-5.6.; HR 29 november 1977, NJ 1978, 239 en HR 18 april 1944, NJ 1944,
- 2 Kamerstukken II 2001-2002, 28079, nr. 3, p. 19