Nr. 00536/06 Mr. Vellinga Zitting: 28 november 2006 Conclusie inzake: [verdachte]
(1), missen deze dus feitelijke grondslag. De verwerping van het beroep op een ondeugdelijke poging geeft derhalve geen blijk van en onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en is voldoende met redenen omkleed.
- Anders dan in de toelichting op de middelen wordt gesteld had het Hof in het als bewijsmiddel 2 voor het bewijs gebezigde deskundigenrapport geen aanleiding behoeven te zien te onderzoeken of van een relatief ondeugdelijk middel sprake was. In het rapport van de deskundige - goed aansluiten en toetsaanslagen kunnen worden doorgegeven - gelezen in verband met de verklaring van [getuige 1] (bewijsmiddel 5) dat [verdachte] beelden van de ING-computer thuis op zijn beeldscherm had, ligt immers besloten dat noch van een absoluut ondeugdelijk, noch van een relatief ondeugdelijk middel sprake was.
- De klacht dat het Hof gelet op het bepaalde in art. 6 EVRM ambtshalve de deskundige had moeten oproepen om de beweerdelijke ondeugdelijkheid van de gehanteerde oplichtingsmiddelen nader te onderzoeken, berust louter op de veronderstelling dat het apparaat niet functioneerde, terwijl het Hof nu juist op gezag van de deskundige mocht menen dat die veronderstelling onjuist is. Daarenboven heeft verdachte(s raadsman) niet de gelegenheid te baat genomen om te verzoeken de deskundige ter terechtzitting te horen, al dan niet naar aanleiding van het besluit van het Hof de medeverdachte te horen en van hetgeen deze verklaarde. Van schending van art. 6 EVRM is dan ook geen sprake.
- De middelen falen en lenen zich voor toepassing van art. 81 RO.
- Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG 1 Vgl. De Hullu, Materieel strafrecht, Deventer 2006, 3e druk, p. 374-375 en de daar besproken jurisprudentie: wil van een absoluut ondeugdelijke poging kunnen worden gesproken, dan moet het gaan om een uitvoeringshandeling die nimmer tot het beoogde doel kan leiden.