Nr. 00444/06 P Mr. Knigge Zitting: 12 december 2006 Conclusie inzake: [veroordeelde=betrokkene] 1. Aan veroordeelde is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage bij beslissing van 7 september 2005 de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 22.500.000,-. Zulks na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad bij arrest van 28 mei 2002,
(4)Dit arrest houdt onder meer het volgende in: "4.3.1. Bij de beoordeling van de middelen stelt de Hoge Raad het volgende voorop. Ingevolge het bepaalde in art. 511g, tweede lid, (oud) Sv waren (en zijn ingevolge art. 511g, tweede lid, (nieuw) Sv) op de behandeling van een vordering als de onderhavige in hoger beroep de bepalingen van Titel II van het derde Boek van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing. Ingevolge art. 415 Sv zijn - voorzover te dezen van belang - de bepalingen zoals deze gelden voor de behandeling door de rechtbank ter terechtzitting met betrekking tot het recht getuigen en deskundigen te doen dagvaarden of oproepen en ter terechtzitting te doen horen, van overeenkomstige toepassing verklaard. 4.3.2. Maatstaf voor de beoordeling van het verzoek van de raadsman is ingevolge het hier toepasselijke art. 280 (oud) Sv of door het achterwege blijven van de dagvaarding of oproeping van de getuige de betrokkene redelijkerwijs in zijn verdediging kan worden geschaad. 4.4.1. De hantering van die maatstaf in een ontnemingsprocedure kan niet los worden gezien van het specifieke karakter van een zodanige procedure. De vordering zal doorgaans, meer in het bijzonder voor wat de berekening van het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel betreft, mede zijn gebaseerd op financiële rapportage, terwijl in de procedure, meer dan in de hoofdzaak, de nadruk zal kunnen liggen op wisseling van schriftelijke stukken door de procespartijen. In de art. 511d, eerste lid, tweede volzin en 511g, tweede lid onder b, Sv is dan ook voorzien in een schriftelijke voorbereiding voorafgaande aan de behandeling van de vordering ter terechtzitting. Voorts is op de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel het in de hoofdprocedure geldende bewijsrecht niet van toepassing. Die schatting dient weliswaar te worden ontleend aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen, maar voor de vaststelling van het uiteindelijke bedrag geldt het aannemelijkheidsvereiste. 4.4.2. De Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel dat tot de regeling van de huidige ontnemingsprocedure heeft geleid houdt dienaangaande - in het verband met het huidige art. 36e, derde lid, Sv - het volgende in: "De wijze waarop de rechter tot het oordeel kan komen dat aannemelijk is dat de veroordeelde op enigerlei wijze wederrechtelijk voordeel heeft verkregen in de zin van het derde lid van art. 36e Sr, wordt, behoudens het bovenstaande, evenmin aan voorschriften van het Wetboek van Strafvordering onderworpen. Hij kan daarbij, zoals in civiele procedures, zich op bepaalde vermoedens verlaten. Het bewijscriterium is hier de aannemelijkheid. Op het openbaar ministerie zal in eerste aanleg de last rusten de argumenten aan te dragen waarop een dergelijke aannemelijkheid kan worden gestoeld. Of het daarin slaagt is aan het oordeel van de rechter. Deze kan daarbij voor een afweging komen te staan die, op vergelijkbare wijze als in het civiele recht, kan nopen tot een verdere bewijslastverdeling op basis van redelijkheid en billijkheid. Als het openbaar ministerie er in slaagt op bepaalde punten de schijn tegen de veroordeelde te wekken, dan kan de rechter hem de bewijslast tot disculpatie op die punten opleggen. Zo zou de rechter de aannemelijkheid dat op enigerlei wijze wederrechtelijk voordeel is verkregen kunnen gronden op de door het openbaar ministerie bewezen stelling, dat de veroordeelde over aanzienlijke vermogensbestanddelen beschikt die in redelijkheid niet geacht kunnen worden uit legale inkomsten van de veroordeelde verworven te zijn, terwijl deze niet aannemelijk kan maken dat hij zich legitiem heeft verrijkt." (Kamerstukken II 1989-1990, 21 504, nr. 3, blz. 14-15) 4.4.3. Tijdens de parlementaire behandeling van genoemd wetsvoorstel heeft de Minister van Justitie in dit verband nog het volgende opgemerkt: "De veroordeelde hoeft niet te bewijzen dat hij het vermogen illegaal (de Hoge Raad leest: legaal) heeft verkregen. De rechter komt pas aan een bijdrage aan de opheldering van de herkomst van vermogen van betrokkene zelf toe nadat het OM eerst van zijn kant de gronden heeft gepresenteerd waarop het de wederrechtelijkheid aannemelijk acht. Als de rechter dat wel plausibel, maar niet waterdicht acht, kan de veroordeelde worden uitgenodigd, gegevens aan te dragen die het gestelde ontkrachten. Het is duidelijk dat de bewijslast dan anders verdeeld kan worden dan in geval van het ten laste leggen van een feit met het oog op een strafrechtelijke veroordeling." (Handelingen II 1989/1990, 86-5201) 4.5. Gelet op het karakter van een procedure als de onderhavige en op hetgeen de wetgever ten aanzien van de positie van de procespartijen en de "bewijslastverdeling" voor ogen heeft gestaan, moet worden geoordeeld dat de rechter die in een ontnemingsprocedure voor de vraag wordt gesteld of door het niet horen van een door de verdediging verzochte getuige de betrokkene redelijkerwijs in zijn verdediging kan worden geschaad mede in zijn oordeel kan betrekken of het desbetreffende verzoek van de verdediging, in het licht van de door het openbaar ministerie aan zijn vordering ten grondslag gelegde financiële gegevens, voldoende is onderbouwd. De aan een dergelijke onderbouwing te stellen eisen zullen daarbij door de rechter afhankelijk mogen worden gesteld van de mate waarin hij het standpunt van het openbaar ministerie, gelet op de door deze gepresenteerde gegevens en berekeningen, voorshands aannemelijk acht." 7. Voor de beoordeling van de afwijzing van een getuigenverzoek in een ontnemingszaak is dus van belang wat het openbaar ministerie aan zijn ontnemingsvordering ten grondslag heeft gelegd, alsmede hetgeen de verdediging daar ter motivering van haar getuigenverzoek tegenover heeft gesteld. Dat betekent dat het middel - dat niet specifiek is gericht tegen één bepaalde afwijzing van de bij herhaling gedane en afgewezen getuigenverzoeken - zich niet laat beoordelen zonder goed overzicht van de gang van zaken met betrekking tot de desbetreffende verzoeken. Deze gang van zaken zal daarom hieronder worden uiteengezet. Hoewel dit veel ruimte in beslag neemt, is daarbij is gekozen voor een integrale weergave van de relevante delen van de schriftelijke weerslag van de procesgang, omdat daarmee het voorbedoelde overzicht naar mijn idee het best kan worden verkregen en de korte samenvatting die ik geef aan het slot van de weergave van de procesgang op die manier controleerbaar wordt. 8. Per fax en bij brief van 5 februari 2003 heeft de raadsman van veroordeelde de Advocaat-Generaal bij het Hof onder meer het volgende verzocht: "A. Ten aanzien van de getuigen. De wijze waarop volgens het Openbaar Ministerie het vermeende wederrechtelijke verkregen voordeel dient te worden geschat luidt als volgt. Het AFO-rapport bevat een tweetal berekeningen: I Het voordeel dat cliënt behaald zou hebben met de bewezenverklaarde hashtransporten; II De vergelijking van het vermogen van cliënt op 1 maart 1989 en zijn vermogen op 29 juni 1992. Ten aanzien van de vorenmelde berekening onder punt II, te weten de zogenaamde methode van vermogensvergelijking, heeft de verdediging, naar aanleiding van de overwegingen van het Hof te Amsterdam, geen getuigen laten oproepen. Dienaangaande het navolgende. Tijdens de terechtzitting van het Hof te Amsterdam (zie proces-verbaal terechtzitting d.d. 18 april 2001) is onder meer het navolgende bepaald: "Mr. Doedens verzoekt het hof zich uit te laten over de vraag of aan vermogensvergelijking, zoals neergelegd in het rapport van KPMG van 4 december 1995, bij de beoordeling van de zaak aandacht zal worden besteed. De voorzitter deelt daarop mede dat naar het voorlopig oordeel van het hof dit rapport niet geschikt lijkt om een rol te kunnen vervullen in een procedure, reeds omdat het geen inzicht verschaft in de herkomst van de daarin genoemde winsten en verliezen. De advocaat-generaal merkt opdat hij dienaangaande een ander standpunt huldigt. De voorzitter verklaart hierop dat de advocaat-generaal het hof dan van zijn standpunt zal dienen te overtuigen en dat, indien de advocaat-generaal daarin slaagt, de verdediging voldoende in de gelegenheid zal worden gesteld om zich met betrekking tot dit rapport uit te laten; het is dus geenszins de bedoeling dat het hof de verdediging met het rapport "overvalt". Onder meer naar aanleiding van het vorenoverwogene heeft de verdediging ten aanzien van de gehanteerde methode van vermogensvergelijking dan ook geen getuigen laten oproepen. Blijkens het arrest d.d. 17 juli 2001 heeft het Hof Amsterdam de methode van vermogensvergelijking terzijde geschoven. Gelet op het op feit dat voormelde uitspraak bij arrest d.d. 28 mei 2002 door de Hoge Raad is vernietigd, is het thans in het belang van de verdediging ten behoeve van de vermogensvergelijking alsnog getuigen te doen horen. A.I. Getuigen met betrekking tot de vermogensvergelijking. 1. [getuige 2], woonplaats thans onbekend: 2. [getuige 3], wonende aan de [b-straat 1] te [plaats A]; 3. [getuige 4], wonende aan de [c-straat 1] te [plaats B]; 4. [getuige 1], wonende aan de [f-straat 1] te [plaats A]. Toelichting ad 1 t/m 4: De vermogensvergelijking in het AFO-rapport neemt als startpunt de legale vermogenspositie van cliënt per 1 maart 1989, zijnde de datum waarop de "140-periode" aanvangt en wordt gesteld op nihil. Dit kan doordat in 1985 het faillissement van cliënt is aangevraagd en uitgesproken. Dit faillissement is per 22 maart 1988 beëindigd wegens gebrek aan baten. lnkomsten van cliënt van 22 maart 1988 tot 1 maart 1989 zijn uit onderzoek niet gebleken, aldus de rapporteurs. Cliënt betwist met klem dat zijn vermogen op 1 maart 1989 nihil was. Getuigen kunnen geconcretiseerd en gemotiveerd vorenvermeld standpunt onderbouwen, althans aannemelijk maken. Zulks klemt te meer daar deze getuigen in de (eind) tachtiger jaren tezamen met cliënt lucratieve handel hebben gedreven. 5. [getuige 6], wonende aan de [d-straat 1] te [plaats A]; (...) 11. [getuige 7], wonende aan de [e-straat 1] te [plaats C]. Toelichting ad 5 t/m 11: Getuigen kunnen onder meer geconcretiseerd aangeven, althans aannemelijk maken dat cliënt op 1 maart 1989, althans (eind) jaren tachtig beschikte over een (aanzienlijk) vermogen, in de orde van tientallen miljoenen guldens." 9. Bij brief van 6 februari 2003 heeft de Advocaat-Gereraal bij het Hof de raadsman als volgt geantwoord: "Ten aanzien van uw verzoek om getuigen op te roepen voor de aanstaande zitting deel ik u het navolgende mede. Het is juist dat het rapport van de Afdeling Financiële Ondersteuning (AFO) van de politie Amsterdam-Amstelland een tweetal berekeningen bevat te weten 1. een berekening van het wederrechterlijk verkregen vermogen verkregen uit de bewezenverklaarde hasjtransporten; 2. een berekening op basis van een vermogensvergelijking. In uw brief stelt u dat het gerechtshof Amsterdam zich voor de uiteindelijke uitspraak heeft uitgelaten omtrent de positie van de vermogensvergelijking, waardoor u pas thans wilt overgaan tot het doen horen van getuigen betreffende deze vermogensvergelijking. Hierbij merk ik op dat van meet af aan het openbaar ministerie een ander standpunt heeft ingenomen voor wat betreft deze vermogensvergelijking. Daarnaast stel ik vast dat de verdediging ruim in de gelegenheid is geweest om verzoeken in te dienen om getuigen te doen horen. Dit heeft dan ook geresulteerd in verschillende verhoren zowel tijdens de zittingen als bij de rechter-commissaris. Voor wat betreft het verhoor van bijvoorbeeld [A] en [B] beiden werkzaam bij KPMG afdeling Forensic Accounting is de verdediging in de gelegenheid gesteld om vragen te stellen ter gelegenheid van de zitting bij de rechtbank Amsterdam op 13 januari 2000. Ik stel vast dat uit deze verklaringen blijkt dat er slechts en alleen vragen zijn gesteld betreffende de onderhavige vermogensvergelijking. Ditzelfde geldt voor de getuige [C], werkzaam bij de politie Amsterdam-Amstelland. Dit voorgaande heeft mij ertoe geleid dat ik van mening ben dat de verdediging - anders dan u in uw brief stelt - wel degelijk in de gelegenheid gesteld is om getuigen te horen omtrent de vermogensvergelijking. Blijkens de processen-verbaal van de terechtzitting heeft ook uw cliënt zich ruim uitgelaten omtrent de in de vermogensvergelijking opgesomde onderdelen. Voorafgaande aan de bespreking van de door u opgegeven getuigen plaats ik allereerst uw verzoek binnen de kaders uitgesproken door Hoge Raad. Verzoeken aangaande het horen van getuigen door een rechtscollege is recentelijk namelijk aan de orde geweest in een arrest van de Hoge Raad d.d. 25 juni 2002 (zaaknr. 01871/00 P). (hier volgt in de brief van de Advocaat-Generaal bij het Hof een weergave van de inhoud van bedoeld arrest, gepubliceerd als NJ 2003, 97, m.nt. PMe, dat hiervoor onder 2 ook is aangehaald: GK) Ik ben van mening dat tegen de achtergrond van een procedure als onderhavige en in het licht van de ontnemingsvordering en derhalve in het kader van de binnen het strafrechtelijk financieel onderzoek vervaardigde financiële rapportage, in deze zaak van de verdediging mag worden verwacht dat zij concreet en gemotiveerd dient aan te voeren waarom de onderhavige feiten - financieel - beperkter van omvang zijn geweest dan uit de stukken die het Openbaar Ministerie heeft aangedragen blijkt. Voorts dient de verdediging gemotiveerd aan te geven waarom de aannames en berekeningsmethodes die door het Openbaar Ministerie zijn gehanteerd naar hun oordeel onjuist zijn, onder opgave van de wijze waarop telkens door getuigen en of deskundigen bewijs van haar stellingen denkt te kunnen leveren. Voor wat betreft de stelling van de verdediging dat het startvermogen aanzienlijk omvangrijker is geweest dan in de rapportage staat vermeld (nihil), dient [betrokkene] zelf in het kader van de hiervoor geschetste bewijslastverdeling eerst met schriftelijke bescheiden en dus door middel van een gedegen onderbouwing (...) aan [te] geven alwaar deze gelden op dat moment althans in die periode waren. Op dit moment zonder deze onderbouwing bestaat er geen ruimte om over te gaan tot het doen oproepen van getuigen althans zijn er door de afwezigheid van een begin van aannemelijkheid voor de stelling dat het openbaar ministerie door middel van de meergenoemde ontnemingsrapportage uit is gegaan van een onjuiste veronderstelling geen termen hiervoor aanwezig. Voorts dient opgemerkt te worden dat ik van mening ben dat het openbaar ministerie geen medewerking behoeft te verlenen aan verzoeken van de verdediging aangaande het aannemelijk maken van vermeende door de veroordeelde zelf op frauduleuze wijze (faillissementsfraude) verkregen gelden. Het is in de visie van de verdediging, de veroordeelde zelf die gekozen heeft om in die tijd grote geldbedragen weg te houden voor derden. Wanneer hij thans op een laatste moment in deze procedure en een zodanig tijdstip waarop dit voor hemzelf het beste uitkomt (zoals de verjaring misdrijven van de toenmalige medeplegers) het openbaar ministerie verzoekt de medewerking te verlenen om dit soort gelden alsnog zichtbaar te maken, zal ik hieraan slechts dan medewerking verlenen indien het gerechtshof mij hiervoor uitdrukkelijk uitnodigt. Gezien vorengaande zal ik de personen genoemd onder 1 tot en met 17 niet oproepen om als getuigen te verschijnen op de zitting van 12 februari aanstaande. Naast mijn hiervoor beschreven standpunten wil ik voor wat betreft de volgende verzochte personen nog een aantal opmerkingen maken. 1. [getuige 2]; 2. [getuige 3]; 3. [getuige 4]; Deze getuigen zijn door het gerechtshof Amsterdam gehoord. Uit het proces-verbaal van de zitting van 15 december 2000 wordt aangegeven dat deze getuigen vragen kunnen worden gesteld omtrent het aantal transporten, het daarmee gemoeide geld en de verdeling daarvan. Ik ben derhalve van mening dat de verdediging in de gelegenheid is gesteld om aan deze getuigen dezelfde vragen te stellen als die welke thans worden verzocht. Het oproepen van deze personen als getuigen is ook daarom niet opportuun. 4. [getuige 1]; Deze getuige wordt door de verdediging opgevoerd omdat door hem geconcretiseerd en gemotiveerd zou kunnen worden aangegeven dat het vermogen van [betrokkene] op 1 maart 1989 niet nihil is geweest. De reden, aldus de verdediging, dat deze getuige hierover kan verklaren is gelegen in de omstandigheid dat hij tezamen met [betrokkene] een lucratieve handel heeft gedreven. Door het niet nader uitwerken over welke handel hier gesproken wordt alsmede vanwege welke omstandigheden het zijn dat deze getuige hierover iets zou kunnen bijdragen terwijl aan de andere kant wel door de verdediging gesteld wordt dat deze getuige geconcretiseerd - kennelijk met feiten en omstandigheden - iets kan verklaren, ben ik van oordeel dat deze persoon naast de hiervoor genoemde omstandigheden, niet als getuige dient te worden opgeroepen. 5. [getuige 6]; (...) 11. [getuige 7]; De getuige genoemd onder 5. reeds is gehoord ter gelegenheid van de zitting bij het gerechtshof Amsterdam d.d. 18 april 2001. Uit dit proces-verbaal stel ik vast dat deze getuige is gehoord door de verdediging en antwoord heeft gegeven omtrent een periode voorafgaande aan 1 maart 1989. Onder deze omstandigheden ben ik van mening dat de verdediging in de gelegenheid is gesteld deze getuige te horen. De door de verdediging in algemene termen onderbouwde argumentatie gericht op het startvermogen van [betrokkene] zijn voor mij - zoals aangegeven - geen redenen om deze personen op te roepen als getuigen." 10. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 12 februari 2003 houdt, voor zover voor de beoordeling van belang, het volgende in: "De raadsman van de veroordeelde voert het woord (...) Het Hof Amsterdam heeft in hoger beroep gezegd dat indien het hof uit zou gaan van vermogensvergelijking de verdediging nog in de gelegenheid zou worden gesteld om getuigen op te geven. Het hof is echter niet uitgegaan van vermogensvergelijking en derhalve zijn er geen getuigen door de verdediging opgegeven en gehoord. Het standpunt van de veroordeelde is dat hij weliswaar failliet is verklaard, maar dat hij nadien bij het startpunt van de vermogensvergelijking nog wel vermogen bezat. De verdediging wenst getuigen te horen om dat aannemelijk te maken. Er is geen boekhouding bijgehouden van de activiteiten inzake drugstransporten. Van belang is ook te weten welke kant het hof uitgaat voor wat betreft de methode van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De raadsman herhaalt vervolgens zijn door de advocaat-generaal afgewezen verzoek tot het horen van 21 getuigen en licht dat toe aan de hand van zijn brief d.d. 5 februari 2003. De advocaat-generaal(...) De verdediging moet met schriftelijke bescheiden aannemelijk maken dat er sprake is geweest van een beginvermogen. Bijvoorbeeld door middel van bonnen of waardestukken van aankopen. De verdediging heeft dat tot heden niet aannemelijk gemaakt. Met betrekking tot de gevraagde getuigen verwijst de advocaat-generaal naar zijn brief d.d. 6 februari 2003. De veroordeelde verklaart dat hij in 1989 ongeveer 35 tot 40 miljoen gulden had. Er is echter geen boekhouding, omdat een computerprogramma is zoekgeraakt. Bij de NMB in de Amstelstraat is in die periode voor grote bedragen gewisseld, dat moet na te gaan zijn. Later op het Bijlmerplein is ook gewisseld. Verder heeft [getuige 5] een gevangenisstraf van drie jaar nooit uitgezeten. De raadsman merkt nogmaals op dat er geen objectieve stukken zijn. (...) De veroordeelde heeft in 1989 een huis gekocht voor 2 miljoen gulden. (...) Na beraadslaging en hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter mede, dat het hof voorshands van oordeel is dat moet worden uitgegaan van berekening van het verkregen voordeel door middel van vermogensvergelijking. (...) Het hof zal de zaak verwijzen naar de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank te Amsterdam, teneinde als getuigen [D], [E] en [F] te horen (nrs. 15, 16 en 17 in de brief van mr. Doedens van 5 februari 2003). Ten aanzien van de overige 18 getuigen wijst het hof het verzoek van de raadsman af. Het hof acht voorshands, gelet op hetgeen door de raadsman en de advocaat-generaal terzake schriftelijk en mondeling is aangevoerd, door het niet horen van deze getuigen geen verdedigingsbelang geschaad." 11. De pleitnotities die volgens het daarvan opgemaakte proces-verbaal van de terechtzitting van 3 maart 2004 aldaar zijn voorgedragen houden, voor zover voor de beoordeling van belang, het volgende in: "Indien Uw Hof desondanks besluit tot het hanteren van de methode van vermogensvergelijking dan persisteert de verdediging bij haar, bij schrijven d.d. 5 februari 2003 en ter zitting d.d. 12 februari 2003, gedane verzoeken. Met name zou de verdediging de navolgende getuigen willen horen. 1. [getuige 2], woonplaats thans onbekend; 2. [getuige 3], wonende aan de [b-straat 1] te [plaats A]; 3. [getuige 4], wonende aan de [c-straat 1] te [plaats B]; 4. [getuige 1], wonende aan de [f-straat 1] te [plaats A]. Toelichting ad 1 t/m 4: De vermogensvergelijking in het AFO-rapport neemt als startpunt de legale vermogenspositie van cliënt per 1 maart 1989, zijnde de datum waarop de "140-periode" aanvangt en wordt gesteld op nihil. Dit kan doordat in 1985 het faillissement van cliënt is aangevraagd en uitgesproken. Dit faillissement is per 22 maart 1988 beëindigd wegens gebrek aan baten. Inkomsten van cliënt van 22 maart 1988 tot 1 maart 1989 zijn uit onderzoek niet gebleken, aldus de rapporteurs. Cliënt betwist met klem dat zijn vermogen op 1 maart 1989 nihil was. Getuigen kunnen geconcretiseerd en gemotiveerd vorenvermeld standpunt onderbouwen, althans aannemelijk maken. Zulks klemt te meer daar deze getuigen in de (eind) tachtiger jaren tezamen met cliënt lucratieve handel hebben gedreven. 5. [getuige 6], wonende aan de [d-straat 1] te [plaats A]; (...) 11. [getuige 7], wonende aan de [e-straat 1] te [plaats C]. Toelichting ad 5 t/m 11: Getuigen kunnen onder meer geconcretiseerd aangeven, althans aannemelijk maken dat cliënt op 1 maart 1989, althans (eind) jaren tachtig beschikte over een (aanzienlijk) vermogen, in de orde van tientallen miljoenen guldens." Het op die zitting gehouden requisitoir behelst, voor zover voor de beoordeling van belang, het volgende als beschrijving van de procesgang bij het Hof Amsterdam: "Op de - bepaald aangehouden - zitting van 9 februari 2001 is de getuige [getuige 2] door het gerechtshof gehoord. De - eveneens door de verdediging opgegeven - getuige [getuige 4] is door het gerechtshof gehoord tijdens de zitting van 10 april 2001. Op deze zitting alsmede op een latere zitting van 3 juli 2001 is - met goedvinden van de verdediging en het openbaar ministerie - bepaald dat nu van de getuige [getuige 5] geen adres bekend is, het nogmaals oproepen van hem niet zinvol zou zijn. De getuigen [getuige 6] en [getuige 3] zijn door het gerechtshof gehoord op de eerstvolgende zitting van 18 april 2001. De verdediging en het openbaar ministerie zijn in de gelegenheid gesteld om aan alle hiervoor genoemde en verschenen getuigen ter zitting vragen te stellen." Voorts houdt het proces-verbaal van de terechtzitting van 3 maart 2004 het volgende in als verklaring van veroordeelde: "De veroordeelde verklaart dat hij met het autoracen ongeveer f 500.000,-- aan prijzengeld heeft gewonnen en dat een Japanse sponsor voor ongeveer 30% aan de in de racerij gestoken gelden heeft bijgedragen. Verder was er nog f 10.000.000,-- weggelegd. Hij had dus wel beginvermogen." 12. Het tussenarrest van 26 mei 2004 houdt, voor zover voor de beoordeling van belang, het volgende in: "Na de sluiting van het onderzoek is onder de beraadslaging gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest aangezien het hof het gewenst acht om op verzoek van de verdediging [getuige 1] als getuige te horen. Daarom zal het onderzoek worden heropend en geschorst. Voorts overweegt het hof het volgende omtrent de door de verdediging gedane verzoeken. Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 3 maart 2004 heeft de raadsman van de veroordeelde aangegeven dat, indien het hof besluit tot het hanteren van de methode van vermogensvergelijking, de verdediging persisteert bij de eerder gedane verzoeken om te horen als getuigen: [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4], [getuige 1], [getuige 6], [G], [H], de echtgenote van wijlen [I], [J], [betrokkene], [getuige 7] en [K]. Zoals uit het bovenstaande blijkt, wordt het verzoek tot het horen van [getuige 1] toegewezen. Daarentegen wordt het verzoek tot het horen van [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4] en [getuige 6] afgewezen reeds omdat zij, zoals ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 3 maart 2004 aan de orde is gesteld, in een eerder stadium van de procedure in de onderhavige zaak zijn gehoord, en wel vóór 18 april 2001, het tijdstip waarop de voorzitter van het Gerechtshof te Amsterdam op de terechtzitting heeft meegedeeld dat voor het hof de vermogensvergelijking niet geschikt lijkt om een rol te kunnen vervullen in deze procedure. Het hof merkt daarbij op dat de voorzitter van het Gerechtshof te Amsterdam voorafgaand aan het verhoor van deze getuigen, en wel ter terechtzitting op 15 december 2000, heeft verklaard dat het hof zich nog niet zou uitlaten over de vraag langs welke lijn(
- en)het onderzoek in de zaak zich zou bewegen en welke methode(
- n)ter vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel zou(den) worden toegepast, dat het de verdediging vrijstond om nadere uiteenzettingen te geven over de vermogenspositie van de veroordeelde aan het begin van de onderhavige periode, omdat zich te dien aanzien situaties konden voordoen van enig bewijsrisico aan de zijde van de verdediging, en dat de verdediging er daarom op werd gewezen dat zij te dier zake niet slechts een afwachtende houding kon aannemen. Naar het oordeel van het hof was er derhalve voor de verdediging geen enkele reden om deze getuigen niet reeds toen te ondervragen over het beginvermogen van veroordeelde. Het verzoek tot het horen van [G], [H], de echtgenote van wijlen [I], [J], [betrokkene], [getuige 7] en [K] wordt eveneens afgewezen. Ter onderbouwing van het verzoek tot het horen van deze getuigen is zijdens veroordeelde niet meer aangevoerd dan (in algemene zin) dat de getuigen geconcretiseerd en gemotiveerd het standpunt van veroordeelde kunnen onderbouwen, althans aannemelijk maken, dat het vermogen van veroordeelde op 1 maart 1989 aanzienlijk was, in de orde van tientallen miljoenen guldens. Het hof is van oordeel dat, nu zijdens veroordeelde met betrekking tot alle genoemde getuigen (met uitzondering van [getuige 1]) op geen enkele wijze is geconcretiseerd op welke grond en op welke wijze zij over de vermogenspositie van veroordeelde zouden kunnen verklaren, het verzoek onvoldoende is onderbouwd. Ook in de overzichtsverklaring [betrokkene] van 9 april 2001, die zich bij de stukken bevindt, heeft het hof geen verdere onderbouwing van het verzoek kunnen vinden. In het licht van het bovenstaande is het hof van oordeel dat veroordeelde door het niet horen van deze getuigen redelijkerwijs niet in zijn verdedigingsbelang wordt geschaad." 13. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 15 september 2004 houdt, voor zover voor de beoordeling van belang, het volgende in: "Verder verzoekt de raadsman om de navolgende getuigen alsnog te horen: de ex-vrouw van de veroordeelde [getuige 7] en de ex-schoonmoeder van de veroordeelde [L] in verband met het door de veroordeelde aan hen in bewaring geven van twee koffertjes met f. 10.000.000,-- en [J] en [getuige 2] in verband met de aankoop van f. 800.000,-- aan pandbrieven bij de ABN-AMRO te Amsterdam door de veroordeelde. De advocaat-generaal acht de noodzaak niet aanwezig tot het alsnog horen van de door de raadsman verzochte getuigen en zij concludeert tot afwijzing van het verzoek. (...) Het hof onderbreekt hierop het onderzoek voor beraadslaging. Na beraadslaging en hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter mede, dat het hof, gehoord de veroordeelde, diens raadsman en de advocaat-generaal, het onderzoek onderbreekt tot de terechtzitting van 29 september 2004 te 13.15 uur en alsdan een beslissing zal geven op het verzoek van de verdediging tot het horen van de vier getuigen" 14. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 29 september 2004 houdt, voor zover voor de beoordeling van belang, het volgende in: "De voorzitter deelt mede als beslissing van het hof op het door de raadsman van de veroordeelde ter terechtzitting d.d. 15 september gedane verzoek tot het horen van [getuige 7], [L], [J] en [getuige 2] als getuigen, dat het hof het verzoek afwijst. Ten aanzien van de vier verzochte getuigen geldt dat onvoldoende is geconcretiseerd op welke grond en op welke wijze zij over de vermogenspositie van veroordeelde zouden kunnen verklaren. Het verzoek is derhalve onvoldoende onderbouwd. Hetgeen overigens door de verdediging is gesteld over het in bewaring geven van miljoenen guldens bij de ex-schoonouders en ex-vrouw van de veroordeelde, waarover volgens de verdediging [getuige 7] en [L] zouden kunnen verklaren, levert geen voldoende onderbouwing van het verzoek op. Er is namelijk niet geconcretiseerd aangegeven hetgeen de getuigen zouden kunnen verklaren over de herkomst en het eigendom van het in bewaring gegeven geld. Ten aanzien van [getuige 2] geldt bovendien dat deze, zoals in het tussenarrest van dit hof d.d. 26 mei 2004 aan de orde is gekomen, in een eerder stadium van de procedure in de onderhavige zaak is gehoord en de verdediging toen reeds in de gelegenheid was om deze getuige te ondervragen over het beginvermogen van veroordeelde. In het licht van het bovenstaande acht het hof het horen van de voornoemde getuigen niet noodzakelijk." 15. Bij fax van 27 mei 2005 heeft de raadsman de Advocaat-Generaal wederom verzocht een aantal getuigen op te roepen. De desbetreffende fax houdt, voor zover voor de beoordeling van belang, het volgende in: "Gezien de verklaring van [getuige 1], zoals afgelegd op 20 januari 2005 ten overstaan van de Rechter-Commissaris en in aanmerking nemende dat het Hof vooralsnog niet voornemens is de methode van vermogensvergelijking buiten beschouwing te laten, zou de verdediging de navolgende getuigen willen horen. Gaarne moge ik u dan ook verzoeken de na vermelde personen op te roepen voor de zitting van 8 juni a.s. te 13.30 uur. 1. [getuige 2], wonende aan de [a-straat 1] te [plaats A]; 2. [getuige 3], wonende aan de [b-straat 1] te [plaats A]: 3. [getuige 4], wonende aan de [c-straat 1] te [plaats B]; 4. [getuige 5], adres volgt op korte termijn; 5. [getuige 6], wonende aan de [d-straat 1] te [plaats A]; 6. [getuige 7], wonende aan de [e-straat 1] te [plaats C]. Toelichting ad 1 t/m 6 De vermogensvergelijking in het AFO-rapport neemt als startpunt de legale vermogenspositie van cIiënt per 1 maart 1989, zijnde de datum waarop de "140-periode" aanvangt en wordt gesteld op nihil. Dit omdat in 1985 het faillissement van cliënt is aangevraagd en uitgesproken. Het faillissement is per 22 maart 1988 beëindigd wegens gebrek aan baten. Inkomsten van cliënt van 22 maart 1988 tot 1 maart 1989 zijn, volgens de rapporteurs, niet gebleken. Cliënt betwist met klem dat zijn vermogen op 1 maart 1989 nihil was. Getuigen kunnen, gezien hun prominente rol binnen de organisatie van cliënt, geconcretiseerd en gemotiveerd vorenvermeld standpunt van cliënt onderbouwen, althans aannemelijk maken. Dat de getuigen een prominente rol binnen de organisatie van cliënt vervulden blijkt overduidelijk uit de voornoemde verklaring van [getuige 1]. Zo stelt [getuige 1] in zijn verklaring onder andere, dat de transporten voor cliënt eerst georganiseerd werden door getuige 1 en later door getuige 5. Een positie die door [getuige 1] wordt getypeerd als 'de rechterhand' van cliënt. Voorts dat de getuigen 3 en 5 voor maart 1989 betrokken waren bij het tellen van grote hoeveelbeden geld. Dat getuige 1, gezien de overgelegde administratie, veelvuldig geld heeft gewisseld. En tot slot dat de getuigen 2, 3 en 4 betrokken waren bij het uitvoeren van de transporten. Het is niet alleen van belang vast te stellen of cliënt voor maart 1989 vermogen had, maar ook hoe groot dat vermogen was. [Getuige 1] heeft concreet verklaard over hoe lucratief de hashhandel van cliënt voor 1989 was en over het vermogen dat daarmee door cliënt voor 1989 was vergaard. Gaarne zou ik voornoemde getuigen met de verklaringen van [getuige 1] willen confronteren en hen vragen of hetgeen hij stelt ten aanzien van het vermogen van cliënt voor maart 1989, alsmede de financiële afspraken rond de transporten zoals uitgevoerd voor maart 1989, correct is. Gezien de, nogmaals, prominente rol van de getuigen binnen de organisatie van cliënt moeten de getuigen in staat worden geacht op deze vragen antwoord te geven. Voorts zou ik de getuigen willen confronteren met de verklaring van [getuige 1] dat door cliënt in de periode januari tot en met juni 1989 geen transporten werden uitgevoerd. Getuige 4 is niet gehoord ten overstaan van het Hof te Amsterdam, ondanks het feit dat hij daartoe een aantal malen is opgeroepen. De verdediging is van mening dat de redenen die ten grondslag lagen aan het oproepen ter zitting door het Hof te Amsterdam nog onverkort gelden. Meer concreet kan de getuige verklaren over de verdiensten van cliënt voor maart 1989, alsmede over het aantal voor cliënt uitgevoerde hashtransporten na maart 1989. Een verhoor voor het Hof te Amsterdam heeft niet plaatsgevonden omdat de laatstgenoemde getuige niet kwam opdagen. Inmiddels heb ik van cliënt vernomen dat de getuige zich niet meer aan zijn plicht tot het afleggen van een verklaring zal onttrekken. [Getuige 1] heeft op 20 januari 2005 ten overstaan van de Rechter-Commissaris ook verklaard dat hij gehoord heeft dat cliënt af en toe geld wegzette. Onder andere bij getuige 6. [Getuige 1] denkt dat onder andere getuigen 1 en 5 daar meer over weten. Uiteraard zou ik de voornoemde getuigen willen confronteren met de verklaring van [getuige 1] en hen willen vragen of die verklaring klopt. En voorts of zij weten van wie dat geld was en hoe het geld was verkregen. Getuige 6 zal gezien haar relatie met cliënt antwoord kunnen geven op deze vragen. Gezien de rol van de getuigen 1 en 5 binnen de organisatie van cliënt, en hun veelvuldige verblijf in de villa van cliënt mag worden verwacht dat ook zij op de hoogte zijn geweest van het wegzetten van geld door cliënt en ook antwoord kunnen geven op de overige vragen. Tot slot heeft [getuige 1] verklaard dat er mogelijk afspraken zijn gemaakt door Officier van Justitie Valente met onder andere getuige 3. Omdat bepaalde toezeggingen van de zijde van het Openbaar Ministerie mogelijk van invloed zijn geweest op het waarheidsgehalte van de vervolgens afgelegde verklaringen door getuige 3 ben ik van mening dat het noodzakelijk is getuige 3 hierover nader te horen." 16. Het antwoord van de Advocaat-Generaal bij het Hof bij brief van 2 juni 2005 houdt, voorzover hier van belang, het volgende in: Ik zal de door u opgegeven personen, te weten: 1. [getuige 2] 2. [getuige 3] 3. [getuige 4] 4. [getuige 5] 5. [getuige 6] 6. [getuige 7] niet oproepen om als getuige te verschijnen voor het hof te Den Haag op 8 juni aanstaande om 13.30 uur. Eerder, bij brief d.d. 5 februari 2003, heeft u ook verzocht om deze personen als getuige op te roepen. Bij brief d.d. 6 februari 2003 heeft mijn voormalig collega mr. Mooy dat verzoek uitgebreid gemotiveerd afgewezen. Ter terechtzitting op 12 februari 2003 heeft u uw verzoek herhaald. Het gerechtshof heeft het verzoek afgewezen; naar het oordeel van het hof is het verdedigingsbelang door het niet-horen van deze getuigen niet geschaad. Voorts wijs ik er op dat de personen 1 t/m 3 en de persoon 5 in het kader van de ontnemingsprocedure eerder ter terechtziting van het Amsterdamse gerechtshof zijn gehoord als getuige (nr. 1 op 9 februari 2001, nr. 3 op 10 april 2001 en nrs. 2 en 5 op 18 april 2001). Uw verzoek is thans ingegeven door de verklaring van [getuige 1], afgelegd op Curaçao op 20 januari 2005. U wilt de personen 1 t/m 5 confronteren met deze verklaring en vragen stellen over het vermogen van [betrokkene] voor maart 1989 en over hash-transporten voor maart 1989. Ik merk op dat de verklaring van de getuige [getuige 1] geen nieuw licht werpt op die voor het Amsterdamse hof door de personen 1 t/m 3 en 5 afgelegde verklaringen. Voorts is uit de verklaring van [getuige 1] niet af te leiden dat de personen 1 t/m 6 iets kunnen verklaren over de periode voor 1989. Persoon 5 deed, volgens de getuige, de organisatie van de transporten ("rechterhand van [betrokkene]") vanaf eind 1988, begin 1989. De andere personen (1 t/m 4 en 6) worden niet genoemd in het kader van transporten voor 1989. Personen 1 en 5 worden wel genoemd door de getuige in verband met 2 koffertjes met 10 miljoen. De getuige zegt dat het best zou kunnen dat die koffertjes weggezet zouden zijn en bij denkt dat de personen 1 en 5 er iets meer over zouden kunnen zeggen. Oftewel de getuige is hierover weinig zeker. Uw verzoek om de personen 1 t/m 6 op te roepen is in het licht van HR NJ 2003, 97 naar mijn oordeel onvoldoende concreet en gemotiveerd. Voor wat betreft de reeds als getuige gehoorde personen (1 t/m 3 en 5) geeft u niet aan op welke specifieke punten zij nader gehoord zouden moeten worden. Voor het overige komt u met niet meer dan de getuigen te willen confronteren met de verklaring van [getuige 1]. Ik acht het oproepen van de (reeds eerder verzochte) personen 1 t/m 6 als getuige niet noodzakelijk (art. 321 jo. 415 Sv)." 17. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 8 juni 2005 houdt onder meer in dat de voorzitter de korte inhoud heeft medegedeeld van de stukken betreffende het verhoor van de getuige [getuige 1] door de Rechter-Commissaris te Willemstad (Curaçao), dat de Advocaat-Gereraal bij het Hof zijn requisitoir heeft gehouden en de verdediging haar pleidooi. De in voormelde stukken neergelegde verklaring van [getuige 1] houdt, voorzover voor de beoordeling van belang, het volgende in: "Mijn naam is [getuige 1], geboren op [geboortedatum] 1958, wonende te [adres] te [woonplaats], thans tuinman van beroep. Ik was getrouwd met een schoonzuster van [betrokkene]. Ik heb hem leren kennen in of omstreeks 1984. Een paar maanden daarna heb ik gevraagd of hij werk voor mij had. Ik heb toen werk van hem gekregen. Ik ben dingen voor hem gaan doen. Ik ging bijvoorbeeld geld ophalen in Engeland en hasj laden in Spanje. Omdat ik Spaans spreek was dat gemakkelijk. Ik kreeg hier ook geld voor van [betrokkene]. Ik verdiende heel goed bij hem. U houdt mij voor dat zich in het dossier verklaringen bevinden van personen die ook spreken over hasj handel door mij. U houdt mij voor dat ik geen antwoord hoef te geven op vragen indien ik mij zelf daarmee kan belasten. Ik zal gewoon de waarheid spreken. Voor wat ik gedaan heb ben ik in Spanje veroordeeld. Vanaf 1984 ongeveer ben ik dus dingen voor [betrokkene] gaan doen. Ik heb constant voor hem gewerkt. Dat heeft geduurd tot eind 1991. Ik ben namelijk op 13 mei 1992 zelf aangehouden. Ik denk dat ik tot 6 maanden daarvoor voor [betrokkene] heb gewerkt. [betrokkene] vertelde mij toen dat hij onder observatie stond en een jaartje ging stoppen. Omdat ik inmiddels goede contacten had in Spanje ben ik toen voor mijzelf verder gegaan met de hasj. Daar heeft [betrokkene] dus niets mee te maken. Ik ben toen gaan samenwerken met mij broer [M], [getuige 3] en een jongen genaamd [N], een Friese jongen. Ik heb in Spanje een gevangenisstraf van 11 jaar gekregen. Dat was niet alleen voor een feit dat ik in Spanje heb gepleegd, nadat ik niet meer voor [betrokkene] werkte, maar dat was ook voor alles wat ik in Spanje voor Nederland had geladen. Dat heb ik te danken aan officier van justitie Valente. Hij heeft mij gevraagd om de naam van de grote vis te geven. Hij heeft gezegd dat als ik de naam van [betrokkene] noem, dat hij voor mij geen interesse heeft. Omdat ik dat niet heb gedaan heeft Valente allemaal stukken aan Spanje gegeven waardoor ik tot 11 jaar ben veroordeeld. U vraagt of mijn veroordeling dus ook betrekking heeft op feiten waar [betrokkene] bij betrokken was. Ja. Zo heeft Valente het tenminste tegen mij gezegd. Samengevat zou ik dus iets kunnen zeggen over de financiën van [betrokkene] over de periode van ongeveer 1984 tot 6 maanden voor 13 mei 1992. In die periode heb ik mij bezig gehouden met hasj in opdracht van [betrokkene]. Ik kreeg daar ook voor betaald. Op vragen van mr. K.A. Krikke: Mij is inderdaad eerder gevraagd een verklaring af te leggen tegen [betrokkene]. Valente is wel 6 keer bij mij geweest. Het is juist dat ook mr. Doedens heeft gevraagd of ik een getuigenverklaring wilde af leggen. Ik heb nooit eerder een verklaring afgelegd omdat ik niemand wilde belasten. Ik wilde ook mezelf niet belasten. Valente heeft mij concrete toezeggingen gedaan. Hij heeft gezegd dat ik naar Nederland kon komen en dat ik vrij kon komen als ik een verklaring tegen [betrokkene] af zou leggen. Ik heb het niet gedaan omdat ik op dat moment in Spanje niet vast zat voor een zaak waar [betrokkene] bij betrokken was. De raadsman vraagt of ik nog weet wanneer [betrokkene] aan zijn enkel gewond is geraakt. Ik kan mij dat nog goed herinneren omdat ik toen voor het eerst zelf een partij van 6000 kilo had gevonden. Die partij heb ik, na overleg met [betrokkene], met zijn geld gekocht. De leverancier was [O]. Het was op vrijdag 13 januari 1989 dat [betrokkene] aan zijn enkel gewond raakte. U houdt mij voor dat het u verbaast dat ik deze datum nog zo goed weet. Met name omdat ik pas gisteren de oproep voor deze zitting heb gekregen. Meneer, het was een droom. Het was mijn eerste eigen partij. Volgens mij ben ik in Spanje ook voor die partij veroordeeld. Deze partij van 6 duizend kilo is in Nederland terechtgekomen op verschillende plaatsen. Een deel is terechtgekomen bij [P] in een winkeltje met witte ramen. Daar stond het meeste. Ik denk 5 a 6 duizend kilo. U houdt mij voor dat de partij toch maar 6 duizend kilo groot was. Ja, maar er kwamen zeker 3 partijen van 2 tot 4 duizend kilo hasj per week naar Nederland. Een deel van die partijen lag ook bij ome Thijs. Ik weet in ieder geval zeker dat een groot deel van die partij van 6 duizend kilo naar [P] is gegaan. Ik had voor die partij van 6 duizend kilo, 5 honderd gulden per kilo betaald, althans een voorschot. De partij is door [getuige 6] en [Q] daar weg gehaald en verkocht voor gemiddeld 2000 a 2100 gulden per kilo. U vraagt hoe ik dat weet. Ik zit zelf in die handel toch? Nadat [betrokkene] uit het ziekenhuis was zat ik met hem, [getuige 2], [getuige 6], [Q] en nog een paar mensen, aan tafel. We hebben toen eerlijk gepraat hierover. Daar kwam toen ter sprake dat de partij gemiddeld 2000 a 2100 gulden per kilo had opgebracht. Daarom kregen we allemaal een bonus. Ik kreeg ongeveer 250 duizend gulden bonus, naast mijn gewone geld van 10 duizend gulden per maand. U vraagt of ik eigenlijk nog contact heb gehad met [betrokkene]. Ik heb hem in oktober 2004 voor het laatst gesproken. Ik had hem toen al jaren niet gesproken. Hij heeft mij toen inderdaad ook gevraagd of ik een getuigenverklaring wil afleggen. Hij had dat nooit eerde gevraagd. Ik heb gezegd dat ik dat wel wilde maar dat ik niet naar Nederland wilde komen. De raadsman vraagt wat er met de resterende opbrengst (winst) van de partij van 6 duizend kilo is gebeurd. Dat geld is naar [betrokkene] gegaan. Het was denk ik een paar miljoen gulden, meer nauwkeurig weet ik dat niet. Hij verdiende altijd erg veel geld. Ik weet alleen niet precies hoeveel geld hij aan de andere personen betaalde. Ook stuurde hij geregeld partijen door naar Engeland, maar dat gold niet voor deze partij van 6 duizend kilo. Voor de blessure aan zijn enkel stuurde hij regelmatig hasj door naar Engeland. Daarna bijna niet meer. De officier van justitie vraagt of ik weet wanneer [betrokkene] uit het ziekenhuis is gekomen. Ik weet dat niet precies, ik denk dat hij 4 a 5 maanden heeft gezeten en toen kreeg hij verlof. Toen zijn we weer een beetje begonnen met de handel. Ik denk dat het ongeveer juni 1989 was. De raadsman vraagt of hij goed heeft begrepen dat de import van hasj tussen januari en juni 1989 stil lag. Ja. Ik heb [betrokkene] door buren en familie leren kennen. Hij had altijd een dure auto en het beste van het beste. Daar wil je toch graag bij horen (?). Ik had geen werk en heb hem steeds om werk gevraagd. Hij vroeg of ik voor hem naar Engeland wilde gaan om geld op te halen. Ik heb dat gedaan. Ik ben dat steeds vaker gaan doen. Het ging gemiddeld om 300 a 400 duizend pond per keer. Ik had nog nooit zoveel geld gezien. Wij deden er soms dagen over om het geld te sorteren. In het begin ging ik 1 keer per week naar Engeland, maar daarna ging ik vaker. Op een gegeven moment nam ik ook andere mensen mee die het geld bij zich droegen. Ik heb ook wel eens dit werk door anderen voor mij laten doen. De 3 jaren voordat [betrokkene] in het ziekenhuis terechtkwam ging ik heel vaak. Soms bleef ik ook een weekje in Engeland en dan gaf ik het geld weer aan anderen om het naar Nederland te brengen. In die 3 jaren heb ik het zo vaak gedaan dat ik echt niet meer precies weet, hoe vaak. Ik heb voor dit werk ook anderen geronseld, o.a. [R], een vrouw uit [plaats B] en [S]. Ook nog 3 tramchauffeurs uit Almere. Soms ging ik met ze mee soms ook niet. We gingen zeker 3 of 4 keer per week. We bleven even vaak gaan gedurende die 3 jaren. Gemiddeld namen we 3 a 5 honderd duizend pond mee naar Nederland. Als anderen dat deden dan leverden ze dat geld bij mij in. Ik bracht het geld naar [betrokkene]. We zaten met de vaste ploeg aan tafel. Ik bedoel: [getuige 6], mijn broer, [betrokkene], [getuige 4] en ik. We telden het geld en daarna werd het gewisseld. Eerst wisselden we bij een Egyptenaar tegenover [A] bij de Dam. Daarna bij de NMB in de Amstelstraat en later in de Bijlmermeer. Ook wisselden we het bij het grenswisselkantoor van het C.S te Amsterdam. U vraagt of ik voor deze feiten ooit ben veroordeeld in Nederland? Nee, maar wel in Spanje. Omdat het geld dat wij terugkregen van de Egyptenaar niet klopte, zijn we naar de NMB gegaan. We kregen contact met ene [K] die daar werkte, aan de Amstelstraat. Daarna is hij naar de Bijlmermeer gegaan. Bij hem was het altijd correct. We brachten het geld en een dag daarna konden we het Nederlandse geld ophalen. Ik wist precies hoeveel geld er naar toe werd gebracht. Ik denk dat er in die 3 jaren zeker voor 40 a 60 miljoen gulden is gewisseld. In die 3 jaren ben ik steeds minder geld gaan ophalen uit Engeland omdat ik voor [betrokkene] dingen in Spanje deed. In eerste instantie transporteerde [betrokkene] hasj voor Hilversumse Marokkanen van Spanje naar Nederland. In opdracht van [betrokkene] laadde ik de hasj. Later is [betrokkene] ook zelf partijen hasj gaan kopen in Spanje. Ook die partijen werden door mij geladen. Ik denk dat in het eerste jaar, 1985, [betrokkene] vooral het transport van de hasj regelde. Daarna ging hij ook zelf partijen kopen. Mijn rol bleef eigenlijk hetzelfde. Ik laadde, onderhandelde en keek toe of de lading klopte. Ik ging wel steeds meer verdienen. Als [betrokkene] als transporteur optrad verdiende hij denk ik 100 tot 150 duizend gulden per wagen. In het begin ging het maar om 400 tot 600 kilo per wagen, maar het werd steeds meer. Toen hij zelf ging kopen, ging er bijvoorbeeld een wagen van Spanje naar Nederland met daarin een lading hasj van de Marokkanen maar ook een lading van [betrokkene] zelf. [betrokkene] betaalde ongeveer 500 gulden per kilo hasj in Spanje. Wat [betrokkene] zelf kocht ging meestal door naar Engeland. We hebben 1 keer een transport naar Scandinavië geprobeerd, maar dat vond [betrokkene] te gevaarlijk. De voor 500 gulden per kilo gekochte hasj bracht in Engeland ongeveer 900 pond op. U moet dan wel rekening houden met de hoge koers in die tijd. Na een jaar ongeveer is ook mijn broer [M] transporten voor [betrokkene] in Spanje gaan regelen. Ook mijn broer spreekt Spaans. Ik betaalde de leveranciers in Spanje met geld dat ik van [betrokkene] kreeg. Soms reisde ik zelf met dat geld naar Spanje, soms werd het door meisjes gebracht. Door bijvoorbeeld de vrouw van één van de chauffeurs. De advocaat noemt de namen van [S] en [T]. Dat klopt. De raadsman vraagt hoeveel transporten er in die 3 jaren door mij zijn geregeld. Heel veel. Ik kan dat echt niet meer zeggen. Ik denk wel 3 of 4 transporten per maand. Het ging dan om 2500 tot 4000 kilo per keer. U houdt mij voor dat ik eerder heb verklaard dat het ging om ongeveer 3 transporten per week. Ja, maar er waren wel eens omstandigheden waardoor het wat langer duurde. Per maand waren het zeker 4 wagens in de 3 jaren voordat [betrokkene] in het ziekenhuis terechtkwam. In Nederland werden de transporten eerst georganiseerd door [getuige 2]. Hij was de rechterhand van [betrokkene]. Zijn echte naam is inderdaad [getuige 2]. Later werd het overgenomen dor [getuige 6]. Toen werd hij de rechterhand van [betrokkene]. Dat was eind 1988, begin 1989. [U] en [V] waren chauffeurs. Het klopt dat zij zijn aangehouden in Figo voor een transport dat ik had georganiseerd. Daarna zijn ze voor [betrokkene] auto's gaan verbouwen omdat ze niet meer naar Spanje wilden. Andere chauffeurs waren: [W], [X], [Y] en [Z]. Als [betrokkene] hasj van de Marokkanen kocht en weer verkocht verdiende hij gemiddeld 100 a 150 gulden per kilo. Hij kreeg meestal betaald in buitenlandse valuta. Vaak in ponden maar bijvoorbeeld ook in Marken. Het is juist dat ik voor [betrokkene] ook partijen hasj mengde. We mengden dan goede kwaliteit hasj met slechte kwaliteit hasj en verkochten het voor de prijs van goede hasj. We deden dat vaak. We deden dat in verschillende loodsen. Je verdient daar goed mee. Die hasj ging altijd naar Engeland. We mengden 1 kilo goede hasj (inkoop 3200 gulden) met 1 kilo slechte hasj (inkoop 500 gulden) en verkochten het voor 900 pond per kilo. Ik denk dat wij in 3 jaar ongeveer 3 a 4 duizend kilo hasj hebben gemengd en verkocht. De raadsman houdt mij voor dat [betrokkene] volgens justitie op 1 maart 1989 geen vermogen had. Dat geloof ik niet. Ik werkte toch zelf voor hem. Ik heb u uitgelegd hoeveel geld wij verdienden. Van 1985 tot dat hij zijn been brak heeft hij veel geld verdiend. U vraagt waarom hij daarna niet meer veel geld heeft verdiend. Hij was toen al een beetje bang en hij wilde op een andere manier, rechtstreeks uit Marokko, de hasj gaan halen. Ik weet niet waarom. Hij ging zich toen meer richten op de invoer van auto's, op projecten en het vervoer vanuit Marokko. Ik bedoel inderdaad het ombouwen van vrachtwagens. Met projecten bedoel ik dat hij onderzocht hoe hij rechtstreeks uit Marokko hasj kon importeren. Hij keek bijvoorbeeld of hij een bedrijfje kon opzetten en of hij daar mensen kon omkopen. De raadsman houdt mij voor dat [betrokkene] zelf heeft verklaard over vermogen eind 1988 en begin 1989. De raadsman vraagt mijn reactie. 2 koffertjes met 10 miljoen gulden die zouden zijn weggezet. Dat zou best kunnen, ik weet dat hij af en toe geld wegzette. Ik heb hierover wel gehoord in een gesprek dat hij had met [...]. Ik denk dat [...], [getuige 2] en [getuige 6] hier iets meer over zouden kunnen zeggen. 4 miljoen om transporten te financieren. Dat kan. Hij financierde alle transporten. Hoeveel geld hij daarvoor in voorraad had, dat weet ik niet. Geld bij zijn moeder op zolder. Ik heb dat wel gehoord, iets van 10 miljoen gulden, maar daarover kan ik ook niet meer zeggen. Bankrekeningen. Ik weet niet of hij bankrekeningen had. In mei 1989 gekochte woning. De advocaat vraagt of ik weet waar die woning van is betaald. Ik neem aan van de opbrengst uit hasj handel. De raadsman vraagt of ik weet of [betrokkene] nog aanzienlijke aankopen heeft gedaan in de periode vanaf het breken van zijn been tot het begin van zijn revalidatie. Volgens mij 2 grote boten, waarvan ik foto's heb gezien, en een Ferrari. Ik dacht dat ik hoorde dat de boten 1 miljoen dollar per stuk kostte en de Ferrari iets van 300 duizend gulden. De raadsman vraagt wanneer [betrokkene] is begonnen met de autohandel. Hij deed altijd al wat in auto's. Na zijn revalidatie begon hij dure auto's op te kopen. Hij had toen ook een grote prijs gewonnen met een race. De raadsman houdt mij voor dat uit een tapgesprek van 24 december 1988 zou blijken dat hij zich toen bezighield met de auto handel. De raadsman vraagt of dit volgens mij klopt. Ja. De raadsman vraagt of ik weet waarvan [betrokkene] de handelsvoorraad voor [B] heeft aangeschaft. Nee. Ik bemoei me niet zo met auto's De raadman vraag wanneer [betrokkene] voor het eerst in het groot is begonnen met de handel in auto's. Na het breken van zijn been. De raadsman vraagt of er tussen januari 1989 en juni 1989 nog iets met auto's werd gedaan. Ja, hij deed iets met auto's, maar daarna had hij echt een bedrijf. De raadsman houdt mij voor stukken die zijn aangetroffen bij een huiszoeking aan de [f-straat 1] in [plaats B] op 13 januari 1989. Op pagina C5 - ev. herken ik het handschrift van [betrokkene]. Dit is administratie van hasjhandel. Ik wist dat hij dit bijhield. De raadsman vraagt of ik weet over welke periode dit gaat. 1988, want dat zie ik staan. Op pagina B 15-24 herken ik mijn handschrift. Dit is de administratie van transporten, leveranciers en plaatsen waar de hasj is opgeslagen. Ik hield zelf bij wat ik ophaalde en wegbracht. Op pagina B 15-22 staat mijn handschrift niet. Op pagina E 82 tot E 91 zie ik zogenaamde wissel-bonnetjes van ponden in guldens, ik heb eerder verklaard hierover. De naam van [getuige 2] staat erboven omdat hij het gewisseld of opgehaald heeft. De raadsman houdt mij voor dat een vriendin van [betrokkene] heeft verklaard dat zij in Luxemburg op een rekening geld heeft staan van [betrokkene]. Ik heb daar wel over gehoord. Ik heb dat van horen zeggen. De raadsman noemt de naam van [AA]. Dat klopt. Zij scharrelde een beetje met [betrokkene] Ik hoor de raadsman nu zeggen dat [AA] zou hebben verklaard dat [BB] ongeveer 1,5 miljoen gulden op een Luxemburgse bankrekening heeft staan van [betrokkene]. Zij scharrelde ook een beetje met [betrokkene]. [BB] regelde in het begin ook wel transporten voor zijn broer, maar hij is daama voor zichzelf begonnen. Volgens mij deed hij dat in begin 1986 voor zijn broer en in de loop van 1986 is hij voor zichzelf begonnen. De raadsman vraagt of [CC] voor [BB] of voor [betrokkene] werkte. Ik denk voor [BB] want die naam zegt mij niets. De naam [DD] herinner ik mij wel, maar niet precies waarvan. De raadsman zegt dat hij een chauffeur zou zijn geweest. Dat klopt, maar hij reed alleen lege wagens naar Spanje. Volgens mij is hij in Marokko gepakt. Ik hoor dat de advocaat verder vragen wil stellen over de periode na 1 maart 1989. Ik denk dat ik ongeveer 7 maanden na de beenbreuk voor het eerst weer betrokken was bij een transport van hasj van Spanje naar Nederland voor [betrokkene]. Totdat ik stopte (zoals gezegd ongeveer een halfjaar voor 13 mei 1992) zijn er nog maar 5 a 6 transporten geweest van Spanje naar Nederland. Ik was denk ik zelf bij 2 of 3 transporten betrokken. Soms dacht [betrokkene] wel dat ik er nog wat mee te maken had, maar ik liet soms ook wel iets door mijn broer doen. De hasj voor deze 5 a 6 transporten was steeds van de Marokkanen uit Hilversum. [betrokkene] trad hier weer op als transporteur van hasj. Verder hielden wij ons eigenlijk meer bezig met de hasj handel in Nederland. Ik denk dat [betrokkene] 300 a 400 gulden per kilo kreeg voor die 5 a 6 transporten. Daarvan ging ook een deel naar [Z]. Zij waren partners. De raadsman vraagt of zij een gelijk deel kregen. Volgens mij wel. De hasj werd verstopt in kopschotten of plafond. Ik denk dat we ongeveer 2000 kilo meenamen. De raadsman zegt dat het volgens [betrokkene] nog maar ging om 4 transporten en in totaal 5100 kilo hasj. Dat kan kloppen. Ik was zelf bij 2 transporten van 1000 kilo betrokken. U vraagt mij waarom ik net sprak over transporten van 2000 kilo per keer. Dat zei ik omdat er 1700 tot 2000 kilo in de bergplaats kon. Mijn broer zei altijd alleen maar dat het gelukt was. Hij zei nooit hoeveel hij had meegenomen. De raadsman vraagt welke kosten moesten worden gemaakt voor deze 5 a 6 transporten. Mijn kosten, de kosten van chauffeurs, de lossers, de wagens, de loodsen, maar bijvoorbeeld ook de mensen die het afval moesten weggooien. [betrokkene] gaf altijd alle betrokkenen 10.000 gulden mee voor kosten. Je moest dan bonnetjes bewaren. Ik denk dat mijn kosten per transport ongeveer 10000 gulden waren. Ik denk dat dat gemiddeld ook voor de andere jongens gold. De raadsman vraagt of er naast [betrokkene] en [Z] nog anderen moesten delen in de winst van 300 400 gulden per kilo. Volgens mij niet. De raadsman stelt mij nu een aantal vragen over transporten rechtstreeks van Marokko naar Nederland. Ik denk dat dit in 1990 voor de eerste keer is gebeurd. Dat had mijn broer geregeld. Het is wel juist dat daarvoor a! 5 of 6 proeftransporten zijn gedaan. Ook die werden door mijn broer en [getuige 3] geregeld. Ik kan eigenlijk over die transporten niet zoveel zeggen omdat ik er niet bij betrokken was. Ik heb het meeste gehoord van mijn broer. Na het eerste transport is het tweede transport niet doorgegaan. Daarna zijn er nog wel 10 a 20 ritten geweest "om de route open te houden". Dat weet ik uit eigen ervaring want ik was betrokken bij het beladen van de auto's in Nederland. Wij deden er dan bijvoorbeeld zand in, in plaats van hasj en daarnaast een gewone lading. [EE] en [getuige 3] deden de organisatie in Marokko. In Nederland werd dit gedaan door een Turk. Nogmaals, ik weet er niet zoveel van, ik hield me voornamelijk bezig met het rijden van de hasj in Nederland. [betrokkene] vond het niet zo erg om "de route open te houden". Hij zag het als een investering en zei dat het wel goed kwam. Ik weet niet precies wie de chauffeurs waren. Ik weet wel dat [getuige 5] de transporten verzorgde. De naam [FF] zegt mij inderdaad iets. Dat is een bedrijf dat een aantal proefritten deed nadat [betrokkene] ruzie had gekregen met [getuige 5]. [X] reed op 1 van de auto's van [FF]. Het is juist dat, om de route open de houden, er vracht mee moet. Ik weet van [betrokkene] dat zo'n rit 60 a 70 duizend gulden kostte. Volgens mij waren er problemen met deze transporten uit Marokko omdat de omgekochte douane ambtenaar niet meer kon regelen wat er geregeld moest worden. Bij deze transporten zat de hasj onder het plafond. Volgens mij hebben er in totaal 3 geslaagde transporten uit Marokko plaats gevonden. De vrachtwagens werden geprepareerd door een man die ik ken als [...]. Ik weet niet wat hij daarmee verdiende maar ik denk dat hij meer kreeg dan ik. Er kon 2000 tot 4000 kilo worden verborgen onder het plafond. Ik denk dat de eerste keer het maximum is meegegaan, 3000 tot 3500 kilo. Ik denk dat de tweede en de derde keer ongeveer 2500 kilo is meegegaan. Ik weet eigenlijk niet meer zo goed hoe ik op deze getallen kom. De hasj was steeds voor de helft van de Marokkanen uit Hilversum en voor de andere helft van [betrokkene]. [betrokkene] moest ons daar allemaal een deel van betalen. In die tijd kregen wij niet meer een vast bedrag per maand. U vraagt mij waarom ik geld kreeg voor deze transporten alhoewel ik er niet bij betrokken was. Ik werkte toch nog steeds voor hem. Ik reed de hasj in Nederland. Ik moet wel zeggen dat ik van het laatste transport volgens mij niets heb gekregen omdat [betrokkene] mij te lui vond. Ik denk dat de inkoop prijs in die tijd lag tussen de 500 en de 650 gulden per kilo in Marokko. De hasj werd in Nederland verspreid aan de 'hasjkantoren". Dat is een soort groothandel voor de koffieshops. [betrokkene] had alleen te maken met de hasjkantoren. Het is juist dat er in die tijd 2 trailers van [betrokkene] zijn gestolen. Ze stonden in [plaats C]. Ik weet dat zo een trailer 150 duizend gulden kost met daarnaast nog 30 duizend gulden voor het ombouwen. De raadsman vraagt naar de opbrengst van de ladingen hasj vanuit Marokko. Van het deel van de Marokkanen kreeg [betrokkene] ongeveer 150 gulden per kilo. [betrokkene] verkochte plaatjes voor 2300 a 2400 gulden per kilo en de zeepjes voor 1850 a 2000 gulden per kilo. Ik weet dat alleen [getuige 6] voor 300 a 400 kilo per transport zelf investeerde. Hij betaalde dat ook gewoon cash. Deze kilo's waren begrepen in het deel van [betrokkene]. [betrokkene] kreeg altijd de helft van de opbrengst van zijn eigen hasj. De andere helft werd verdeeld onder de mensen die aan het transport hadden meegedaan. Soms kreeg je wat meer en soms wat minder. Het is juist dat er ook wel eens hasj werd gestolen. Je kan wel zeggen dat er per transport 100 a 150 kilo hasj "miste". Je kon nooit bewijzen dat het gestolen was. De raadsman vraagt wat [M] en [GG] kregen per transport. Ik denk dat zij het dubbele van mij, 20000 gulden kregen en als de hasj was aangekomen, nog 150 kilo van de hasj. Het is juist dat er ook wel vrachtwagens werden geleasd, maar die werden met toestemming van de eigenaar verbouwd. De raadsman zegt dat zijn cliënt in 1991 is gestopt maar dat er anderen met de handel zijn doorgegaan. Dat klopt. Ik was 1 van die personen. Verder mijn broer, [N] en [GG]. Ik heb gehoord dat ook [getuige 5] is doorgegaan. [betrokkene] zei tegen mij dat hij het was rustiger aan ging doen omdat hij onder grote observatie lag en dat wij beter een jaartje niets konden doen. Daarna heb ik met [M], [GG] en [N] 3 transporten van ieder 1200 kilo hasj gedaan. Toen ik het 4 transport (3000 kilo) deed, werd ik gepakt. Met deze transporten had [betrokkene] niets te maken. De raadsman vraagt wat ik kan zeggen over de auto handel door [betrokkene]. Ik weet dat hij iets in Naarden Vesting had gekocht en toen ging hij auto's verkopen. Dat ging best wel goed. De administratie werd geregeld door [...]. Ik weet niet wat zijn achternaam is. De naam [D] zegt mij niets. Ik was meer op straat bezig om de handel weg te rijden. De hasj werd door de hasjkantoren in buitenlandse valuta betaald. Dat werd dan weer door ons gewisseld bij kantoortjes, ook wel in Belgie. Als [K] van de NMB niet werkte dan gingen we ergens anders naar toe. Ik, mijn broer en [...] wisselden geld. De raadsman vraagt of 1 van de andere wel eens geld heeft gestopt in:"het raceteam"? Daar weet ik niets van. [HH] had een hasjkantoor. We brachten veel van onze hasj naar haar. De naam [II] zegt mij niets. Komt hij uit Venlo? Ik hoor de raadsman zeggen dat hij zou hebben bemiddeld in Marokko. Dat zegt mij niets. De naam [JJ] komt mij wel bekend voor. Hij kan inderdaad we! een van de chauffeurs zijn geweest, maar ik weet niet precies bij welke transporten hij betrokken was. De raadsman vraagt of [betrokkene] ook inkomsten had uit legale werkzaamheden, nadat hij zijn been had gebroken. De autohandel. De raadsman vraagt of ik weet over afspraken tussen Valente en andere betrokkenen? Ik heb van mijn zusters gehoord dat mijn broer alles wat in beslag was genomen heeft teruggekregen en nooit is vervo!gd. Ik weet niet wie die toezegging heeft gedaan. Van mensen uit de buurt hoorde ik dat [S] 80 duizend gulden heeft gekregen van justitie om een verklaring af te leggen. De officier van justitie toont mij een stuk dat is getiteld: overzichtsverklaring [betrokkene] 9 april 2001 (17 pagina'
- s)de officier van justitie vraagt of ik dit stuk we! eens heb gezien. Of dat de inhoud daarvan mij bekend is. De officier van justitie laat mij het stuk doorb!aderen. Ik ken dit stuk niet. Dit is ook niet met mij besproken." Het requisitoir van de Advocaat-Generaal bij het Hof houdt, voor zover voor de beoordeling van belang, het volgende in: "In dit aanvullende requisitoir ga ik in op het verhoor van de getuige [getuige 1], dat in januari van dit jaar op Curacao heeft plaatsgehad. Ik zal aangeven of deze verklaring consequenties heeft voor de door het openbaar ministerie bij requisitoir op 3 maart 2004 ingenomen standpunten. Ik zal mij in het bijzonder uitlaten over de vraag of de getuigenverklaring moet leiden tot een bijstelling van het beginvermogen dat in de gehanteerde vermogensvergelijking op nihil is gesteld. Voorts zal ik mij uitlaten over de vraag of deze verklaring leidt tot een ander zicht op de verdiensten van de veroordeelde [betrokkene] in de periode van 1 maart 1989 tot en met 29 juni 1992. (...) 3. Het beginvermogen Over het beginvermogen is al veel geschreven en gesproken. Te beginnen met het financieel rapport (p. 22): "De legale vermogenspositie van [betrokkene] per 1 maart 1989, zijnde de datum waarop de "140-periode" aanvangt wordt gesteld op nihil. Dit kan doordat in 1985 het faillissement van [betrokkene] is aangevraagd en uitgesproken. Dit faillissement is per 22 maart 1988 beëindigd wegens gebrek aan baten. Inkomsten van [betrokkene] van 22 maart 1988 tot 1 maart 1989 zijn uit het onderzoek niet gebleken. Schuldeisers uit dat faillissement zijn in die periode evenmin betaald" In het requisitoir van het openbaar ministerie d.d. 13 januari 2000 is dit standpunt overgenomen. Voorts is toen opgemerkt (p. 18): "Nu een behoorlijke boekhouding van [betrokkene] ontbreekt of niet kan worden overlegd is het aan [betrokkene] te wijten dat geen onderzoek is gedaan naar het eventueel vermogen dat frauduleus buiten het faillissement is gehouden" In hoger beroep is door de advocaat-generaal op 3 juli 2001 het volgende opgemerkt (punt 4): "... ervan uitgaande dat het wederrechtelijk verkregen voordeel op zich illegaal vermogen is. Aldus zou aanwezig illegaal beginvermogen mogen worden meegenomen in de berekening". De AG stelt vervolgens terecht de eis dat het vermeende beginvermogen deugdelijk onderbouwd dan wel door bewijs gestaafd moet zijn. De overzichtsverklaring d.d. 9 april 2001 van [betrokkene] (door de AG als een soort van romanvorm betiteld) geeft die onderbouwing en staving niet met uitzondering van de aanschaf van de [...] villa, aldus de advocaat-generaal. Op 3 maart 2004 heeft de advocaat-generaal van het Haagse ressortsparket voor uw hof zich volledig achter het standpunt van het financieel rapport geschaard (requisitoir p. 12/13) en neemt afstand van het de door Amsterdamse AG hierboven weergegeven standpunt ten aanzien van de aanschaf van de villa (requisitoir p. 15). [betrokkene] en zijn advocaat hebben altijd verkondigd dat er ondanks het faillissement wel degelijk beginvermogen was. Hoe groot, dat blijft onduidelijk. [betrokkene] zelf spreekt in zijn overzichtsverklaring over een vermogen van 35 á 40 miljoen gulden in contanten eind 1988. Zijn advocaat merkt in zijn pleidooi d.d. 13 januari 2000 (nrs. 25 en 26) op: "Het is irreeël te veronderstellen dat cliënt per 1 maart 1989 een beginvermogen had dat op nihil gesteld kan worden." En: "Het ligt in de rede dat cliënt ook voor 1 maart 1989 inkomsten heeft genoten uit verdovende middelen handel". De op 20 januari 2005 op Curacao gehoorde getuige spreekt over het wisselen van 40 á 60 miljoen gulden in de 3 jaren voorafgaand aan 1989 (p. 4). De rechtbank te Amsterdam heeft uiteindelijk in het vonnis d.d. 17 februari 2000 geoordeeld: "Hoewel dit uitgangspunt (bedoeld is de in het financieel rapport op p. 22 gedane nihil-stelling van het beginvermogen), nu geen andere gegevens beschikbaar zijn, verdedigbaar is, acht de rechtbank het met de raadsman aannemelijk dat [betrokkene], uit welke bron dan ook en ten opzichte van de faillissementscurator frauduleus, op 1 maart 1989 over een haar onbekend vermogen beschikte". Ondermeer vanwege dit oordeel heeft de rechtbank niet gekozen voor de methode van de vermogensvergelijking. Want blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting op 30 augustus 1999 was de visie van de rechtbank (p. 4): "Het is niet de taak van de rechtbank om onderzoek te doen verrichten naar een eventueel vermogen van betrokkene waarover geen behoorlijke boekhouding is of kan worden overgelegd en dat kennelijk frauduleus buiten het faillissement is gehouden. Bovendien heeft betrokkene hierover ook geen concrete opening van zaken gegeven' De verklaring van de getuige [getuige 1] geeft eveneens geen concrete opening van zaken. Hij heeft het, zoals gezegd, over het wisselen van 40 tot 60 miljoen. Hij geeft echter geen deugdelijke onderbouwing. Voorts blijft opvallend de caesuur in zijn verklaring. Voor de been/enkelbreuk stroomde het geld binnen en na de breuk was het kommer en kwel. Ik heb hiervoor al betoogd dat de verklaring van de getuige over de periode na de breuk niet geloofwaardig is. Aan zijn verklaring van voor breuk hecht ik gezien deze ongeloofwaardigheid en het ontbreken van de deugdelijk onderbouwing dan ook geen waarde v.w.b. het beginvermogen. Daarnaast merk ik nog het volgende op. [betrokkene] heeft eerst de keuze gemaakt om zijn beweerde vermogen buiten het zicht van de faillissementscurator en zijn debiteuren te houden door voor te spiegelen dat hij niets heeft, om vervolgens jaren later als het hem beter uitkomt de positie in te nemen dat hij in die tijd wel degelijk over een aanzienlijk vermogen beschikte (zie ook p. 7 van de brief van de advocaat-generaal d.d. 6 febnuari 2001). Het is op zijn minst wrang als hij hiermee zou wegkomen en zodoende als het ware een frauduleus vermogen "legaliseert". Primair ben ik dan ook van oordeel dat de door hem in de faillissementsprocedure ingenomen proceshouding consequenties heeft voor de onderhavige ontnemingsprocedure. Ik vind hiervoor, naar mijn oordeel, steun in het arrest van de hoge raad, NJ 1996, 411. In dat arrest is beslist dat de door de verdachte in de hoofdzaak ingenomen proceshouding consequenties kan hebben voor het door hem met betrekking tot de vordering tot oplegging van een ontnemingsmaatregel in te nemen standpunt. Derhalve is terecht uitgaan van een beginvermogen van nul. Subsidiair ben ik van oordeel dat het -meer dan op grond van de geldende jurisprudentie al het geval zou zijn- aan [betrokkene] is om een deugdelijke, concrete en onderbouwde berekening van zijn beginvermogen te geven, nu hij het op frauduleuze wijze voor het openbaar ministerie en de opsporingsdienst onmogelijk heeft gemaakt om een dergelijke berekening te maken Hierin is, zoals gezegd, [betrokkene] in de verste verte niet geslaagd, gedurende de meer dan 10 jaar dat deze ontnemingsprocedure duurt. Derhalve heeft [betrokkene] kans genoeg gehad en acht ik het onwaarschijnlijk dat hij in de toekomst wel zal slagen. Ik blijf dus bij het bedrag dat op 3 maart 2004 gevorderd is, te weten € 27.516.496,-" Het pleidooi behelst, voor zover voor de beoordeling van belang, het volgende: "a. Verzoek tot het mogen horen van getuigen. 22. Indien Uw Hof desondanks besluit tot het hanteren van de methode van vermogensvergelijking dan persisteert de verdediging bij haar, bij schrijven d.d. 27 mei jl., gedane verzoeken. Met name zou de verdediging de navolgende getuigen willen horen. 1. [getuige 2], wonende aan de [a-straat 1] te [plaats A]; 2. [getuige 3], wonende aan de [b-straat 1] te [plaats A]: 3. [getuige 4], wonende aan de [c-straat 1] te [plaats B]; 4. [getuige 5], adres volgt op korte termijn; 5. [getuige 6], wonende aan de [d-straat 1] te [plaats A]; 6. [getuige 7], wonende aan de [e-straat 1] te [plaats C]. Toelichting ad 1 t/m 6 De vermogensvergelijking in het AFO-rapport neemt als startpunt de legale vermogenspositie van cliënt per 1 maart 1989, zijnde de datum waarop de "140-periode" aanvangt en wordt gesteld op nihil. Dit omdat in 1985 het faillissement van cliënt is aangevraagd en uitgesproken. Het faillissement is per 22 maart 1988 beëindigd wegens gebrek aan baten. Inkomsten van cliënt van 22 maart 1988 tot 1 maart 1989 zijn, volgens de rapporteurs, niet gebleken. Cliënt betwist met klem dat zijn vermogen op 1 maart 1989 nihil was. Getuigen kunnen, gezien hun prominente rol binnen de organisatie van cliënt, geconcretiseerd en gemotiveerd vorenvermeld standpunt van cliënt onderbouwen, althans aannemelijk maken. Dat de getuigen een prominente rol binnen de organisatie van cliënt vervulden blijkt overduidelijk uit de door de getuigen zelf afgelegde verklaringen, alsmede de verklaring van [getuige 1], zoals afgelegd bij de Rechter-Commissaris op 20 januari 2005. Zo stelt [getuige 1] in zijn verklaring onder andere, dat de transporten voor cliënt eerst georganiseerd werden door getuige 1 en later door getuige 5. Een positie die door [getuige 1] wordt getypeerd als 'de rechterhand' van cliënt. Voorts dat de getuigen 3 en 5 voor maart 1989 betrokken waren bij het tellen van grote hoeveelheden geld. Dat getuige 1, gezien ook de overgelegde administratie, veelvuldig geld heeft gewisseld. En tot slot dat de getuigen 2, 3 en 4 betrokken waren bij het uitvoeren van de transporten. Het is niet alleen van belang vast te stellen of cliënt voor maart 1989 vermogen had, maar ook hoe groot dat vermogen was. [Getuige 1] heeft concreet verklaard over hoe lucratief de hashhandel van cliënt voor 1989 was en over het vermogen dat daarmee door cliënt voor 1989 was vergaard. Gaarne zou ik voornoemde getuigen met de verklaringen van [getuige 1] willen confronteren en hen vragen of hetgeen hij stelt ten aanzien van het vermogen van cliënt voor maart 1989, alsmede de financiële afspraken rond de transporten zoals uitgevoerd voor maart 1989, correct is. Gezien de, nogmaals, prominente rol van de getuigen binnen de organisatie van cliënt moeten de getuigen in staat worden geacht op deze vragen antwoord te kunnen geven. Meer in het bijzonder geldt voor de getuigen 1, 3 en 5 dat zij betrokken waren bij het tellen van geld, dan wel het wisselen van geld. Uiteraard zou ik hen willen vragen of de schattingen van [getuige 1] van het totaal gewisselde geld kloppen. Voorts zou ik de getuigen willen confronteren met de verklaring van [getuige 1] dat door cliënt in de periode januari tot en met juni 1989 geen transporten werden uitgevoerd. Getuige 4 is niet gehoord ten overstaan van het Hof te Amsterdam, ondanks het feit dat hij daartoe een aantal malen is opgeroepen. De verdediging is van mening dat de redenen die ten grondslag lagen aan het oproepen ter zitting door het Hof te Amsterdam nog onverkort gelden. Meer concreet kan de getuige verklaren over de verdiensten van cliënt voor maart 1989, alsmede over het aantal voor cliënt uitgevoerde hashtransporten na maart 1989. En met name ook hoeveel transporten hij voor eigen rekening heeft uitgevoerd. Een verhoor voor het Hof te Amsterdam heeft niet plaatsgevonden omdat de laatstgenoemde getuige niet kwam opdagen. Inmiddels heb ik van cliënt vemomen dat de getuige zich niet meer aan zijn plicht tot het afleggen van een verklaring zal onttrekken. [Getuige 1] heeft op 20 januari 2005 ten overstaan van de Rechter-Commissaris ook verklaard dat bij gehoord heeft dat cliënt af en toe geld wegzette. Onder andere bij getuige 6. [Getuige 1] denkt dat onder andere getuigen 1 en 5 daar meer over weten. Uiteraard zou ik de voornoemde getuigen willen confronteren met de verklaring van [getuige 1] en hen willen vragen of die verkiaring kiopt. En voorts of zij weten van wie dat geld was en hoe bet geld was verkregen. Getuige 6 zal gezien haar relatie met client antwoord kunnen geven op deze vragen. Gezien de rol van de getuigen 1 en 5 binnen de organisatie van client, en hun veelvuldige verblijf in de villa van client mag worden verwacht dat ook zij op de hoogte zijn geweest van bet wegzetten van geld door client en ook antwoord kunnen geven op de overige vragen." Voorts behelst voormeld proces-verbaal het volgende als de ter zitting afgelegde verklaring van veroordeelde: "Het is een complexe zaak. Ik ben in 1984 met hasj begonnen en sinds die tijd is er veel veranderd in de prijs. Nederland was een doorvoerplek. Hilversum was het hasjcentrum. "Zeepjes" gingen van Marokko via Nederland naar Engeland en "plaatjes" van Marokko via Nederland naar Zweden. In het begin leverde een zeepje f. 3800,-- op en in 1991 was dat gedaald tot f 1.800,--. Nu is de prijs € 600,--. Ook is er sprake van directe handel. Ik zat van 1975 tot 1984 in de bloemenhandel. Mijn bedrijf ging failliet en toen ben ik de hasjhandel in gegaan. Ik ben ook diverse malen opgepakt en heb straffen uitgezeten. Ik ga dan niet tegen de curator zeggen dat ik nog wat geld had verdiend met de hasj handel. In 1985 was het faillissement uitgesproken. In die tijd werd er veel geld gewisseld. Er waren ook veel mensen betrokken bij de hasjhandel. Eind 1991 ben ik gestopt. Ik heb contact gehad met [getuige 5]. Hij woont en werkt in België en toen ik hem vroeg om te getuigen vroeg hij € 1.000.000,--. Ik had twee koffers met f 10.000.000,-- bij anderen weggelegd. Mijn huis had f 1.800.000,-- gekost en ik heb f 600.000,-- uitgegeven aan de verbouwing." 18. 's Hofs arrest van 7 september 2005 houdt, voorzover voor de beoordeling van belang, het volgende in: "5. Beoordeling van de verzoeken van de verdediging Het hof stelt voorop dat geen rechtsregel in de weg staat aan het - in het kader van een redelijke en billijke verdeling van de bewijslast tussen het openbaar ministerie en de veroordeelde - bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel gebruik maken van de methode van vermogensvergelijking, omdat het gaat om een beredeneerde vermogensvergelijking die gebaseerd is op wettige bewijsmiddelen en veroordeelde de gelegenheid is geboden om tegenover de rechter aannemelijk te doen worden dat en waarom de door middel van genoemde methode vastgestelde stijging van zijn vermogen niet of niet geheel haar oorsprong vindt in feiten als bedoeld in artikel 36 e van het Wetboek van Strafrecht dan wel anderszins niet kan gelden als voordeel in de zin van die bepaling. Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 8 juni 2005 heeft de raadsman van de veroordeelde, indien het hof besluit tot het hanteren van de methode van vermogensvergelijking, gepersisteerd bij de eerder gedane verzoeken om te horen als getuigen: [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4], [getuige 5], [getuige 6] en [getuige 7]. Niet is gepersisteerd bij eerder gedane verzoeken tot het horen van andere getuigen. Het verzoek tot het horen van [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4] en [getuige 6] wordt afgewezen reeds omdat zij in een eerder stadium van de procedure in de onderhavige zaak zijn gehoord, bij welk verhoor de verdediging in de gelegenheid is gesteld genoemde getuigen te ondervragen. Het hof merkt hierbij op dat de getuigen zijn gehoord nadat de voorzitter van het Gerechtshof te Amsterdam op de terechtzitting van 15 december 2000 had opgemerkt dat het hof zich nog niet zal uitlaten over de vraag langs welke lijn(
- en)het onderzoek in de zaak zich zal bewegen en welke methode(
- n)ter vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal of zullen worden toegepast, doch vóór het tijdstip van 18 april 2001, waarop de voorzitter van het Gerechtshof te Amsterdam ter terechtzitting heeft meegedeeld dat voor het hof de vermogensvergelijking niet geschikt leek om een rol te kunnen vervullen in deze procedure. Derhalve had het op de weg van de verdediging gelegen bij die verhoren de nodige vragen te stellen in verband met een mogelijke voordeelberekening door middel van vermogensvergelijking. Het verzoek tot het horen van [getuige 5] en [getuige 7] wordt eveneens afgewezen. Het hof begrijpt deze verzoeken aldus, dat de hiervoor genoemde getuigen de stelling van de verdediging, ondersteund door de verklaring van de getuige [getuige 1], zouden kunnen bevestigen dat voorafgaand aan het tijdstip waarop het beginvermogen moet worden vastgesteld, aanzienlijke geldsommen in handen of in de omgeving van de veroordeelde zijn waargenomen, alsmede zouden kunnen verklaren over de omvang van de geldsommen. Het hof merkt daarover op dat het aannemelijk acht dat er in de betreffende periode veel geld dat in handen van de veroordeelde is geweest, is omgegaan, gewisseld en door derden bewaard. Een en ander zegt echter niets over het beginvermogen van de veroordeelde. Het hof is van oordeel dat, nu zijdens de veroordeelde met betrekking tot de meergenoemde getuigen op geen enkele wijze is geconcretiseerd op welke grond en op welke wijze zij over de vorenbedoelde vermogenspositie van de veroordeelde zouden kunnen verklaren, het verzoek onvoldoende is onderbouwd. In het licht van het bovenstaande is het hof van oordeel dat veroordeelde door het niet horen van deze getuigen redelijkerwijs niet in zijn verdedigingsbelang wordt geschaad. Ook overigens zijn de bovenstaande verzoeken van de verdediging betreffende het horen van getuigen, mede in het licht van de door het openbaar ministerie aan zijn vordering ten grondslag gelegde financiële gegevens, onvoldoende gemotiveerd (Vgl. Hoge Raad, 25-06-2002, LJN: AD8950)." 19. De primaire klacht die in het middel wordt geformuleerd is dat - nu het Hof de verdediging onvoldoende in de gelegenheid heeft gesteld om tegenbewijs aan te dragen - niet voldaan is aan de tweede voorwaarde die de Hoge Raad in zijn arrest van 8 mei 2002, NJ 2003, 96 aan het gebruik van de methode van vermogensvergelijking heeft gesteld (zie hiervoor onder 2). Die klacht komt mij niet gegrond voor. Genoemde voorwaarde heeft betrekking op de stijging van het vermogen gedurende de onderzochte periode en meer in het bijzonder op de vraag hoe die stijging moet worden verklaard. De onderhavige verzoeken tot het horen van getuigen hebben geen van alle op die vraag betrekking. Het gaat daarbij, afgaande op hetgeen daaraan als motivering ten grondslag is gelegd, uitsluitend en alleen om de vaststelling van het beginvermogen (het vermogen op 1 maart 1989). Daarom faalt de primaire klacht. 20. De vaststelling van het beginvermogen wordt bestreken door de door de Hoge Raad als eerste gestelde voorwaarde, namelijk dat het moet gaan om een beredeneerde vermogensvergelijking die gebaseerd is op wettige bewijsmiddelen (zoals een SFO-rapport). Dat aan die voorwaarde niet is voldaan, wordt door de steller van het middel terecht niet aangevoerd. Dat brengt mij tot de conclusie dat er vanuit mag worden gegaan dat voldaan is aan de specifieke eisen die voor de vermogensvergelijking gelden. 21. Naast deze specifieke eisen staan uiteraard de algemene eisen die kunnen worden ontleend aan het stelsel van bewijsvoorschriften dat voor elke vorm van voordeelsontneming geldt. Tot dat stelsel behoort het principe van de redelijke bewijslastverdeling, waarbij de verdediging de mogelijkheid heeft om het door het openbaar ministerie aangedragen bewijs en hetgeen op grond daarvan voorshands aannemelijk lijkt, te ontzenuwen. Dat geldt, in gevallen waarin de methode van vermogensvergelijking wordt toegepast, ook met betrekking tot de vaststelling van het beginvermogen. Indien de verdediging in dat kader getuigen wenst te doen horen, geldt hetgeen in het reeds onder 6 genoemde arrest van de Hoge Raad van 25 juni 2002 (NJ 2003, 97) te dien aanzien is overwogen. 22. Dat brengt mij op de subsidiaire klacht van het middel, namelijk dat het Hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, de verzoeken van de verdediging om een zestal getuigen te horen, heeft afgewezen. Het middel klaagt over de afwijzing van deze verzoeken zonder daarbij een specifiek moment in het proces aan te wijzen. In aanmerking genomen dat het getuigenverzoek waarop het Hof bij zijn eindbeslissing heeft beslist betrekking heeft op alle in het middel genoemde getuigen en aan dit verzoek door de verdediging de breedste motivering ten grondslag is gelegd, meen ik haar niet tekort te doen door mijn bespreking te concentreren op de afwijzende beslissing op dat verzoek. Dat sluit ook aan bij de deelklachten in de toelichting op het middel, die grotendeels aangrijpen op 's Hofs ter motivering van de afwijzing van dit verzoek gegeven overwegingen. 23. Bij die beslissing heeft het Hof de juiste maatstaf aangelegd, te weten of veroordeelde door het achterwege blijven van dagvaarding of oproeping van die getuigen redelijkerwijs in zijn verdediging wordt geschaad.