Nr. 03489/05 B Mr. Vellinga Zitting: 27 juni 2006 Conclusie inzake: [Belanghebbende = betrokkene]
(2), waarin de auteur ingaat op de aard van voorwerpen die vatbaar voor onttrekking kunnen zijn: "Waarschijnlijk heeft de wetgever, in zijn poging om de maatregel terug te dringen in het keurslijf van de maatschappijbescherming, zich enigszins verkeken op de draagwijdte van de door hem gekozen formulering en voorbeelden en zich zekerheidshalve beperkt tot het noemen van vooral voorwerpen die vanwege hun evident gevaarlijk karakter sterk tot de verbeelding spreken. Bovendien is de MvT niet de aangewezen plaats om een verkenning uit te voeren naar de grenzen van het toepassingsbereik van deze maatregel. Voorts kan nog worden aangevoerd dat een te beperkte visie op het gemeengevaarlijke karakter van voorwerpen niet in overeenstemming is met de ratio van de maatregel, maatschappijbeveiliging. (...) Het doel van de maatregel is de bescherming van de maatschappij door de eliminering van ongewenste voorwerpen. Om welke redenen de voorwerpen ongewenst zijn, of ze al of niet intrinsiek gevaarlijk zijn, doet minder terzake. Het gevaar hoeft dus niet in de eerste plaats bepaald te worden door de in het geding zijnde voorwerpen maar kan ook vorm krijgen door de schending van doelstellingen die met een bepaald voorschrift worden nagestreefd. Anders gezegd: de ratio van een regeling kan met zich meebrengen dat de samenleving door middel van onttrekking aan het verkeer kan worden beschermd tegen de circulatie van op zichzelf onschuldige voorwerpen. (...) Gezien het voorgaande kan naar mijn mening worden gesteld dat de maatregel onttrekking aan het verkeer zich kan uitstrekken van intrinsiek gevaarlijke voorwerpen tot voorwerpen die op zichzelf niet gevaarlijk zijn. Beide categorieën hebben gemeen dat de vrije circulatie onder bepaalde omstandigheden ongewenst kan zijn."
- Het oordeel van de Rechtbank dat de gezamenlijkheid van voorwerpen die in het onderhavige geval is gebruikt voor het kweken van hennepplanten vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer omdat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang, getuigt in het licht van het voorgaande niet van een onjuiste rechtsopvatting en is voorts niet onbegrijpelijk.
- Het middel is tevergeefs voorgesteld.
- Het vierde middel berust op de stelling dat de Officier van Justitie misbruik maakt van de bevoegdheid afzonderlijk de onttrekking aan het verkeer te vorderen en dat slechts doet om een schadeclaim van de belanghebbende te ontlopen. Daarbij wijst de steller van het middel op de consequentie van de omstandigheid dat de voorwerpen die onderwerp zijn van de vordering reeds zijn vernietigd. Nu, aldus de steller van het middel, de goederen zijn vernietigd, kan er immers geen sprake meer zijn van ongecontroleerd bezit van de voorwerpen en is de vordering dus niet ingediend om te voldoen aan de wettelijke maatstaf van art 36d Sr.
- Het middel faalt. De omstandigheid dat aan het beslag een einde is gekomen door vernietiging (art. 134, tweede lid, onder c, Sv) staat er immers niet aan in de weg dat bij een afzonderlijke rechterlijke beschikking op vordering van het openbaar ministerie de onttrekking aan het verkeer van inbeslaggenomen voorwerpen wordt uitgesproken. In dat geval strekt die vordering ertoe te doen vaststellen of de voorwerpen zich lenen voor onttrekking aan het verkeer. Vgl. HR 14 december 2004, NJ 2006,
- Het vijfde middel bevat de klacht dat de vordering van de Officier van Justitie niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet in het bijzonder niet dat die vordering met redenen moet zijn omkleed.
- Die klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Bij de stukken bevindt zich immers een vordering ex art. 552f, tweede lid Sv, waarin behalve een omschrijving van de inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, ook is gemotiveerd waarom deze voorwerpen naar het oordeel van de officier van justitie vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer.
- Ook het vijfde middel faalt.
- De middelen kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.
- Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG 1 Aanwijzing in de zin van art. 130 lid 4 Wet RO d.d. 2 november 2000, Stcrt 2000, 250, gewijzigd Stcrt 2002, 46, zoals deze geldt tot 1 januari
- 2 M.M. Beije, Onttrekking aan het verkeer, Groningen 1994, p. 149-153.