K338 Aan de Hoge Raad der Nederlanden, Vierde Meervoudige Kamer, Vordering als bedoeld in artikel 46o van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren Op 19 december 2005 heeft de Hoge Raad overeenkomstig art. 46f lid 2 in verband met art. 46g lid 1 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (Wrra) de verlenging van de schorsing als rechterlijk ambtenaar voor de wettelijke termijn van drie maanden uitgesproken van [betrokkene] geboren op [geboortedatum] 1957 te [geboorteplaats], wonende aan [a-straat 1] te [woonplaats]. In december 2005 was de stand van zaken in de strafzaak tegen de betrokkene dat het gerechtelijk vooronderzoek was gesloten en dat een kennisgeving van verdere vervolging was betekend. De Hoge Raad heeft de schorsing verlengd omdat uit de kennisgeving van verdere vervolging bleek dat er een ernstig vermoeden was voor het bestaan van feiten of omstandigheden die tot ontslag op grond van art. 46rn, aanhef en onder a, Wrra zouden kunnen leiden. Inmiddels heeft het Openbaar Ministerie besloten op korte termijn over te zullen gaan tot dagvaarding van de betrokkene voor een terechtzitting van de meervoudige strafkamer van de Rechtbank Zwolle. Ik verwijs naar de brief met bijlagen van de Hoofdofficier van Justitie, mr. A.B. Vast, van 22 februari 2006, welke ik bij deze vordering overleg. Daaruit volgt dat het ernstig vermoeden als hiervoor bedoeld onverminderd aanwezig is. Van overige nieuwe feiten en omstandigheden ten aanzien van de grond voor de schorsing is mij niet gebleken. Wel is sprake van een nieuwe omstandigheid ten aanzien van de duur van de verlenging van de schorsing. Bij Koninklijk Besluit van 17 februari 2006 is de betrokkene met ingang van 30 april 2006 op eigen verzoek ontslag verleend als raadsheer in het Gerechtshof Leeuwarden. Een kopie van het besluit leg ik bij deze vordering over. Door dit ontslag verliest de betrokkene de hoedanigheid van rechterlijk ambtenaar als bedoeld in art. 46b Wrra. Alsdan zijn hoofdstuk 6A van die wet en de in dat hoofdstuk vervatte bepalingen over schorsing niet langer van toepassing op de betrokkene. Dit brengt mee dat de schorsing dient te eindigen met ingang van de datum van het ontslag. Dat de schorsing kan worden verlengd voor een kortere duur dan drie maanden volgt uit art. 46g lid 1 Wrra dat bepaalt dat de Hoge Raad de maatregel telkens voor ten hoogste drie maanden kan verlengen. Op 8 maart 2006 heeft de raadsman van de betrokkene, mr. J.P. Plasman, mij medegedeeld dat de betrokkene geen gebruik wil maken van de gelegenheid door de Procureur-Generaal op de onderhavige vordering tot verlenging van de schorsing te worden gehoord en dat hij zich refereert aan het oordeel van de Hoge Raad. Een gehoor als bedoeld in art. 46o lid 3 Wrra heeft derhalve niet plaatsgevonden. Gelet op het voorafgaande vorder ik dat de Hoge Raad de op 7 juli 2005 uitgesproken, en op 28 september en 19 december 2005 verlengde schorsing van [betrokkene] op de voet van art. 46f lid 2, aanhef en sub b, in verband met art. 46 g lid 1 Wrra zal verlengen, zulks tot 30 april 2006. 's-Gravenhage, 8 maart 2006 De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.