Nr. 02496/06 Mr. Bleichrodt Zitting 17 april 2007 Conclusie inzake: [verdachte]
(1)Daarbij kan worden gedacht aan binnen de beroepstermijn verstrekte ambtelijke informatie waardoor bij de verdachte de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat de beroepstermijn op een ander tijdstip aanvangt of aan een zodanige psychische gesteldheid dat in verband daarmee het verzuim tijdig hoger beroep in te stellen niet aan de verdachte kan worden toegerekend. 3.6. In de schriftuur wordt onder verwijzing naar een bijgevoegde brief van de moeder van verdachte aangevoerd dat (
- i)verdachte, anders dan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep vermeldt, op de dag waarop de zaak in eerste aanleg werd behandeld ziek was, dat hij tevoren telefonisch contact had opgenomen met de griffie van de Rechtbank en hem toen is medegedeeld dat hij bericht zou krijgen van de uitspraak omdat hij ter terechtzitting niet aanwezig zou zijn; (
- ii)de moeder van verdachte binnen de beroepstermijn bij de griffie van de Rechtbank herhaaldelijk heeft geïnformeerd hoe de zaak in eerste aanleg was afgelopen; (iii) zij toen telkens geen uitsluitsel kon krijgen omdat de uitspraak nog niet in de computer was geregistreerd en haar is medegedeeld dat de verdachte schriftelijk bericht kon afwachten, waarna hij alsnog binnen veertien dagen in beroep zou kunnen gaan; (
- iv)dat een medewerkster van de griffie op 30 september 2005 haar de uitspraak kon mededelen en dat verdachte de dag daarop per brief, die overigens is gedateerd op 18 september 2005 maar is ingekomen op 4 oktober 2005, heeft doen weten hoger beroep te willen instellen. 3.7. Wat in cassatie wordt aangevoerd komt er dus op neer dat de griffie van de Rechtbank enerzijds niet de nodige informatie over de uitspraak
(2)heeft verschaft (kon verschaffen) op een moment dat de verdachte daar wel aanspraak op kon maken met het oog op de vraag of hij hoger beroep zou instellen. Anderzijds zou zijn medegedeeld dat een schriftelijk bericht over de uitspraak van de Kantonrechter kon worden afgewacht, waarna alsnog hoger beroep zou kunnen worden ingesteld, terwijl dat laatste in deze zaak, waarin de beroepstermijn op de dag van de uitspraak van de Kantonrechter was gaan lopen, niet het geval was. De dagvaarding in eerste aanleg was weliswaar niet in persoon betekend, maar, naar het Hof niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld en in cassatie ook niet wordt tegengesproken, de verdachte was wel op de hoogte gekomen van de dag van de terechtzitting van de Kantonrechter. Hoe dat laatste ook zij de gang van zaken betreffende (het gebrek aan) informatie zoals die wordt geschetst, zou op zichzelf het onderzoeken waard zijn. 3.
- Maar voor een zodanig onderzoek van de feiten is in cassatie geen plaats. In cassatie kan niet met vrucht ter ondersteuning van een standpunt voor het eerst een beroep worden gedaan op bepaalde feiten die niet vaststaan en waarop in feitelijke aanleg geen beroep is gedaan. Als wat nu in cassatie wordt aangevoerd, door de verdachte op de terechtzitting van het Hof naar voren zou zijn gebracht, zou het Hof het aangevoerde hebben behoren te onderzoeken en indien dat aannemelijk zou worden de verdachte hebben moeten ontvangen in het hoger beroep. Maar de verdachte heeft toen daarover niets aangevoerd. Het gaat in cassatie in een geval als dit tenslotte om de beoordeling van de uitspraak van het Hof, meer in het bijzonder om de vraag of zijn beslissing naar behoren is gemotiveerd. Het Hof is, zoals in cassatie gelet op het proces-verbaal van de terechtzitting moet worden aangenomen (en in de cassatieschriftuur trouwens in feite wordt bevestigd), door verdachte niet geattendeerd op de gang van zaken in eerste aanleg en bij het instellen van het hoger beroep, zoals die nu in cassatie naar voren is gebracht. 3.
- Het eerste middel stelt zich echter op het standpunt dat het Hof eigener beweging een onderzoek had moeten instellen naar de mogelijkheid dat de overschrijding van de appe`ltermijn verontschuldigbaar was. Aangevoerd wordt dat het Hof de verdachte, die niet werd bijgestaan door een raadsman, had moeten uitleggen waarom hij, naar het zich liet aanzien, met zijn beroep te laat was en hem had moeten vragen of er bepaalde redenen waren waarom het hoger beroep niet eerder was ingesteld. 3.
- Op zichzelf ligt het voor de hand dat bij het onderzoek ter terechtzitting niet wordt volstaan met de vaststelling dat de verdachte tevoren met de dag van de terechtzitting in eerste aanleg bekend was, maar dat tevens ter terechtzitting ter sprake wordt gebracht, dat de consequentie daarvan is dat - behoudens bijzondere omstandigheden - het beroep te laat is ingesteld indien het niet binnen veertien dagen na de einduitspraak is aangetekend. Het proces-verbaal van de terechtzitting vermeldt inderdaad niet met zoveel woorden dat het Hof die consequentie aan de orde heeft gesteld, maar wel dat de Advocaat-Generaal heeft gerekwireerd tot niet ontvankelijkheid van het beroep en dat niet blijkt dat verdachte daar iets tegenin heeft gebracht. Als de Advocaat-Generaal al niet uitdrukkelijk als reden heeft genoemd dat het beroep niet tijdig na de uitspraak van de Kantonrechter is ingesteld, kan men zich afvragen of die reden niet min of meer voor de hand lag. Uit de bij de cassatieschriftuur gevoegde brief van de moeder van verdachte zou kunnen worden afgeleid dat zij dat probleem in ieder geval wel heeft onderkend. Het spreekt verder vanzelf dat een verantwoorde beslissing over het al dan niet instellen van hoger beroep niet kan worden genomen indien de uitspraak in eerste aanleg niet bekend is en te bestemder plaatse ook niet tijdig informatie daarover kan worden verkregen. Een enkele opmerking daarover van de verdachte zou het Hof hebben genoopt een nader onderzoek in te stellen. 3.
- Hoe dat ook zij, nu geen verweer is gevoerd kan niet worden gezegd dat 's Hofs beslissing ontoereikend is gemotiveerd. Anders dan het middel voorstaat, was het Hof, gelet op het verhandelde ter terechtzitting, mijns inziens namelijk niet gehouden ambtshalve een nader onderzoek in te stellen naar de vraag of een van de uitzonderingen op hoofdregel dat het beroep binnen veertien dagen had moeten worden ingesteld, van toepassing was. Dat verdachte in hoger beroep niet van rechtsbijstand was voorzien was een eigen keuze van hem en kan aan het voorgaande niet afdoen. Echt bevredigend kan ik deze uitkomst in dit geval niet vinden, maar de beperkingen die zijn verbonden aan de beoordeling in cassatie staan er nu eenmaal aan in de weg dat de Hoge Raad een onderzoek instelt naar pas in die instantie naar voren gebrachte feiten. 3.
- Voor de goede orde merk ik nog op dat de jurisprudentie waarop het middel zich beroept, hier niet van belang is omdat in al die zaken in hoger beroep door de verdachte en/of zijn raadsman was aangevoerd waarom het rechtsmiddel verontschuldigbaar te laat was aangewend.