← Nederland

ECLI:NL:PHR:2007:AZ4663

Rekestnr. R06/045HR Mr. D.W.F. Verkade Parket 30 november 2006 Conclusie inzake: Dexia Bank Nederland NV (hierna: Dexia) tegen [Verweerder] Inhoudsopgave

  1. Inleiding (nrs. 1.1-1.3)
  2. Feiten (nrs. 2.1-2.7)
  3. Procesverloop (nrs. 3.1-3.13)
  4. Enige inleidende beschouwingen A. Wet bescherming persoonsgegevens (nrs. 4.2-4.6) B. Inzageverzoek ex art. 35 Wbp (nrs. 4.7-4.11.3) C. Gedragscode verwerking persoonsgegevens financiële instellingen (nrs. 4.12-4.18) D. Buitenlandse wetgeving (nrs. 4.19-4.24) E. De weigeringsgrond in art. 43 sub e Wbp (nrs. 4.25-4.26) F. (Oordeel) College Bescherming Persoonsgegevens (nr. 4.27) G. Rechtspraak inzake inzageverzoeken (nrs. 4.28-4.36) H. Literatuur inzake inzageverzoeken (nrs. 4.37-4.39)
  5. Bespreking van het middel Algemeen (nr. 5.1) Onderdeel 1(verwijzing) (nr. 5.2) Onderdeel 2 (nrs. 5.3-5.13) Onderdeel 3 (nrs. 5.14-5.21) Onderdeel 4 (nrs. 5.22-5.26) Onderdeel 5 (nrs. 5.27-5.30) Onderdeel 6 (nrs. 5.31-5.33) Onderdeel 1 (nrs. 5.34-5.38)
  6. Conclusie
  7. Inleiding 1.
  8. De onderhavige zaak speelt zich af tegen de volgende achtergrond. 'Een jaar of zes, zeven geleden bood de [rechtsvoorgangster van] Dexia allerlei beleggingsproducten aan, aangeprezen als "winstverdubbelaars" en later zelfs "winstverdriedubbelaars". Deze producten betroffen constructies waarbij consumenten geld van de bank leenden die daarmee vervolgens aandelen voor hen kocht. In de eerste jaren na de introductie van dit beleggingsproduct waren de winsten aanzienlijk, en het product werd dan ook erg populair. Maar in 2000 en 2001 ging het mis. De aandelenmarkten zakten in en de vele tienduizenden deelnemers leden grote verliezen. Velen ontdekten dat ze in plaats van een winstuitkering te ontvangen, een hoge schuld bij de bank hadden opgebouwd. Veel van deze gedupeerden hadden zich niet gerealiseerd welke risico's er waren en meenden dat Dexia meer en betere informatie daarover had moeten geven.'

(1)Hierop is een groot aantal rechtszaken gevolgd.
(2)Een aantal daarvan betreft de door betrokkenen op basis van art. 35 van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) gevraagde kennisneming van hen betreffende persoonsgegevens en de reacties van Dexia daarop. 1.
  1. Zo ook de onderhavige zaak: [verweerder] heeft Dexia verzocht hem een overzicht in de zin van art. 35 (lid 2) Wbp toe te zenden alsmede de kopieën van alle in zijn dossier verwerkte gegevens. In cassatie is aan de orde wat onder 'persoonsgegeven' en 'bestand' moet worden verstaan: begrippen die (blijkens art. 1 en 2 Wbp) de reikwijdte van de Wbp bepalen. Een ander omstreden begrip is 'volledig overzicht' in art. 35 Wbp. Voorts komt art. 43 sub e Wbp aan de orde. Dit is de bepaling waarop Dexia een van haar verweren - dat het kennisnemingsverzoek tot onevenredige lasten leidt - heeft gebaseerd. Aan de orde komen voorts de vraag of Dexia zich kan beroepen op misbruik van recht bij een verzoek van art. 35 Wbp, en de verhouding van die bepaling tot art. 843a Rv. 1.
  2. Deze zaak, en een andere waarin ik heden eveneens concludeer (Rekestnr. R06/046HR), zijn de eerste 'Dexia-zaken' (betreffende de kennisnemingsaanspraken ex art. 35 Wbp) die aan Uw Raad worden voorgelegd.
(3)2. Feiten
(4)2.
  1. In december 2000 heeft [verweerder] met de rechtsvoorgangster van Dexia, Bank Labouchère NV, een effectenlease-overeenkomst gesloten genaamd WinstVerDriedubbelaar. 2.
  2. Bij brief van 30 juli 2002 heeft [verweerder] Dexia verzocht om toezending van 'al zijn stukken c.q. documenten'. Bij brief van 28 maart 2003 heeft [verweerder] dit verzoek herhaald. 2.
  3. Bij deurwaardersexploot van 3 december 2003 heeft [verweerder] jegens Dexia onder andere een beroep gedaan op de vernietigbaarheid van de overeenkomst wegens dwaling. Voorts heeft [verweerder] Dexia verzocht om hem een overzicht in de zin van artikel 35 Wbp toe te sturen. Verder heeft [verweerder] Dexia verzocht om hem kopieën te sturen van alle gegevens uit zijn dossier. 2.
  4. In vervolg hierop heeft Dexia bij brief van 22 december 2003 een overzicht van (persoons)gegevens naar [verweerder] gestuurd. 2.
  5. Bij brief van 22 januari 2004 heeft [verweerder] aan Dexia geschreven: 'Ik verzoek u nogmaals dringend om alle in mijn dossier verwerkte gegevens, binnen 4 weken na dagtekening van deze brief in kopie naar mij toe te zenden. De door Dexia hij brief d.d. 22 december 2003 (ontvangen op 2 januari 2004) aan mij verstrekte gegevens zijn in geheel algemene zin gesteld en derhalve sterk ontwijkend van aard om een beeld te kunnen vormen over de door u verzamelde gegevens. Op grond van de WBP heb ik recht op inzage in en afschrift van alle door u verwerkte persoonsgegevens. Met name uw inlichtingen over de herkomst van de gegevens zijn volstrekt onvoldoende. Ik wens uiterlijk 23 februari 2004 van u te vernemen hoe u aan mijn gegevens bent gekomen.' Bij brief van 5 februari 2004 heeft [verweerder] een en ander herhaald. 2.
  6. Vervolgens heeft Dexia [verweerder] hij brief van 19 februari 2004 bericht dat zij niet ingaat op het verzoek van [verweerder] om hem kopieën te verstrekken van zijn dossier. 2.
  7. Daarop heeft [verweerder] het College bescherming persoonsgegevens (hierna: CBP) bij brief van 24 februari 2004 verzocht om te bemiddelen in zijn geschil met Dexia over zijn persoonsgegevens, aan welk verzoek het CBP gehoor heeft gegeven. Uiteindelijk heeft het CBP [verweerder] bij brief van 3 november 2004 medegedeeld dat zij de behandeling van zijn zaak had beëindigd, omdat bemiddeling niet meer zinvol was.
  8. Procesverloop 3.
  9. Bij inleidend verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 30 november 2004, heeft [verweerder] de rechtbank op de voet van artikel 46 lid 1 Wbp verzocht om Dexia op straffe van een dwangsom te bevelen om zijn verzoek ex artikel 35 Wbp alsnog toe te wijzen. Het verzoek strekt er mede toe dat de rechtbank Dexia zal bevelen om aan [verweerder] kopieën te verstrekken van alle bescheiden met zijn persoonsgegevens. 3.
  10. Dexia voerde gemotiveerd verweer. 3.
  11. Ter zitting van de rechtbank hebben partijen hun standpunten nader toegelicht. Blijkens het proces-verbaal van deze zitting en het appelschrift heeft alleen [verweerder] een pleitnota overgelegd.
(5)[verweerder] heeft tijdens de mondelinge behandeling zijn verzoek gewijzigd doordat hij heeft gespecificeerd welke gegevens Dexia tenminste moet vermelden op het overzicht ex artikel 35 lid 2 Wbp, en van welke bescheiden Dexia in ieder geval kopieën dient te verstrekken aan [verweerder]. 3.4. Bij beschikking d.d. 13 april 2005 heeft de rechtbank te 's-Hertogenbosch - kort gezegd
(6)- overwogen dat Dexia ter voldoening aan het verzoek ex artikel 35 Wbp antwoord moet geven op de vraag of zij persoonsgegevens van [verweerder] verwerkt, en zo ja, hem daarvan een overzicht moet verstrekken dat niet méér hoeft in te houden dan een opsomming van de verwerkte persoonsgegevens (hetgeen volgens de rechtbank wil zeggen: de directe identificatiegegevens, de NAW-gegevens etc.) en de aard van eventuele bescheiden of bestanden die daaraan op de een of andere wijze zijn gekoppeld, zonder dat de inhoud van die bescheiden wordt weergegeven. Na ontvangst van dit overzicht kan [verweerder] Dexia desgewenst verzoeken om nadere informatie of inzage in/afschrift van één of meer bescheiden. [Verweerder] moet dan tot op zekere hoogte aangeven welk belang hij heeft bij inzage of bij het verstrekken van een kopie van een bepaald stuk. Vervolgens dient Dexia een afweging te maken of zij aan het nadere verzoek van [verweerder] kan voldoen, aldus nog steeds de rechtbank. Het overzicht dat Dexia bij brief van 22 december 2003 aan [verweerder] heeft verstrekt bevat slechts ten dele persoonsgegevens, en voor het overige gegevens die in zeer algemene termen zijn omschreven. Volgens de rechtbank is het overzicht te weinig concreet om [verweerder] in staat te stellen zijn verzoek nader te specificeren. Mede gelet daarop heeft de rechtbank Dexia, op straffe van een dwangsom van € 250 per dag, bevolen om aan [verweerder] een overzicht van zijn persoonsgegevens te verstrekken, zulks op de voet van artikel 35 Wbp en met inachtneming van hetgeen de rechtbank overigens in haar beschikking heeft overwogen. 3.5. Dexia is van deze beschikking in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Bij beroepschrift heeft Dexia acht grieven aangevoerd en het hof verzocht om, uitvoerbaar bij voorraad: - de beschikking waarvan beroep te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, [verweerder] alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek althans dit verzoek af te wijzen; - [verweerder] op straffe van een dwangsom van € 10.000 per dag (met een maximum van € 50.000) te bevelen om, binnen drie dagen na de door het hof te geven beschikking, het overzicht van 11 mei 2005 dat Dexia op grond van de beschikking van de rechtbank aan [verweerder] heeft verstrekt en eventuele kopieën daarvan, af te geven aan de raadsman van Dexia; - [verweerder] op straffe van een dwangsom van € 10.000 per overtreding (met een maximum van € 50.000) te verbieden op enigerlei wijze gebruik te maken van de gegevens zoals opgenomen in voormeld overzicht; - [verweerder] te veroordelen in de kosten van beide instanties. 3.6. Desverzocht heeft de voorzitter van de behandelend kamer van het hof beslist dat [verweerder] ook in hoger beroep zonder advocaat of procureur kan procederen, zulks onder verwijzing naar HR 22 november 2002, NJ 2003, 229. 3.7. Desgevraagd heeft het CBP aan het hof medegedeeld dat zij in de onderhavige zaak niet als belanghebbende wil worden aangemerkt. Het CBP heeft te kennen gegeven dat zij wel als deskundige wilde optreden, waarmee [verweerder] kon instemmen. Het hof had er - blijkens rov. 2.3 van de bestreden beschikking - echter geen behoefte aan om nader advies in te winnen bij het CBP. 3.8. [Verweerder] voerde gemotiveerd verweer en concludeerde tot afwijzing van Dexia's beroep. Voorts heeft [verweerder], onder wijziging en vermeerdering van zijn verzoek, het hof verzocht om - samengevat - bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad: a. vast te stellen dat genoemd overzicht van 11 mei 2005 niet voldoet aan het dictum van de beschikking waarvan beroep, en Dexia te veroordelen om aan [verweerder] de door de rechtbank vastgestelde dwangsom te betalen; b. Dexia op straffe van een dwangsom van € 1.000 per dag (met een maximum van € 25.000) te bevelen om, binnen twee weken na de door het hof te geven beschikking, aan [verweerder] alsnog een volledig en begrijpelijk overzicht van zijn persoonsgegevens te verstrekken, welk overzicht een lijst moet bevatten van alle stukken die zich in zijn persoonlijk dossier bevinden, alsmede de aard van de bescheiden of bestanden die daaraan op de een of ander wijze zijn gekoppeld. [Verweerder] doelt daarbij in ieder geval op de volgende gegevens en bescheiden: - indien aanwezig: het aanvraagformulier; - een kopie van de overeenkomst; - indien aanwezig: het risicoprofiel c.q. beleggersprofiel (hierna aangeduid als: cliëntenprofiel); - de aankoopbewijzen van de in de effectenlease-overeenkomst genoemde aandelen; - bescheiden betreffende de vestiging van pandrechten op de in de effecten lease-overeenkomst genoemde aandelen, zulks overeenkomstig de op die overeenkomst toepasselijke Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease; - bescheiden betreffende de bijschrijving van de aandelen op naam van [verweerder] conform artikel 17 Wet giraal effectenverkeer (Wge); - afschriften van dividenduitkeringen aan [verweerder]; - persoonsgegevens van [verweerder] die Dexia heeft verwerkt in verband met de verdeling van de aangekochte effecten over de betrokken cliënten; - de herkomst van gegevens; - ontvangers van gegevens en categorieën van ontvangers, onder vermelding van welke persoonsgegevens aan welke ontvangers zijn verstrekt; - het doel of de doeleinden van de verwerking van de gegevens; - een schriftelijke uitwerking van tussen partijen gevoerde telefoongesprekken, met vermelding van de namen van degenen met wie [verweerder] heeft gesproken; - BKR-gegevens en gegevens omtrent de inventarisatie van de kredietwaardigheid van [verweerder]; - alle overige documenten die op [verweerder] van toepassing zijn; c. Dexia op straffe van een dwangsom van € 1.000 per dag (met een maximum van € 25.000) te bevelen om, binnen vier weken na de door het hof te geven beschikking, aan [verweerder] inzage in zijn persoonsgegevens te verlenen door middel van het verstrekken van kopieën, zulks voor het geval Dexia in het te verstrekken overzicht slechts summierlijk melding zou maken van de verwerking van persoonsgegevens zonder de zakelijke inhoud van voormelde stukken weer te geven, met veroordeling van Dexia in de kosten van beide instanties. 3.9. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 november 2005. Hoewel daartoe uitgenodigd door het hof, is het CBP ter zitting niet als toehoorder verschenen. 3.10. Het hof heeft bij beschikking van 16 januari 2006, voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen: '4.5.1. Grief 1 is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat [verweerder] ontvankelijk is in zijn verzoek. In dit verband heeft Dexia aangevoerd dat zij reeds bij brief van 22 december 2003 heeft geantwoord op het verzoek van [verweerder] ex artikel 35 Wbp. Op grond van artikel 46 lid 2Wbp en 47 lid 1 Wbp had [verweerder] uiterlijk binnen zes weken na ontvangst van dit antwoord op 2 januari 2004 een verzoekschrift bij de rechtbank moeten indienen dan wel het CBP om bemiddeling moeten verzoeken, in welk laatste geval de beroepstermijn zou worden verlengd. [verweerder] heeft het CBP echter pas na afloop van deze termijn om bemiddeling verzocht, en wel op 24 februari 2004, zodat de rechtbank hem niet-ontvankelijk had moeten verklaren in zijn verzoek. 4.5.2. De grief faalt, omdat Dexia daarmee miskent dat haar brief van 22 december 2003 uitsluitend een toewijzende beslissing bevat waartegen uit haar aard geen beroep openstaat, temeer nu in die brief geen (voldoende kenbare) afwijzing besloten ligt. Eerst bij brief van 19 februari 2004 heeft Dexia afwijzend beslist op het verzoek van [verweerder], zodat pas na de ontvangst van deze brief door [verweerder] op 20 februari 2004 de beroepstermijn van zes weken is gaan lopen. Door zich op 24 februari 2004 tot het CBP te wenden, heeft [verweerder] het CBP dus tijdig om bemiddeling verzocht. Nu [verweerder] voorts overeenkomstig artikel 47 lid 1 Wbp binnen zes weken na ontvangst van het bericht van het CBP van 3 november 2004 dat de behandeling van zijn zaak was geëindigd alsnog een verzoekschrift bij de rechtbank heeft ingediend, heeft de rechtbank hem daarin terecht ontvangen. 4.5.3. Voorts is het hof van oordeel dat de brief van [verweerder] van 22 januari 2004 (zie r.o. 4.3.1 sub
  1. e)geen nieuw verzoek in de zin van artikel 35 Wbp is, maar een aansporing aan Dexia om alsnog volledig gehoor te geven aan zijn verzoek van 3 december 2003. Derhalve faalt het verweer van Dexia dat [verweerder] niet met redelijke tussenpozen verzoeken ex artikel 35 Wbp zou hebben gedaan. 4.6.1. Met grief 3 betoogt Dexia dat [verweerder] misbruik maakt van zijn bevoegdheid ex artikel 35 Wbp door deze bevoegdheid te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze is gegeven, namelijk om zijn processuele positie te verbeteren ten nadele van Dexia. Volgens Dexia mag zij daarom weigeren te voldoen aan het verzoek van [verweerder]. Hieromtrent overweegt het hof als volgt. 4.6.2. Naar het oordeel van het hof kan een betrokkene zijn bevoegdheid uit artikel 35 Wbp misbruiken waardoor deze bevoegdheid niet kan worden ingeroepen (artikel 3:15 BW jo. 3:13 BW). Of sprake is van misbruik van recht, zal aan de hand van de concrete omstandigheden moeten worden beoordeeld. Daarbij geldt dat het aan Dexia is om voldoende feiten en omstandigheden te stellen, en zonodig aan te tonen, waaruit kan volgen dat sprake is van misbruik van recht. Hetgeen Dexia stelt is ontoereikend om misbruik van recht aan te nemen. 4.6.3. Het hof neemt hierbij in overweging dat het doel van artikel 35 Wbp is om de betrokkene (in casu: [verweerder]) in de gelegenheid te stellen om na te gaan of en zo ja welke hem betreffende persoonsgegevens door de verantwoordelijke (in casu: Dexia) worden verwerkt, en of de weergave van zijn persoonsgegevens in de verwerking van Dexia juist is, voor het doel of de doeleinden van de verwerking volledig en ter zake dienend is en of Dexia zijn persoonsgegevens in overeenstemming met wettelijke voorschriften verwerkt. Dienaangaande heeft [verweerder] gemotiveerd gesteld dat hij wil nagaan of Dexia zijn persoonsgegevens correct heeft verwerkt, en hij heeft ter zake zelfs een procedure tegen Dexia aanhangig gemaakt met het risico van een proceskostenveroordeling. Het hof beschouwt het verzoek van [verweerder] dan ook als een serieus verzoek dat in overeenstemming is met het doel van artikel 35 Wbp. De enkele omstandigheid dat [verweerder] met de eenmaal verkregen gegevens vervolgens tevens een ander doel zou kunnen dienen, bijvoorbeeld door deze te gebruiken in een eventuele civiele procedure tegen Dexia, is daarbij naar 's hofs oordeel ontoereikend om misbruik van recht aan te nemen. Dit kan anders zijn indien dat andere doel onrechtmatig is, maar dat heeft Dexia niet gesteld. Dexia stelt wel dat zij processuele schade zal lijden indien zij het verzoek van [verweerder] zou inwilligen, maar, zoal sprake zou kunnen zijn van schade, is dat rechtmatige schade. Ook het enkele feit dat sprake is van een conflictsituatie tussen partijen staat er niet aan in de weg dat [verweerder] gebruik maakt van zijn rechten uit de Wbp, en levert op zichzelf genomen geen misbruik van recht op. Tenslotte is het hof van oordeel dat het verzoek van [verweerder] ex artikel 35 Wbp geen doorkruising oplevert van artikel 843a Rv. Beide procedures kunnen naast elkaar lopen in die zin dat (de mogelijkheid van) toepassing van de procedure van artikel 843a Rv niet aan toepassing van die van artikel 35 Wbp in de weg kan staan, noch de toepassing van laatstgenoemde procedure op enigerlei wijze kan belemmeren of inperken. Daarbij is niet van belang dat voor een verzoek ex artikel 35 Wbp niet dezelfde eisen gelden als voor een vordering ex artikel 843a Rv en dat Dexia niet op gelijke voet gegevens kan opvragen bij [verweerder], omdat dit nu eenmaal een gevolg is van de wettelijke regeling zoals neergelegd in de Wbp, en van de daaraan ten grondslag liggende Richtlijn 95/46/EG van 24 oktober 1995, waarbij alleen aan de betrokkene een onvoorwaardelijk recht op kennisneming van de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens is verleend. 4.6.4. Op grond van het bovenstaande faalt grief 3. Tevens faalt grief 6 voor zover deze grief betrekking heeft op de door Dexia gestelde doorkruising van artikel 843a Rv. 4.7.1. Vervolgens komt de in de grief 4 gestelde vraag aan de orde of [verweerder] voldoende belang heeft bij zijn verzoek ex artikel 35 Wbp. Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend, aangezien het belang van een betrokkene bij een zodanig verzoek wordt voorondersteld door de Europese en Nederlandse wetgever. Genoemde Europese Richtlijn en de Wbp geven aan een ieder het recht om zich vrijelijk tot de verantwoordelijke te wenden zonder dat de betrokkene zijn verzoek tot kennisneming van de verwerking van zijn persoonsgegevens behoeft te motiveren, terwijl niet gezegd kan worden dat [verweerder] op dit belang geen beroep zou kunnen doen. Bovendien volgt ook uit het voorgaande dat [verweerder] een rechtens te respecteren belang heeft bij zijn verzoek, omdat hij aldus wil nagaan of Dexia zijn persoonsgegevens correct heeft verwerkt. 4.7.2. Aan het vorenoverwogene kan niet afdoen dat [verweerder] van Dexia al twee overzichten van zijn persoonsgegevens heeft ontvangen (d.d. 22 december 2003 en 11 mei 2005). Evenmin doet afbreuk aan het belang van [verweerder] dat hij reeds bekend is met de inhoud van de overeenkomst en van de tussen partijen gevoerde correspondentie en telefoongesprekken. De ratio van artikel 35 Wbp is immers dat [verweerder] moet kunnen controleren of de weergave van zijn persoonsgegevens in de verwerking van Dexia juist, volledig, relevant en rechtmatig is, zodat [verweerder] in staat is om zonodig zijn correctierecht ingevolge artikel 36 Wbp uit te oefenen. 4.7.3. Het hof is voorts van oordeel dat in artikel 35 Wbp het recht op kopieën en afschriften van persoonsgegevens besloten ligt alsmede het recht op transcripties van opgenomen telefoongesprekken, behoudens door Dexia te stellen bijzondere omstandigheden. Zulks sluit aan bij de Gedragscode verwerking persoonsgegevens financiële instellingen, alsmede bij het op de Wbp gebaseerde Besluit kostenvergoeding rechten betrokkene Wbp (Stb. 2001, 305), welk besluit uitgaat van het verstrekken van kopieën en afschriften aan de betrokkene in het kader van de honorering van een verzoek ex artikel 35 Wbp. Het feit dat Dexia kosten moet maken om aan [verweerder] kopieën en transcripties te kunnen verstrekken, en het feit dat er enige tijd gemoeid is met het traceren van de telefoongesprekken met [verweerder], leveren naar 's hofs oordeel geen bijzondere omstandigheden op als hier bedoeld, met name niet nu genoemd besluit erin voorziet dat Dexia de daaraan verbonden (forfaitaire) kosten in rekening kan brengen bij [verweerder]. Dit een en ander geldt naar 's hofs oordeel temeer nu het heden ten dage in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk is om een betrokkene desgewenst (tegen betaling) inzage in zijn persoonsgegevens te verschaffen door middel van kopieën en transcripties, terwijl niet gebleken is dat Dexia een rechtens te respecteren belang heeft om deze stukken niet te verstrekken aan [verweerder]. 4.7.4. Nu als uitgangspunt heeft te gelden dat in artikel 35 Wbp het recht op kopieën en transcripties besloten ligt, wordt het belang van [verweerder] ook hierbij voorondersteld. 4.7.5. Het hof is van oordeel dat [verweerder] er juist belang bij heeft dat Dexia aan hem kopieën en transcripties verstrekt, omdat hij daarmee de rechtmatigheid van de verwerking van zijn persoonsgegevens door Dexia kan controleren. Verder moet [verweerder] in staat zijn om Dexia om correctie of verwijdering van zijn persoonsgegevens te verzoeken, en om in een eventuele procedure hierover ex artikel 46 lid 1 Wbp jo. 36 Wbp aan de hand van de betreffende kopieën en transcripties te bewijzen dat sprake is van een onjuiste, onvolledige, niet relevante of onrechtmatige verwerking van zijn persoonsgegevens. Ook gelet op deze bewijsfunctie heeft [verweerder] belang bij kopieën en transcripties. 4.7.6. Wat betreft de transcripties van opgenomen telefoongesprekken neemt het hof nog in ogenschouw dat de advocaat van Dexia tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd aan het hof heeft medegedeeld dat Dexia de bandenopnamen van de telefoongesprekken bewaart met het oog op haar procespositie in eventuele civiele procedures tegen haar cliënten. Zodanig belang is dan wederzijds. Deze bewijsfunctie staat er niet aan in de weg dat [verweerder] er belang bij heeft dat Dexia aan hem transcripties verstrekt met het in de artikelen 35 en 36 Wbp voorziene doel. In dit verband merkt het hof - ten overvloede - nog op dat gezien het feit dat partijen wellicht nog met elkaar verwikkeld zullen raken in een civiele procedure, het beginsel van equality of arms meebrengt dat het Dexia niet is toegestaan om de opgenomen telefoongesprekken met [verweerder] te verwijderen, zulks in afwijking van de bindende adviezen van de Geschillencommissie Bankzaken in een aantal andere zaken waarbij Dexia is bevolen om bepaalde telefoongesprekken te wissen (zie verweerschrift [verweerder], prod. 17 en 18 en pleitnota [verweerder] in eerste aanleg, prod. 2). 4.7.7. Overigens verwerpt het hof bij het voorgaande het verweer van Dexia dat zij niet inziet hoe [verweerder] een bandopname van een telefoongesprek op de voet van artikel 36 Wbp zou kunnen laten verbeteren of aanvullen zonder dat de inhoud van het telefoongesprek geweld wordt aangedaan. Volgens Dexia zou zij daarom kunnen volstaan met de mededeling aan [verweerder] dat zij de met hem gevoerde telefoongesprekken heeft opgenomen. Dexia gaat er hiermee echter aan voorbij dat zo'n mededeling geen enkel inzicht geeft in wat er tijdens die telefoongesprekken is besproken en dat [verweerder] recht heeft om te weten (en te controleren) wat Dexia van hem bewaart, welk recht tekort wordt gedaan indien de inhoud van die gesprekken niet behoeft te worden kenbaar gemaakt. In dit controlerecht ligt bovendien voldoende belang voor [verweerder] om een transcriptie te verlangen. 4.7.8. Gelet op al het bovenstaande faalt grief 4 eveneens. 4.8.1. Met grief 5 klaagt Dexia erover dat de rechtbank het verweer van Dexia heeft verworpen dat zij op grond van artikel 43 sub e Wbp geen gevolg hoeft te geven aan het verzoek van [verweerder], omdat zulks noodzakelijk is in het belang van de bescherming van haar rechten en vrijheden. Dexia voert daartoe aan dat zij zich geconfronteerd ziet met een groot aantal verzoeken ex artikel 35Wbp, en dat de honorering van al die verzoeken hoge administratieve lasten meebrengt en de bedrijfsvoering van Dexia frustreert. In dit kader wijst Dexia erop dat zij naar aanleiding van een oproep van TROS Radar van 13 september 2004 al meer dan 3900 verzoeken ex artikel 35 Wbp heeft ontvangen, en voorts dat de vereniging Payback haar leden blijkens een nieuwsbrief van 15 december 2003 heeft opgeroepen om bij Dexia een verzoek ex artikel 35 Wbp in te dienen. Deze oproepen lijken volgens Dexia slechts ten doel te hebben om haar te schaden. 4.8.2. Deze stellingen van Dexia snijden echter geen hout, omdat deze er aan voorbij zien dat het verzoek van [verweerder] moet worden beoordeeld als een individueel verzoek. In het onderhavige geval kan Dexia [verweerder] in elk geval niet tegenwerpen dat zij naar aanleiding van de oproepen van TROS Radar en de vereniging Payback vele verzoeken heeft ontvangen, aangezien [verweerder] zijn verzoek ruimschoots vóór de oproep van TROS Radar heeft gedaan en als onbetwist vaststaat dat [verweerder] geen lid is van de vereniging Payback, terwijl voorts gesteld noch gebleken is dat zijn verzoek het gevolg is van de oproep van deze vereniging. 4.8.3. Waar het om gaat is of door inwilliging van het enkele verzoek van [verweerder] de administratieve lasten zodanig disproportioneel zijn dat Dexia in één van haar rechten en vrijheden wordt aangetast of dreigt te worden aangetast. Daarbij geldt dat Dexia per persoonsgegeven en per document aannemelijk zal moeten maken dat dit het geval is, aangezien artikel 43 Wbp slechts de mogelijkheid biedt om artikel 35 Wbp buiten toepassing te laten voor zover dit noodzakelijk is in het belang van de in artikel 43 Wbp genoemde gronden. Dexia heeft echter gesteld noch aannemelijk gemaakt dat de honorering van (onderdelen van) het verzoek van [verweerder] tot zodanige disproportionele administratieve lasten leidt, temeer daar Dexia in eerste aanleg in alinea nr. 28 van haar verweerschrift zelf heeft gesteld dat er op zichzelf geen enkel beletstel is om aan het verzoek van [verweerder] te voldoen. Het beroep van Dexia op artikel 43 sub e Wbp gaat daarom niet op, zodat grief 5 faalt. 4.9.1. Nu het beroep van Dexia op misbruik van recht en artikel 43 sub e Wbp niet opgaat en [verweerder] voldoende belang heeft bij zijn verzoek ex artikel 35 Wbp, dient Dexia aan [verweerder] een volledig overzicht in begrijpelijke vorm te verstrekken van de hem betreffende persoonsgegevens die Dexia heeft verwerkt, met een omschrijving van het doel of de doeleinden van de verwerking, de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft en de ontvangers of categorieën van ontvangers, alsmede de beschikbare informatie over de herkomst van de gegevens. Het hof merkt daarbij op dat (zoals ook de rechtbank terecht en onbestreden heeft overwogen) niet relevant is of op Dexia al dan niet een verplichting rustte om bepaalde persoonsgegevens te verwerken; indien Dexia persoonsgegevens van [verweerder] verwerkt, dan moet zij daarvan melding maken in het overzicht. 4.9.2. De rechtbank heeft aan het voorgaande nog toegevoegd dat in dit overzicht ook melding moet worden gemaakt van de aard van eventuele bescheiden of bestanden die op de een of andere wijze zijn gekoppeld aan de persoonsgegevens van [verweerder]. Grief 6 is (mede) hiertegen gericht, omdat deze eis volgens Dexia niet wordt gesteld in artikel 35 lid 2 Wbp. Grief 6 faalt ook op dit punt, omdat het hof begrijpt dat de rechtbank hiermee - terecht - het volgende op het oog heeft gehad. Uit de eis dat het overzicht volledig en begrijpelijk moet zijn volgt dat het overzicht voldoende concreet moet zijn om de betrokkene in staat te stellen om zijn recht tot correctie en verwijdering te effectueren, ook bij de ontvangers van de gegevens. Bij gevolg kan in het algemeen niet worden volstaan met een samenvatting van de persoonsgegevens, omdat dan een belangrijk deel van de informatiewaarde verloren kan gaan. De precieze context waarin de persoonsgegevens worden verwerkt kan cruciaal zijn en het kan de betrokkene juist gaan om de details van de gegevens die over hem worden verwerkt. Gelet daarop is het hof (met de rechtbank) van oordeel dat, om het overzicht begrijpelijk te doen zijn en om effectief gebruik te kunnen maken van het recht tot correctie en verwijdering, Dexia moet aangeven welke persoonsgegevens zijn opgenomen in het papieren dossier van [verweerder], en welke in een eventueel elektronisch dossier. Mochten er persoonsgegevens op andere wijze zijn opgeslagen (bijv. op een geluidsband of microfilm) dan dient Dexia ook daarvan melding te maken. 4.10.1. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord die Dexia met grief 2 aan de orde heeft gesteld, namelijk of de door haar aan [verweerder] verstrekte overzichten van 22 december 2003 en 11 mei 2005 kunnen worden aangemerkt als volledige overzichten in begrijpelijke vorm in de zin van artikel 35 lid 2 Wbp. Het hof is van oordeel dat dit niet het geval is, en wel om de volgende redenen. 4.10.2. Ondanks herhaalde verzoeken daartoe van [verweerder] heeft Dexia nagelaten om hem kopieën te geven van documenten waarin zijn persoonsgegevens zijn opgenomen, terwijl het recht op kennisneming blijkens het voorgaande ook hierop ziet. Slechts wat betreft de door [verweerder] verzochte kopie van de overeenkomst geldt dat Dexia deze niet alsnog hoeft te verstrekken aan [verweerder], omdat hij daarbij geen belang heeft. Zoals [verweerder] het hof desgevraagd heeft medegedeeld tijdens de mondelinge behandeling, beschikt hij reeds over een kopie van de overeenkomst die hij destijds heeft ondertekend en vervolgens heeft teruggestuurd naar Dexia (zie bijlage 0 bij zijn pleitnota uit eerste aanleg en bijlage 13 bij zijn verweerschrift in hoger beroep). Met betrekking tot deze kopie bestaat geen inzagerecht meer. 4.10.3. Dexia heeft nagelaten om aan [verweerder] transcripties van opgenomen telefoongesprekken te verstrekken, terwijl hij, zoals overwogen, ook hier recht op heeft. Daarbij verwerpt het hof het verweer van Dexia dat de bandopnamen van de telefoongesprekken geen bestand in de zin van artikel 1 sub c Wbp vormen en ook niet bestemd zijn om te worden opgenomen in een bestand, zodat deze bandopnamen op grond van artikel 2 lid 1 Wbp buiten het bereik van de Wbp zouden vallen. Dexia stelt wel dat deze banden niet gestructureerd en niet gemakkelijk toegankelijk zouden zijn, maar daar staat tegenover dat zij de banden desondanks bewaart met het oog op haar procespositie en deze dus als bewijs kan gebruiken tegen haar cliënten. Het hof gaat er daarom met de rechtbank van uit dat de banden een ontsluiting hebben waardoor deze volgens bepaalde criteria toegankelijk zijn. Bovendien constateert het hof dat de banden waarop de telefoongesprekken met [verweerder] voorkomen in ieder geval reeds zijn ontsloten door Dexia, aangezien Dexia op het overzicht van 11 mei 2005 de data en exacte tijdstippen heeft vermeld van de telefoongesprekken die zij met [verweerder] heeft gevoerd. Zo de opnamen indertijd geen bestand zijn geweest, dan zijn het dat geworden door deze ontsluiting. De hierop betrekking hebbende grief 8 faalt derhalve. 4.10.4. Voorts is het hof van oordeel dat de door Dexia aan [verweerder] verstrekte overzichten te algemeen verwoord zijn, nu Dexia daarop slechts de mogelijke doeleinden van de gegevenswerking, (categorieën van) gegevensontvangers en herkomst van de gegevens heeft vermeld, terwijl zij concreet had moeten aan geven van welke doelen, (categorieën van) gegevensontvangers en bronnen van gegevens sprake is in het geval van [verweerder]. Hierbij wordt aangetekend dat het hof het standpunt van Dexia deelt dat uit artikel 35 lid 2 Wbp volgt dat Dexia met betrekking tot de ontvangers van persoonsgegevens mag volstaan met het noemen van de categorieën van gegevensontvangers. Anders dan [verweerder] heeft betoogd, hoeft Dexia daarbij niet te vermelden welke persoonsgegevens zij aan die ontvangers heeft verstrekt. Voorts is juist de opvatting van Dexia dat zij aan [verweerder] slechts de beschikbare informatie over de herkomst van zijn persoonsgegevens hoeft te geven. 4.10.5. In de overzichten heeft Dexia onder 'overige gegevens' kennelijk (ook) een omschrijving willen geven van de 'categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft.' Naar 's hofs oordeel is de omschrijving 'gegevens met betrekking tot lopende en/of verrichte transacties en additionele gegevens verkregen door rechtstreeks contact' te algemeen en derhalve onvolledig althans onbegrijpelijk. In tegenstelling tot hetgeen Dexia heeft betoogd in alinea nr. 49 van haar appelschrift, is naar het oordeel van het hof niet zonder meer duidelijk dat deze omschrijving betrekking heeft op 'de aan- en verkooptransacties van de onderliggende aandelen van de effectenlease-overeenkomst' en op 'gegevens die bijvoorbeeld zijn verkregen in een telefoongesprek met [verweerder].' Nu Dexia op dit punt evenwel nadere uitleg heeft gegeven in haar appelschrift, en [verweerder] er vervolgens niet over heeft geklaagd dat de Dexia de categorieën van gegevens niet concreet genoeg heeft omschreven, gaat het hof ervan uit dat Dexia ter zake aan haar informatieplicht heeft voldaan. 4.10.6. Verder constateert het hof dat Dexia heeft nagelaten om aan [verweerder] mede te delen welke persoonsgegevens zich bevinden in zijn papieren respectievelijk elektronisch dossier, en welke persoonsgegevens eventueel (tevens) op andere gegevensdragers zijn opgeslagen door Dexia (zie r.o. 4.9.2). 4.10.7. Teneinde ook overigens te kunnen beoordelen in hoeverre Dexia voldoet aan haar informatieplicht uit artikel 35 Wbp, zal het hof Dexia op grond van artikel 46 lid 6 Wbp verzoeken om aan het hof de navolgende schriftelijke inlichtingen te geven en onder Dexia berustende stukken te sturen. 4.10.8. Gelet op de vragen die [verweerder] in zijn verweerschrift heeft gesteld, wil het hof schriftelijk de volgende informatie van Dexia ontvangen: 1) Zijn er nog andere stukken dan de lease-overeenkomst van december 2000 aanwezig in het dossier van [verweerder] waarin zijn persoonsgegevens zijn opgenomen? Zo ja, wilt u daarvan kopieën overleggen? 2) Op welke plaatsen in de administratie van Dexia komen de NAW-gegevens van [verweerder] en/of zijn contractnummer voor? 3) Beschikt u over een aanvraagformulier van [verweerder]? Indien dat het geval is, dient u daarvan een kopie te verstrekken aan het hof. 4) Heeft Dexia destijds een cliëntenprofiel van [verweerder] gemaakt en/of een inventarisatie van zijn kredietwaardigheid? In het bevestigende geval dient Dexia afschriften te verstrekken van dit profiel en/of deze inventarisatie. 5) Zijn er aankopen van en/of pandrechten op aandelen die op de een of andere wijze zijn gekoppeld aan de naam van [verweerder]? Zo ja, wilt u daarvan afschriften overleggen? 6) Zijn er dividenduitkeringen die op de een of andere wijze zijn gekoppeld aan de naam van [verweerder]? Zo ja, wilt u daarvan afschriften overleggen? 7) Beschikt Dexia over (bijkomende) informatie over de herkomst van de persoonsgegevens van [verweerder]? Zo ja, wilt u deze informatie verstrekken aan het hof? 8) Aan welke ontvangers of categorieën van ontvangers heeft Dexia persoonsgegevens van [verweerder] daadwerkelijk verstrekt? 9) Voor welk concreet doel of welke concrete doeleinden heeft Dexia de persoonsgegevens van [verweerder] verwerkt? 10) Heeft er destijds een zogenaamde BKR-toetsing plaatsgevonden en zo ja, zit daarvan nog een aantekening zit in het dossier van [verweerder]? Indien dat laatste het geval is, dan dient Dexia tevens een afschrift van deze aantekening in te zenden. 11) Zijn er overigens nog gegevens die op de een of andere wijze zijn gekoppeld aan de naam van [verweerder], en zo ja, welke gegevens zijn dat? 4.10.9. Verder wil het hof in verband met hetgeen tijdens de mondelinge behandeling nog aan de orde is gekomen, de volgende informatie van Dexia ontvangen: 12) Staan er in het dossier van [verweerder] gegevens waaruit blijkt hoe Dexia destijds de naam van [verweerder] en zijn - geheime - telefoonnummer is gekomen? Zo ja, wilt u deze gegevens dan aan het hof verstrekken? In het bij zonder dient Dexia de vraag te beantwoorden of zij het telefoonnummer van [verweerder], of andere hem betreffende persoonsgegevens, heeft verkregen van FiscAlert. 13) Heeft Dexia in het dossier van [verweerder] geregistreerd dat, en zo ja welke brochure zij destijds naar [verweerder] heeft gestuurd? Zo ja, om welke brochure gaat het hier? 14) Is het contract van [verweerder] gescand door Dexia? 15) Heeft Dexia persoonsgegevens van [verweerder] doorgegeven aan creditcardorganisaties, en zo ja waarom? 16) Heeft Dexia telefoonnotities gemaakt van de telefoongesprekken die zij heeft gevoerd met [verweerder]? In het bevestigende geval dient Dexia kopieën van deze notities over te leggen. 17) Kunt u uiteenzetten in hoeverre Dexia aandelen heeft geregistreerd op het contractnummer van [verweerder]? 18) Wilt u bij de beantwoording van alle voorgaande vragen steeds specificeren of de betreffende persoonsgegevens van [verweerder] zich bevinden in zijn papieren en/of elektronisch dossier, of dat deze gegevens (tevens) op andere wijze zijn opgeslagen door Dexia. Volledigheidshalve merkt het hof op dat bovenstaande vragen ook zien op het geval dat de betreffende gegevens zijn verwerkt door de rechtsvoorganger(
  2. s)van Dexia, maar zich thans bevinden in het onder Dexia berustende dossier van [verweerder]. 4.10.10. Het hof zal Dexia overigens niet verzoeken om in dit geding transcripties van de opgenomen telefoongesprekken over te leggen, zulks gelet op de daarmee gemoeide kosten. Indien [verweerder] deze transcripties nog steeds (tegen betaling) wil ontvangen, dan dient hij zich daartoe rechtstreeks tot Dexia te wenden. Evenmin zal het hof Dexia verzoeken om kopieën over te leggen van interne notities die de persoonlijke gedachten van medewerkers van Dexia bevatten en die uitsluitend zijn bedoeld voor intern overleg en beraad, aangezien [verweerder] daarop geen recht heeft (vgl. HR 24 januari 2003, NJ 2003, 491 en artikel 2 lid 2 sub a Wbp). Dat wordt anders als deze notities in een bestand worden opgenomen. Het hof merkt op dat onder bovenbedoelde interne notities niet kunnen worden begrepen notities van persoonsgegevens die Dexia bij derden heeft opgevraagd zoals bij het Bureau Krediet Registratie (BKR), of notities van persoonsgegevens die Dexia heeft opgevraagd bij [verweerder] zelf, bijvoorbeeld in verband met het opstellen van zijn cliëntenprofiel. Laatstbedoelde notities vallen dus wél onder het recht op kennisneming ingevolge artikel 35 Wbp. 4.11.1. Tenslotte overweegt het hof ten aanzien van grief 7 nog als volgt. Deze grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat zij geen aanleiding ziet om haar beschikking niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, daarbij in aanmerking nemende dat zij het verzoek van [verweerder] slechts gedeeltelijk zal toewijzen. 4.11.2. Bij de beoordeling van deze grief staat voorop dat, nu titel 3 van Boek 1 Rv van toepassing is op de onderhavige zaak, artikel 288 Rv geldt waarin bepaald is dat de rechter zijn eindbeschikking uitvoerbaar bij voorraad kán verklaren. Aangezien Dexia op dit punt gemotiveerd verweer had gevoerd, vergde de beslissing van de rechtbank op het verzoek van [verweerder] om haar beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, een afweging van de belangen van partijen in het licht van de omstandigheden van het geval. Gelet daarop heeft de rechtbank een onjuiste maatstaf gehanteerd, althans heeft zij haar beslissing onvoldoende gemotiveerd, nu daaruit niet blijkt dat zij de belangen van Dexia heeft meegewogen.' 3.11. Het hof heeft Dexia vervolgens verzocht om uiterlijk op 13 februari 2006 de hiervoor in rov. 4.10.8 en 4.10.9 genoemde schriftelijke inlichtingen te geven c.q. de in die overwegingen genoemde, onder Dexia berustende, stukken in te zenden, met gelijktijdige toezending van afschriften aan [verweerder]. Het hof hield iedere verdere beslissing aan.
(7)3.
  1. Bij aanvullende beschikking van 9 februari 2006 heeft het hof na een daartoe strekkend verzoek van Dexia, en na het horen van [verweerder] daarover, aan Dexia verlof verleend om cassatieberoep in te stellen tegen 's hofs beschikking van 16 januari
  2. 3.
  3. Dexia heeft tijdig
(8)tegen 's hofs beschikking beroep in cassatie ingesteld. [verweerder] heeft een verweerschrift ingediend.
  1. Enige inleidende beschouwingen 4.
  2. Het lijkt mij dienstig om eerst, onder A, aandacht te besteden aan de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp), respectievelijk de (wetsgeschiedenis van de) Wbp-bepalingen die in deze zaak van belang zijn. Vervolgens ga ik onder B t/m H in op de reikwijdte en inhoud van het kennisnemingsrecht, mede aan de hand van de Gedragscode Verwerking Persoonsgegevens Financiële Instellingen, het oordeel van het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) over Dexia's reacties op de verzoeken om inzage, en op de (lagere) rechtspraak en de literatuur. A. Wet bescherming persoonsgegevens 4.
  3. De Wbp van 6 juli 2000
(9)is de opvolger van de Wet Persoonsregistraties (WPR), die in 1989 in werking trad. Beide wetten strekken tot uitvoering van art. 10 lid 2 Grondwet ('De wet stelt regels ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met het vastleggen en verstrekken van persoonsgegevens'). De nieuwe Wbp strekt mede tot uitvoering van de in 1995 totstandgekomen Richtlijn 95/46/EG
(10)'betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrij verkeer van die gegevens'. 4.
  1. Zoals ook de WPR reeds deed, kent de Wbp aan natuurlijke personen een aantal in die wet omschreven rechten toe, waaronder een recht van de aard als [verweerder] in deze procedure wenst in te roepen. En zoals ook de WPR reeds deed, heeft de Wbp daartoe een afzonderlijke rechtsgang geopend, een rechtsgang die [verweerder] in deze zaak gebruikt. In de Wbp is die rechtsgang geregeld in art. 45 (voor uitoefening van die rechten tegen bestuursorganen, onder verwijzing naar de Awb) en in art.
  2. Artikel 46 betreft de rechtsgang tegen niet-bestuursorganen, zoals in deze zaak aan de orde is. Een van de bijzonderheden van deze rechtsgang is gelegen in art. 46 lid 4: 'De indiening van het verzoekschrift behoeft niet door een procureur te geschieden'. Van die faciliteit heeft [verweerder] gebruik gemaakt. Ook in hoger beroep heeft hij - met instemming van het hof
(11)- geen procureur gesteld. 4.
  1. Art. 2 lid 1 Wbp bepaalt (cursivering van mij, A-G): 'Deze wet is van toepassing op de geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens, alsmede de niet geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens die in een bestand zijn opgenomen of die bestemd zijn om daarin te worden opgenomen.' In deze zaak is onder meer aan de orde de uitleg van het begrip 'bestand' en de vraag of bijvoorbeeld bandopnamen van telefoongesprekken of bepaalde notities van persoonsgegevens deel uitmaken van een bestand in de zin van art. 1 onder c Wbp. Het begrip 'bestand' wordt in art. 1 onder c Wbp als volgt gedefinieerd: 'Elk gestructureerd geheel van persoonsgegevens, ongeacht of dit geheel van gegevens gecentraliseerd is of verspreid is op een functioneel of geografisch bepaalde wijze, dat volgens bepaalde criteria toegankelijk is en betrekking heeft op verschillende personen'. 4.
  2. In de MvT wordt over dit begrip het volgende opgemerkt:
(12)'Het begrip "bestand" is in het onderhavige wetsvoorstel enkel van belang als criterium voor de afbakening van de reikwijdte van het wetsvoorstel en bepaalde onderdelen daarvan. Wat betreft de niet-geautomatiseerde verwerkingen vallen alleen bestanden, en dus bijvoorbeeld niet ongestructureerde dossiers onder het toepassingsbereik van dit wetsvoorstel (artikel 2, eerste lid). Het wetsvoorstel beoogt in deze geen wijziging aan te brengen ten opzichte van hetgeen geldt onder de WPR. [...] Een "bestand" kan zowel geautomatiseerde als niet-geautomatiseerde verwerkingen bevatten. Van een bestand is sprake als de persoonsgegevens onderdeel uitmaken van een gestructureerd geheel dat volgens bepaalde criteria toegankelijk is en betrekking heeft op verschillende personen. In overweging 27 van de richtlijn is aangegeven dat de nationale wetgeving een nadere invulling kan geven aan deze omschrijving. Op grond van artikel 1 van de WPR is voor de vraag of er sprake is van een persoonsregistratie van belang dat het gaat om een "samenhangende verzameling". Bij handmatige verwerkingen gaat het eveneens om de vraag of de verzameling "met het oog op een doeltreffende raadpleging van die gegevens systematisch is aangelegd". Beide vereisten - een samenhangend geheel en systematische toegankelijkheid - zijn eveneens bepalend voor de vraag of er sprake is van een bestand in de zin van het onderhavige artikel. In de begripsomschrijving van "bestand" hebben de vereisten echter een ruimer bereik: ook de geautomatiseerde gegevensverwerkingen moeten aan beide vereisten voldoen wil er sprake zijn van een bestand. Materieel leidt dit niet tot een wijziging ten opzichte van hetgeen onder de WPR geldt. Bij geautomatiseerde verwerkingen wordt de systematische toegankelijkheid in de WPR steeds aanwezig geacht. Wat handmatige verwerkingen betreft komt die reikwijdte van het begrip "bestand" overeen met die van het begrip "persoonsregistratie" in de WPR. Hieronder zal nader worden ingegaan op beide vereisten.
  1. Een (gestructureerd) geheel Het vereiste van een samenhangend geheel komt in de begripsomschrijving van "bestand" in artikel 1 van de WBP terug in het woord "geheel". Het vereiste "gestructureerd geheel" of "samenhangende verzameling" houdt in dat de gegevensverwerkingen of de verzameling op grond van meer dan één kenmerk een onderlinge samenhang moet(-en) vertonen. Onderlinge samenhang kan blijken uit een gemeenschappelijke bestemming of uit het feit dat de verzameling in de praktijk als geheel worden beschouwd. De samenhang kan zitten in een vooraf aangebrachte structuur van de verzameling of in een raadpleegmethodiek die samenhang brengt in de ogenschijnlijk willekeurige gegevensverwerkingen. Daarnaast zijn, vooral bij geïntegreerde systemen, het doel of de doelen van de verwerkingen en het feitelijk gebruik van de gegevens van belang voor het antwoord op de vraag of er sprake is van één of meerdere bestanden [...]. Het criterium "gestructureerd geheel" is eveneens van belang om vast te stellen of er sprake is van één of wellicht meerdere bestanden. Alsdan is niet zozeer de fysieke verschijningsvorm als wel de logische samenhang van de verzameling van belang. Dit brengt met zich dat back-ups en schaduwbestanden niet als een afzonderlijk bestand moeten worden aangemerkt maar zijn te beschouwen als hulpmiddelen bij het voeren van het bestand ten dienste waarvan zij zijn aangelegd. Een zelfde opmerking kan worden gemaakt ten aanzien van een geheel van handmatige bestanden die op verschillende lokaties worden bijgehouden. Een bestand dat zich bevindt op verschillende lokaties kan als één bestand worden aangemerkt indien de verschillende onderdelen van het bestand logisch als één geheel kunnen worden beschouwd.
  2. Systematische toegankelijkheid Het vereiste van een systematische toegankelijkheid komt in de begripsomschrijving van "bestand" in artikel 1 van de WBP terug in de woorden "gestructureerd" geheel "dat volgens bepaalde criteria toegankelijk is". Het gaat hierbij vooral om de vraag of verzamelingen een duidelijke, vooraf met het oog op raadpleging aangebrachte structuur bezitten. De methode van gegevensopslag en -verwerking is van belang. De inhoud van het bestand moet met het oog op doeltreffende raadpleging volgens bepaalde criteria aangelegd zijn. Door de systematische structuur zijn de persoonsgegevens gemakkelijk toegankelijk. Kaartsystemen en gegevensverzamelingen die in hoofdzaak bestaan uit voorbedrukte formulieren voldoen aan deze eis. Dossierverzamelingen kunnen aan de eis van systematische toegankelijkheid voldoen, bijvoorbeeld in combinatie met een al dan niet geautomatiseerd bestand met een verwijsfunctie naar de dossiers. Dossierverzamelingen die uitsluitend bestaan uit een hoeveelheid op alfabet gerangschikte dossiers, met losse aantekeningen en min of meer chronologisch geordende documenten van velerlei aard, zullen niet voldoen aan het vereiste van systematische toegankelijkheid. De vraag of handmatige dossierverzamelingen aan deze criteria voldoen, is afhankelijk van de feitelijke omstandigheden. Naast bovenstaande vereisten dient tot slot - wil er sprake zijn van een bestand - het gestructureerd geheel van gegevens betrekking te hebben op verschillende personen. Deze voorwaarde werd ook in de WPR gesteld. Het advies van de Registratiekamer
(13)dit vereiste te schrappen wordt niet overgenomen. De reikwijdte van het begrip bestand met het oog op dossierverzamelingen is thans in de jurisprudentie enigszins uitgekristalliseerd. Het is onwenselijk daarin nu weer wijziging te brengen. Gegevens die op grond van de hierboven omschreven criteria niet worden geacht te zijn opgenomen in een bestand, vallen bijvoorbeeld onder de bescherming van artikel 6:162 BW (onrechtmatige daad). [...]' 4.6. Tot zover mijn opmerkingen over het begrip 'bestand' in verband met de nationale wetsgeschiedenis. Zoals reeds vermeld, strekt de Wbp mede tot implementatie van Richtlijn 95/46/EG. Art. 3 van de Richtlijn omschrijft de werkingssfeer. Artikel 3 lid 1 luidt: 'De bepalingen van deze richtlijn zijn van toepassing op de geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens, alsmede op de niet-geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens die in een bestand zijn opgenomen of die bestemd zijn om daarin te worden opgenomen.' Art. 3 lid 1 van de Richtlijn en art. 2 lid 1 Wbp zijn dus (zo goed als) identiek. Art. 2 van de Richtlijn, dat definities omvat, bepaalt onder c wat verstaan wordt onder 'bestand van persoonsgegevens': 'c. "bestand van persoonsgegevens", hierna "bestand" te noemen, elk gestructureerd geheel van persoonsgegevens die volgens bepaalde criteria toegankelijk zijn, ongeacht of dit geheel gecentraliseerd dan wel gedecentraliseerd is of verspreid op een functioneel of geografisch bepaalde wijze'. Deze omschrijving is vrijwel gelijk aan die van art. 1 sub c Wbp, maar de voorwaarde dat het gestructureerde geheel van persoonsgegevens 'betrekking heeft op verschillende personen' ontbreekt. Uit de Richtlijnconsiderans blijkt echter dat dit vereiste toch met de Richtlijn in overeenstemming is.
(14)B. Inzageverzoek ex art. 35 Wbp 4.7. Aan de onderhavige procedure ging een op art. 35 Wbp gebaseerd verzoek van [verweerder] aan Dexia vooraf. Op grond van art. 35 lid 1 Wbp heeft een betrokkene (dat is degene op wie een persoonsgegeven betrekking heeft) het recht zich 'vrijelijk en met redelijke tussenpozen' tot de verantwoordelijke te wenden met het verzoek hem mede te delen of er hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt. Als er persoonsgegevens worden verwerkt, dient de verantwoordelijke binnen vier weken de volgende gegevens te verstrekken: (
  1. i)een volledig overzicht in begrijpelijke vorm van de betrokkene betreffende persoonsgegevens; (
  2. ii)een omschrijving van het doel of de doeleinden van de verwerking; (iii) de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft en de ontvangers of categorieën van ontvangers alsmede (
  3. iv)de beschikbare informatie over de herkomst van de gegevens. Dit inzagerecht ligt besloten in lid 2 van art. 35 Wbp. 4.8. Buiten kijf staat dat het inzagerecht is bedoeld om een betrokkene in staat te stellen na te gaan of hem betreffende gegevens worden verwerkt, en zo ja welke. Hoewel begrijpelijkerwijs vaak - ook in de wetsgeschiedenis - een link gelegd wordt met andere rechten van de betrokkene, met name de in art. 36 Wbp geregelde correctie- en verwijderingsrechten, die een (voorafgaand) inzagerecht als het ware veronderstellen, meen ik dat het inzagerecht niet alleen met het oog dáárop geldt. Het - in 1983 in Nederland in art. 10 lid 3 van de Grondwet neergelegde - inzagerecht diende óók om de betrokken personen tegemoet te komen in (persoonlijkheidsrechtelijke) gevoelens van onbehagen over datgene wat anderen (in de Wbp-terminologie thans: 'verantwoordelijken') omtrent het individu (wel of niet en meer of minder) vastleggen/verwerken. Niet voor niets spreekt art. 10 lid 3 Grondwet over 'aanspraken van personen op kennisneming van over hen vastgelegde gegevens en van het gebruik dat daarvan wordt gemaakt, alsmede op verbetering van die gegevens', en niét over: 'aanspraken van personen op kennisneming [...] met het oog op verbetering van die gegevens'.
(15)Bij de totstandkoming van de Wbp - die diende ter implementatie van Richtlijn 95/46/EG - is gewezen op het 'transparantiebeginsel' dat ten grondslag ligt aan deze wetgeving. Volgens dat uitgangspunt dient duidelijkheid te bestaan over de verwerking van de gegevens; een ieder dient in de gelegenheid te zijn om na te gaan waar gegevens over hem zijn vastgelegd en zijn verwerkt
(16). Het inzagerecht dient dus ook om te verzekeren dat het individu reeds inzage moet kunnen krijgen om 'te weten wat anderen over je registreren', ook lós van eventuele stappen van het individu tegen die registratie. Daaraan doet m.i. niet af Richtlijnconsiderans 41, luidende: '
(41)Overwegende dat een ieder over het recht moet kunnen beschikken toegang te verkrijgen tot de gegevens die het voorwerp van een verwerking vormen en hemzelf betreffen, zodat hij zich van de juistheid en de rechtmatigheid van de verwerking ervan kan vergewissen. (...)' Het woord 'zodat' is natuurlijk op zijn plaats in die zin dat toegang (inzage) de controle op de juistheid kan dienen, maar kan m.i. niet worden opgevat als een voorwaarde in de zin van 'uitsluitend opdat'. Dat considerans 41 niet in een zo beperkte zin moet worden opgevat, blijkt ook uit considerans 9, waar overwogen wordt 'dat de Lid-Staten er daarbij naar dienen te streven de momenteel door hun wetgeving geboden bescherming te verbeteren'. 4.
  1. Intussen zal - hoe dan ook - op een dusdanige manier inzage moeten worden verleend dat de betrokkene in staat is de wijze waarop zijn gegevens worden verwerkt te herkennen, te begrijpen, te controleren en - zonodig - aan te vechten. Dat geeft een belangrijke indicatie voor het antwoord op de vraag wat onder een 'volledig overzicht in begrijpelijke vorm' (als bedoeld in art. 35 lid 2 Wbp) moet worden verstaan, en op de vraag of dit de betrokkene - zoals in de onderhavige zaak door [verweerder] wordt betoogd - bijvoorbeeld ook recht geeft op kopieën van documenten waarin persoonsgegevens zijn opgenomen. 4.
  2. De voorloper van art. 35 Wbp, art. 29 WPR, luidde (mijn cursiveringen):
(17)'
  1. De houder deelt een ieder op diens verzoek schriftelijk binnen vier weken mede of hem betreffende persoonsgegevens in de registratie zijn opgenomen.
  2. Indien zodanige gegevens in de registratie zijn opgenomen, stelt de houder de verzoeker desverlangd binnen vier weken na ontvangst van het verzoek schriftelijk een volledig overzicht daarvan met inlichtingen over de herkomst ter beschikking. (...)' Bij de totstandkoming van dit artikel is de vraag, hoe uitgebreid op een inzageverzoek dient te worden gereageerd, aan de orde gekomen. De ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken antwoordden op de vraag of de 'houder' bij een verzoek om kennisneming kan volstaan met globale informatie: 'Het eerste lid van artikel 29 schrijft slechts voor dat moet worden meegedeeld of gegevens over de verzoeker zijn opgenomen. Deze vraag kan worden beantwoord met een eenvoudig ja of nee. Het tweede lid bepaalt dat desgevraagd een volledig overzicht van de opgenomen persoonsgegevens ter beschikking moet worden gesteld. De houder kan dan niet volstaan met het verstrekken van globale informatie. Wel kan hij ingevolge artikel 36 hiervoor een kostenvergoeding verlangen. Tevens dient de houder desverlangd inlichtingen over de herkomst te geven. Omdat hier wordt gesproken over 'inlichtingen' in plaats van over een 'overzicht' kan in dit opzicht met globale informatie worden volstaan. De reden hiervan is dat niet van de houder kan worden verlangd in alle gevallen de herkomst van gegevens vast te leggen.'
(18),
(19)4.11. Uit deze passage blijkt dat een houder van persoonsgegevens (in de huidige Wbp-terminologie: 'verantwoordelijke') dus niet kan volstaan met het verschaffen van 'globale informatie' in reactie op een inzageverzoek. Naar mijn mening is - het bovenstaande nog iets verder uitwerkend - beslissend dat het individu/de betrokkene ten aanzien van de over hem zelf verwerkte persoonsgegevens als regel aanspraak heeft op wetenschap ten aanzien van 'hetzelfde' als hetgeen de verantwoordelijke over hem bewaart/verwerkt.
(20)Tegen die achtergrond lijkt het mij dienstig om stil te staan bij de ontwikkeling van inmiddels meer 'ouderwetse' naar meer 'nieuwerwetse' bewaring en opslag van persoonsgegevens, en bij het ervaringsfeit dat daarbij - al lang, en nog heel lang - mengvormen kunnen voorkomen. 4.11.
  1. Ouderwets. Met (uiteraard) in het achterhoofd een langlopend contract als het onderhavige, kan ik mij voorstellen dat in de stukken uit de aanvangsfase, te weten een aanvraagformulier of intekeningsformulier in duplo van de kant van het individu/de betrokkene, en het tussen partijen gesloten, in schriftelijke vorm in duplo opgemaakte contract, sprake is van op klassieke/ouderwetse wijze opgemaakte documenten, die als zodanig door de verantwoordelijke worden bewaard, terwijl de verantwoordelijke ervan mag uitgaan dat de betrokkene die ook bewaart. Hetzelfde geldt voor op ouderwetse wijze aan de betrokkene per post toegezonden periodieke mutatie-overzichten, waaronder jaarlijkse, mede voor fiscale doeleinden toegezonden verstrekte geschriften. Wat dit een en ander betreft, kan het door de verantwoordelijke te verschaffen 'volledig overzicht' m.i. globaal zijn, in die zin dat het verwijst naar die stukken. Maar ook in deze 'ouderwetse' context kan er sprake zijn van verdere geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens, alsmede niet geautomatiseerde verwerking van in een bestand opgenomen of op te nemen persoonsgegevens (vgl. art. 2 lid 1 Wbp). Omdat de betrokkene daaromtrent niet weet en niet geacht kan worden te weten wat de verantwoordelijke vastlegt/verwerkt, zal het 'volledige overzicht' in die zin zó volledig moeten zijn, dat het neerkomt op verschaffing van kopieën, of 'uitdraaien', voor zover de gegevens uitsluitend c.q. 'één op één' digitaal zijn vastgelegd. Het ontgaat mij overigens waarom, wat deze gegevens betreft, het verschaffen van die kopieën/uitdraaien voor de verantwoordelijke bezwaarlijker zou zijn dan het verschaffen van een alternatief 'volledig overzicht': het eenvoudig verschaffen van het eerste bespaart immers personeelskosten bij een verwerkingsslag naar het laatste. En de (eenvoudige) kopie/paperkosten mogen ingevolge het wettelijk stelsel aan de betrokkene in rekening worden gebracht. 4.11.
  2. Nieuwerwets. In een paperless environment - waarbij in de zin van de Wbp dus per definitie sprake is van een 'geautomatiseerde verwerking' - wordt elektronisch aangevraagd en gecontracteerd (of worden het schriftelijke aanvraagformulier en contract gedigitaliseerd 'ingescand'), en verlopen ook de vervolghandelingen elektronisch. Zoals in de vorige subparagraaf al bleek, brengt de aanspraak op een 'volledig overzicht' dan m.i. een aanspraak mee op kopieën/uitdraaien: wat is/wordt er nu geregistreerd/verwerkt? Daar staat, naar reeds bleek, tegenover dat de verantwoordelijke ter compensatie van de kosten die hij maakt om aan een inzageverzoek tegemoet te komen een vergoeding van de betrokkene kan vragen. Dit impliceert ook dat de wetgever destijds rekening heeft gehouden met het feit dat een reactie op een inzageverzoek uitgebreid kan zijn (lees: een groot aantal pagina's kan omvatten).
(21)Dat - inmiddels - menige internetgebruiker elektronisch toegang zal hebben tot (grote delen van) het over hem of haar door de verantwoordelijke aangehouden dossier, doet aan het vorenstaande niet af. Het gaat juist om degenen die niet van die internet-faciliteiten gebruik kunnen of willen maken, of daarop niet vertrouwen. 4.11.3. Tot de nieuwerwetse gegevensverzameling reken ik ook de elektronische vastlegging van communicatie per telefoon. Ik kan niet inzien waarom daarvoor iets anders dan het bovenstaande zou gelden. Dat geldt uiteraard in gevallen waarin die vastlegging aanstonds via naam of codering (door een verbinding met) de elektronische file van de betrokken persoon terugvindbaar is gemaakt. Geldt het ook in gevallen waarin slechts per tijdseenheid tapes van telefoongesprekken worden gemaakt, en die tapes slechts per tijdseenheid, zonder enige nadere ingang op de 'bellers' (of 'gebelden') worden opgeslagen? Voor zover die casus realiteitsgehalte heeft, moet die vergeleken worden met bij een bank als Dexia binnenkomende post (enkele kilo's per dag?), die door de bank nog wel geopend wordt, maar vervolgens slechts in volgorde van binnenkomst wordt bewaard. Het realiteitsgehalte daarvan komt mij niet groot voor. Indien niettemin daarmee rekening gehouden moet worden, speelt bij de verantwoordelijke blijkbaar een gedachtegang in de volgende zin: het is duurder om de post / de telefoongesprekken nu op naam van de betrokkenen te 'filen' of te indexeren, dan dat het is om, als het er een keer werkelijk op aankomt, de poststapels resp. gesprekkentapes alsnog te doorzoeken. Kan de verantwoordelijke de elektronisch, en dus geautomatiseerd verwerkte telefoongesprekken - die als regel uiteraard persoonsgegevens zullen bevatten
(22)- aldus buiten de werkingssfeer van de Wbp plaatsen? Ik meen dat uit art. 2 lid 1 in verbinding met art. 1 sub c Wbp het tegendeel blijkt. Bij de bespreking van middelonderdeel 4 in nr. 5.22 e.v. kom ik hierop terug. C. Gedragscode Verwerking persoonsgegevens Financiële Instellingen 4.12. Ik wijs vervolgens op de in deze zaak mede spelende
(23)Gedragscode Verwerking Persoonsgegevens Financiële Instellingen, opgesteld op de voet van art. 25 Wbp. 4.13. Evenals voorheen de WPR, stimuleert de Wbp (nadere) zelfregulering en/of sanctionering door middel van 'gedragscodes'. Het systeem van art. 25 Wbp komt erop neer dat (representatieve, zie lid 3) branche-organisaties kunnen overgaan tot nadere invulling van de in de Wbp neergelegde (relatief vagere) normen en/of in een vorm van alternatieve geschillenbeslechting. Zo'n (concept-)gedragscode kan ter beoordeling worden voorgelegd aan het CBP, met het verzoek dat dit College - na toetsing aan in art. 25 aangegeven criteria - verklaart dat de code 'een juiste uitwerking van de wet of van andere wettelijke bepalingen betreffende de verwerking van persoonsgegevens vormt', respectievelijk, wat de geschillenbeslechting betreft, 'voorziet in waarborgen met betrekking tot de onafhankelijkheid'. De status van de gedragscode is niet verder wettelijk geregeld, dan dat een beslissing van het CBP op het verzoek geldt als een besluit in de zin van de Awb; op de voorbereiding is afd. 3.4 van die wet van toepassing (art. 25 lid 4 Wbp). Het is m.i. niet nodig hier diep in te gaan op de - tussen partijen in cassatie niet aan de orde gestelde, en voor zover ik zie in de literatuur nog niet of amper belichte vragen - naar de status van een gedragscode die de in art. 25 Wbp bedoelde verklaring van het CBP heeft verkregen. Vooralsnog houd ik het erop dat zo'n gedragscode louter aan de verklaring van het CBP niet de status van 'recht' in de zin van art. 79 RO ontleent, en ook niet 'formele rechtskracht' jegens diegenen die in de (summiere) voorbereidingsprocedure op de voet van art. 3.4 Awb niet van bezwaren hebben doen blijken. De rechter is m.i. niet gebonden aan hetgeen de betrokken branche qua interpretatie van de Wbp in de gedragscode heeft neergelegd, ook niet na de - instemmende - verklaring van het CBP ingevolge art. 25 lid 1 Wbp. Wél levert een beroep daarop allicht een 'gezichtspunt', resp. een 'essentiële stelling' op, waarover de rechter een oordeel dient te geven. Bij de interpretatie van de gedragscode ligt de methode van de zgn. CAO-norm in de rede.
(24)4.14. Wat in deze statusdiagnose verder op te merken valt, is dat een 'verantwoordelijke' die in zijn contractuele betrekking met een cliënt naar een gedragscode verwijst, daaraan contractueel gehouden kan worden, ook als zijn verplichtingen daarmee verder zouden gaan dan uit de Wbp zelf zou voortvloeien. Het omgekeerde stuit m.i. af op het gegeven dat de bepalingen van de Wbp naar hun aard in die zin dwingend zijn dat daarvan niet ten nadele van de 'betrokkene' (de geregistreerde persoon) kan worden afgeweken
(25). Is er louter sprake van deel uitmaken van de branche, en niet van directe of indirecte expliciete onderschrijving van de gedragscode, dan heeft de branchegenoot die de Wbp beperkter interpreteert allicht de schijn tegen, met name als het gaat om de invulling van de vage normen daarvan (zoals bijv. 'bezwaarlijkheid' van het voldoen aan de wettelijke regeling). 4.
  1. Terzijde merk ik nog op dat het CBP tijdens de periode dat zijn verklaring ex art. 25 lid 1 Wbp werkzaam is (max. 5 jaar, zie art. 25 lid 5), in het kader van zijn eigen toezichthoudende (art. 51 e.v.) Wbp en sanctionerende taak (art. 65 e.v. Wbp) niet op de door hem afgegeven verklaring kan terugkomen, en daaraan in zoverre dus gebonden is. In zoverre kan tegenover de betrokken branche van een 'comfort letter' gesproken worden. 4.
  2. Aldus mijn gezichtspunten ten deze. 4.
  3. De onderhavige Gedragscode Verwerking Persoonsgegevens Financiële Instellingen (hierna: 'de Gedragscode')
(26)is op de voet van art. 25 Wbp opgesteld door de Nederlandse Vereniging van Banken en het Verbond van Verzekeraars en geeft een nadere invulling aan de bepalingen van de Wbp.
(27)Zo bepaalt art. 7.1.
  1. van de Gedragscode (mijn cursivering): 'Een betrokkene is gerechtigd een Financiële instelling schriftelijk een overzicht te vragen van de hem of haar betreffende Persoonsgegevens die door die Financiële instelling worden verwerkt. De Financiële instelling zal, behoudens in de genoemde uitzonderingsgevallen in de WBP, de Betrokkene binnen vier weken na de datum van het verzoek een overzicht van de Persoonsgegevens doen toekomen. (...)' In de toelichting op deze bepaling wordt opgemerkt: 'Het recht kennis te nemen van de eigen gegevens is een algemeen erkend recht dat slechts in uitzonderingssituaties vervalt. Naast de eigen gegevens dient de Betrokkene bij een verzoek ook op de hoogte te worden gesteld van het doel van de verwerking, de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft, de ontvangers of categorieën van ontvangers en de beschikbare informatie over de herkomst van de gegevens.' 4.
  2. Andere voor de beoordeling van de onderhavige zaak van belang zijnde bepalingen in de Gedragscode betreffen de bepalingen die voorschriften bevatten met betrekking tot het opnemen van telefoongesprekken. [verweerder] vordert in casu immers ook inzage in de gespreksverslagen van de tussen hem en Dexia gevoerde (opgenomen) telefoongesprekken. Ten aanzien van het opnemen van telefoongesprekken bepaalt art. 8.5 van de Gedragscode: '8.5.1 Behoudens ten behoeve van het gebruik voor trainings-, coachings- en beooordelingsdoeleinden worden telefoongesprekken slechts opgenomen: a. ter verificatie en onderzoek naar of ten bewijze van opdrachten, transacties en andere (precontractuele) afspraken met de Cliënt; b. indien dat noodzakelijk is ter bestrijding van frauduleuze of andere strafbare gedragingen gericht tegen de Financiële instelling, de Groep waartoe de Financiële instelling behoort dan wel Cliënten en medewerkers; c. indien daartoe een voorschrift is gegevens krachtens de wet. (...) 8.5.3 De opgenomen telefoongesprekken en andere Persoonsgegevens betreffende de opgenomen telefoongesprekken worden zodanig bewaard en beveiligd dat deze niet toegankelijk zijn voor onbevoegden. Technische en organisatorische voorzieningen worden getroffen om manipulatie van de gegevens te voorkomen en om deze gegevens zonodig te kunnen traceren en reconstrueren. 8.5.4.De opgenomen telefoongesprekken worden niet langer bewaard dan noodzakelijk is voor de in artikel 8.5.1 genoemde doeleinden. 8.5.5 Een Cliënt heeft bij interpretatieverschillen of onenigheden met betrekking tot de inhoud van de opgenomen telefoongesprekken het recht het opgenomen telefoongesprek te beluisteren en/of een transcriptie van het opgenomen telefoongesprek te verkrijgen.' Ik kom op deze bepalingen van de Gedragscode hierna (in nrs. 4.35, 5.8-5.9 en 5.25-5.26) nog terug. D. Buitenlandse wetgeving 4.
  3. Het lijkt mij dienstig om te bezien hoe art. 12, onder a, van de Richtlijn in enige andere landen is geïmplementeerd. 4.
  4. De Belgische 'wet tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens' geeft de betrokkene in art. 10 sub b recht op 'verstrekking in begrijpelijke vorm van de gegevens zelf die worden verwerkt, alsmede alle beschikbare informatie over de oorsprong van die gegevens.'
(28)4.21. De Britse Data Protection Act 1998 bepaalt in art. 7 sub c dat individuen het recht hebben 'to have communicated to him in an intelligible form (
  1. i)the information constituting any personal data of which that individual is the data subject and (
  2. ii)any information available to the data controller as to the source of those data.'
(29)Het Court of Appeal voor Engeland en Wales heeft zich in de zaak Durant v. Financial Service Authority uitgelaten over het inzagerecht onder de Data Protection Act.
(30)In de rov. 26 en 27 van die uitspraak gaat het Court of Appeal in op de reikwijdte van het inzagerecht: '26. The intention of the Directive, faithfully reproduced in the Act, is to enable an individual tot obtain a data controller's filing system, whether computerised of manual, his personal data, that is, information about himself. It is not an entitlement to be provided with original or copy documents as such, but, as section 7
(1)(c)(i) and 8
(2)provide, with information constituting personal data in intelligible and permanent form. This may be in documentary form prepared for the purpose and/or where it is convenient in the form of copies of original documents redacted if necessary to remove matters that do not constitute personal data (and/or to protect the interests of other individuals under section 7
(4)and
(5)of the Act).
  1. In conformity with the 1981 Convention and the Directive, the purpose of section 7, in entitling an individual to have access to information in the form of his 'personal data' is to enable him to check whether the data controller's processing of it unlawfully infringes his privacy and, if so, to take such steps as the Act provides, for example in sections 10 to 14, to protect it. It is not an automatic key to any information, readily accessible or not, of matters in which he may be named or involved. Nor is to assist him, for example, to obtain discovery of documents that may assist him in litigation or complaints against third parties. As a matter of practicality and given the focus of the Act on ready accessibility of the information - whether from a computerised or comparably sophisticated non-computerised system - it is likely in most cases that only information that names or directly refers to him will qualify. In this respect, a narrow interpretation of 'personal data' goes hand in hand with a narrow meaning of 'a relevant filing system', and for the same reasons (...). But ready accessibility, though important, is not the starting point.' Volgens het Court of Appeal geeft het inzagerecht als zodanig dus geen recht op originele documenten of kopieën daarvan. 4.
  2. Het Duitse Bundesdatenschutzgesetz bepaalt in paragraaf 34 onder (i): 'Der Betroffene kann Auskunft verlangen über
(1)die zu seiner Person gespeicherten Daten, auch soweit sie sich auf die Herkunft dieser Daten beziehen,
(2)Empfänger oder Kategorien van Empfängern, an die Daten weitergegeben werden, und
(3)den Zweck der Speicherung.'
(31)4.23. In de Franse Loi relative à l'informatique, aux fichiers et aux libertés
(32)geeft art. 39 sub 4 recht op 'La communication, sous une forme accessible, des données à caractère personnel qui la concernent ainsi que de toute information disponible quant à l'origine de celles-ci.' De toelichting op art. 39 vermeldt:
(33)'Une copie des données à caractère personnel est délivrée à l'interessé à sa demande. Le responsible du traitement peut subordonner la délivrance de cette copie au paiement d'une somme qui ne peut excéder le coût de la reproduction.' Deze toelichting doet vermoeden dat de betrokkene volgens de Franse wetgever ook recht heeft op kopieën van de gegevensdragers waarin de persoonsgegevens zijn verwerkt. 4.
  1. Dit lijkt ook de gedachte van de Spaanse wetgever te zijn geweest bij de implementatie van art. van de 12 Richtlijn in art. 15 van de Spaanse wet, via de vermelding van alternatieve vormen van kennisneming in lid 2: '
  2. El interesado tendrá derecho a solicitar y obtener gratuitamente información de sus datos de carácter personal sometidos a tratamiento, el origen de dichos datos, así como las comunicaciones realizadas o que se prevén hacer de los mismos.
  3. La información podrá obtenerse mediante la mera consulta de los datos por medio de su visualización, o la indicación de los datos que son objeto de tratamiento mediante escrito, copia, telecopia o fotocopia, certificado o no, en forma legible e intelegible, sin utilizar claves o códigos que requieran el uso de dispositivos mecánicos especificos. (...)'
(34)Ik geef hier ook de (onofficiële) Engelse vertaling weer: '
  1. The data subject shall have the right to request and obtain free of charge information on his personal data subjected to processing, on the origin of such data and on their communication or intended communication.
  2. The information may be obtained by simply displaying the data for consultation or by indicating the data subjected to processing in writing, or in a copy, fax or photocopy, whether certified a true copy or not, in legible and intelligible form, and without using keys or codes which require the use of specific devices. (...)' De Spaanse wet spreekt, zoals hierboven blijkt, niet over een optie voor de verantwoordelijke om de data te verstrekken in de vorm van kopieën (naast een alternatief als loutere inzage), maar over een recht van de betrokkene op het verkrijgen ('obtener'; 'obtain') van de data in de vorm van kopieën, als de betrokkene dat wenst. E. De weigeringsgrond in art. 43 sub e Wbp 4.
  3. Dexia stelt zich in de onderhavige procedure - en in procedures tegen andere effectenlease-contractanten - op het standpunt dat het voldoen aan het kennisnemingsverzoek voor haar zou leiden tot onevenredige administratieve lasten. Daarom zou zij op grond van art. 43 sub e Wbp niet gehouden zijn aan het verzoek te voldoen. Op grond van art. 43 Wbp kan de verantwoordelijke de verstrekking van een overzicht van de verwerkte persoonsgegevens weigeren voor zover dit noodzakelijk is in het belang van (a) de veiligheid van de staat; (b) de voorkoming, opsporing en vervolging van strafbare feiten; (c) gewichtige economische en financiële belangen van de staat en andere openbare lichamen; (d) het toezicht op de naleving van wettelijke voorschriften die zijn gesteld ten behoeve van de belangen, bedoeld onder (b) en (c); of (e) de bescherming van de betrokkene of van de rechten en vrijheden van anderen. 4.
  4. In casu gaat het slechts om de laatste weigeringsgrond (e). Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat voor wat betreft die laatste weigeringsgrond onder 'anderen' ook de 'verantwoordelijke' (in het onderhavige geval dus Dexia) dient te worden begrepen.
(35)Dat is tussen partijen onomstreden.
(36)Uit de parlementaire geschiedenis blijkt tevens dat de verantwoordelijke niet uitsluitend op grond van zijn belang om administratieve lasten te beperken een verzoek om informatie als bedoeld in art. 35 lid 1 Wbp zal mogen afwijzen. Hij zal daarentegen aannemelijk moeten maken dat door inwilliging van een verzoek tot inzage in persoonsgegevens de administratieve lasten zodanig disproportioneel zijn dat hij in een van zijn rechten en vrijheden wordt aangetast of dreigt te worden aangetast.
(37)F. (Oordeel) College Bescherming Persoonsgegevens 4.27. Het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) heeft tot taak toe te zien op de verwerking van persoonsgegevens overeenkomstig het bij of krachtens de wet bepaalde.
(38)Daarnaast vervult het CBP ook andere taken. Zo kan het CBP op grond van art. 60 Wbp al dan niet ambtshalve een onderzoek instellen naar de wijze waarop ten aanzien van gegevensverwerking toepassing wordt gegeven aan het bij of krachtens de wet bepaalde. Naar aanleiding van een aantal klachten van effectenlease-contractanten heeft het CBP een dergelijk onderzoek ingesteld. Onderzocht is de wijze waarop door Dexia aan het recht op kennisneming als bedoeld in art. 35 Wbp toepassing wordt gegeven. Het CBP heeft zijn (definitieve) bevindingen neergelegd in een brief aan Dexia van 3 september 2004.
(39)Uit die brief blijkt dat het CBP aan het begrip 'volledig overzicht in begrijpelijke vorm' (in de zin van art. 35 lid 2 Wbp) de volgende uitleg geeft: 'Het overzicht moet de betrokkene in ieder geval in staat stellen zijn recht om ingevolge artikel 36 WBP te verzoeken om verwijdering of correctie te effectueren. Om te kunnen overzien of gegevens feitelijk onjuist zijn voor het doel van de verwerking onvolledig of niet ter zake dienend zijn dan wel anderszins in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt is het noodzakelijk zicht te hebben op zoveel mogelijk details van de verwerkte persoonsgegevens. Hieruit volgt dat in het algemeen niet volstaan kan worden met een samenvatting van de gegevens. Een belangrijk deel van de informatiewaarde zal hiermee immers verloren gaan. De precieze context waarin gegevens worden verwerkt kan cruciaal zijn en het kan de betrokkene juist gaan om de details van gegevens die over hem verwerkt worden. Details zullen in veel gevallen van beslissende betekenis zijn voor de ratio van het recht op kennisneming. Dit geldt zeker ook voor de daarmee verbonden rechten om te verzoeken om correctie, afscherming en verwijdering van gegevens alsmede het recht om zich te verzetten tegen - verdere - verwerking. [...] Het is onvoldoende als de betrokkene slechts geïnformeerd wordt over de categorieën van gegevens die op hem betrekking hebben. De gegevens zelf die vallen onder deze categorieën moeten in beginsel ontsloten worden opdat de betrokkene inzicht kan krijgen in de verwerking van de op hem betrekking hebbende gegevens en zonodig zijn rechten kan effectueren.' Meer specifiek ten aanzien van telefoonnotities en gespreksverslagen merkt het CBP op: 'Mede aan de hand van notities, gespreksverslagen en telefoonnotities zal een verantwoordelijke de (financiële) positie van de betrokkene beoordelen en zonodig maatregelen treffen. Op grond van art. 35, tweede lid WBP dienen deze overgelegd te worden als de betrokkene daarom verzoekt, tenzij een van de uitzonderingen op het inzagerecht van toepassing is. De betrokkene dient, om de rechtmatigheid van deze verwerking te kunnen controleren kennis te kunnen nemen van deze stukken. De betrokkene moet bovendien in staat zijn de verantwoordelijke om wijzigingen en/of correctie te verzoeken (zie art. 36 WBP). Dexia verwijst naar een uitspraak van de Afdeling rechtspraak van de Raad van State van 3 maart 2004 (JB 2004, 156), waarin de rechter zich uitlaat over de betekenis van het correctierecht: het recht op verbetering en verwijdering van persoonsgegevens is niet bedoeld om gegevens, bestaande uit indrukken, meningen en conclusies omtrent de persoon van de betrokkene waarmee die zich niet kan verenigen, te corrigeren of te verwijderen. Aan deze overweging ontleent Dexia een argument om telefoonnotities niet ter inzage te geven. Echter de Afdeling rechtspraak overweegt ook dat in geval van gegevens, bestaande uit indrukken, meningen en conclusies, volstaan kan worden met het toevoegen van het schriftelijk commentaar van de betrokkene aan het dossier. Inzage in dergelijke gegevens gaat ook in de zienswijze van de Raad van State hieraan vooraf. De verantwoordelijke moet derhalve - tenzij één van de uitzonderingen van artikel 43 van toepassing is - (een afschrift van) de telefoonnotities en gespreksverslagen overleggen.' In reactie op het betoog van Dexia dat de opgenomen telefoongesprekken geen bestand vormen in de zin van art. 1 sub c Wbp, schreef het CBP dat hij 'het niet goed voorstelbaar acht dat Dexia wel kosten maakt en de faciliteiten heeft om gesprekken op te nemen, maar niet in staat is deze gesprekken gestructureerd terug te vinden en uit te luisteren. Het CBP gaat er dan ook vanuit dat een zoekfunctie aanwezig zal zijn die de telefoongesprekken ontsluit op een wijze die de verzameling onder het bestandsbegrip van de Wbp brengt.'
(40)Volgens het CBP dient Dexia bij een verzoek om kennisneming interne notities ook te overleggen, althans voorzover die interne notities de betrokkene als onderwerp hebben en Dexia geen beroep toekomt op een van de weigeringsgronden als bedoeld in art. 43 Wbp.
(41)De vraag wanneer Dexia een beroep op een dergelijke weigeringsgrond toekomt beantwoordt het CBP als volgt: 'De toepassing van de weigeringsgronden is onderworpen aan het "noodzakelijkheidscriterium". Een strikte uitleg van dit begrip is aangewezen daar de uitzonderingsgronden zelf slechts in algemene zin kunnen worden geformuleerd (MvT, 25 892, nr. 3, pagina 171). Het antwoord op de vraag of de uitzonderingsgronden van toepassing zijn vraagt een afweging van de in het geding zijnde belangen. Deze afweging wordt in eerste instantie door de verantwoordelijke gemaakt. Bij deze afweging spelen de begrippen proportionaliteit en subsidiariteit een rol. Met andere woorden, staat de beperking in het aan de betrokkene toekomende recht door weigering van inzage in redelijke verhouding tot het te beschermen belang van een ander en is deze beperking noodzakelijk? De belangenafweging zal steeds gericht zijn op de omstandigheden van het concrete geval en het is in eerste instantie aan de verantwoordelijke om in het licht van de uitzondering een exacte werkwijze te bepalen. Indien de betrokkene echter van oordeel is dat inzage ten onrechte op grond van artikel 43 WBP wordt geweigerd kan hij zich wenden tot het CBP (op grond van artikel 47 WBP) en de rechter (artikel 46 WBP). De verantwoordelijke moet de gemaakte afweging dan voor dat concrete geval inzichtelijk kunnen maken. De verantwoordelijke kan niet uitsluitend op grond van zijn belang om administratieve lasten te beperken een verzoek om kennisneming als bedoeld in artikel 35 WBP afwijzen. Het CBP wijst erop dat de keerzijde van het hebben van veel cliënten kan zijn dat in evenredige mate een beroep op de hen toekomende rechten wordt gedaan. De verantwoordelijke moet conform artikel 43, onder e, WBP aannemelijk maken dat door inwilliging van een verzoek om kennisneming de administratieve lasten zodanig disproportioneel zijn dat weigering noodzakelijk is, omdat hij anders in een van zijn rechten en vrijheden wordt aangetast of dreigt te worden aangetast (MvT 25 892, nr. 3, pagina 171).' Het CBP sluit niet uit dat daadwerkelijk schade aan de processuele positie van Dexia tot een gerechtvaardigd beroep op art. 43 sub e Wbp kan leiden. Daartoe zal volgens het CBP dan wel een afweging moeten plaatsvinden tussen Dexia's belang en het - processuele - belang van de betrokkene. Dexia zal dus per betrokkene en per document aannemelijk moeten maken dat kennisneming tot een dusdanige schade voor haar leidt dat weigering hiervan noodzakelijk is voor de bescherming van haar rechten en vrijheden, aldus het CBP.
(42)Op basis van het onderzoek concludeerde het CBP dat Dexia op bovengenoemde punten niet in overeenstemming met de Wbp handelt. Het CBP spoorde Dexia daarom aan haar werkwijze alsnog aan te passen.
(43)Nadat bleek dat Dexia hieraan geen gehoor zou geven, omdat zij meende - en thans overigens nog steeds meent - te voldoen aan de geldende wet- en regelgeving, heeft het CBP de effectenlease-contractanten - waaronder [verweerder] - bij brief van 3 november 2004
(44)verwezen naar de rechter. G. Rechtspraak inzake inzageverzoeken 4.28. Uw Raad heeft zich al eerder gebogen over zaken waarin het ging om inzage-verzoeken. In HR 2 december 1988, NJ 1989, 752, m.nt. Ma - waar van de Gemeenschappelijke Medische Dienst kopie werd gevraagd van medische en niet-medische stukken betreffende verzoeker - heeft uw Raad, in rov. 3.3, in algemene termen aangenomen dat degene, van wie een instelling als de GMD een dossier heeft aangelegd, in beginsel recht heeft op kennisneming van de zich daarin bevindende stukken. Al vóór de inwerkingtreding van de WPR vond een inzagerecht derhalve reeds erkenning bij de Hoge Raad.
(45)De Hoge Raad oordeelde in rov. 3.2 voorts 'De aard van de stukken in een medisch dossier als waarvan hier sprake is, zal in de regel meebrengen dat kennisneming door middel van een aan de betrokkene te verschaffen afschrift kan worden verlangd.'
(46)4.29. Maar ook over weigeringsmogelijkheden heeft uw Raad zich reeds uitgelaten. HR 16 juni 2000, NJ 2000, 613, m.nt. DWFV, betrof een verzoek om inzage op grond van art. 34 in verbinding met art. 29 WPR. In die zaak had de verzoeker ('N') het GAK om inzage verzocht in het hem betreffende dossier. Aanleiding tot dat verzoek was dat N ter ore was gekomen dat een derde aan het GAK informatie had gegeven omtrent financiële middelen waarover N de beschikking zou hebben; informatie die van invloed kon zijn op het recht op een uitkering. Het GAK verschafte N inzage in het hem betreffende dossier, maar weigerde hem de brieven van de informant ter inzage te geven. Naar aanleiding van het verzoek van N het GAK te bevelen hem inzage te verlenen in de hem betreffende dossiers, oordeelde het hof o.m.: 'Het GAK heeft belang bij het verkrijgen van voor zijn werkzaamheden relevante informatie via derden. Deze derden, en daarmee ook het GAK, zullen er veelal belang bij hebben dat door hen verstrekte informatie vertrouwelijk wordt behandeld. Tegenover genoemde belangen van het GAK en de derden staan de belangen van N. N. heeft weliswaar geen inzage verkregen in de onderhavige correspondentie, maar is wel geïnformeerd over de, in het kader van de uitvoering van de taken van het GAK, door de informant verstrekte relevante gegevens. Dat brengt het hof tot het oordeel dat genoemde belangen van het GAK en de derden in de gegeven omstandigheden zwaarder dienen te wegen dan die van N. Het GAK heeft derhalve, op grond van het gestelde in art. 30 aanhef en onder e van de Wet (voorloper van art. 43 sub e Wbp; toevoeging A-G), N. terecht de kennisneming van bedoelde correspondentie kunnen weigeren.' Uw Raad liet dit oordeel in stand.
(47)4.30. De Hoge Raad heeft zich nog niet uitgesproken over de nu aan de orde gestelde vragen (
  1. i)of het recht op kennisneming als nu neergelegd in art. 35 lid 2 Wbp tevens het recht op kopieën/afschriften van de verwerkte persoonsgegevens omvat; (
  2. ii)of bandopnamen en/of notities van persoonsgegevens vallen onder het hiervoor bedoelde kennisnemingsrecht, en; (iii) of in een situatie als de onderhavige een succesvol beroep kan worden gedaan op de weigeringsgrond als bedoeld in art. 43 sub e Wbp. 4.31. In de lagere (Dexia-)rechtspraak zijn deze vragen al wél meermaals aan de orde gekomen. Daarbij is gebleken dat rechters (zeer) verschillend denken over reikwijdte van het recht op kennisneming van persoonsgegevens.
(48)Zo heeft het hof ('s-Hertogenbosch) in de onderhavige zaak de lijn van het CBP gevolgd. Ook het hof te Arnhem volgde in een beschikking van 28 februari 2006 grotendeels de lijn van het CBP.
(49)In die zaak speelde overigens niet (meer) de vraag of het recht op inzage als bedoeld in art. 35 lid 2 Wbp tevens het recht op inzage in opgenomen telefoongesprekken omvat.
(50)De rechtbank te Almelo
(51)had hierover in eerste aanleg geoordeeld dat de bandopnamen als zodanig niet als een gestructureerd bestand konden worden aangemerkt en dat Dexia daarom niet gehouden was om de betreffende verzoeker te informeren omtrent de met hem gevoerde telefoongesprekken die op die banden voorkwamen.
(52)Hieraan voegde de rechtbank echter toe dat een en ander anders zou zijn geweest indien de verzoeker exact had aangegeven op welke dag en welk tijdstip hij met welke medewerker van Dexia had gesproken. De rechtbank ging er daarbij vanuit dat de bewaard gebleven telefoongesprekken op datum en uur waren opgeslagen. In een zaak waarin wél vaststond op welke dagen en tijdstippen de verzoekers met Dexia telefoongesprekken hadden gevoerd, oordeelde de rechtbank te Almelo dat de betreffende bandopnamen deel uitmaakten van een bestand in de zin van art. 1 sub c Wbp. Volgens de rechtbank zijn de bandopnamen met die informatie voldoende toegankelijk en vallen deze onder het bereik van art. 35 Wbp.
(53)De rechtbank te 's-Hertogenbosch - in de onderhavige zaak - veronderstelde dat de bandopnamen hoe dan ook gestructureerd toegankelijk zijn of kunnen worden gemaakt, omdat volgens haar anders niet goed valt in te zien waarom Dexia de banden überhaupt heeft bewaard. De rechtbank overwoog dat de bank het belang daarvan kennelijk zelf wel inziet en in voorkomend geval daarvan gebruik zal willen maken. Daaruit maakte de rechtbank op dat het eigenlijk niet anders kan dan dat een zekere gestructureerde toegang tot de inhoud van die banden aanwezig is of zal worden vervaardigd. 4.32. Geheel anders dan de hoven te 's-Hertogenbosch en Arnhem oordeelde het hof te Amsterdam
(54)dat de betreffende verzoeker met zijn verzoek misbruik van recht maakte omdat hij deze bevoegdheid uitoefende 'met geen ander doel dan Dexia (in haar bedrijfsuitoefening) te schaden.' Het hof achtte voldoende aannemelijk dat het verzoek was ingegeven door een oproep daartoe in het televisieprogramma Tros Radar in september 2004, die kennelijk heeft geleid tot circa 4000 van dergelijke verzoeken. Het hof overwoog daarbij dat 'uit niets blijkt dat het in die uitzending ging om het belang van het controleren van (de juistheid van) door Dexia geregistreerde gegevens' en dat de bijdragen op het websiteforum van Tros Radar 'een geest van rancune en strijdlustigheid ten opzichte van Dexia, niet een van bezorgdheid om de door Dexia geregistreerde gegevens' uitademden. Voor het Amsterdamse hof vormde deze context voldoende reden om aan te nemen dat het inzageverzoek geen ander doel had dan Dexia te schaden. 4.33. De hoven te 's-Hertogenbosch, Arnhem en Amsterdam hebben in voornoemde beschikkingen alle drie een ander verweer van Dexia, nl. dat de verzoeker de gevraagde gegevens zou willen gebruiken met het oog op een door hem tegen Dexia in te stellen procedure, verworpen. De rechtbank te Arnhem honoreerde dit misbruik-van-bevoegdheid-verweer van Dexia (in een beschikking van 22 februari 2005
(55)) daarentegen wel. Daarmee legde de rechtbank Arnhem het standpunt van het CBP uitdrukkelijk naast zich neer, waarmee ik doel op de volgende passage uit de eerder vermelde brief van het CBP aan Dexia van 13 oktober 2004:
(56)'Inzageverzoeken mogen niet geweigerd worden met als argument dat ze gedaan worden met een ander doel dan waarvoor het inzagerecht bedoeld is. Ieder heeft het recht kennis te nemen van de verwerkingen van zijn persoonsgegevens. De wetgever heeft geen motiveringsplicht voor een verzoek om kennisneming bij de betrokkene gelegd. Het belang van kennisneming is voorondersteld. Het doel waarmee inzage gevraagd wordt is daarmee niet relevant en mag geen rol spelen bij het besluit om een verzoek al dan niet te honoreren.'
(57)4.34. Ten aanzien van de vraag of in het recht op informatie als bedoeld in art. 35 Wbp het recht op kopieën besloten ligt bestaat (ook) verdeeldheid, al lijkt het erop dat de meeste rechtbanken deze vraag tot nu toe ontkennend hebben beantwoord.
(58)Het door de Amsterdamse rechtbank in haar beschikking van 19 mei 2005
(59)gehanteerde uitgangspunt lijkt op dat van het Engelse Court of Appeal in de zaak Durant vs. FSA (zie hiervoor, nr. 4.21): Dexia is naar het oordeel van de Amsterdamse rechtbank niet, 'althans niet zonder meer,' verplicht tot afgifte van kopieën van alle bij haar aanwezige, de verzoeker betreffende gegevens en stukken. De rechtbank voegde hieraan toe dat Dexia's verplichting tot het verstrekken van een volledig overzicht in begrijpelijke vorm wel kan impliceren dat tevens kopieën van gegevens en/of stukken aan hem dienen te worden gegeven.
(60)Volgens de rechtbanken te Zwolle en te Rotterdam ligt in het recht op kennisneming als bedoeld in art. 35 Wbp het recht op kopieën (zonder meer) besloten.
(61)4.35. Ook de Geschillencommissie Bankzaken heeft zich (op 10 februari 2005 in drie zaken
(62)) uitgesproken over de inhoud en de reikwijdte van het kennisnemingsrecht als bedoeld in art. 35 Wbp. De Geschillencommissie conformeerde zich in die uitspraken aan het (hierboven besproken) oordeel van het CBP: ook ten aanzien van de vraag of en in welke mate Dexia aan het verzoek van de effectenlease-contractant om een volledig afschrift van zijn dossier moet voldoen. Dit betekent dat volgens de Geschillencommissie in beginsel alle afschriften van alle aanwezige stukken dienen te worden overgelegd. Naarmate het door de bank te verstrekken overzicht meer gespecificeerd is, zal minder snel behoefte bestaan aan een volledig afschrift van alle relevante stukken en zal de bank - ter vermindering van zijn administratieve lasten - ook eerder met een beperkt aantal afschriften aan de consument kunnen volstaan, aldus de Geschillencommissie. Het verweer van Dexia dat de bandopnamen van de gevoerde telefoongesprekken een ongestructureerd, niet volgens bepaalde criteria (of systematisch) toegankelijk geheel zouden vormen, wordt door de Geschillencommissie verworpen. In dat verband wees de Geschillencommissie erop dat art. 8.5.3 van de Gedragscode (zie hiervoor nr. 4.18) financiële instellingen verplicht om technische en organisatorische maatregelen te treffen om telefoongesprekken die zijn opgenomen zonodig te kunnen traceren en reconstrueren. Op grond daarvan dient Dexia de opgenomen telefoongesprekken naar het oordeel van de Geschillencommissie alsnog te ontsluiten en de betrokkenen daarvan in kennis te stellen.
(63)4.36. Met het voorgaande heb ik niet gepoogd de lagere 'Dexia-rechtspraak' uitputtend te bespreken. Zelfs zonder die poging te wagen heb ik m.i. wel aangetoond dat er zeer verschillend wordt gedacht over de reikwijdte van het kennisnemingsrecht als bedoeld in art. 35 Wbp.
(64)H. Literatuur inzake inzageverzoeken 4.37. Ook in de literatuur lopen de meningen uiteen. Het verbaast niet dat Rank en Haasjes - advocaten die regelmatig voor banken optreden in procedures met betrekking tot de Wbp - verdedigen (
  1. i)dat het recht op inzage als bedoeld in art. 35 lid 2 Wbp geen recht geeft op kopieën/afschriften van de documenten waarin de betreffende persoonsgegevens zijn opgenomen, en (
  2. ii)dat bandopnames van telefoongesprekken (of de schriftelijke uitwerking van telefoongesprekken) niet onder het hiervoor bedoelde kennisnemingsrecht vallen.
(65)Het verbaast evenmin dat Van den Bergen, die als advocaat optreedt voor beleggers die gebruik maken van het kennisnemingsrecht, een tegengestelde mening is toegedaan.
(66)4.38. Berkvens
(67), en Zwenne & Webbink
(68)lijken zich aan te sluiten bij het standpunt van Rank en Haasjes. Ook zij menen dat het begrip 'volledig overzicht' als bedoeld in art. 35 lid 2 Wbp niet zo ruim geïnterpreteerd kan worden dat hieronder tevens kopieën van documenten en transcripties van telefoongesprekken moeten worden verstaan. Holvast lijkt zich daarentegen aan de zijde van Van den Bergen te scharen daar waar hij betoogt dat in het recht op informatie het recht op kopieën besloten ligt. Hij verwijst naar de voorloper van de Wbp, de WPR. Volgens Holvast werd onder die wet algemeen erkend dat recht op inzage een recht van kopie kon inhouden. Omdat met de overgang van de WPR naar de Wbp geen verandering in de positie van de betrokkene is beoogd, geldt dit ook voor de Wbp, aldus Holvast. Volgens Holvast is mede daarom in het Besluit kostenvergoeding rechten betrokkenen Wbp bepaald dat een vergoeding van € 0,23 per pagina kan worden gevraagd.
(69)Holvast meent dat het kennisnemingsrecht zich ook uitstrekt tot bandopnamen van telefoongesprekken/transcripties van telefoongesprekken.
(70)4.39. Bij lezing van buitenlandse literatuur over het inzagerecht stuitte ik nog op de volgende passage van de Brit Bainbridge over het recht op inzage in persoonsgegevens in het Verenigd Koninkrijk vóór en na de Richtlijn: 'More information must be given to the data subject exercising his or her right of access than before. Under the Directive, in addition to being furnished with a copy of the data[voetnoot], information must be given as to the purposes of processing, the categories of data concerned and the recipients and categories of recipients to whom the data are disclosed.'
(71)In de voetnoot wordt verwezen naar het eerder besproken art. 12 sub a van de Richtlijn, dat vereist 'communication of the data in an intelligible form together with any available information as to their source.' Kennelijk leidt Bainbridge uit deze Richtlijnbepaling af dat het op de Richtlijn gebaseerde kennisnemingsrecht ruimer dan vóór de Richtlijn is, en dat daarin het recht op kopieën besloten ligt.
  1. Bespreking van het middel 5.
  2. Het middel, dat zes onderdelen telt, behelst mede rechtsklachten over de uitleg van de Wbp, die - zoals reeds bleek - mede gebaseerd is op Richtlijn 95/46/EG. Ik heb, naar blijken zal, evenwel geen aanleiding gevonden om te concluderen tot het stellen van een of meer prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EG. De kwesties van uitleg van aan de Richtlijn ontleende begrippen die in deze zaak aan de orde zijn, komen m.i. in aanmerking voor de kwalificatie 'acte clair'. Ik laat dan nog daar dat Richtlijn 95/46/EG blijkens considerans 9, waar overwogen wordt 'dat de Lid-Staten er daarbij naar dienen te streven de momenteel door hun wetgeving geboden bescherming te verbeteren', niet het karakter van een 'maximumharmonisatie' in zich draagt. 5.
  3. Onderdeel 1 klaagt dat het hof de devolutieve werking van het appel heeft miskend, althans buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden. Omdat Dexia dit onderdeel aanvoert onder de voorwaarde dat de middelonderdelen 2 en/of 4 (die respectievelijk de vraag aan de orde stellen of art. 35 Wbp recht geeft op kopieën en of bandopnamen van telefoongesprekken een bestand vormen) falen, bespreek ik deze klacht pas nadat ik de overige middelonderdelen heb besproken: zie nrs. 5.34-5.
  4. 5.
  5. Onderdeel 2 richt zich tegen rov. 4.7.3 van de bestreden beschikking en klaagt dat het hof met zijn oordeel - dat in art. 35 Wbp het recht op kopieën en afschriften van persoonsgegevens alsmede het recht op transcripties van opgenomen telefoongesprekken besloten ligt - blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. 5.
  6. Op grond van art. 35 Wbp heeft de betrokkene recht op een mededeling houdende een 'volledig overzicht (...) in begrijpelijke vorm' van de hem betreffende persoonsgegevens die door de verantwoordelijke worden verwerkt, 'een omschrijving van het doel of de doeleinden van de verwerking, de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft en de ontvangers of categorieën van ontvangers, alsmede de beschikbare informatie over de herkomst van de gegevens'. Hieronder vallen - aldus onderdeel 2 - in beginsel
(72)niet de kopieën van alle concrete verwerkingen in de betreffende basisdocumenten en evenmin de transcripties van opgenomen telefoongesprekken. Het onderdeel meent voor dit standpunt steun te vinden in o.m. de tekst van art. 35 lid 2 Wbp; in de parlementaire geschiedenis; in de tekst van art. 12 sub a van de Richtlijn; in de wijze waarop art. 12 sub a in een aantal andere landen is geïmplementeerd, in de lagere 'Dexia-rechtspraak' en in de literatuur. 5.5. In onderdeel 2.2.3, tweede t/m vierde volzin van het middel, wordt gefocust op het begrip 'overzicht' in art. 35 lid 2 Wbp in plaats van op de wettelijke terminologie 'volledig overzicht'. Maar zelfs als men zou menen dat het begrip 'volledig overzicht' niet direct een aanknopingspunt zou bieden voor het standpunt dat het recht op inzage het recht op kopieën en een schriftelijke uitwerking van gevoerde telefoongesprekken geeft, miskent het onderdeel m.i. de gedachte achter het inzagerecht. Het recht op inzage heeft tot doel de burger de mogelijkheid te geven om te weten hoe zijn persoonsgegevens zijn verwerkt, en tevens te controleren of dat op juiste wijze is gebeurd zodat - indien dit niet het geval is - de betrokkene zijn correctierecht (als bedoeld in art. 36 Wbp, dat tevens omvat een aanspraak op verwijdering indien de gegevens niet ter zake dienend zijn) zou kunnen uitoefenen: zie hierboven nr. 4.8 e.v. In de Richtlijnconsiderans (sub 41) is het zelfs zo geformuleerd dat 'een ieder over het recht moet kunnen beschikken toegang te verkrijgen tot de gegevens die het voorwerp van een verwerking vormen en hemzelf betreffen, zodat hij zich van de juistheid en de rechtmatigheid van de verwerking ervan kan vergewissen.' M.i. kan aan dit doel slechts tegemoet worden gekomen als de betrokkene tevens inzage krijgt in de context waarin de hem betreffende persoonsgegevens zijn verwerkt. Artikel 35 lid 2 laat een zekere vaagheid toe ten aanzien van de omschrijving van de doeleinden van de verwerking
(73), de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft en de (categorieën) van ontvangers. De wetsbepaling is evenwel preciezer ten aanzien van de verwerkte persoonsgegevens als zodanig, waarvan een 'volledig overzicht' moet worden gegeven. Bovendien moet ten aanzien van de herkomst van de gegevens inzage worden gegeven in de 'daarover beschikbare informatie'. Een vermelding van de persoonsgegevens die (naast NAW-gegevens, relatienummer, geboortedatum, geslacht, telefoonnummer, Sofi-nummer en bankrekeningnummer en contractgegevens), volstaat met 'Gegevens met betrekking tot lopende en/of verrichte transacties en additionele gegevens verkregen door rechtstreeks contact' en 'Correspondentie van en met cliënt of (een) door cliënt gemachtigde(n)'
(74)alsmede data van telefonische contacten, voldoet dan niet aan de eisen van art. 35 lid 2 Wbp. Evenmin volstaat Dexia's vermelding van de herkomst van de persoonsgegevens, luidende dat die gelegen kan zijn: 'in één of meerdere van de volgende bronnen: - Schriftelijke communicatie en lopende en/of verrichte transacties met (ex-)cliënten, precontractuele cliënten of door deze gemachtigden - Telefonische communicatie en lopende en/of verrichte transacties met (ex-)cliënten, precontractuele cliënten of door deze gemachtigden - Het bestand van het Bureau Kredietregistatie'.
(75)Dergelijke overzichten wekken - met een understatement - bovendien de indruk vergaand gestandaardiseerd te zijn. Met het verschaffen van dergelijke informatie wordt m.i. geen recht gedaan aan het inzagerecht als bedoeld in art. 35 Wbp, nu de betrokkene op basis van die informatie niet kan beoordelen welke ('overige') persoonsgegevens nu precies zijn opgenomen, laat staan of die persoonsgegevens juist en terzake dienend zijn. Bij de uitoefening van het inzagerecht komt het aan op de precieze geregistreerde persoonsgegevens, ook al omdat de uitoefening van het correctierecht ingevolge art. 12, aanhef en onder b van de Richtlijn en art. 36 Wbp anders al gauw een slag in de lucht zou kunnen zijn (wat ook niet in het belang is van de verantwoordelijke). Dat de Richtlijn en de Wbp uitgaan van precieze gegevens blijkt niet alleen uit het begrip 'verstrekking, in begrijpelijke vorm, van de gegevens die zijn verwerkt' in de Richtlijn en het 'volledig overzicht' in art. 35 lid 2 Wbp, maar ook uit art. 36 lid 1, laatste volzin, Wbp waarin staat dat een correctieverzoek 'de aan te brengen wijzigingen' moet bevatten. Aan die eis kan de betrokkene natuurlijk niet voldoen als de verantwoordelijke bij het geven van het 'volledig overzicht' kan volstaan met gemeenplaatsen als 'gegevens met betrekking tot lopende en/of verrichte transacties en additionele gegevens verkregen door rechtstreeks contact'. Het verstrekken van kopieën of 'uitdraaien' is dus de (meest) adequate vorm van het verstrekken van een 'volledig overzicht'. Zou de verantwoordelijke willen volstaan met een door hem op te maken rapport of opstel, dan bestaat - zeker in het geval van massale verzoeken - het risico dat in zo'n bewerkingsslag fouten (c.q. nieuwe fouten) worden gemaakt, waarmee noch de betrokkene, noch de verantwoordelijke gediend is. Bovendien is zo'n bewerkingsslag voor de verantwoordelijke duurder dan de verstrekking van kopieën (terwijl voor dit laatste een vergoeding van de betrokkene mag worden gevraagd). Onderdeel 2 van het middel maakt m.i. op verschillende plaatsen dan ook een onzuivere tegenstelling tussen enerzijds aanspraak op een (volledig) overzicht en anderzijds aanspraak op kopieën/uitdraaien. Ik verwijs verder naar hetgeen ik opmerkte in nrs. 4.11-4.11.3
(76). 5.6. Niet alleen in art. 36 lid 1, laatste volzin Wbp, maar ook in het Besluit kostenvergoeding rechten betrokkene Wbp (zie hiervoor nrs. 4.11.1-4.11.2 is klaarblijkelijk rekening gehouden met aanspraak op kopieën of uitdraaien. Waarom zou de wetgever anders een compensatieregeling hebben getroffen voor het geval 'het afschrift van de persoonsgegevens meer beslaat dan 100 pagina's'? Dat de wetgever dit ook reeds deed bij de totstandkoming van de voorloper van art. 35 Wbp, art. 29 WPR, blijkt uit het in de voetnoot bij nr. 4.11.2 vermelde citaat uit de parlementaire geschiedenis. Dit als tegenwicht tegen onderdelen 2.2.4, 2.2.8 en 2.2.9 van het middel. Tegen onderdeel 2.2.2 en 2.2.5 valt in te brengen dat dit standpunt ook aansluit bij de wijze waarop de Franse en Spaanse wetgever art. 12, aanhef en onder a, van de Richtlijn hebben geïmplementeerd.
(77)De toelichting op art. 39 van de 'Loi relative à l'information, aux fichiers et aux libertés' en art. 15 lid 2 van de betreffende Spaanse wet duiden erop dat zowel de Franse als de Spaanse wetgever ervan uitgaan dat de betrokkene ook recht heeft op kopieën. 5.7. Nu m.i. aan het doel van het inzagerecht slechts kan worden tegemoet gekomen indien de betrokkene tevens inzage krijgt in de manier waarop zijn persoonsgegevens precies zijn verwerkt, en de context waarin dat is gebeurd, meen ik dat art. 35 Wbp in beginsel
(78)ook recht geeft op het beluisteren van opgenomen telefoongesprekken en/of een transcriptie van het opgenomen telefoongesprek. Een - zoals in casu door Dexia aan [verweerder] gedane
(79)- mededeling dat tot de persoonsgegevens die van hem zijn vastgelegd behoren: 'Telefonische communicatie met cliënt of (een) door cliënt gemachtigde(n),' biedt de betrokkene immers onvoldoende gelegenheid te controleren of de van hem verwerkte persoonsgegevens al dan niet juist zijn. 5.
  1. Het middel geeft in onderdeel 2.1.1 op correcte wijze een aantal (merendeels hierboven reeds besproken) argumenten weer, die het hof gebruikt heeft voor zijn in onderdeel 2.1 aangevochten oordeel, maar het laat - toch wel selectief - één van 's hofs argumenten (in rov. 4.7.3) weg: nl. dat de aanspraak ex art. 35 Wbp op kopieën en afschriften (en transcripties van telefoongesprekken) óók aansluit bij de Gedragscode verwerking persoonsgegevens financiële instellingen. Hoewel ik in 's hofs verwijzing naar deze Gedragscode niet een zodanig zelfstandig dragend element lees, dat reeds daarom alle andere deelklachten van onderdeel 2 zouden falen, acht ik die verwijzing door het hof (en het weglaten van kritiek daarop door Dexia) het signaleren waard. Zo gaat ook art. 7.1.3 van de Gedragscode ervan uit dat een verzoek om correctie een specificatie dient te bevatten van de persoonsgegevens die gecorrigeerd moeten worden. Dat veronderstelt - andermaal - verstrekking van gespecificeerde gegevens door de verantwoordelijke, waarbij - andermaal - de verstrekking daarvan in de vorm van kopieën/uitdraaien de meest voor de hand liggende is. 5.
  2. Volgens de Gedragscode heeft een bank als Dexia mede technische en organisatorische voorzieningen moeten treffen om de opgenomen telefoongesprekken en andere persoonsgegevens betreffende de opgenomen telefoongesprekken zonodig te kunnen traceren en reconstrueren.
(80)De mogelijkheid tot het beluisteren van een opgenomen telefoongesprek en/of het verkrijgen van een transcriptie van het opgenomen telefoongesprek bestaat derhalve: het middel beweert in ieder geval niet dat het hof in dit opzicht iets miszegd zou hebben. Dit geldt temeer nu in casu bekend is op welke data en tijdstippen Dexia en [verweerder] telefoongesprekken hebben gevoerd; dit laatste blijkt uit het door Dexia naar aanleiding van de beschikking van de rechtbank aan [verweerder] gezonden overzicht.
(81)5.
  1. Tegen deze achtergrond meen ik voorts dat een betrokkene op basis van art. 35 lid 2 Wbp in beginsel inzage zou moeten kunnen verkrijgen in die bandopnamen; door middel van het beluisteren daarvan of door middel van het verkrijgen van een schriftelijke uitgewerkt telefoonverslag. Op deze plaats ga ik uit van de veronderstelling dat de bandopnamen een bestand vormen in de zin van de Wbp. De (voor)vraag of dit daadwerkelijk het geval is, komt zo dadelijk bij de bespreking van middelonderdeel 4 aan de orde. 5.
  2. Tegen de achtergrond van het voorgaande acht ik 's hofs oordeel - dat in art. 35 Wbp het recht op kopieën en afschriften van persoonsgegevens besloten ligt alsmede het recht op transcripties van opgenomen telefoongesprekken (behoudens door Dexia te stellen bijzondere omstandigheden
(82)) - juist. Bovendien strookt dit oordeel m.i. met het toch wel ruime inzagerecht zoals dat in de rechtspraak - ook die van de Hoge Raad - i.h.a. wordt aangenomen. Ik verwijs in dit verband naar de jurisprudentie over het recht op inzage in bijv. processen-verbaal, afstammingsgegevens en medische, psychologische en psychiatrische dossiers zoals dat onder art. 29 WPR en ook dáárvoor en daarbuiten reeds erkenning vond.
(83)Het is kennelijk (onder meer) deze rechtspraak die het hof aanleiding heeft gegeven (in rov. 4.7.3) te overwegen dat het thans in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk is om iemand desgewenst inzage in zijn persoonsgegevens te verschaffen door middel van kopieën en transcripties. 5.12. Dexia's (selectieve) beroep op de lagere 'Dexia-rechtspraak' (in onderdeel 2.2.6 en op literatuur (in onderdeel 2.2.7) behoeft geen nadere bespreking na hetgeen ik daarover in nrs. 4.28-4.39 heb opgemerkt. Ik constateer terzijde dat in de toelichting op onderdeel 2 niet rechtstreeks geklaagd wordt over 's hofs kennelijke aansluiting bij het oordeel van het College Bescherming Persoonsgegevens. 5.13. De overige subonderdelen van onderdeel 2 delen het lot van de hierboven besproken subonderdelen en behoeven geen afzonderlijke bespreking. 5.14. Onderdeel 3 keert zich tegen 's hofs verwerping van Dexia's beroep op art. 43 sub e Wbp (in rov. 4.8.3) en de overwegingen (4.6.1 t/m 4.6.3) met betrekking tot Dexia's 'misbruik-van-recht-verweer' die aan dit oordeel vooraf gingen. Het hof heeft in de rov. 4.6.2 en 4.6.3 Dexia's grief beoordeeld die strekte tot het betoog dat [verweerder] misbruik maakt van zijn bevoegdheid ex art. 35 Wbp door deze bevoegdheid te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze is gegeven, namelijk om zijn processuele positie te verbeteren ten nadele van Dexia. Volgens Dexia mag zij daarom weigeren te voldoen aan het verzoek van [verweerder]. Na in rov. 4.6.2 te hebben vooropgesteld (
  1. i)dat een betrokkene zijn bevoegdheid uit art. 35 Wbp kán misbruiken waardoor deze bevoegdheid (o.g.v. art. 3.15 BW jo. art. 3.13 BW) niet kan worden ingeroepen en (
  2. ii)dat de vraag of sprake is van misbruik van recht aan de hand van de (door Dexia te stellen) concrete omstandigheden moet worden beoordeeld, overweegt het hof in rov. 4.6.3 dat Dexia onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld om aan te nemen dat sprake is van misbruik van recht. Daarbij nam het hof in overweging: 'dat het doel van artikel 35 Wbp is om de betrokkene (in casu: [verweerder]) in de gelegenheid te stellen om na te gaan of en zo ja welke hem betreffende persoonsgegevens door de verantwoordelijke (in casu: Dexia) worden verwerkt, en of de weergave van zijn persoonsgegevens in de verwerking van Dexia juist is, voor het doel of de doeleinden van de verwerking volledig en ter zake dienend is en of Dexia zijn persoonsgegevens in overeenstemming met wettelijke voorschriften verwerkt. Dienaangaande heeft [verweerder] gemotiveerd gesteld dat hij wil nagaan of Dexia zijn persoonsgegevens correct heeft verwerkt, en hij heeft ter zake zelfs een procedure tegen Dexia aanhangig gemaakt met het risico van een proceskostenveroordeling. Het hof beschouwt het verzoek van [verweerder] dan ook als een serieus verzoek dat in overeenstemming is met het doel van artikel 35 Wbp. De enkele omstandigheid dat [verweerder] met de eenmaal verkregen gegevens vervolgens tevens een ander doel zou kunnen dienen, bijvoorbeeld door deze te gebruiken in een eventuele civiele procedure tegen Dexia, is daarbij naar 's hofs oordeel ontoereikend om misbruik van recht aan te nemen. Dit kan anders zijn indien dat andere doel onrechtmatig is, maar dat heeft Dexia niet gesteld. Dexia stelt wel dat zij processuele schade zal lijden indien zij het verzoek van [verweerder] zou inwilligen, maar, zoal sprake zou kunnen zijn van schade, is dat rechtmatige schade. Ook het enkele feit dat sprake is van een conflictsituatie tussen partijen staat er niet aan in de weg dat [verweerder] gebruik maakt van zijn rechten uit de Wbp, en levert op zichzelf genomen geen misbruik van recht op. Tenslotte is het hof van oordeel dat het verzoek van [verweerder] ex artikel 35 Wbp geen doorkruising oplevert van artikel 843a Rv. Beide procedures kunnen naast elkaar lopen in die zin dat (de mogelijkheid van) toepassing van de procedure van artikel 843a Rv niet aan toepassing van die van artikel 35 Wbp in de weg kan staan, noch de toepassing van laatstgenoemde procedure op enigerlei wijze kan belemmeren of inperken. Daarbij is niet van belang dat voor een verzoek ex artikel 35 Wbp niet dezelfde eisen gelden als voor een vordering ex artikel 843a Rv en dat Dexia niet op gelijke voet gegevens kan opvragen bij [verweerder], omdat dit nu eenmaal een gevolg is van de wettelijke regeling zoals neergelegd in de Wbp, en van de daaraan ten grondslag liggende Richtlijn 95/46/EG van 24 oktober 1995, waarbij alleen aan de betrokkene een onvoorwaardelijk recht op kennisneming van de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens is verleend.'
(84)5.
  1. Vervolgens gaat het hof in rov. 4.8.1 in op de grief van Dexia dat - kort gezegd - de rechtbank ten onrechte haar beroep op art. 43 sub e Wbp heeft verworpen. Dexia voert hiertoe aan dat zij zich geconfronteerd ziet met een groot aantal verzoeken ex art. 35 Wbp en dat de honorering van al die verzoeken hoge administratieve lasten meebrengt en de bedrijfsvoering van Dexia frustreert. Dexia zou naar aanleiding van een oproep van TROS Radar van 13 september 2004 al meer dan 3900 verzoeken ex art. 35 Wbp hebben ontvangen. Ook de vereniging Payback zou haar leden hebben opgeroepen om bij Dexia een verzoek ex art. 35 Wbp in te dienen. Volgens Dexia hebben die oproepen slechts tot doel haar te schaden. 5.
  2. Naar het oordeel van het hof (rov. 4.8.2) treffen deze stellingen geen doel, omdat de stellingen eraan voorbij zouden zien dat het verzoek van [verweerder] moet worden beoordeeld als een individueel verzoek. In het onderhavige geval kan Dexia [verweerder] in elk geval niet tegenwerpen dat zij naar aanleiding van de oproepen van TROS Radar en de vereniging Payback vele verzoeken heeft ontvangen, nu - aldus het hof - [verweerder] zijn verzoek ruimschoots vóór de oproep van TROS Radar heeft gedaan en als onbetwist vaststaat dat [verweerder] geen lid is van de vereniging Payback (zie rov. 4.8.2). Volgens het hof gaat het erom of door de inwilliging van het enkele verzoek van [verweerder] de administratieve lasten zodanig disproportioneel zijn dat Dexia in één van haar rechten en vrijheden wordt aangetast of dreigt te worden aangetast. Daarbij geldt dat Dexia per persoonsgegeven en per document aannemelijk zal moeten maken dat dit het geval is, omdat - aldus het hof - art. 43 Wbp slechts de mogelijkheid biedt om art. 35 Wbp buiten toepassing te laten voor zover dit noodzakelijk is in het belang van de in art. 43 Wbp genoemde gronden. Nu van een dergelijke situatie niet is gebleken, heeft het hof het beroep van Dexia op art. 43 sub e verworpen (zie rov. 4.8.3). 5.
  3. M.i. getuigen deze overwegingen wél van een juiste rechtsopvatting. Bovendien acht ik de redenering van het hof - leidend tot het oordeel dat Dexia's beroep op art. 43 sub e Wbp moet worden verworpen - begrijpelijk en voldoende gemotiveerd. Anders dan onderdeel 3 betoogt (ook in de subonderdelen 3.2.1-3.2.2) , dient een verzoek als dat van [verweerder] - zoals het hof heeft gedaan - individueel te worden beoordeeld ook al zijn er naast dit verzoek (later) nog vele andere verzoeken van dezelfde strekking bij Dexia ingediend. Dit vloeit m.i. reeds voort uit het feit dat 'een ieder over het recht moet kunnen beschikken toegang te verkrijgen tot de gegevens die het voorwerp van een verwerking vormen en hemzelf betreffen, zodat hij zich van de juistheid en de rechtmatigheid van de verwerking ervan kan vergewissen.'
(85)Een individuele benadering volgt m.i. ook uit de wetsgeschiedenis van art. 43 Wbp, nu daarin wordt opgemerkt dat de verantwoordelijke (in casu: Dexia) aannemelijk zal moeten maken dat door inwilliging van een 'verzoek' als bedoeld in art. 35 lid 1 Wbp de administratieve lasten zodanig disproportioneel zijn dat hij in een van zijn rechten en vrijheden wordt aangetast of dreigt te worden aangetast.
(86)Bij de beantwoording van de vraag of (i) een ve

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.