ECLI:NL:PHR:2006:AY9977
Rekestnummer R05/074HR mr. De Vries Lentsch-Kostense Parket 1 september 2006 Conclusie inzake [De man] tegen [De vrouw] Inleiding 1. In het onderhavige geding waarin uw Raad reeds eerder een beschikking heeft gegeven (HR 14 mei 2004, NJ 2004, 395, m.nt. SW), heeft thans verzoeker tot cassatie - verder: de man - verzocht te bepalen dat de alimentatie voor thans verweerster in cassatie - verder: de vrouw - wordt beëindigd op de voet van art. II lid 2 van de op 1 juli 1994 in werking getreden Wet limitering alimentatie na scheiding (Wet van 28 april 1994, Stb. 324, zoals gewijzigd bij Wet van 28 april 1994, Stb. 325, verder: WLA). Destijds ging het - in cassatie - uitsluitend om de vraag of de termijn van vijftien jaren als bedoeld in de overgangsregeling van art. II lid 2 - welke overgangsregeling inhoudt dat ook in "oude gevallen" de alimentatieplicht kan eindigen na een termijn van vijftien jaar - aanvangt op de datum van ontbinding van het huwelijk (de datum van inschrijving van het echtscheidingsvonnis/de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand) dan wel op de datum waarop ingevolge rechterlijke uitspraak of overeenkomst de verplichting tot betaling van levensonderhoud een aanvang heeft genomen.
Het hof had in eerstbedoelde zin beslist, daarbij aansluiting zoekend bij de huidige wettelijke regeling voor limitering. Uw Raad oordeelde dat het hof aldus heeft miskend dat uit de tekst van art. II WLA en uit de parlementaire geschiedenis van deze bepaling blijkt dat "beslissend voor de toepassing van de in de leden 2-4 van art. II WLA vervatte regels van overgangsrecht voor "oude gevallen" (uikeringen tot levensonderhoud die door de rechter zijn toegekend of tussen partijen overeengekomen vóór inwerkingtreding van die wet) is de datum waarop ingevolge rechterlijke uitspraak of overeenkomst de verplichting tot betaling van levensonderhoud een aanvang heeft genomen". Uw Raad vernietigde de beroepen beschikking van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 27 november 2002.
Het geding is door uw Raad verwezen naar het gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing.
Het hof te Amsterdam heeft voorts vastgesteld dat de man in dit geding (bij het inleidende verzoekschrift van 25 juni 2001) de rechtbank te Rotterdam primair heeft verzocht te bepalen dat de alimentatie voor de vrouw met ingang van 7 juli 2001 wordt beëindigd op de voet van art. II lid 2 WLA, en subsidiair heeft verzocht de door hem aan de vrouw verschuldigde uitkering tot levensonderhoud op nihil te stellen althans te bepalen op een zodanig bedrag als de rechtbank juist zal achten. Het hof heeft overwogen dat de rechtbank bij beschikking van 24 augustus 2001 heeft vastgesteld dat de alimentatieverplichting van de man is geëindigd per 7 juli 2001 (de datum van inschrijving van het echtscheidingsvonnis), dat deze beschikking in hoger beroep is bekrachtigd door het gerechtshof te 's-Gravenhage bij beschikking van 14 mei 2004 en dat na de vernietiging en verwijzing van deze beschikking door de Hoge Raad thans het hoger beroep tegen voormelde beschikking van de rechtbank te Rotterdam ter beoordeling staat.
II lid 2 WLA kan verzoeken, in welk verband zij aanvoert dat nu partijen geen eerdere rechterlijke uitspraak bekend is, het ervoor moet worden gehouden dat een eerdere uitspraak waarbij de alimentatieverplichting is vastgesteld niet is totstandgekomen, ook al is tijdens de echtscheidingsprocedure wel om een dergelijke uitspraak gevraagd. De man stelt zich op het volgende standpunt. Vaststaat dat de vrouw in de echtscheidingsprocedure om een uitkering tot levensonderhoud heeft verzocht en dat de rechtbank met het oog daarop in het echtscheidingsvonnis een comparitie heeft gelast; uit het feit dat nadien geen uitspraak bekend is waarin is beslist op het alimentatieverzoek van de vrouw, kan niet anders geconcludeerd worden dan dat deze bijdrage is vastgesteld op nihil, waarmee voor de man vaststaat dat de termijn van vijftien jaar in ieder geval is aangevangen vóór 5 april 1994.
De man heeft inmiddels de rechtbank te 's-Gravenhage verzocht de echtscheidingsprocedure uit 1985 weer op de rol te plaatsen teneinde alsnog een uitspraak te verkrijgen op de destijds gevorderde alimentatie; zodra de rechtbank daarop met terugwerkende kracht heeft beslist, zal de termijn van vijftien jaar een aanvang nemen op de door de rechtbank te bepalen datum; de man verzoekt dan ook de onderhavige procedure aan te houden in afwachting van een beslissing van de rechtbank te 's-Gravenhage.
Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat geen grond is voor toewijzing van het subsidiaire verzoek van de man tot nihilstelling dan wel wijziging van de alimentatie. Het heeft ten slotte de verzoeken van de man alsnog afgewezen.
Het cassatiemiddel 6. Het cassatiemiddel bestaat uit drie onderdelen. Onderdeel I, dat zich richtte tegen 's hofs beslissing het verzoek tot aanhouding van de man af te wijzen, is - zoals hiervoor vermeld - ingetrokken.
Zoals ik in mijn conclusie voor de in het eerste cassatieberoep gegeven beschikking van 14 mei 2004, onder punt 10, heb opgemerkt, ligt aan deze regeling de gedachte ten grondslag, zoals een en andermaal in de parlementaire stukken (door mij aangehaald) is aangegeven, enerzijds dat rekening dient te worden gehouden met de positie van oudere vrouwen die zich - anders dan degenen die onder het nieuwe regime gaan scheiden - onvoldoende hebben kunnen instellen op het nieuwe limiteringsregime en anderzijds dat de verantwoordelijkheid van alimentatieplichtigen ten opzichte van hun vroegere echtgenoot in beginsel geacht mag worden beëindigd te zijn ingeval zij gedurende een zo lange termijn als de in art. II lid 2 bedoelde termijn alimentatie betalen. Dat daarbij werd gedacht aan een daadwerkelijk betalen kwam expliciet tot uitdrukking in de oorspronkelijk bij de novelle voorgestelde tekst van art. II lid 2 - waarin nog een termijn van twintig in plaats van vijftien jaar was opgenomen - nu daarin werd gesproken van "degene die vóór de inwerkingtreding van deze wet op grond van een rechterlijke uitspraak betreffende de uitkering tot levensonderhoud deze reeds gedurende twintig of meer jaren heeft verstrekt" (zie het voorstel van wet, Tweede kamer, vergaderjaar 1990-1991, 22 170, nr. 2).
Bij nota van wijziging is de tekst van art. II lid 2 gewijzigd en werd gesproken - zoals in de definitieve tekst - van "degene, die op grond van een vóór de inwerkingtreding van deze wet gewezen rechterlijke uitspraak verplicht is een uitkering tot levensonderhoud te verstrekken". Deze wijziging is daardoor ingegeven dat in de oorspronkelijk voorgestelde tekst <<tussen wal en schip>> vallen degenen die reeds geruime tijd alimentatie betalen maar de vereiste termijn niet vóór de inwerkingtreding hebben voltooid (nota van wijziging, Tweede Kamer, vergaderjaar 1991-1992, 22 170, nr. 7). Met deze wijziging is tevens bewerkstelligd dat het bij de limitering - in "oude gevallen" - niet langer gaat om de vraag of daadwerkelijk steeds is betaald, een criterium dat tot rechtsonzekerheid aanleiding kan geven, maar dat het erom gaat of er krachtens rechterlijke uitspraak een verplichting tot betalen bestaat en heeft bestaan.
Zoals ik in genoemde conclusie ook reeds opmerkte, doet aan dit alles niet af dat de rechtsgrond van de alimentatie moet worden gezocht in de nawerking van de wederzijdse verantwoordelijkheid van de echtgenoten binnen het huwelijk die noodzaakt tot een billijke vereffening van de economische nadelen als gevolg van het huwelijk, zodat de verplichting tot het betalen van alimentatie ontstaat op het tijdstip van de scheiding en de rechterlijke uitspraak in zoverre slechts een concretisering van die verplichting inhoudt, zoals ook in de parlementaire stukken bij de wet limitering na scheiding wordt onderkend.
In dat systeem is geen plaats voor het meerekenen van de termijn gedurende welke krachtens voorlopige voorziening alimentatie moest worden verstrekt. De regeling van lid 2 is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van degene die op grond van een vóór de inwerkingtreding tot stand gekomen overeenkomst verplicht is een uitkering tot levensonderhoud te verstrekken. Aantekening verdient dat ook in de limiteringsregeling voor "nieuwe gevallen" geldt dat de termijn gedurende welke krachtens voorlopige voorzieningen alimentatie moest worden betaald, niet wordt meegerekend voor de berekening van de termijn van twaalf jaar die ingevolge art. 1:157 lid 3 BW voor deze gevallen geldt nu deze termijn aanvangt op de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand waarbij geldt dat de verplichting volgens de hoofdregel eindigt na verloop van twaalf jaren onverschillig of een alimentatieverplichting is opgelegd of overeengekomen. (Zie ook de memorie van toelichting (Tweede Kamer, vergaderjaar 1995-1996, 19 295, nr. 3, p. 18), waarin wordt toegelicht dat uit een oogpunt van rechtszekerheid is gekozen voor bedoeld aanvangstijdstip en niet voor de datum waarop de echtscheidingsprocedure is aangevangen of de datum waarop de voorlopige voorzieningen zijn getroffen, data die overigens werden voorgesteld om te voorkomen dat de echtscheidingsprocedure omwille van de verlenging van de termijn wordt gerekt, een argument dat voor de "oude gevallen" niet speelt. Ook Wortmann is van mening dat de termijn gedurende welke krachtens beschikking voorlopige voorzieningen partneralimentatie is betaald, niet mag worden meegerekend voor de berekening van de termijn van vijftien jaar; zie haar meergenoemde noot en de losbladige editie Personen- en familierecht, aant. 5 bij art. 1:157 BW.) Aan het voorgaande doet niet af dat voor de berekening van de in de regeling van art. II lid 2 WLA bedoelde periode van vijftien jaar niet alleen in aanmerking moet worden genomen de periode na de echtscheiding of ontbinding van het huwelijk, maar ook de periode gedurende welke tussen partijen scheiding van tafel en bed heeft bestaan. Dat deze periode ook in aanmerking moet worden genomen vloeit immers voort - aldus uw Raad in zijn beschikking van 29 oktober 1999, NJ 1999, 822 - zowel uit de bewoordingen van de regeling als uit de daaraan ten grondslag liggende overweging dat geen evenwichtige oplossing ten aanzien van het vraagstuk van limitering van de alimentatieduur kan worden bereikt als niet ook op verantwoorde wijze aandacht wordt besteed aan de problemen van degenen die reeds gedurende een zeer lange tijd hun alimentatieplicht hebben vervuld; uw Raad overwoog dat zulks ook steun vindt in het verband tussen art. II en art. I, welke laatste bepaling erin voorziet dat de tijd gedurende welke tijdens de scheiding van tafel en bed een verplichting tot levensonderhoud jegens de andere echtgenoot bestond, mede in aanmerking moet worden genomen (zie art. 1:182 BW zoals gewijzigd bij art. I aanhef en onder D van de Wet limitering alimentatie na scheiding) en voorts bevestiging vindt in de memorie van antwoord aan de Eerste Kamer (Eerste Kamer, vergaderjaar 1993-1994, 22 170, nr. 109a, p. 3).
Conclusie Deze strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden