Griffienr. 00829/06 Mr. Wortel Zitting:16 januari 2007 Conclusie inzake: [Verzoeker = verdachte] 1. Dit cassatieberoep betreft een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch waarbij verzoeker wegens "overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994" is veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden. Voorts heeft het Hof de tenuitvoerlegging gelast van een eerder voorwaardelijk aan verzoeker opgelegde ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van één jaar. 2. Namens verzoeker heeft mr J.L.E. Marchal, advocaat te Maastricht, een schriftuur houdende cassatiemiddelen ingediend. 3. Het eerste middel klaagt over schending van art. 338 Sv in verband met art. 39, tweede lid, van de Overeenkomst ter uitvoering van het Schengen-Accoord (hierna SUO, Trb 1990, 145, sindsdien meermalen gewijzigd, laatstelijk Trb 2005, 253), doordien het Hof de inhoud van twee door Belgische opsporingsambtenaren opgestelde processen-verbaal tot bewijs heeft gebruikt - in de vorm van "andere geschriften" als bedoeld in art. 344, eerste lid onder 5o Sv - maar niet blijkt dat de Belgische autoriteiten de in het tweede lid van art. 39 SUO vereiste toestemming hebben gegeven. 4. Naast de twee zojuist bedoelde (afschriften van) Belgische processen-verbaal is een proces-verbaal van Nederlandse opsporingsambtenaren voor het bewijs gebruikt. Uit deze bewijsmiddelen kan het volgende worden afgeleid. Verzoeker heeft een avond en een deel van de nacht bier zitten drinken in het Nederlandse Meers. Vandaar uit is hij met zijn auto teruggereden naar zijn toenmalige woonplaats Maasmechelen, in België. Dat was althans verzoekers bedoeling, maar in het Nederlandse Stein heeft verzoeker een geparkeerd staande auto geramd. Hij is doorgereden, maar zijn eigen auto had zodanige schade opgelopen dat hij haar onderweg moest laten staan. De politie te Maasmechelen kreeg een melding dat een beschadigde auto onbeheerd was achtergelaten en achterhaalde dat die auto bij verzoeker in gebruik was. Verzoeker heeft zich desgevraagd aan het politiebureau in Maasmechelen gemeld, alwaar hij is verhoord en een alcoholtest heeft ondergaan. Verzoeker verklaarde over zijn cafébezoek, en gaf voorts te kennen dat hij onderweg had bemerkt dat de voorbumper van zijn auto loshing, waarna hij de auto had achtergelaten. De politie te Maasmechelen heeft bij Nederlandse collega's geïnformeerd of daar iets bekend was over een aanrijding. 5. Er kan vanuit worden gegaan dat de Nederlandse politie door laatstbedoelde vragen van de Belgische politie heeft achterhaald dat verzoeker de aanrijding in Stein heeft veroorzaakt. Er kan ook vanuit worden gegaan (en de aan de Hoge Raad toegezonden stukken - waarvan de korte inhoud ter terechtzitting van het Hof ter sprake is geweest - bevestigen zulks) dat de Belgische politie afschrift van haar processen-verbaal desgevraagd ter beschikking van de Nederlandse justitie heeft gesteld. 6. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat, nu er geen sprake is van een overgenomen strafvervolging, en art. 552gg Sv dus niet toepasselijk is, art. 39, tweede lid, SUO niet toestaat dat de desgevraagd ter beschikking gestelde afschriften van processen-verbaal voor het bewijs worden gebruikt, aangezien niet blijkt dat de Belgische autoriteiten daar nadrukkelijk toestemming voor hebben gegeven. 7. De eerste twee leden van art. 39 SUO luiden: 1. De Overeenkomstsluitende Partijen verbinden zich ertoe dat hun politiediensten elkaar, met inachtneming van het nationale recht binnen de grenzen van hun bevoegdheden, wederzijds bijstand verlenen ten behoeve van de voorkoming en opsporing van strafbare feiten, voor zover het doen of behandelen van een verzoek naar nationaal recht niet aan de justitiële autoriteiten is voorbehouden en voor het inwilligen van het verzoek door de aangezochte Overeenkomstsluitende Partij geen dwangmiddelen behoeven te worden toegepast. Wanneer de aangezochte politie-autoriteiten tot de afdoening van een verzoek niet bevoegd zijn, zenden zij dit aan de bevoegde autoriteiten door. 2. Schriftelijke informatie die krachtens het bepaalde in lid 1 door de aangezochte Overeenkomstsluitende Partij wordt verstrekt, kan door de verzoekende Overeenkomstsluitende Partij slechts met toestemming van de bevoegde justitiële autoriteiten van de aangezochte Overeenkomstsluitende Partij als bewijsmiddel voor het ten laste gelegde feit worden aangewend. 8. Kennisneming van de stukken betreffende het vooronderzoek, die aan de Hoge Raad zijn toegezonden, leert dat de processen-verbaal van de politie te Maasmechelen in Nederland zijn terecht gekomen door tussenkomst van het parket van de procureur des Konings te Tongeren. 9. Daarom meen ik dat het tweede lid van art. 39 SUO in dit geval niet toepasselijk is. 10. Voor geval daarover anders geoordeeld zou moeten worden merk ik nog het volgende op. De toepassing van art. 39, tweede lid, SUO is bij mijn weten in de Nederlandse rechtspraak nog niet aan de orde geweest, maar ik heb niet de indruk dat deze bepaling is opgenomen ter bescherming van bepaalde belangen van een verdachte. Zij lijkt veeleer de handhavingsbepalingen van de aangezochte Staat te dienen. De enkele omstandigheid dat bepaalde door de politie verzamelde of opgestelde bescheiden, zoals in dit geval een proces-verbaal van verhoor van degene die werd vermoed zich aan een strafbaar feit te hebben schuldig gemaakt, desgevraagd aan een buitenlandse justitiële autoriteit is toegezonden, doet reeds vermoeden dat de aangezochte autoriteiten er geen bezwaar tegen hebben dat de toegezonden bescheiden een bewijsbestemming krijgen. Daarbij moet worden bedacht dat de aangesloten landen willen voorkomen dat het tweede lid van art. 39 SUO een voorvarende afdoening van strafzaken in de weg staat. Blijkens een Besluit van het Uitvoerend Comité van 28 april 1999 betreffende de verbetering van de politiële samenwerking bij de voorkoming en opsporing van stafbare feiten (Publicatieblad Nr L 239, 22 september 2000, p. 0421 - 0423) kan de voor bewijsgebruik vereiste toestemming met alle beschikbare communicatiemiddelen worden verzocht en gegeven, mits die communicatie maar een schriftelijk spoor van de verzender nalaat. Voor zover men in dit geval al zou moeten spreken van informatie die een opsporingsinstelling rechtstreeks heeft verschaft, geven de stukken betreffende de toezending van de processen-verbaal van de politie te Maasmechelen naar mijn inzicht voldoende duidelijkheid omtrent degene die klaarblijkelijk heeft bewilligd in het gebruik tot bewijs. 11. Het middel is tevergeefs voorgesteld. 12. Het tweede middel bevat de klacht dat de door de politie te Maasmechelen opgenomen verklaring van verzoeker tot bewijs is gebruikt in de vorm van een "ander geschrift" als bedoeld in art. 344, eerste lid onder 5o Sv, terwijl dit derde bewijsmiddel niet het in deze bepaling verlangde verband vertoont met de twee andere bewijsmiddelen. 13. Blijkens de toelichting op het middel moet de klacht aldus worden begrepen dat de twee andere bewijsmiddelen in een belangrijk opzicht, te weten de omstandigheid dat verzoeker degene is geweest die de aanrijding in Stein heeft veroorzaakt, steunen op het derde bewijsmiddel, terwijl zij geen uit andere bron afkomstige gegevens bevatten die de wettelijk vereiste steun aan het laatste bewijsmiddel kunnen geven. 14. Het komt mij voor dat de klacht moet falen, aangezien bewijsmiddel 1 in ieder geval de uit andere bron afkomstige gegevens bevat dat
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.