Nr. 01232/06 Mr. Vellinga Zitting: 13 februari 2007 Conclusie inzake: [verdachte]
(3), NJ 2003, 218). 13. De vraag dient nog onder ogen te worden gezien in hoeverre art. 6 lid 1, aanhef en onder d, in bevoegdheid van de Koninklijke Marechaussee ten opzichte van niet-militairen kan voorzien. Daartoe is van belang hetgeen de Hoge Raad overwoog in zijn arrest van 16 mei 2000, NJ 2001, 501: "3.2.2. Uit het voorgaande volgt dat voor de vraag of de verbalisant [verbalisant 3] tot opsporing bevoegd was bepalend is of hij toen werkzaam was in de uitoefening van een van de bij art. 6 van de Politiewet 1993 opgedragen taken, meer in het bij zonder of er sprake was van een taakuitoefening zoals omschreven in art. 6, eerste lid onder d. 3.3.1. Bij de Wet van 14 december 1988, Stb. 576, zijn de taken van de Marechaussee in art. 32 van de inmiddels vervallen Politiewet opgenomen. Onder die taken vermeldde die bepaling voorzover hier van belang onder c: "de verlening van bijstand". Onder bijstand in de zin van genoemde bepaling moet, mede gelet op de wetsgeschiedenis, worden verstaan het in bijzondere gevallen in personele of materiële zin ondersteunen van de reguliere politie in de vervulling van haar taken. Het wetsvoorstel voorzag aanvankelijk alleen in bijstand op het terrein van de handhaving van de openbare orde, doch bij Nota van wijziging is die beperking in het voorgestelde art. 32 vervallen, opdat die bepaling mede als grondslag zou kunnen dienen voor bijstand in het kader van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde (Kamerstukken II, 1987-1988, nr 19 535, nr 6). De Politiewet bevatte in artikel 50a een procedure voor het verlenen van opsporingsbijstand door de Marechaussee, waaromtrent door de Minister van Justitie in overeenstemming met de Minister van Defensie diende te worden beslist. 3.3.2. Het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Politiewet 1993 hield voor wat betreft de taak van de Marechaussee voorzover hier van belang in art. 6, eerste lid onder d, in: "de verlening van bijstand alsmede de samenwerking met de politie krachtens deze wet". Aan de vermelding van de bijstandstaak is dus toegevoegd die van samenwerking met de reguliere politie. Kennelijk is met die toevoeging bedoeld de samenwerking van de Marechaussee met de reguliere politie voorzover deze aan de orde kan komen en geïndiceerd is bij de uitvoering van de eigen (politie)taken door de Marechaussee. Dat kan ook worden afgeleid uit de Memorie van Toelichting welke een verwijzing bevat naar art. 10, waarin, aldus die Memorie, "alle politieambtenaren worden opgeroepen eendrachtig samen te werken bij de uitvoering van hun taak", en welke Memorie van Toelichting voorts houdt een - niet limitatieve - opsomming van voor beelden waarin zodanige samenwerking gestalte heeft gekregen of kan krijgen (Kamerstukken II, 1991-1992, 22 562, nr 3 blz. 50; vgl. ook Kamerstukken I, 1992-1993, 22 562, nr 247b, blz. 14). 3.3.3. Bij amendement van de leden van de Tweede Kamer Van der Heijden en Stoffelen is aan het voorgestelde art. 6, eerste lid onder d, toegevoegd de zinsnede "daaronder begrepen de assistentiever lening aan de politie bij de bestrijding van grensoverschrijdende criminaliteit". De toelichting op dat amendement (nr. 23) luidt als volgt: "Met de aanvaarding van de motie-Gualthérie "van Weezel/De Hoop Scheffer (22.140, nr 20) "heeft de Kamer uitgesproken dat voor de "Koninklijke Marechaussee een taak is weggelegd "in het kader van de bestrijding van de "grensoverschrijdende criminaliteit. Dit ter "compensatie van het wegvallen van de "binnengrenzen. Met dit amendement wordt beoogd "dit duidelijk vast te leggen". In genoemde motie, aangenomen ter gelegenheid van de behandeling van het wetsvoorstel strekkende tot goed keuring van de Schengenuitvoeringsovereenkomst, werd onder meer gesteld dat de taak van de Marechaussee mede zou moeten bestaan uit enige vorm van toezicht aan de binnengrenzen ter bestrijding van de grensoverschrijdende criminaliteit. 3.3.4. Bij de mondelinge behandeling van het amendement heeft het lid van de Tweede Kamer Van der Heijden, nadat hij had opgemerkt dat het de bedoeling was met dat amendement vast te leggen dat de Schengentaak zowel onder het gezag van de politie als door de Marechaussee uitgeoefend kon worden, de vraag aan de orde gesteld of een en ander met de term "assistentieverlening" goed was uitgedrukt. De Minister heeft daarop geantwoord dat het niet de bedoeling is dat er in de grensregio's twee soorten politie gaan opereren, doch dat de Marechaussee meewerkt aan de vervulling van de politietaak in de regio's, dat het amendement aanhaakt aan art. 6, eerste lid onder d, waar gesproken wordt over "bijstand", alsmede dat het begrip "assistentie-verlening" equivalent is aan "bijstand". (Handelingen II 1992-1993, UCV 20, blz. 20-4). 3.4. Deze uitlatingen roepen de vraag op of de Minister van Justitie daarmee heeft bedoeld te zeggen:
- a)dat de hier bedoelde assistentieverlening alleen verricht kan worden in de vorm van bijstand in die zin dat daarvoor de procedure van art. 58 Politiewet 1993 moet worden gevolgd, zodat de Minister van Justitie na overleg met de Minister van Defensie daaromtrent beslist, of
- b)dat bij het amendement weliswaar een eigen taak aan de Marechaussee is toebedeeld bij de bestrijding van de grensoverschrijdende criminaliteit, doch dat deze slechts in samenwerking met de reguliere politie mag worden uitgeoefend. 3.5. Hoewel de opmerkingen van de Minister van Justitie op zichzelf beschouwd in eerstgenoemde richting wijzen, dient in aanmerking te worden genomen dat deze een reactie waren op de uitlating van het lid der Tweede Kamer Van der Heijden dat de Schengen taak zowel onder het gezag van de politie als door de Marechaussee uitgeoefend kon worden, welke uitlating de mogelijkheid openhoudt van een zelfstandig optreden van de Marechaussee op het terrein van de bestrijding van de grensoverschrijdende criminaliteit. 3.6. Tegen de hiervoor onder 3.4 onder
- a)vermelde opvatting pleit vooreerst de tekst van het artikelonderdeel nu daarin wordt gesproken van "bijstand alsmede samenwerking met de politie krachtens deze wet, daaronder begrepen de assistentiever lening aan de politie bij de bestrijding van de grensoverschrijdende criminaliteit". Indien die assistentieverlening onder de bijstand in formele zin zou moeten worden begrepen zou het, in aanmerking genomen dat de begrippen bijstand en samenwerking, zoals hiervoor overwogen, een verschillende inhoud hebben en in de bepaling eerst de bijstand en daarna de samenwerking is genoemd, voor de hand hebben gelegen de desbetreffende bijzin direct na het woord "bijstand" in te voegen. Verder zou het amendement indien de hier bedoelde assistentieverlening (reeds) onder de bijstand in formele zin valt en dus slechts ingevolge de procedure van art. 58 Politiewet 1993 kan worden verleend, geen toegevoegde waarde en dus geen zin gehad hebben. Opmerking verdient verder dat bijstand naar luid van art. 58 Politiewet 1993 slechts in bijzondere gevallen kan worden verleend. Genoemde opvatting is voorts in strijd met de strekking van het amendement, zoals dat voortbouwde op de motie Gualthérie van Weezel/De Hoop Scheffer, die er juist op gericht was om de Marechaussee in het licht van de veranderingen die de Schengenuitvoeringsovereenkomst en het vervallen van de controle aan de binnengrenzen met zich meebrachten, een eigen taak op het terrein van de grensoverschrijdende criminaliteit te geven. 3.7. Gelet op hetgeen hiervoor onder 3.6 is over wogen, waartegen niet kan opwegen hetgeen hiervoor onder 3.3 uit de wetsgeschiedenis is weergegeven, moet worden aangenomen dat op het terrein van grensoverschrijdende criminaliteit aan de Marechaus-see door dat amendement een eigen taak is toebedeeld, zij het dat die taak niet zelfstandig kan worden uitgeoefend, doch alleen bij wijze van assistentieverlening in samenwerking met de politie. Dat brengt mee dat van bijstand in de zin van art. 58 Politiewet 1993 geen sprake is. De primaire klacht van het middel faalt derhalve. 14. Uit het voorgaande, in het bijzonder rov. 3.3.1. 3.4 en 3.6, volgt dat met bijstand in art. 6 lid 1, aanhef en onder d, Politiewet 1993 is bedoeld de bijzondere bijstand als voorzien in art. 58 Politiewet 1993. Ingevolge lid 2 van die bepaling is daarvoor vereist een besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken voor zover het gaat om bijstand bij de handhaving van de openbare orde, van de Minister van Justitie in geval de bijstand het verrichten van taken ten dienste van justitie behelst. 15. Voorts vloeit uit het hiervoor aangehaalde arrest, in het bijzonder rov. 3.3.2, voort dat voor zover art. 6 lid 1, aanhef en onder d, Politiewet 1993 spreekt van samenwerking met de politie, het gaat om gevallen waarin sprake is van uitvoering van een eigen politietaak door de Marechaussee. Dit betekent dat art. 6 lid 1, aanhef en onder d, Politiewet 1993 in zoverre geen zelfstandige bevoegdheidscheppende kracht heeft. Samenwerking op het operationele vlak kan dus geen bevoegdheid scheppen. 16. Opmerking verdient tot slot nog dat thans bij de Tweede Kamer aanhangig is een wetsvoorstel strekkende tot Wijziging van de Politiewet 1993 en het Wetboek van Strafvordering in verband met de taken en bevoegdheden van de Koninklijke Marechaussee en de bijstand aan de Koninklijke Marechaussee.
(4)Dit wetsvoorstel houdt een wijziging van art. 141 onder c Sv in, waardoor - aldus de memorie van toelichting - daartoe aangewezen militairen van de Koninklijke Marechaussee tot de opsporing van alle strafbare feiten bevoegd worden. Tegelijk wordt in art. 6, eerste lid van de Politiewet 1993 de Koninklijke Marechaussee de bestrijding van mensensmokkel en fraude met reis- en identiteitsdocumenten opgedragen, terwijl tevens het vierde lid van art. 6 zo wordt gewijzigd dat het komt te luiden: "Hoewel bevoegd tot de opsporing van alle strafbare feiten, onthoudt de militair van de Koninklijke marechaussee die is aangewezen krachtens artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, zich van optreden anders dan in het kader van de uitoefening van zijn politietaken, bedoeld in het eerste lid."
- In de memorie van toelichting op het voorstel schrijven de Ministers daarover: "Naast de uitvoering van haar militaire taken is de Koninklijke marechaussee (KMar) belast met een aantal belangrijke civiele politietaken, die zijn opgesomd in artikel 6 van de Politiewet
- Zo is de KMar onder meer belast met beveiligingstaken ten behoeve van de leden van het koninklijk huis, met de politietaak op de luchthaven Schiphol en op een aantal andere luchtvaartterreinen en met de uitvoering van taken krachtens de Vreemdelingenwet
- Sedert de inwerkingtreding van de Politiewet 1993 is in deze taken en de daarbij behorende bevoegdheden geen wezenlijke verandering meer aangebracht. Inmiddels is gebleken dat er op een aantal onderdelen, gerelateerd aan de bevoegdheden van de KMar, onduidelijkheid bestaat. In de eerste plaats gaat het daarbij om de opsporingsbevoegdheid. Anders dan de opsporingsbevoegdheid van politieambtenaren, die algemeen en onbeperkt is, is de opsporingsbevoegdheid van de militairen van de KMar weliswaar algemeen, maar niet onbeperkt: zij is gebonden aan de uitvoering van de wettelijke taken van de KMar. Dit leidt in de praktijk tot een ingewikkeld stelsel, waardoor het niet altijd duidelijk is hoever de opsporingsbevoegdheid en de bevoegdheid tot optreden van de militairen van de KMar strekt.(...) Opsporingsbevoegdheid Politieambtenaren hebben krachtens artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) een algemene en onbeperkte - niet aan persoon of plaats gebonden - opsporingsbevoegdheid. Zij zijn bevoegd hun taak uit te oefenen in het gehele land, maar dienen zich in beginsel te onthouden van optreden buiten het gebied van hun aanstelling (artikel 7 van de Politiewet 1993). De rechtmatigheid van het optreden kan derhalve niet ter discussie worden gesteld, ook niet als een politieambtenaar in strijd met artikel 7, tweede lid, van de Politiewet 1993 buiten het gebied van zijn aanstelling is opgetreden. Artikel 7, tweede lid, van de Politiewet 1993 moet worden gelezen als een instructienorm, gericht op de individuele politieambtenaar. Voor de militairen van de KMar geldt een andere regeling. De opsporingsbevoegdheid van de militairen van de KMar is algemeen, maar niet onbeperkt. Zij geldt krachtens artikel 141, onder c, Sv slechts voor de door de Minister van Justitie in overeenstemming met de Minister van Defensie te bepalen gevallen. Dit is nader uitgewerkt in de Aanwijzingsbeschikking opsporingsambtenaren Koninklijke marechaussee. De opsporingsbevoegdheid van de aangewezen militairen van de KMar is beperkt tot "alle gevallen waarin zij werkzaam zijn in de uitoefening van de taken welke hun zijn opgedragen bij artikel 6 Politiewet 1993 of andere wetten". Dit betekent dat de opsporingsbevoegdheid van de militairen van de KMar soms territoriaal beperkt is (bijvoorbeeld de uitoefening van de politietaak op Schiphol), soms beperkt is tot bepaalde personen (bijvoorbeeld de uitoefening van de militaire politietaak) en soms beperkt is tot bepaalde strafbare feiten (indien zij door het uitvoeren van een van hun taken op het spoor komen van een strafbaar feit dat verband houdt met die taak). In aanvulling op artikel 141 Sv bepaalt artikel 6, vierde lid, van de Politiewet 1993 dat de militair van de KMar die opsporingsbevoegdheid heeft, bevoegd is tot optreden indien hij bij de uitoefening van zijn politietaken op strafbare feiten stuit. Hiermee wordt gedoeld op het geval dat een militair van de KMar bij de uitoefening van zijn taak een strafbaar feit op het spoor komt dat geen verband houdt met die taak (een "toevalstreffer"). In dat geval mag hij direct optreden, maar moet hij de afhandeling van de zaak zo spoedig mogelijk aan de politie overdragen. Zoals blijkt uit het voorgaande, is de regeling omtrent de opsporingsbevoegdheid en de bevoegdheid tot optreden van militairen van de KMar ingewikkeld en ondoorzichtig. In de dagelijkse praktijk wordt de bevoegdheid tot optreden soms met succes bij de rechter aangevochten. Het gevolg daarvan is dat militairen van de KMar bij twijfel over de vraag of zij in een voorkomend geval over opsporingsbevoegdheid beschikken, zich geplaatst zien voor de keuze tussen onbevoegd optreden of afzien van optreden waar ingrijpen uit maatschappelijk oogpunt wel gewenst zou zijn. Zo zal het in de huidige tijdgeest maatschappelijk onaanvaardbaar worden geacht wanneer een militair van de KMar, geüniformeerd op weg naar zijn dienst, niet zou optreden tegen een ernstig geweldsdelict waar hij onderweg op stuit. Om aan deze onduidelijkheid een eind te maken, wordt in het wetsvoorstel voorgesteld de (algemene) opsporingsbevoegdheid van de KMar niet langer te beperken tot bepaalde gebieden, personen of strafbare feiten. De KMar komt dan voor wat betreft haar opsporingsbevoegdheid in dezelfde positie te verkeren als de politie en een aantal bijzondere opsporingsdiensten zoals de Algemene Inspectiedienst, Dienstonderdeel Opsporing, van het Ministerie van LNV en de Belastingdienst/FIOD-ECD. Artikel 141 Sv wordt hiertoe gewijzigd. Het opheffen van de bestaande beperkingen in de opsporingsbevoegdheid van de KMar heeft overigens uitdrukkelijk niet tot doel de politietaak van de KMar uit te breiden. De politietaken van de KMar zijn en blijven limitatief opgesomd in artikel 6, eerste lid, van de Politiewet
- In het nieuwe artikel 6, vierde lid, wordt daarom - naar analogie van artikel 7, tweede lid, van de Politiewet 1993 voor wat betreft de politie - vastgelegd dat een krachtens artikel 141 Sv aangewezen militair van de KMar, hoewel bevoegd tot de opsporing van alle strafbare feiten, zich onthoudt van optreden anders dan in het kader van de uitoefening van zijn politietaken. Daarmee wordt uitgedrukt dat bij het overtreden van dit voorschrift weliswaar de rechtmatigheid van het optreden van de militair van de KMar niet kan worden aangevochten, maar wel wordt gehandeld in strijd met de instructienorm zich van optreden te onthouden anders dan in het kader van de uitoefening van zijn politietaken. Het niet-inachtnemen van die instructienorm kan disciplinaire repercussies hebben."