Griffienr. 01813/06 Mr Wortel Zitting:22 mei 2007 Conclusie inzake: [Verdachte] 1. Dit cassatieberoep betreft een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage waarbij de bovengenoemde persoon (hierna: verdachte) is vrijgesproken van hetgeen hem bij inleidende dagvaarding was tenlastegelegd. 2. Het cassatieberoep is ingesteld door de advocaat-generaal bij het Hof. In een schriftuur die namens dit lid van het Openbaar Ministerie is ondertekend door een andere advocaat-generaal in het ressort 's-Gravenhage, is één cassatiemiddel voorgesteld. 3. Het middel keert zich tegen de afwijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging. Dienaangaande vermeldt het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep: "De advocaat-generaal deelt mede dat zijns inziens de tenlastelegging behoort te worden gewijzigd in dier voege dat aan de verdachte subsidiair zal worden tenlastegelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994 genoemde misdrijf en hij vordert dat die wijziging zal worden toegelaten. De raadsman verzet zich tegen toewijzing van de vordering, omdat als gevolg van de gevorderde wijziging de tenlastelegging niet langer hetzelfde feit - in de zin van artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht - zal inhouden. De advocaat-generaal deelt mede dat als gevolg van de gevorderde wijziging de tenlastelegging materieel niet een ander feit zal inhouden en hij persisteert bij zijn vordering tot wijziging van de tenlastelegging. De hof onderbreekt het onderzoek voor beraadslaging. Na hervatting van het onderzoek deelt het hof bij monde van de voorzitter mede dat de vordering tot wijziging van de tenlastelegging wordt afgewezen, omdat als gevolg van de gevorderde wijziging de tenlastelegging niet langer hetzelfde feit - in de zin van artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht - zou inhouden." 4. Het bij inleidende dagvaarding tenlastegelegde feit is: geen gehoor geven aan het bevel mee te werken aan een bloedonderzoek, nadat het bloedmonster reeds was afgenomen, welk bevel is gegeven op verdenking van het hebben bestuurd van een personenauto onder invloed van de in art. 8 WVW 1994 bedoelde stof. Dat tenlastegelegde feit is als misdrijf strafbaar gesteld in art. 163, negende lid, WVW 1994 in verband met art. 176, derde lid, WVW 1994. 5. De ter terechtzitting van het Hof gedane vordering strekte ertoe hieraan als subsidiair verwijt toe te voegen dat de verdachte zijn auto heeft bestuurd onder zodanige invloed van de in art. 8 WVW 1994 bedoelde stof, te weten alcohol, waarvan het negatief effect op de rijvaardigheid hem bekend was of moest zijn, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moet worden geacht te zijn geweest. Dat feit is eveneens als misdrijf strafbaar gesteld, vgl art. 8, eerste lid, WVW 1994 in verband met art. 176, derde lid, WVW 1994. 6. Door te overwegen dat het tenlastegelegde na toelating van de wijzigingsvordering niet langer hetzelfde feit als bedoeld in art. 68 Sr zou inhouden, heeft het Hof de juiste maatstaf toegepast. 7. De stelling in de toelichting op het middel dat een dergelijk oordeel steeds nadere onderbouwing vergt kan, zo algemeen geformuleerd, niet worden gevolgd. 8. Ter beantwoording van de vraag of het tenlastegelegde na een gevorderde wijziging nog hetzelfde feit in de zin van art. 68 Sr zal inhouden heeft de rechter te onderzoeken "(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.