ECLI:NL:PHR:2007:AZ3307
Nr. 00886/06 Mr. Machielse Zitting: 21 november 2006 Conclusie inzake: [Verdachte] 1. Verdachte is op 12 september 2005 door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens het medeplegen van moord veroordeeld tot negen jaren gevangenisstraf.
Voorbedachte rade vereist kalm beraad en rustig overleg en is het tegenovergestelde van handelen in een ogenblikkelijke opwelling van drift of hartstocht, die de dader als het ware onvoorbereid vindt, en hem brengt tot de onmiddellijk gevolgde daad.
Gezien de verklaringen van verdachte en diens vriendin ([medeverdachte 1]) is er geen sprake geweest van een zeker tijdsverloop waarin men zich daadwerkelijk heeft kunnen beraden. Veracht heeft zich tevoren niet kunnen beraden of kunnen nadenken over wat hij zou gaan doen als het kindje geboren werd. Verdachte was er immers van overtuigd dat het kindje reeds dood was in de buik van [medeverdachte 1]. Doordat het kindje levend geboren werd, ontstond er bij de verdachte paniek. De paniek en het korte tijdsbestek tussen de geboorte en de gevolgde daad hebben geen ruimte gelaten voor kalm beraad en rustig overleg, aldus de verdediging.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt:
Voor een bewezenverklaring van voorbedachte rade is volgens vaste rechtspraak voldoende dat komt vast te staan dat de verdachte tijd had zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, zodat de gelegenheid heeft bestaan tot nadenken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
In dit verband zijn de navolgende feiten en omstandigheden van belang;
De verdachte heeft samen met zijn vriendin op meerdere manieren getracht het zojuist uit haar geboren kind van het leven te beroven. De handelingen zijn opeenvolgend geweest, waarbij verdachte en zijn vriendin vastberaden en doeltreffend zijn doorgegaan op de na de geboorte eenmaal ingeslagen weg van het doden van het kind.
Immers:
De vriendin van verdachte heeft meteen na de geboorte van het kind een sjaal of een handdoek op de mond en/of het gezicht van het kind gedrukt, met als kennelijk doel het kind te laten stikken. Vervolgens heeft zij de nek/het hoofd van het kindje (om)gedraaid. Toen dit niet tot het beoogde resultaat leidde, heeft zij opnieuw enige malen de nek/hoofd van het kind (om)gedraaid.
De verdachte heeft bij deze handelingen aanwijzingen gegeven over de wijze waarop dit diende te gebeuren en zijn vriendin aangemoedigd het te doen én te herhalen. Vervolgens heeft de vriendin van verdachte wederom een sjaal of een handdoek op de mond en/of het gezicht van het kind gedrukt. Toen het leek dat het kindje nog niet was overleden, heeft de verdachte voorgesteld om de keel van het kind door te snijden. Vervolgens heeft de verdachte aan haar een mes gegeven. Op verzoek van zijn vriendin heeft verdachte een t-shirt gepakt om het bloed op te vangen. Toen het doorsnijden van de keel niet lukte, heeft de verdachte tegen zijn vriendin gezegd dat zij harder moest snijden of meer kracht moest zetten. Daarop heeft zij de keel van het kind doorgesneden. Vervolgens heeft de verdachte - nadat zijn vriendin hierom vroeg - een plastic tas gegeven, waarin het kind werd gestopt.
De verdachte heeft hierop deze zak dichtgeknoopt. Hierna hebben verdachte en zijn vriendin - in overleg - de zak in een gracht gegooid.
Uit de genoemde omstandigheden concludeert het hof dat er voor de verdachte en zijn vriendin meerdere momenten zijn geweest waarin zij tijd hadden om zich te beraden op de te nemen of genomen besluiten, zodat er meerdere gelegenheden hebben bestaan om over de betekenis en de gevolgen van hun voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven.
Aldus acht het hof bewezen dat bij de verdachte en zijn vriendin het opzet en de voorbedachte rade heeft voorgezeten om het kind van het leven te beroven, zodat het verweer wordt verworpen."
9.1. Het Hof wordt hier niet correct geïnterpreteerd. Het omschrijft uitvoerig hoe het pasgeboren kind om het leven is gebracht. Het gaat om de toedracht meteen na de geboorte. De rollen van de verdachte en zijn vriendin [medeverdachte 1] zijn als volgt verdeeld. Zij verricht de handelingen die kennelijk gericht zijn op de dood van het kind. Er zijn opeenvolgende handelingen nodig om het overlijden teweeg te brengen. Hij geeft haar aanwijzingen en moedigt haar aan om de handelingen te verrichten en om deze te herhalen. Als de ene methode geen succes heeft stelt hij een andere voor, net zolang totdat het kind is overleden. Het Hof vat samen: bij de opeenvolgende handelingen zijn de verdachte en zijn vriendin vastberaden en doeltreffend doorgegaan op de na de geboorte eenmaal ingeslagen weg van het doden van het kind. Ook als verdachte niet kalm en rustig was, maar zeer geagiteerd en emotioneel, staat dat er overigens niet aan in de weg dat de gelegenheid heeft bestaan om zich te bezinnen.(3) Ik houd staande dat voor het verkeren in een paniektoestand hetzelfde geldt.
9.2. Bovendien heeft het Hof tot het bewijs gebezigd:
Ik hoorde haar aan mij vragen: "Zal ik nog een keer draaien": Ik zei: "Ja, doe maar". Ik zag dat zij wederom een paar keer aan het hoofd draaide. De baby was niet dood. [Medeverdachte 1] pakte wederom de doek en drukte dit op het mondje van de baby. Ik hoorde dat [medeverdachte 1] aan mij vroeg: "wat moet ik doen?" Toen heb ik gezegd: "De keel doorsnijden of zo"; [Medeverdachte 1] zei: "Zal ik die keel doorsnijden?" Ik zei: "Ja, doe maar". Ik heb het mes voor haar gepakt en haar gegeven. [Medeverdachte 1] zei dat ik er iets voor moest houden. Ik heb een T-shirt gepakt en heb dit ervoor gehouden om het bloeden te stuiten. Ik hoorde [medeverdachte 1] zeggen: "Het lukt niet". Ik zei tegen [medeverdachte 1]: "Dan moet je het harder doen": Ik zag dat het toen wel lukte om de keel van de baby door te snijden. Volgens mij was de baby dood. Het was een meisje. (...)"
Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt:
De wetgever heeft bij de artikelen 290/291 WvS ten gunste van de moeder die, onder de werking van vrees voor de ontdekking van haar bevalling respectievelijk ter uitvoering van een onder de werking van vrees voor ontdekking bij haar aanstaande bevalling genomen besluit, haar kind bij of kort na de geboorte opzettelijk van het leven berooft, in de delictsomschrijvingen een wettelijke strafverminderingsgrond verdisconteerd. De strafverminderingsgrond is gelegen in de bedoelde bijzondere gemoedstoestand, die uit zijn aard slechts bij de moeder kan bestaan en die een uitsluitend haar persoonlijk betreffende omstandigheid betreft. Niet is in te zien dat deze wettelijke strafverminderingsgrond in enigerlei opzicht in relatie staat tot het recht op respect voor het privéleven en het familie- en gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 EVRM, dat derhalve - ook bezien in relatie tot artikel 14 EVRM, welke bepaling geen rechtstreekse werking heeft - niet in het geding kan zijn.
Waar de verdachte zich beroept op een bij hemzelf bestaan hebbende vrees voor de ontdekking van de geboorte van zijn kind, overweegt het hof dat artikel 292 WvS, dat bepaalt dat de in de artikelen 290/291 WvS bedoeld misdrijven ten aanzien van anderen die er aan deelnemen als doodslag respectievelijk moord worden aangemerkt, onverlet laat dat het ter vrije beoordeling van de strafrechter staat de gemoedstoestand als door de verdachte bedoeld, indien aanwezig geacht, ten aanzien van de verdachte als strafverminderende factor aan te merken. Zoals (...) zal blijken, acht het hof deze gemoedstoestand bij de verdachte niet in relevante mate aanwezig, zodat in zoverre de verdachte ook geen belang heeft bij een verweer in deze."
Het middel is in de kern een herhaling van het in de hiervoor weergegeven overweging van het Hof samengevatte pleidooi. Daarin wordt een beroep gedaan op:
Artikel 14 EVRM Het genot van de rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, moet worden verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.(7) in verbinding met:
Artikel 8 EVRM 1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.
Artikel 26 IVBPR kan naar mijn mening verdachte ook niet helpen. Voor toepassing van strafvermindering enkel op de vrouw zijn, gelet op de bijzonderheid dat zij het kind ter wereld brengt met alle gevolgen vandien voor haar lichamelijke en geestelijke functioneren, objectieve redenen.
De Procureur-Generaal, bij de Hoge Raad der Nederlanden 1 HR 27 juni 2000, LJN AA6308; HR 11 juni 2002, LJN AE1743; HR 22 februari 2005, LJN AR5714; HR 4 april 2006, LJN AU9428; zie ook HR 10 januari 2006, LJN AU7125.
2 HR 6 mei 1975, NJ 1975, 416.
3 HR 10 januari 2006, LJN AU7125.
4 HR 4 april 2006, LJN AU9428. Zie ook HR 22 februari 2005, LJN AR5714 met betrekking tot het pakken van het mes tijdens de uitvoering 5 HR 13 januari 1896, W. 6757.
6 Vgl. NLR, aant. 1 en 2 op art. 50 Sr en H.A. Demeersseman, Met voorbedachten rade, Arnhem: Gouda Quint BV 1989, p. 80, telkens onder verwijzing naar Smidt I, 1881, p. 416.
7 Artikel 17 IVBPR: 1. Niemand mag worden onderworpen aan willekeurige of onwettige inmenging in zijn privé leven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling, noch aan onwettige aantasting van zijn eer en goede naam. 2. Een ieder heeft recht op bescherming door de wet tegen zodanige inmenging of aantasting.
Artikel 26 IVBPR: Allen zijn gelijk voor de wet en hebben zonder discriminatie aanspraak op gelijke bescherming door de wet. In dit verband verbiedt de wet discriminatie van welke aard ook en garandeert een ieder gelijke en doelmatige bescherming tegen discriminatie op welke grond ook, zoals ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere status.
8 Zie bijv. EHRM 13 januari 2004, NJ 2005, 113 m.nt. JdB (Haas); EHRM 24 februari 1998, NJ 1999, 691 m.nt. EJD (Botta); EHRM 28 mei 1985, NJ 1988, 187 m.nt. EAA (Abdulaziz, Cabales en Balkandali); EHRM 28 oktober 1987, NJ 1989, 661 m.nt. EAA (Inze) en HR 28 november 1984, NJ 1986, 4 m.nt. EAA (Rasmussen).