Nr. 00082/06 Mr. Knigge Zitting: 12 december 2006 Conclusie inzake: [Verdachte]
(1)Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat [betrokkene 2] als begeleider van de drie meisjes meeging en dat derhalve de € 500,- die [betrokkene 2] bij de grens moest kunnen laten zien, aangemerkt kan worden als geld waarmee het bewezenverklaarde feit werd begaan of voorbereid. Mede in aanmerking genomen dat het gevoerde verweer niet op [betrokkene 2] betrekking had, is dat oordeel mijns inziens ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk.
- Moeilijker ligt het met betrekking tot de vier passagiers waarop het verweer zich wél richtte. Hoewel de argumentatie weinig adequaat was (niet van belang is of ten aanzien van die andere meisjes ook sprake was van mensensmokkel), had het Hof in het aangevoerde toch aanleiding moeten vinden om zijn gedachtegang te verduidelijken. Met enige aarzeling meen ik evenwel dat dit niet tot cassatie behoeft te leiden, nu de door het Hof vastgestelde feiten voldoende aanknopingspunten bieden voor een reconstructie van 's Hofs gedachtegang. Kennelijk heeft het Hof geoordeeld dat voor het passeren van de grens met de wagen zoals die door de verdachte was vol geladen, een bedrag van € 4000,- nodig was. Zonder dat bedrag was de verdachte niet op pad gegaan, zodat dat hele bedrag nodig was om de drie meisjes behulpzaam te kunnen zijn. Dat een lager bedrag had volstaan als er minder passagiers waren geweest, doet geloof ik niet ter zake. Het gaat tenslotte niet om het feit zoals dat had kunnen worden gepleegd, maar om het feit zoals dat daadwerkelijk is gepleegd. Daarvan uitgaande getuigt 's Hofs kennelijke oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting. Onbegrijpelijk is het evenmin.
- De tweede klacht van het middel faalt eveneens.
- De eerste klacht van het middel kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.
- Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG 1 Verdachte verklaart dat hij negen mensen in de auto had (bewijsmiddel 2). Ik neem aan dat hij zichzelf meerekende, zodat inderdaad, zoals de raadsvrouw aanvoerde, sprake was van acht passagiers. Dat zijn dan de drie meisjes waarop de bewezenverklaring betrekking had, de vier passagiers die eerder uitstapten en [betrokkene 2].