ECLI:NL:PHR:2006:AY5782
Zaaknr. C03/171HR Mr. Huydecoper Zitting van 30 juni 2006 Conclusie inzake (wijlen) [eiser] eiser tot cassatie tegen Philips Lighting B.V. verweerster in cassatie
De volgende gegevens kunnen daarbij van belang zijn:
Een en ander brengt mee dat voorbij kan worden gegaan aan enkele vragen die aan de orde hadden kunnen komen als niet met het verval van instantie was ingestemd. Ik meen er goed aan te doen die vragen toch even aan te stippen, (ook) voor het geval de Hoge Raad van oordeel mocht zijn dat mijn zo-even neergeschreven bevinding (erop neerkomend dat de vordering bij gebreke van tegenspraak toewijsbaar is), niet verdient te worden gevolgd.
Nu doet zich bij de cassatieprocedure de eigenaardigheid voor dat, voorafgaand aan de dagbepaling van het arrest, een dagbepaling voor de conclusie van de Procureur-Generaal pleegt plaats te vinden (wat in deze zaak ook is gebeurd). Men kan zich afvragen of die dagbepaling als "remplacant" voor de in art. 225 Rv. bedoelde dagbepaling van het vonnis moet worden aangemerkt - of juist niet.
Art. 225 Rv. bouwt namelijk voort op art. 255 (oud) Rv. Die bepaling schreef voor dat schorsing niet meer mogelijk was zodra het geding zich in staat van wijzen bevond, en gaf aan dat dat laatste het geval was zodra - kort gezegd - het "gewone" partijdebat was afgesloten(2).
De toelichting op het huidige art. 225 (lid 4 ) Rv. zegt er slechts dit van, dat de nieuwe bepaling inhoudelijk aansluit bij de oude(3). Ik neem daarom aan dat inderdaad geen inhoudelijke wijziging beoogd is, en dat men het (uitzonderings)geval dat na het afsluiten van het partijdebat geen datum voor vonnis maar een datum voor conclusie Procureur-Generaal wordt bepaald, daarbij over het hoofd heeft gezien.
De vraag die mij inviel nadat ik het zojuist hiervóór beschreven punt had bereikt is, of de partij op wier verzoek een geding wegens overlijden (van de desbetreffende partij zelf) is geschorst, mag worden aangemerkt als de partij die een proceshandeling "moet verrichten" in de zin van deze wetsbepaling (als de partij die, zoals de toelichting bij deze bepaling het uitdrukt, "aan zet is"(4)).
Ik ben daarom geneigd te denken dat de partij die schorsing heeft uitgelokt niet mag worden aangemerkt als een partij tegen wie verval van instantie kan worden gevorderd: die partij is niet, zoals de Memorie van Toelichting bij art. 251 Rv. het uitdrukt, "aan zet"(5). Wil, na een schorsing, de andere partij voortgang in de procedure dan kan - en moet - die partij de stappen nemen die tot hervatting van het geding leiden. Nadat het geding hervat is, kan het dan gebeuren dat de andere partij wordt genoodzaakt, een proceshandeling te verrichten(6) (en als dát niet gebeurt, kan (pas) verval van instantie worden gevorderd).
Ik denk dat ik een algemeen antwoord op de gestelde vraag - die zich in allerlei varianten kan voordoen - beter uit de weg kan gaan. Ik de context van de schorsingsregeling van de art. 225 e.v. Rv. lijkt mij in elk geval, dat de daar geboden regels voorrang hebben (als "leges speciales"). In die context beantwoord ik de vraag daarom met: nee(7).
Conclusie Ik concludeer tot toewijzing van het gevorderde verval van instantie, met compensatie van de kosten.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden 1 Men mag aannemen dat de advocaat van [eiser] zich ervan heeft vergewist dat hij met instemming van de belanghebbenden aan "zijn" kant handelde toen hij zich in deze zin uitliet. Strikt genomen zijn de erven van [eiser] in deze procedure niet verschenen en gelden zij (dus) niet als partij, zo lang de aangevangen schorsing van het geding (zie alinea's 4 en 5 hierna) voortduurt.
2 De bijstelling tussen aanhalingstekens is mij ingegeven door de mogelijkheid dat partijen bij zgn. "Borgersbrief" reageren op de conclusie van de Procureur-Generaal (of op de conclusie van het Openbaar Ministerie, waar zo'n conclusie in de feitelijke instanties is genomen). Ofschoon men ook een dergelijke brief tot het partijdebat zou kunnen rekenen, ga ik ervan uit dat die valt buiten het bestek van de partij-uitingen die ertoe leiden dat een zaak de "staat van wijzen" bereikt.
3 Zie o.a. Van Mierlo - Bart, Parlementaire Geschiedenis (Rv., etc.), 2002, p. 396.
4 Van Mierlo - Bart, Parlementaire Geschiedenis (Rv., etc.), 2002, p. 418.
5 Men is geneigd dat eens te meer te denken in een situatie waar het geding inmiddels in staat van wijzen verkeert: in die fase worden er van partijen in het geheel geen proceshandelingen verlangd, en is dus, in de door de toelichting gebruikte beeldspraak, alleen de rechter (of in dit geval: het Parket bij de Hoge Raad) "aan zet".
6 Daarbij kunnen zich complicaties voordoen wanneer, zoals hier, schorsing heeft plaatsgehad nadat de laatste "reguliere" proceshandelingen al waren verricht. Men kan immers menen dat er dan geen partij meer is die nog een proceshandeling "moet verrichten" en/of dat er geen proceshandeling valt aan te wijzen, waartoe men een partij nog kan verplichten. Dat zou kunnen betekenen dat men in dat stadium alleen kan kiezen voor: vonnis vragen of royement vragen; een gedachte die bij de regel van art. 225 lid 4 Rv. goed zou aansluiten.
Ik hoop dat men mij vergeeft dat ik deze complicaties verder laat voor wat zij zijn.
7 Een complicatie binnen de verschillende complicaties die deze zaak voor het voetlicht brengt is, dat art. 225 lid 3 Rv. alle proceshandelingen die na een schorsing plaatsvinden, voor nietig verklaart. Die regel geldt, zou ik denken, ook voor na de schorsing gevraagde aanhoudingen voor beraad, als men die tenminste als "proceshandelingen" aanmerkt (wat ik wel zou doen). Die regel geldt, zuiver beschouwd, trouwens ook voor een na een schorsing geïnitieerde vordering tot verval van instantie - inclusief de reacties van de wederpartij daarop.
Ook deze gedachten verzetten zich er tegen om aan te nemen dat de partij die een schorsing heeft uitgelokt, in enig opzicht "aan zet" zou (kunnen) zijn: behoudens de door de wet geboden stappen tot hervatting van het geding, kunnen er ten laste (en ook ten gunste) van deze partij geen geldige proceshandelingen, en dus ook geen stappen als peremptoirstelling e.d., plaatsvinden.