ECLI:NL:PHR:2006:AX3069
Zaaknr. C05/098HR Mr. Huydecoper Zitting van 12 mei 2006 Conclusie inzake Kruidvat Retail B.V. eiseres tot cassatie tegen
Het ging, respectievelijk gaat, in beide procedures wel over hetzelfde verschijnsel: de verkoop, door de eiseres tot cassatie, Kruidvat, van producten - namelijk: luxe parfumerieën en schoonheidsproducten - die van de verweersters in cassatie, Lancôme c.s., afkomstig zijn, en die verhandeld worden buiten het stelsel van "erkende" distributeurs om waarlangs Lancôme c.s., met toepassing van zogenaamde "selectieve distributie", hun producten zelf aan het publiek in Nederland aanbieden.
Daarbij is tevens aan de orde dat de producten waar het om gaat worden ontdaan van de batch- en codenummers die Lancôme c.s., onder meer met het oog op het kunnen traceren van de herkomst van de desbetreffende producten, daarop (laten) aanbrengen; en dat partijen verdeeld zijn over de vraag of dit een ontoelaatbare aantasting van het "image" van deze producten oplevert, waardoor inbreuk wordt gemaakt op aan Lancôme c.s. toekomende merk- of auteursrechten.
Ter controle op de naleving van de zojuist aangeduide verplichtingen worden de producten waar het om gaat voorzien van controletekens ("streepjescode"), gecodeerd per product en per wederverkoper.
Namens Kruidvat is tijdig en regelmatig cassatieberoep ingesteld(8). Lancôme c.s. hebben laten concluderen tot verwerping. Van beide zijden zijn de standpunten schriftelijk toegelicht, en is er gerepliceerd respectievelijk gedupliceerd.
Bespreking van het cassatiemiddel
In dat verband (namelijk: in verband met het probleem dat Kruidvat niet zou kunnen vaststellen waar op de markt aangetroffen producten voor het eerst in het verkeer zijn gebracht) zijn de stellingen en vaststellingen die hier namens Kruidvat worden aangehaald, namelijk gedaan. Daarmee is natuurlijk niet gezegd dat voor alle producten en altijd geldt, dat de herkomst niet op grond van de loutere verpakking kan worden vastgesteld; en ook niet, dat Lancôme c.s. zelf niet af en toe de herkomst van een product zouden kunnen vaststellen, terwijl Kruidvat dat niet kan(10). De verdergaande stelling waar het middel van uitgaat, lag dus niet in de stellingen waar het middel op steunt besloten; en klaarblijkelijk heeft het hof deze (vast)stellingen ook niet gelezen in de zin die het middel nu tot uitgangspunt neemt.
Daarmee ontvalt de grond aan de klacht, dat het hof het grievenstelsel zou hebben miskend.
Ook dit betoog steunt, in belangrijke mate, op de te vergaande uitleg die in deze middelonderdelen aan de aangehaalde passages uit de processtukken wordt gegeven; als men, zoals in de vorige alinea werd gedaan, een minder vergaande uitleg voor juist houdt (althans: als men aanneemt dat het hof die, binnen de grenzen van de aan het hof voorbehouden beoordelingsmarge, kon huldigen), is er geen sprake van een onaanvaardbare koerswijziging aan de kant van Lancôme c.s., maar "gewoon" van een nieuw feitelijk gegeven(tje) dat zich, buiten het kader van de tot dusver vastgestelde feiten, in de loop van de appelinstantie aandient. Met dergelijke gegevens mag rekening worden gehouden, mits de grenzen van de goede procesorde niet worden veronachtzaamd(11); en of dat laatste het geval is, kan in cassatie maar beperkt worden getoetst.
Dat een detailkwestie als de onderhavige bij een pleidooi in appel ter sprake komt, en dat de appelrechter dan rekening houdt met (het uitblijven van) een reactie van de partij in wier nadeel het gegeven pleit, betekent niet zonder meer dat de goede procesorde is veronachtzaamd. Of dat het geval is hangt af van een scala aan begeleidende omstandigheden, die aan de hand van overwegend feitelijke waardering moeten worden beoordeeld. Ik meen dat het hof geredelijk kon oordelen dat het, zonder de goede procesorde geweld aan te doen, met dit gegeven rekening mocht houden (wat impliceert dat aan Kruidvat voldoende ruimte voor verweer was gelaten). Het lag - anders dan in de jurisprudentie die namens Kruidvat wordt aangehaald(12) - in dit geval binnen de feitelijke beoordelingsmarge van het hof om daar zo over te oordelen.
Ik loop de verschillende argumenten die het onderdeel aanvoert achtereenvolgens na:
Deze overweging is zeer wel verenigbaar met het feit dat het een enkele maal wél mogelijk zou zijn om de herkomst van een gedecodeerd product vast te stellen.
Het evidente en ook onweersproken feit dat het - nogal omslachtige, en dus vermoedelijk navenant kostbare - decoderen in praktijk wordt gebracht met de uitsluitende bedoeling om het vaststellen van de herkomst van de gedecodeerde producten te bemoeilijken, maakt deze overweging van het hof eens te meer plausibel én begrijpelijk.
Dit argument stuit erop af dat het hof juist met zijn overweging dat geen afdoende controle op de nakoming van Kruidvats afspraken met haar toeleveranciers mogelijk is, tot uitdrukking heeft gebracht dat naar het oordeel van het hof rekening is te houden met de (reële) kans dat die toeleveranciers het afgesprokene niet steeds zullen nakomen (of, eventueel, zelf het slachtoffer zullen blijken te zijn geworden van minder bona fide vóórleveranciers). Het bestaan van loutere niet deugdelijk controleerbare afspraken met niet nader geïdentificeerde leveranciers (in combinatie met het feit dat in het verleden is gebleken dat er producten werden verhandeld die niet met deugdelijke toestemming van de merkhouders in het verkeer waren gebracht) kán grond opleveren om aan te nemen, dat gevreesd moet worden voor toekomstig onrechtmatig handelen (ik verwijs weer naar het illustratieve geval dat ik in voetnoot 15 noemde). Het gaat hier om een weging van feitelijke omstandigheden, waarover men in cassatie geen oordeel kan vragen. Onbegrijpelijk is de uitkomst van de weging die het hof gemaakt heeft, zeker niet.
Waar het middelonderdeel nog stelt dat anderszins niet voldoende zou zijn gebleken dat er nog van inbreukmakende handelingen sprake zou zijn, stuit (ook) dat argument op mijn eerdere bedenkingen af.
Dit onderdeel zoekt klaarblijkelijk steun bij de gedachten die ontwikkeld zijn in rov. 33 - 42 van het arrest HJEG 8 april 2003, Jur. 2003, p. I 3051 e.v.; BIE 2004, 11; IER 2003, 49, p. 245 e.v. m.nt. Speyart (Van Doren). Het ging in dat arrest (blijkens rov. 9 daarvan) om een systeem van zgn. "exclusieve" distributie, waarbij voor elk land van de EER (slechts) één alleenverkoper en algemeen distributeur was aangesteld, terwijl het de betrokkenen niet was toegestaan de waren aan tussenhandelaren te leveren voor wederverkoop buiten het aan dezen toegewezen gebied(16).
Maar, vervolgde het HJEG, op deze bewijsregel moet met het oog op de art. 28 en 30 EG-Verdrag een uitzondering worden gemaakt wanneer die regel de merkhouder in staat stelt de nationale markten af te schermen en aldus het voortbestaan van eventueel tussen de lidstaten bestaande prijsverschillen bevordert, wat bijvoorbeeld bij een systeem van exclusieve distributie het geval kan zijn; zodat, wanneer de derde aantoont dat hiervan sprake is (dwz.: dat er een reëel gevaar bestaat dat de nationale markten worden afgeschermd wanneer de bewijsregel wordt gehandhaafd), de merkhouder moet bewijzen dat de waren aanvankelijk door hem of met zijn toestemming buiten de EER in het verkeer waren gebracht (rov. 37 - 41)(17).
Van de kant van de merkhouders wordt, evenzeer begrijpelijk, benadrukt dat het HJEG aansluitend heeft overwogen dat de gevonden regel van bewijslastomkering pas opgeld doet als de derde "erin slaagt aan te tonen dat er een reëel gevaar bestaat dat de nationale markten worden afgeschermd wanneer hij zelf moet bewijzen dat de waren door de merkhouder of met diens toestemming binnen de EER in de handel zijn gebracht" (rov. 41). Het loutere bestaan van - althans - een selectief distributiesysteem betekent - aldus deze merkhouders - niet dat met het reële gevaar van afscherming van de markten rekening moet worden gehouden - daarentegen moet de derde "erin slagen aan te tonen" dat dat in het gegeven geval wél zo is.
Of dat inderdaad de strekking is van de hier bedoelde overwegingen van het HJEG, lijkt mij niet geheel boven twijfel verheven - in elk geval blijkt daar in de literatuur zeer verschillend over te worden gedacht. Sommigen zien het inderdaad zo, als in de opvatting die ik in de vorige alinea aan parallel-importeurs heb toegeschreven(18); anderen menen dat, althans waar het om selectieve distributie en niet exclusieve distributie gaat, de overwegingen van het HJEG de ruimte laten die het hof zich in deze zaak heeft gegund: dus de ruimte, om in het concrete geval te beoordelen of er daadwerkelijk van afscherming van de markt(en) - of van een reëel gevaar daarvoor - is gebleken(19).
Men zal op het eerste gezicht geneigd zijn te denken dat het hierbij moet gaan om een ongeoorloofde, "an sich" met de regels van EG recht strijdige afscherming - bijvoorbeeld een afscherming die op een met art. 81 EG Verdrag onverenigbare afspraak/afgestemde feitelijke gedraging berust, of op een met de art. 28 - 31 EG Verdrag strijdige uitoefening van rechten van intellectuele eigendom. Tegen die gedachte pleit echter al meteen, dat systemen van exclusieve distributie zoals die in het Van Doren-arrest aan de orde waren, niet persé met het communautaire mededingingsrecht in strijd zijn(20) - en dat het HJEG in dit arrest niet differentieert naar systemen die mededingingsrechtelijk wel of niet toelaatbaar zijn.
Ik begrijp rov. 4.15 van het bestreden arrest zo, dat het hof zich bij dit oordeel vooral heeft laten leiden door zijn vaststelling dat het distributiesysteem van Lancôme c.s. de erkende wederverkopers uit verschillende tot de EER behorende landen de vrijheid laat om de Lancôme-producten(23) onderling aan elkaar te verkopen.
Ik denk dat men aan de hand van dat gegeven inderdaad kán komen tot het oordeel dat er onvoldoende blijkt van gevaar voor marktafscherming. "Parallel-handel" op het niveau van de erkende distributeurs - en reeds: de enkele mogelijkheid dat die handel zich zal ontwikkelen als prijsverschillen tussen de EER-landen (trouwens: ook minder omvangrijke regio's binnen dat gebied) dat lucratief maken - kán immers een waarborg opleveren dat men het niet zo ver zal laten komen, en dat dus afscherming van de nationale markten én de als gevolg daarvan gevreesde "ongevoeligheid" van de prijzen op de nationale markten voor prijsfluctuaties elders, zich niet zullen voordoen. Zoals hoger al gesuggereerd, kan men dit bij een systeem van selectieve distributie, waaraan immers niet naar zijn aard een zekere territoriale opsplitsing inherent is, gemakkelijker aannemen dan bij een systeem van exclusieve distributie (waarbij territoriale opsplitsing expliciet beoogd wordt).
Óf de hier geboden vrijheid - ik bedoel dan: de vrijheid van distributeurs onderling om elkaar te beleveren - een voldoende waarborg biedt, is iets wat aan de hand van feitelijke waardering moet worden vastgesteld(24). Het ligt in de rede dat de uitkomst van die waardering maar bij uitzondering als niet-begrijpelijk zal zijn aan te merken. Dit lijkt mij zeker niet zo'n geval.
Het middel verdedigt in dit verband, zoals al aangestipt, dat namens Kruidvat specifiek een beroep op een andere uitleg van de depositaire-contracten zou zijn gedaan (en dat er bij die uitleg wel een relevante "afscherming" zou moeten worden vastgesteld) - maar wat namens Kruidvat op de in het middel (en in de schriftelijke toelichting) aangehaalde plaatsen in de pleitnota in appel (alinea 27) en blijkens het proces-verbaal van de pleitzitting in appel (bladzij 4) hierover is aangevoerd, noopt bepaald niet tot de lezing die in de stukken in cassatie wordt verdedigd, en liet wat mij betreft ook alle ruimte voor de uitleg van de depositaire-contracten die ik aan het begin van deze alinea aan het hof heb toegeschreven.
Bij die uitleg (van de depositaire-contracten) kan men veronderstellen dat, wanneer er aanmerkelijke prijsverschillen tussen aangrenzende gebieden in de EER zouden optreden, afnemers zich in merkbare aantallen bij dépositaires aan de "goedkope" kant van de gebieds-grens zullen vervoegen. Daardoor komt de prijs van de dépositaire aan de "dure" kant van die grens onder druk te staan; en als die zijn prijs verlaagt, oefent dat weer druk uit op de prijs van de dépositaires in het daaraan grenzende gebied.
Aan de hand van zo'n redenering kan men besluiten dat ook een "halfdoorlatend" systeem van selectieve distributie, dat tot op zekere hoogte gevoelig blijft voor het effect van prijsverschillen aan weerszijden van de landsgrenzen, in relevante mate kan bijdragen tot het niet intreden van de afscherming van markten, die volgens Kruidvat gevreesd moest worden.
De combinatie van het in de vorige alinea besproken gegeven (vrije handel tussen dépositaires) met het zojuist beschreven effect van de contractsbepalingen zoals die, naar ik aanneem, door het hof zijn begrepen, maakt de door het hof gevonden uitkomst - onvoldoende blijk van gegronde vrees voor marktafscheiding - eens te meer plausibel.
Tegelijkertijd wordt echter het standpunt ingenomen dat de beperking tot verkoop via "erkende" of "toegelaten" verkooppunten wél toelaatbaar is(25).
De tegenstrijdigheid die ik hier meen te bespeuren dringt zich eens te meer op als men zich er rekenschap van geeft, dat stelsels van selectieve distributie als geoorloofd middel om concurrerend werkzaam te zijn, plegen te worden gerechtvaardigd met argumenten die er op neerkomen dat voor bepaalde producten of diensten - waaronder: parfumerieën en schoonheidsmiddelen - de verkoop via kwalitatief daarop ingerichte verkooppunten dienstig of zelfs noodzakelijk is met het oog op deskundigheid en serviceverlening, al-dan-niet gecombineerd met een breed en kwalitatief superieur productassortiment die, resp. dat men in zulke verkooppunten kan bieden(26). Als dát de drijfveren zijn die tot het hanteren van selectieve distributie aanzetten én die de daarmee gepaard gaande beperkingen rechtvaardigen, valt opnieuw niet in te zien hoe men dat met internet-verkoop denkt te kunnen rijmen. Begeleiding van ter plaatse aanwezige deskundigen en een hoog niveau van serviceverlening (ook) bij advisering en (verdere) verkoopbegeleiding, zijn immers zaken die bij verkoop via het internet niet, of niet dan met aanzienlijke beperkingen te realiseren zijn.
Voor de onderhavige zaak behoeft dit intussen misschien niet verder te worden overwogen of uitgediept: namens Kruidvat is in de feitelijke instanties geen beroep gedaan op een beperking in de depositaire-contracten die verkoop aan particulieren via het internet aan banden zou leggen (naar in de rede ligt: omdat zij nog geen rekening kon houden met de bronnen van EG-recht waaruit opgemaakt zou kunnen worden dat dit een relevant gegeven kan zijn. Aan de rechtsregels zoals die destijds (al) golden, verandert dit echter niets.). Ook het hof behoefde daarmee dus geen rekening te houden (als het het hof al vrijstond daar rekening mee te houden).
In alinea's 18 - 20 hiervóór heb ik verdedigd dat "afscherming van markten" zoals bedoeld in het Van Doren-arrest door de rechter moet worden onderzocht aan de hand van hem door de partij die zich hierop wenst te beroepen aannemelijk gemaakte gegevens. Het is dan, meen ik, bepaald aannemelijk dat daarbij - ongeveer - dezelfde beoordelingsmaatstaf moet worden aangelegd, als de in HR 3 december 2004 bevestigde maatstaf.
Aan het hof waren in deze zaak geen gegevens voorgelegd die grondslag zouden kunnen opleveren voor een gedegen onderzoek/marktanalyse, zoals die voor een vaststelling als de onderhavige nodig zou zijn(27).
Ook dat lijkt mij een reden waarom de onderhavige klachten in cassatie geen effect kunnen sorteren: er kan, ook in deze instantie, worden vastgesteld dat er geen gronden aan het hof waren voorgehouden die de vaststelling dat er van een afscherming van markten sprake was, zouden kunnen dragen. (Al) daarom kan de uitkomst waartoe het hof is gekomen, niet als onjuist worden gekwalificeerd (en uiteraard ook niet als onvoldoende begrijpelijk).
Een van de klachten die het middelonderdeel (in subonderdeel 3.2) in stelling brengt is, dat het hof hiermee buiten het kader van de rechtsstrijd in appel zou zijn getreden. Die klacht is ongegrond, nu de door het hof gekozen formulering klaarblijkelijk rechtstreeks is ontleend aan het petitum onder 4 van de namens Lancôme c.s. uitgebrachte appeldagvaarding. Tegen de formulering van het dictum "an sich" was trouwens namens Kruidvat in appel geen bezwaar ingebracht (haar bezwaren richtten zich op de materiële vraag óf aan de desbetreffende veroordeling een dwangsom behoorde te worden "gekoppeld"; de formulering van de dwangsomveroordeling is niet ter discussie gesteld). Daarmee was dit ongetwijfeld mede inzet van de rechtsstrijd in appel; en geldt tevens dat er, daargelaten of het hof daar de vrijheid toe had, voor het hof geen aanleiding was om aan de formulering van het dictum op dit punt, specifiek aandacht te besteden.
Deze gedachte, die zich overigens op het eerste gezicht als plausibel aandient, leidt in het onderhavige geval niet tot het beoogde doel, omdat miskend wordt dat er geen strikt onderscheid kan (of mag) worden gemaakt tussen het door de rechtbank in de eerste aanleg opgelegde verbod enerzijds, en de daaraan op vordering van Lancôme c.s. in appel verbonden dwangsom anderzijds.
Voorzover immers de formulering van de dwangsomsanctie die Lancôme c.s. in appel vorderden inderdaad zou betekenen dat een ruimer gebied werd bestreken dan het door de rechtbank gegeven verbod, betekent dat slechts dat de vordering van Lancôme c.s. er - per saldo - niet slechts toe strekte dat aan het in de eerste aanleg gegeven verbod een dwangsom werd verbonden, maar ook, dat de gelding van het verbod en de daaraan verbonden dwangsom ten opzichte van het in de eerste aanleg toegewezene werden verruimd. Het stond Lancôme c.s. allicht vrij om aan het hof voor te leggen of een aldus gewijzigd en daarmee - althans: in de zienswijze van Kruidvat - verruimd verbod-met-dwangsom als in de omstandigheden passend moest worden beoordeeld; en zo hebben Lancôme c.s. het probleem ook aan het hof voorgelegd. Dat levert niet alleen geen miskenning van de grenzen van de rechtsstrijd in appel op - die grenzen werden juist mede bepaald doordat deze vraag in het appel betrokken was -, maar ook geen miskenning van de rechtsregels betreffende de dwangsom.
Ook de hier verdedigde gedachten ogen wel plausibel; maar per saldo berusten ze, volgens mij, toch op woordenspel, dat in cassatie niet als steekhoudend behoort te worden aanvaard.
Daarbij komt dat Kruidvat een beroep kan doen op de regel dat de draagwijdte van een algemeen verwoord verbod beperkt is te achten tot handelingen waarvan niet in ernst kan worden betwijfeld dat die inbreuken, als door de rechter verboden, opleveren(30). De enigszins buitenissige uitzonderingssituatie die Kruidvat hier te hulp roept valt, lijkt mij, ruimschoots buiten de aan de hand van deze regel te trekken grens. Dat geval wordt dus door dit verbod-met-dwangsom niet bestreken.
Wanneer op dat handelen een met dwangsom versterkt verbod is gesteld, wordt de betrokkene om voor de hand liggende redenen met buitengewoon bezwaarlijke risico's geconfronteerd; en dat zou - zo parafraseer ik dit subonderdeel - een reden moeten zijn om klemmender gronden te verlangen die het opleggen van een verbod, mede in het licht van de regels betreffende vrij goederenverkeer in de EG, kunnen rechtvaardigen; en om ook een verzwaarde motiveringseis aan te leggen.
In rov. 3.5.3 van dit arrest zijn deze klachten verworpen. Aan de ene kant, overwoog de Hoge Raad, ligt in de rechtspraak van het HJEG die beperkingen stelt aan de vrijheid van handelen van parallel-importeurs al de afweging besloten, die erin uitmondt dat die beperkingen (en dus allicht ook: het rechtens afdwingen van de daarmee samenhangende verplichtingen) niet met (andere) regels van EG recht strijdig zijn; en aan de andere kant brengt de in alinea 32 hiervóór (aan het slot) aangehaalde rechtspraak over de restrictieve uitleg van een algemeen geformuleerd verbodsdictum mee, dat de beperkingen waarmee een parallel-importeur aan wie een verbod is opgelegd wordt geconfronteerd, niet zo disproportioneel uitpakken als in dit verband wordt verdedigd.
Ook dat, zou ook ik menen, tempert - aanzienlijk - het gewicht dat men moet toekennen aan de ook in deze zaak breed uitgemeten problemen waarmee de parallel-importeur in de situatie die hier onder ogen moet worden gezien, wordt geconfronteerd.
Hoewel de feiten in de onderhavige zaak anders zijn dan die uit de zaak van NJ 2006, 55, beoordeel ik de verschillen niet als zo wezenlijk, dat wat er in het bedoelde arrest beslist werd niet van overeenkomstige toepassing zou zijn in de onderhavige zaak. Op die bedenkingen stuiten alle argumenten van subonderdeel 3.4 volgens mij af.
Ik denk overigens dat die stelling in zijn algemeenheid niet opgaat. Zelfs als men in zoverre met het betoog namens Kruidvat meegaat, dat degene die merkproducten verhandelt waarvan de oorsprong hem niet bekend is, dat niet "op eigen risico" doet (en risico-aansprakelijkheid voor de gevolgen draagt); en dat voor aansprakelijkheid dus nog nadere toerekeningsfactoren vereist zijn, is het enkele feit dat men garanties heeft bedongen (natuurlijk) geen vrijbrief. Op z'n minst zal ook nodig zijn dat er geen omstandigheden waren die twijfel aan de goede trouw van de garantiegever (of diens toeleveranciers) konden wekken. Het is niet zo moeilijk om zich omstandigheden voor te stellen waarin er voor zulke twijfel wél aanleiding is. Dan, in elk geval, kan de stelling die het middel hier verdedigt, niet worden aanvaard.
Blijkens de vaststelling, in rov. 4.5, dat Kruidvat geen afdoende controle op haar toeleveranciers kan uitoefenen, is ook het hof ervan uitgegaan dat er in dit geval geen sprake kon zijn van garanties waarop men zonder meer mocht vertrouwen. (Ook) dan gaat de hier bedoelde stelling in ieder geval niet op.
Deze klacht stuit volgens mij af op dezelfde bedenkingen die in verband met onderdeel 3 ter sprake kwamen: (ook) dit verbod moet redelijk worden geïnterpreteerd, en daarbij moet de aan het slot van alinea 32 hiervóór besproken restrictieve maatstaf worden aangelegd. Als men dat doet, strekt het verbod zich - allicht - niet uit tot de rechtmatige handelwijze waar het middel op doelt.
En ook deze klacht miskent dat tegenover het gewicht dat toekomt aan de belangen van de parallel-importeur bij een voldoende duidelijk omschreven (en niet onevenredig gesanctioneerd) verbod, het belang moet worden geplaatst van de rechthebbende bij een "echt" werkzame bescherming van het door de ander geschonden recht. Als men dat laatste belang het gewicht geeft dat eraan toekomt, waardeert men de belemmeringen waar namens Kruidvat op wordt gehamerd, niet zo gauw als disproportioneel.
Het uitgangspunt waar het onderdeel op berust - kort gezegd: louter profiteren van andermans wanprestatie is niet onrechtmatig, het is dat slechts bij aanwezigheid van bijkomende omstandigheden die de onrechtmatigheid "inkleuren" - is juist(31). Het gaat er dus om, of het hof met recht heeft aangenomen dat dat laatste het geval is. Ik merk daarbij op dat het middel niet bestrijdt dat de handelwijze die het hof vooral als "bijkomende omstandigheid" in aanmerking heeft genomen, namelijk: het decoderen van de betrokken producten, onrechtmatig is(32).
Die overweging roept het beeld op, dat er niet zo makkelijk mag worden aangenomen dat zich de bijkomende omstandigheden voordoen die in de door de Hoge Raad ontwikkelde rechtsleer op dit punt, het geoorloofde "profiteren van wanprestatie" laten omslaan in niet-geoorloofd "profiteren".
De rechtsleer neemt in elk geval aan dat gedragingen die zijn aan te merken als "uitlokking" van de wanprestatie waarvan vervolgens geprofiteerd wordt, meebrengen dat de grens tussen het geoorloofde en het ongeoorloofde wordt overschreden(34). Dat kan ook het geval zijn - dat wil zeggen: de grens kan worden overschreden - als de aan de verweerder verweten handelwijze een min of meer stelselmatig karakter vertoont, en (aldus) ertoe bijdraagt dat aan de verkooporganisatie gebonden bedrijven die op dezelfde markt opereren, worden verleid of genoodzaakt om hun verplichtingen uit hoofde van de verkooporganisatie te gaan verzaken (wat wel wordt aangeduid als de "ondermijning" van de verkooporganisatie)(35).
Ik denk dat dat van een juiste opvatting ten aanzien van de hier geldende rechtsleer getuigt. Waar die rechtsleer gegevens als "uitlokking" dan wel "stelselmatig" handelen (en daarmee: het "sterker" aantasten van de verkooporganisatie) in de beoordeling betrekt, is dat kennelijk zo omdat er in de genoemde opzichten sprake is van een ernstigere, krachtiger aangezette en ook doelgerichtere aanval op de contractsbanden waarop de organisatie van de wederpartij berust. De rechtsleer onderzoekt, zo beschouwd, een aantal verschillende aspecten die alle kunnen bijdragen tot de uitkomst, dat er in het gegeven geval buitensporige middelen in de concurrentiestrijd worden ingezet - aspecten die, als zij in een bepaald geval met elkaar gecombineerd in praktijk worden gebracht, ook elkaars gewicht kunnen versterken.
Ik heb me afgevraagd of men hier steun kan zoeken bij het aan titel XXX van boek 2 Sr. te ontlenen begrip "begunstigen": zoals de strafwaardigheid van begunstiging op een tweeledige gedachte berust - de verwerpelijkheid van het profiteren van andermans onoirbare gedrag enerzijds, en de verwerpelijkheid van het scheppen van de afzetmogelijkheid die anderen tot misdaad verleidt en in staat stelt, anderzijds(36), zo kan men verdedigen dat de onrechtmatigheid van het hier door het hof beoordeelde gedrag mag worden gebaseerd op het tegelijkertijd voordeel trekken uit ongeoorloofde gedrag van anderen (namelijk: wanprestatie) én het bevorderen/voorwaarden scheppen voor datzelfde ongeoorloofde handelen door daar stimulansen en/of de noodzakelijke (bestendige) afzetmogelijkheid voor te bieden.
Intussen dient zich als voor de hand liggend aan, dat de beoordeling van de ernst en het gewicht van de omstandigheden die het profiteren van andermans wanprestatie kunnen begeleiden, voor een belangrijk deel neerkomt op weging van feitelijke gegevens. In de rechtspraak van de Hoge Raad is dan ook aanvaard dat de beoordelingen waar het hier op aankomt, met dergelijke waarderingen verweven zijn (en daarom maar in beperkte mate in cassatie kunnen worden getoetst)(39).
Als ik dat in aanmerking neem, en daarbij de in alinea's 42 en 43 hiervóór vermelde gegevens over de rechtsleer op dit stuk betrek, denk ik dat het hof in deze zaak zonder blijk te geven van miskenning van geldend recht heeft kunnen oordelen dat het samenstel van omstandigheden waardoor Kruidvat de wanprestatie van haar toeleverancier(s) bevorderde of mogelijk maakte, van dien aard en van een dusdanig gewicht was dat de te beoordelen handelwijze in zijn geheel moet worden gekwalificeerd als onbehoorlijk, en daarmee als onrechtmatig.
Met die wat ruime omweg kom ik ertoe de klacht van onderdeel 5 als ondeugdelijk te beoordelen.
Ik denk dat deze klacht op een verkeerde lezing van de daarin bestreden overweging (rov. 4.37) berust. In die overweging oordeelt het hof dat niet c.q. onvoldoende is weersproken dat Kruidvat "haar" producten van Lancôme c.s. alleen heeft kunnen bemachtigen doordat afnemers uit de distributieorganisatie contractbreuk hebben gepleegd, en producten aan niet-gebonden wederverkopers hebben geleverd.
De stellingen van Kruidvat waarnaar dit middelonderdeel verwijst houden nu juist in dat er in de organisatie van Lancôme c.s. (erkende) wederverkopers zouden zijn die zich tot dit gedrag hebben laten overhalen (en dat is wat op deze plaatsen bedoeld wordt met "via de achterdeur" verkopen). Dat sluit dus geheel aan bij wat Lancôme c.s. in dit verband hadden gesteld. Men kan dat niet als betwisting van deze stellingen van Lancôme c.s. begrijpen - of, voorzichtiger gezegd: het hof kon zonder aan logica of motiveringsplicht overigens geweld aan te doen, deze stellingen van Kruidvat begrijpen als een erkenning dat bevoorrading van parallel-handelaren berust op contractbreuk van dépositaires van Lancôme c.s. die "via de achterdeur" aan niet gebonden wederverkopers leveren.
De discrepantie waar de klacht van dit middelonderdeel op berust, is er in werkelijkheid niet(40).
Ik ben zo vrij om, voor ik de klachten uit dit middelonderdeel bespreek, de auteursrechtelijke persoonlijkheidsrechten in verband met productverpakkingen in een algemener kader te bespreken.
Er bestaat intussen een vrij ruime mate van overeenstemming over, dat het recht dat in deze zaak aan de orde is, namelijk het in art. 25 onder d Aw omschreven recht om zich te verzetten tegen misvorming, verminking of andere aantasting van zijn werk, sterk in omvang en betekenis verschilt, al naar gelang het een voor de "naam" van de auteur belangrijke, toonaangevende en ook door wijze en omvang van presentatie kwetsbare uiting betreft, of een uiting waarvoor in deze opzichten het tegendeel geldt(42).
De lijst van omstandigheden die hier voor weging in aanmerking komt is niet uitputtend, maar er zijn een aantal gegevens waarvan in de rede ligt, dat die relatief vaak moeten worden "meegenomen", zoals: de aard van het werk (louter artistieke uiting/deels functioneel object/geheel voor gebruiksdoeleinden bestemd massa-artikel); de mate van originaliteit, de mate waarin de persoonlijkheid van de maker in het werk tot uitdrukking komt, en de mate waarin de maker er blijk van geeft met het werk geassocieerd te willen worden; en de aard van het werkexemplaar of de werkexemplaren, waarvan aantasting zou plaatsvinden (uniek kunstwerk/in grote oplagen vervaardigd fabrieksproduct).
Ofschoon de fraaiheid en artistieke verdienste van (het ontwerp van) verpakkingen zeer aanzienlijk kan zijn, en ook alleszins denkbaar is dat een maker van een desbetreffend ontwerp daar "eer mee inlegt", geldt ten aanzien van de verveelvoudigingen die van het ontwerp van een verpakking gemaakt en verkocht worden toch, dat die bestemd zijn om door de kopers/gebruikers - vaak met aanmerkelijke beschadiging - te worden geopend, en daarna na kortere of langere tijd te worden weggegooid.
De vaststelling dat daar niettemin sprake van is is, denk ik, als feitelijk aan te merken of in elk geval sterk verweven met feitelijke waarderingen - maar men voelt toch de neiging een dergelijke vaststelling kritisch te toetsen op logische houdbaarheid en eventueel ook op mogelijke daaronder schuil gaande verkeerde opvattingen ten aanzien van het auteursrechtelijke persoonlijkheidsrecht.
Deze klacht ziet er aan voorbij dat aantasting van een werk zeer wel kan bestaan in ingrepen die de auteursrechtelijk beschermde trekken van het werk zelf niet raken. De Memorie van Toelichting bij de wijzigingswet van 1972 noemt een verhelderend voorbeeld: publicatie van een werk in een vorm of omgeving "van min allooi"(44). Een dergelijke publicatie hoeft aan het werk zelf niets te veranderen, maar levert toch aantasting op.
Men kan zich geredelijk voorstellen hoe, met name, werken van beeldende kunst kunnen worden "aangetast" door ingrepen die de trekken van het werk zelf ongemoeid laten - zoals het aanbrengen of veranderen van ontsierende coderingen op overigens "neutrale" oppervlakken van het werk(exemplaar).
Dit subonderdeel miskent, denk ik, dat verdere precisering van een verbod als het onderhavige nagenoeg onmogelijk is - en dat de wet hier, allicht, niet van de rechter vergt dat die het (nagenoeg) onmogelijke volbrengt.
Beschadiging van een productverpakking kan zich immers, naar voor de hand ligt, in een aanzienlijk aantal vormen en gradaties voordoen. Niet al die vormen en gradaties zullen "aantasting" opleveren van het werk dat in de verpakking belichaamd is - maar het is ondoenlijk om nader aan te geven waar de grens precies ligt. Het hof heeft geconstateerd dat de bewerking van de verpakkingen bij het decoderen - naar wij mogen aannemen: altijd of veelal - met beschadigingen gepaard ging, die naar het oordeel van het hof "aantasting" opleverden. Van de handel in producten met vergelijkbaar beschadigde verpakkingen zal Kruidvat zich dus moeten onthouden (en ook hier kan Kruidvat profiteren van de in alinea 32 hiervóór genoemde uitlegregel). Dat de daarmee gemarkeerde grens niet haarscherp is, is in een context als de onderhavige - ik kan het slechts herhalen - niet goed te vermijden; en verdere precisering mag dus niet verlangd worden.
Dat, bij voor machinale massaproductie bestemde gebruiksartikelen (en a fortiori als het gaat om de "wegwerp"- verpakkingen van dergelijke goederen) aanzienlijke terughoudendheid geboden is bij de aanvaarding van een beroep op persoonlijkheidsrechten, wordt, zoals hiervóór bleek, door mij onderschreven. Maar de stelling dat, ook als de eigenlijke aantasting van de goederen wél inbreuk op het persoonlijkheidsrecht zou maken, de verdere verhandeling van die goederen dat niet zou doen, lijkt mij onverdedigbaar. Het gaat er immers om dat de artistieke integriteit van de maker niet wordt "beschadigd" doordat anderen met "aangetaste" exemplaren van zijn werk worden geconfronteerd. Als het daarom gaat is de verkoop van aangetaste exemplaren een ernstiger inbreuk op het persoonlijkheidsrecht dan de zich "binnenskamers" voltrekkende aantasting van de werkexemplaren zelf. Van de zich binnenskamers voltrekkende aantasting kan de artistieke integriteit van de maker geen (wezenlijke) schade ondervinden, van de grootschalige distributie van aangetaste werkexemplaren wel.
Ik laat de vraag of Kruidvat bij een wijziging van de verkregen uitkomst op dit punt voldoende belang heeft, maar voor wat die is - ofschoon het gezegde over door de hond of de kat gebeten worden, die vraag wel enig accent geeft.
Ik heb mij afgevraagd of het partijen vrij staat om (zoals Lancôme c.s. in deze zaak in sommige gevallen hebben gedaan) te verlangen dat dwangsomveroordelingen "gesteld worden" op de naam van een andere partij dan die, wier recht met het desbetreffende ge- of verbod wordt versterkt(45). Ik zou intussen menen dat het belang van dit punt niet rechtvaardigt, dat de HR zich daar uitvoerig in verdiept (met als mogelijke uitvloeisel de al in de voetnoot aangestipte modaliteit van prejudiciële benadering van het BenGH). Naar analogie van de procesregels voor herstel van kennelijke verschrijvingen en die voor de beoordeling van eenvoudige feitelijke kwesties van ondergeschikt belang in cassatie (art. 31 Rv. en art. 421 Rv. respectievelijk), zou de Hoge Raad kunnen verstaan dat de dwangsomveroordeling waar dit subonderdeel op ziet, gelezen moet worden als gegeven ten gunste van partij [verweerster 7](46).
Conclusie Ik concludeer tot verwerping, met de precisereing als aan het slot van alinea 54 onder d) aangegeven.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden 1 De in het eerdere kort geding betrokken partijen zijn overigens niet (alle) dezelfde als de partijen in deze procedure, en omgekeerd: er nemen aan dit geding ook partijen deel die niet bij het kort geding betrokken waren. In alinea 5 van de memorie van grieven in de onderhavige zaak is een samenvatting te vinden van de "voorafgaande" procedures, met vermelding van de partijen die daar, in wisselende samenstellingen, aan deelnamen.
2 Zie HR 23 januari 1998, NJ 2000, 544.
3 Daarbij baseer ik mij vooral op rov. 2 van het in de eerste aanleg op 19 november 1997 gewezen eindvonnis.
4 Partijen hebben deze werkwijze aangeduid als het "decoderen" van de relevante producten (en zij duiden die producten vervolgens aan als "gedecodeerd"). Ook de rechters van de feitelijke instanties zijn deze uitdrukkingen gaan gebruiken. Het is niet aan mij om beschouwingen te wijden aan de esthetische of taalkundige merites van dit woordgebruik: ik meen de duidelijkheid te dienen door deze uitdrukkingen ook maar te gebruiken, waar zij inderdaad verhelderend kunnen zijn.
5 Dit betreft de producten Lancôme Trésor. Daarvan is de verpakking ontworpen door (werknemers van) Style Marque S.A. Deze heeft de desbetreffende rechten overgedragen aan Lancôme.
6 In de eerste aanleg was dat overigens in mindere mate het geval dan in appel; maar voor de beoordeling in cassatie doet dit niet ter zake.
7 Het arrest van het hof is gepubliceerd in IER 2005, 12 (p. 48 e.v.) m.nt. Speyart.
8 Het arrest van het hof is van 14 oktober 2004. De cassatiedagvaardingen werden op 14 december 2004 uitgebracht.
9 Uitleg proces-standpunt, bijvoorbeeld: HR 2 december 2005, RvdW 2005, 135, rov. 5.5.2; uitleg beslissing "lagere" rechter: HR 3 mei 2002, NJ 2002, 348, rov. 3.2.
10 Verzonnen voorbeeld: een bepaalde partij is in verband met de promotie-actie voor moederdag in een land buiten de EER vervaardigd in een voor dat doel iets aangepaste verpakking. Als iemand bij Lancôme c.s. van die feiten op de hoogte is, kan die vaststellen dat het om producten uit deze partij gaat; terwijl een buitenstaander zoals Kruidvat dat veelal niet zal kunnen.
11 Snijders - Wendels, Civiel Appel, 2003, nrs. 184 - 186.
12 Waarbij vooral HR 19 december 2003, RvdW 2004, 10, rov. 4.9 mij illustratief lijkt.
13 Dictum van het eindvonnis in de eerste aanleg van 19 november 1997 onder 12.7 jo. dictum van het in cassatie bestreden arrest, p. 30, eerste "gedachtestreepje".
14 Rov. 4.5. Het zou volgens deze vaststelling van het hof om onweersproken feiten gaan; en in cassatie wordt dit deel van de overwegingen van het hof niet bestreden.
15 Dit onderdeel merkt hier en passant op dat de vastgestelde omstandigheden alleen een verbod van verhandeling van gedecodeerde producten zouden rechtvaardigen. Hier lijkt mij hetzelfde misverstand aanwezig dat ik in alinea 10 hiervóór, bij het tweede gedachtestreepje en de daaraan verder gewijde beschouwingen, heb besproken. Voor alle duidelijkheid: eenmaal (met recht) aangenomen dat Kruidvat dreigde door te gaan met verhandeling van niet met toestemming van de merkhouders binnen de EER in het verkeer gebrachte producten, was er voor het hof geen enkele aanleiding om het daardoor gerechtvaardigde verbod te beperken tot de concrete vorm van inbreuk die de aanleiding voor het verbod vormde (namelijk: verhandeling van gedecodeerde producten).
Een ruimer verbod, zoals Lancôme c.s. dat hadden gevorderd, kan in zo'n geval immers gerechtvaardigd of zelfs bepaaldelijk aangewezen zijn (HR 1 december 1995, NJ 1996, 510 laat een illustratief geval zien). Het middel gaat, waar het het tegendeel beweert, van een onjuiste rechtsopvatting uit. Het berust op een misvatting - dezelfde misvatting - waar (aan het slot van het onderdeel) nogmaals wordt gesuggereerd dat alleen reeds gebleken onrechtmatig gedrag door een verbod zou mogen worden bestreken. Een verbod mag zich uitstrekken tot andere, nog niet gebleken vormen van onrechtmatig gedrag, (zeker) wanneer de vrees bestaat dat de handelwijze van de verweerder zich niet tot de ene, geconstateerde variant van onrechtmatig gedrag zal beperken.
16 Er wordt wel onderscheid gemaakt tussen "exclusieve" distributiesystemen, gekenmerkt doordat elke "exclusieve" distributeur een aan deze distributeur voorbehouden (geografisch) gebied toegewezen krijgt, en contractuele verboden erin voorzien dat levering naar afnemers in gebieden van andere distributeurs aan beperkingen onderhevig is enerzijds; en anderzijds "selectieve" distributiesystemen, gekenmerkt doordat de distributeurs op grond van bepaalde kwaliteitskenmerken worden geselecteerd, waarbij contractuele verboden erin voorzien dat levering aan anderen dan consumenten of collega-distributeurs (die aan dezelfde kwaliteitskenmerken beantwoorden) aan beperkingen onderhevig is; zie bijvoorbeeld Hezewijk, IER 2003, p. 205 e.v. Het ene systeem voorziet in een zekere mate van territoriale gebiedsbescherming ("exclusiviteit"), het andere niet.
17 Het is de vraag of het hier gaat om uit het Europese recht voortvloeiende bewijsregels, of om beoordeling of de nationale regels van bewijsrecht zich verdragen met de Europeesrechtelijke regels van merkenrecht en recht betreffende het vrije goederenverkeer (wat zou impliceren dat er ruimte is voor nuanceringen aan de hand van het nationale bewijsrecht); zie daarover de conclusie van A-G Stix-Hackl voor het Van Doren-arrest, alinea's 40 e.v. en bijvoorbeeld Dyrberg, EIPR 2004, p. 81 e.v.; Müller, GRUR 2003, p. 669 - 670; Gambaro en Prete, CMLR 2003, p. 1513 e.v. In deze zaak kan, denk ik, in het midden blijven of het een dan wel het ander opgaat, want er bestaan volgens mij geen specifieke regels van Nederlands bewijsrecht die nuancering op het door het HJEG uitgezette stramien indiceren: het Nederlandse recht kan in dit opzicht het Europese recht "gewoon" volgen c.q. insluiten.
18 Bijvoorbeeld Ludding, SEW 2003, p. 358; Gambaro en Prete, CMLR 2003, p. 1520.
19 Gielen, AAe 2004, p. 191; Hezewijk, IER 2003, p. 205 e.v.
20 Zij profiteren namelijk in veel gevallen van de groepsvrijstelling die thans is vervat in Vo. (EG) nr. 2790/1999, Pb. 1999 L 336, p. 25 e.v.; zie art. 2 in verband met art. 4 sub b, eerste "gedachtestreepje". In eerdere versies van de op dit stuk toepasselijke groepsvrijstellingsverordeningen kwamen inhoudelijk min of meer overeenkomstige regels voor.
Voor "selectieve" distributie geldt evenzeer, dat die niet persé als met het communautaire mededingingsrecht strijdig mag worden aangemerkt, zie bijvoorbeeld Ritter - Braun, European Competition Law: a practitioner´s guide, 2005, p. 338 e.v.; Mestmäcker - Schweitzer, Europäisches Wettbewerbsrecht, 2004, p. 316 e.v.; HJEG 25 oktober 1977, Jur. 1977, p. 1875 e.v. ("Metro-I"), rov. 21 - 22; HJEG 10 juli 1980, Jur. 1980 p. 2511 e.v., rov. 19 e.v. (betreffende het toenmalige distributiestelsel van Lancôme).
21 In aansluiting hierop noemt het HJEG een noodzaak om de verhandeling op de markt in de Lid-Staten waarvoor de goederen bestemd zijn mogelijk te maken. Dit ziet op een probleem dat in de onderhavige zaak niet aan de orde is, namelijk: de (onder de rubriek "etiketteringsvoorschriften" te scharen) eis dat bepaalde vermeldingen op producten wel, of juist niet voorkomen. Dit aspect meen ik in de onderhavige zaak te kunnen laten rusten.
22 Met de consequentie, althans in verreweg de meeste gevallen, dat het aan de parallel-handelaar zal zijn om te stellen en bij tegenspraak aannemelijk te maken, dat er van een schending van mededingingsrechtelijke regels sprake is.
23 Ik gebruik deze aanduiding voor de producten van de gezamenlijke verweerders in cassatie, maar signaleer dat men van een deel van die producten kan betwijfelen, of die als "behorend tot" de organisatie van Lancôme c.s. aangemerkt mogen worden. Met deze kanttekening voor ogen denk ik, dat de uitdrukking "Lancôme-producten" voldoende duidelijk aangeeft wat ik bedoel, zonder tot misverstand aanleiding te (kunnen) geven.
24 Men ziet voorbeelden van dergelijke waarderingen in de zaken die in de beide Metro-arresten (HJEG 25 oktober 1977, Jur. 1977, p. 1875 e.v. ("Metro-I") en HJEG 22 oktober 1986, Jur. 1986, p. 3021 e.v. ("Metro II")) zijn beoordeeld; en verder in zaken als HJEG 11 december 1980, Jur. 1980 p. 3775 e.v. ("L'Oréal") en GEA 27 februari 1992, Jur 1992 II p. II 415 e.v. ("Vichy").
25 Zie bijvoorbeeld Groepsvrijstellingsverordening 2790/1999 (EG) van 22 december 1999, Pb. 1999 L 336, p. 21 e.v., art. 4 aanhef en sub c, en de in verband met deze verordening bekend gemaakt Richtsnoeren, Pb. 2000 C 291, p. 1 e.v., §§ 53 en 54.
26 Als illustraties wijs ik op GEA 27 februari 1992, Jur 1992 II p. II 415 e.v. ("Vichy"), rov. 65, 69 - 71; HJEG 22 oktober 1986, Jur. 1986, p. 3021 e.v. ("Metro II"), rov. 40 - 45, 53 - 55, 58 - 61 en 65 - 66; HJEG 11 december 1980, Jur. 1980 p. 3775 e.v. ("L'Oréal"), rov. 16.
27 Ook hier zal zeer waarschijnlijk een rol hebben gespeeld dat het Van Doren-arrest pas na de Memorie van Antwoord in appel werd gewezen, en men daarvóór niet op de mogelijkheid dat dit relevant kon zijn bedacht was; maar ook hier geldt dat dit er niet aan afdoet dat het arrest het (al) geldende recht weergeeft.
28 Ik wil niet verhelen dat het argument dat Lancôme c.s. in alinea 20 van hun pleitnota in appel van 27 november 2003 hebben uitgewerkt, op mij indruk heeft gemaakt.
29 Subonderdelen 3.1, 3.2 en misschien ook 3.3 snijden dit thema aan.
30 Laatstelijk HR 15 april 2005, NJ 2006, 55 m.nt. Ch. Gielen, rov. 5.3.1.
31 HR 30 september 2005, NJ 2005, 513, rov. 3.3 en 3.4, verwijzend naar HR 17 mei 1985, NJ 1986, 760 m.ntn. CJHB en WMK, rov. 3.3. Zie voor een geval dat meer gelijkenis vertoont met het in deze zaak te beoordelen geval HR 1 november 1991, NJ 1992, 423, rov. 3.1 (inhoudelijk gelijk aan de overeenkomstige rov. uit NJ 1992, 424); Asser-Hartkamp III, 2002, nrs. 48 en 51b (zie ook Asser - Hartkamp II, 2005, nr. 383a).
32 Ik suggereer natuurlijk niet dat dit oordeel met succes bestreden had kunnen worden; maar ben wel zo vrij, mij mijn mening daarover nog even voor te behouden, ook met het oog op HR 3 november 1995, NJ 1999, 215 m.nt. DWFV onder nr. 216, rov. 5.4 (en het daar aangehaalde arrest HR 23 juni 1961, NJ 1962, 244); zie ook Verkade, Ongeoorloofde mededinging, 1986, p. 192 e.v.
33 De zaak uit NJ 1992, 423 betrof vorderingen die gelijkenis vertonen met de thans te beoordelen vordering.
34 Onrechtmatige Daad IV (losbl.), Van Nispen, aant. 230; HR 22 december 1995, NJ 1997, 118 m.nt. HJS, rov. 3.7 (waar althans niet blijkt dat de HR geneigd is afstand te nemen van de opvatting van het hof die in de hier besproken zin luidt); Du Perron, Overeenkomst en derden, diss. 1999, nrs. 167 - 169. 177.
35 HR 22 december 1995, NJ 1997, 118 m.ntn. Slot en HJS, rov. 3.6 en 3.7 (verwijzend naar rov. 25 van het in cassatie bestreden arrest van het hof); HR 26 juni 1964, NJ 1965, 170 m.nt. GJS, "O. aangaande het eerste middel" (slot); HR 12 januari 1962, NJ 1962, 246 m.nt. HB, "O. voorts" (op p. 795); Onrechtmatige Daad IV (losbl.), Van Nispen, aant. 231; Du Perron, Overeenkomst en derden, diss. 1999, nr. 185 - 186.
36 Zie voor de ratio van de strafbaarstelling van "begunstiging" bijvoorbeeld Noyon - Langemeijer - Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, p. 1338; T&C Strafrecht, 2004, Van Woensel, art. 416, aant. 5. Daar ziet men overigens dat de aan deze regels ten grondslag liggende gedachte ook als drieledig kan worden beoordeeld, waar het element van bescherming tegen continuering van door misdrijf gecreëerde vermogensverschuivingen wordt toegevoegd.
37 HR 13 januari 1961, NJ 1962, 245 m.nt. HB, "O. ten aanzien van onderdeel a. van het eerste middel" (zesde alinea); Onrechtmatige Daad IV (losbl.), Van Nispen, aant. 231, slot; Du Perron, Overeenkomst en derden, diss. 1999, nrs. 165 en 186.
38 Door de Hoge Raad in HR 1 november 1991, NJ 1992, 423, rov. 3.1 aangewezen als het voornaamste beginsel dat zich ertegen verzet dat "buitenstaanders" genoodzaakt zouden kunnen worden, de beperkingen te respecteren die inherent zijn aan een contractuele verkooporganisatie waar zij geen toegang toe hebben.
39 HR 22 december 1995, NJ 1997, 118 m.ntn. Slot en HJS, rov. 3.6.
40 Wel wordt namens Kruidvat op de hier bedoelde plaatsen aangevoerd dat Lancôme c.s. de wanprestatie van hun dépositaires in de hand zouden werken door (te) gemakkelijk grote volumes product met grote kortingen te leveren; maar dát de betrokkenen ook in het hier gestelde geval wanprestatie plegen door "via de achterdeur" aan buitenstaanders te leveren, wordt niet tegengesproken. Dat kon het hof dus inderdaad als vaststaand aannemen.
41 Ik durf deze uitspraken aan met rugge(n)steun van Spoor - Verkade - Visser, Auteursrecht, 2005, nr. 7.14; of, zoals Quaedvlieg, Auteur en aantasting, werk en waardigheid, oratie 1992, p. 19 het zegt: "Men moet zich echter door de plechtige toonzetting van de beginselen niet laten misleiden. In de praktijk wordt de soep belangrijk minder heet gegeten".
42 Uitvoerig over de relativiteit van het hier bedoelde persoonlijkheidsrecht Quaedvlieg, Auteur en aantasting, werk en waardigheid, oratie 1992, p. 19 - 38; zie ook Spoor - Verkade - Visser, Auteursrecht, 2005, nrs. 7.13 - 7.16; T&C Intellectuele Eigendom, 2005, Verkade, art. 25, aant. 4.
43 Voorbeelden, ontleend aan Quaedvlieg, a.w.: "verminking" van in kranten of tijdschriften gepubliceerde werken (door de krant/het tijdschrift te verknippen, als onderzetter of als verpakkingsmateriaal te gebruiken, etc.); afknippen van de randen van voor een "commuin" publiekstijdschrift (voor publicatie) bestemde foto's; plaatsing van het triviale, in honderden exemplaren verkochte gipsfiguurtje tussen de tuinkabouters in een tuin.
44 Door mij geraadpleegd in Schuurman & Jordens editie nr. 75 I, 2006, p. 455 - 456.
45 In het licht van de grote mate van vrijheid die de dwangsomregeling de rechter bij het opleggen van dwangsommen toekent, zie nog onlangs HR 6 januari 2006, RvdW 2006, 75, rov. 3.4, lijkt mij niet ondenkbaar dat de rechter ook voor de hier besproken variant zou mogen kiezen - overigens met het oog op de Benelux Overeenkomst houdende eenvormige wet betreffende de dwangsom (Trb. 1974, 6) een vraag van Benelux-recht, die aanleiding zou kunnen geven tot prejudiciële vragen aan het BenGH.
46 Volledigheidshalve wijs ik erop dat een stap als deze consequenties kan hebben voor aanspraken op dwangsommen die vóór het arrest van de Hoge Raad verbeurd zouden zijn; en dat ook voor discussie vatbaar is of er, wil de dwangsom na een beslissing van de Hoge Raad zoals hier voorgesteld kunnen worden gevorderd, opnieuw betekening moet plaatshebben (art. 611a lid 3 Rv.).