ECLI:NL:PHR:2006:AZ2145
Nr. 03314/05 Mr. Knigge Zitting: 7 november 2006 Conclusie inzake: [verdachte] 1. De verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam wegens - kort gezegd - handel in verdovende middelen en diefstal veroordeeld tot tien maanden gevangenisstraf.
Blijkens het proces-verbaal, nummer PL1O3O/03-3 13382, dossierpagina 15 e.v., op 24 april 2003 op ambtseed opgemaakt door G.E.K. Schouten, brigadier van politie district Noordkop NHN, is hij op 9 april 2003 benaderd door een bewoner van de [a-straat] in 't Zand gemeente Zijpe, omdat die bewoner daar een vreemde ervaring had opgedaan. Die bewoner was daar enkele maanden tevoren samen met iemand van het Noordhollands Landschap op het terrein van voormeld perceel [a-straat 1] in 't Zand, gemeente Zijpe geweest. Het land achter de boerderij was namelijk door het Noordhollands Landschap aangekocht. Op het moment dat men het erf vervolgens afreed kwam er een zwarte VW Passat personenauto het erf oprijden. Deze auto zou volgens de melder toebehoren aan de huurders van vorenbedoelde boerderij, [a-straat 1] in 't Zand, gemeente Zijpe. Het viel de melder op dat de volgende dag de dam van voormeld perceel [a-straat 1] werd voorzien van een groot metalen hekwerk en dat de poort met een zwaar kettingslot werd afgesloten. Sindsdien is de poort ook continu met dat hangslot afgesloten; er konden geen onbevoegden meer op het erf komen.
Naar aanleiding van deze informatie heeft verbalisant Schouten met verschillende andere bewoners van de [a-straat] in 't Zand contact gezocht. Beide aanwonenden verklaarden afzonderlijk van elkaar dat zij de situatie heel vreemd vonden. Een van de aanwonenden, die op korte afstand van perceel [1] woont, gaf aan dat er activiteiten op het terrein van perceel [1] hadden plaatsgevonden en men had daardoor de indruk gekregen dat er mogelijk iets plaatsvond dat met verdovende middelen te maken had. De activiteiten die men had waargenomen hadden te maken met bouwactiviteiten en men bracht dit in verband met een mogelijke hennepkwekerij of XTC-laboratorium. Deze conclusie trok men zelf naar aanleiding van het feit dat er in het verleden ook dergelijke activiteiten in de omgeving hadden plaatsgevonden en er toen bij invallen door de politie kwekerijen en een laboratorium werden aangetroffen.
Naar aanleiding van deze informatie heeft Schouten met een collega in de nacht van 14 op 15 april 2003 een onderzoek ingesteld op het terrein van perceel [a-straat 1] in 't Zand. Op het moment dat de verbalisanten achter de laatste schuur liepen roken zij duidelijk een weedlucht. Op 25 februari 2004 verklaart Schouten voornoemd tegenover de rechter-commissaris dat hij op 9 april 2003 was benaderd door een bewoner van de [a-straat]. Dat was een kennis van hem, die hij ontmoette en die erover begon. Vervolgens heeft Schouten zelf informatie ingewonnen bij andere buurtbewoners. Hij deed dat onder andere omdat er in die periode in de nabije omgeving hennepkwekerijen waren ontmanteld en ook een XTC-laboratorium. Die kennis uitte het vermoeden dat aan de [a-straat 1] in 't Zand ook wel eens sprake kon zijn van een hennepkwekerij. Schouten woonde zelf in 't Zand en kwam dagelijks langs de betreffende boerderij en had daar ook wel eens dat hek gezien dat was geplaatst, maar hij had gedacht dat dat was geplaatst door het Noordhollands Landschap. Schouten heeft [betrokkene 1] benaderd, die ook aan de [a-straat] woonde. [Betrokkene 1] was in dienst van het Noordhollands Landschap. Behalve met [betrokkene 1] had Schouten ook met diens vrouw gesproken. Voorts verklaart Schouten bij de rechter-commissaris dat hij in de nacht van 14 op 15 april 2003 op het erf is gegaan door over een hekje van een meter te stappen. Daarna rook hij de henneplucht.
Onder deze omstandigheden is het hof met de raadsman van de verdachte en met de advocaat-generaal van oordeel dat de verbalisanten, door het afgesloten erf te betreden zonder enig redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit, een inbreuk hebben gemaakt op de privacy van de verdachte als bedoeld in artikel 8 EVRM. Daarmede is sprake van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, dat niet kan worden hersteld.
Vervolgens dient de vraag zich aan of deze geconstateerde inbreuk op de privacy moet leiden tot uitsluiting van het vervolgens verkregen bewijs in deze zaak.
Het hof zal deze vraag ontkennend beantwoorden.
De verbalisanten hebben het erf betreden door over een hekje van een meter hoogte te stappen. Meteen daarna roken zij een henneplucht. Kennelijk achtte de verdachte zijn privacy voldoende beschermd door afsluiting van zijn erf met dit hekje en meende hij daardoor in voldoende mate onbevangen zichzelf te kunnen zijn in zijn woning. Aldus acht het hof de geconstateerde inbreuk op de privacy beperkt en zal het met overgaan tot uitsluiting van het vervolgens verkregen bewijs.
Het hof acht echter wel termen aanwezig om deze inbreuk op de privacy te verdisconteren in de strafoplegging."
De eerste factor is "het belang dat het geschonden voorschrift dient".
De tweede factor is "de ernst van het verzuim". Bij de beoordeling daarvan zijn de omstandigheden van belang waaronder het verzuim is begaan. Daarbij kan ook de mate van verwijtbaarheid van het verzuim een rol spelen.
De derde factor is "het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt". Bij de beoordeling daarvan is onder meer van belang of en in hoeverre de verdachte door het verzuim daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad.
Opmerking verdient dat indien het niet de verdachte is die door de niet-naleving van het voorschrift is getroffen in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen, in de te berechten zaak als regel geen rechtsgevolg zal behoeven te worden verbonden aan het verzuim." (...) 3.6.3. Strafvermindering, in die zin dat de hoogte van de op te leggen straf in verhouding tot de ernst van het verzuim wordt verlaagd, komt op grond van het bovenstaande slechts in aanmerking, indien aannemelijk is dat (a) de verdachte daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden, (b) dit nadeel is veroorzaakt door het verzuim, (c) het nadeel geschikt is voor compensatie door middel van strafvermindering, en (d) strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is.
Opmerking verdient nog dat indien de rechter tot strafvermindering besluit, hij in zijn beslissing niet alleen moet aangeven dat en waarom hij dit rechtsgevolg aan het verzuim verbindt, maar ook in hoeverre hij de straf in verband met het begane vormverzuim vermindert.
3.6.4. Bewijsuitsluiting kan uitsluitend aan de orde komen indien het bewijsmateriaal door het verzuim is verkregen, en komt in aanmerking indien door de onrechtmatige bewijsgaring een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden. Ook bij bewijsuitsluiting gaat het overigens om een bevoegdheid van de rechter, waarvan de uitoefening in de eerste plaats moet worden beoordeeld in het licht van de wettelijke beoordelingsfactoren van art. 359a, tweede lid, Sv en van de omstandigheden van het geval. (...) 3.7. Het vorenoverwogene brengt mee dat een beslissing tot toepassing van een rechtsgevolg als bedoeld in art. 359a Sv dient te worden genomen en gemotiveerd aan de hand van de hiervoor onder 3.5 besproken factoren die in het tweede lid van het artikel zijn genoemd."
De onbevoegd verkregen informatie heeft rechtstreeks geleid tot de doorzoeking. Cliënt is rechtstreeks door het nadeel getroffen nu zijn erf onbevoegd is betreden.
Het verkregen bewijsmateriaal is door het verzuim verkregen, nu de informatie die in de nacht van 14 op 15 april is verkregen rechtstreeks heeft geleid tot de daarop volgende doorzoeking van 14 april 2003. In de onderhavige omstandigheden is een gesloten erf zonder enige bevoegdheid of last betreden en hierdoor is een belangrijk strafvorderlijk beginsel in aanzienlijke mate geschonden.
Naar aanleiding van vorenstaande dient het op 24 april 2003 verkregen bewijsmateriaal (onder andere de aangetroffen hennepplanten en de gemanipuleerde electriciteitsmeter) van het bewijs te worden uitgesloten."
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG 1 Dat komt mij voor niet het juiste criterium te zijn. Het Hof had zich dienen af te vragen of de verbalisanten redelijkerwijze konden vermoeden dat op de betreden plaats een overtreding van de Opiumwet werd gepleegd (art. 9 lid 1 sub b Opiumwet). Dat is niet helemaal hetzelfde als een redelijk vermoeden van schuld in de zin van art. 27 Sv.
2 Vgl. HR 30 maart 2004, NJ 2004, 376 m.nt. YB.
3 De weergave van het verweer in het arrest is op dit punt iets beknopter.
4 Men kan zich overigens afvragen of de resultaten van de latere doorzoeking als rechtstreekse, "besmette" vruchten van de onbevoegde betreding kunnen worden aangemerkt. Nu evenwel in het verweer is gesteld dat dit het geval is, en het Hof daarover niet anders heeft geoordeeld, moet daarvan denk ik in cassatie worden uitgegaan.
5 Het nadeel is dan alleen gering als het gevonden bewijsmateriaal niet cruciaal is, dus als de verdachte met bewijsuitsluiting toch niets zou opschieten (er is nog genoeg ander bewijs).
6 Vgl. EHRM 12 mei 2000, NJ 2002, 180 m.nt. Sch. (Khan tegen VK).