Nr. 02902/06 Mr. Vellinga Zitting: 19 juni 2007 Conclusie inzake: [verdachte]
(1)9. Noch de tekst van art. 420bis Sr noch de parlementaire geschiedenis van deze bepaling biedt dus enige steun voor het in de toelichting op het middel verwoorde standpunt dat iemand die door oplichting geld verkrijgt, dat niet voorhanden heeft in de zin van het bepaalde in art. 420bis Sr. Anders dan de toelichting op het middel wil is daartoe niet vereist dat de verdachte naast oplichtingshandelingen "witwashandelingen" verricht. Ik wijs in dit verband ook op HR 5 september 2006, LJN AU6712, NJ 2006, 612, m. nt. M.J. Borgers, waarbij werd bepaald, dat de (zuivere dan wel beneficiaire) aanvaarding van een nalatenschap tot gevolg heeft dat de erfgenaam tot de nalatenschap behorende goederen (zaken en vermogensrechten in de zin van art. 420bis, tweede lid, Sr) voorhanden heeft in de zin van die wetsbepaling. Men hoeft voor dat voorhanden hebben dus niets te doen. 10. Uit het voorgaande volgt dat het Hof het verweer op juiste en toereikende gronden heeft verworpen. 11. Het middel faalt. 12. Het tweede middel stelt dat het Hof ten onrechte niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, inhoudende dat bewijsmiddel 6 niet voor het bewijs viel te bezigen. 13. Het middel heeft betrekking op hetgeen verdachtes raadsman als volgt bij pleidooi heeft aangevoerd: "Met betrekking tot de onderzoeken naar de stem voorkomend op diverse telefoongesprekken wordt in het dossier onder X25 door verbalisanten gesteld dat: "Uit de opname van gesprekken bleek, dat telkens een en dezelfde persoon de hoofdgebruiker van telefoonnummer [06-nummer] was". Beluistering van enige gesprekken geeft aan dat er niet sprake is van steeds dezelfde persoon, verder blijft het een subjectieve stemherkenning niet ondersteund door enig technisch onderzoek. Kennelijk zijn de verbalisanten ook niet zo zeker van hun zaak. De verbalisant [verbalisant 1], dezelfde die het proces-verbaal onder X25 mede heeft opgemaakt, verklaart in het dossier onder E1 over diverse telefoongesprekken die zijn gevoerd (gesprekken op 22 januari 2004 te 18.07 uur, 23 januari 2004 te 16.36 uur, 24 januari 2004 te 18.47 uur) dat een van de deelnemers aan de gesprekken (hij wordt genoemd NN1) vermoedelijk de verdachte [verdachte] betreft. Gerefereerd wordt aan enig onderzoek terwijl niet duidelijk is welk onderzoek dit betreft. Dit geeft aan dat de stemherkenningen niet zo consistent en eenduidig zijn zoals in het dossier wordt gesteld. (...) Onder punt 6 wordt de stemherkenning als bewijsmiddel gebruikt weergegeven in het proces-verbaal X25. Gezien de hiervoor genoemde opmerkingen kan deze stemherkenning niet als bewijsmiddel worden gebruikt. Het betreft een zogenaamde subjectieve herkenning die bovendien niet eenduidig is." 14. Het Hof heeft als bewijsmiddel 6 voor het bewijs gebruikt: 6. Een proces-verbaal met nummer NW03/024/37 van 4 februari 2004 in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 1] (X25). Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van verbalisanten: Gedurende de periode van 7 januari 2004 tot en met 3 februari 2004 werden diverse telefoongesprekken gevoerd via telefoonnummer [06-nummer] opgenomen en door ons, verbalisanten, uitgeluisterd. Hieruit bleek dat telkens één en dezelfde persoon de hoofdgebruiker was. Op 2 februari 2004 werd [verdachte] aangehouden. Wij, verbalisanten, hebben met deze verdachte gesproken en ons bleek dat de stem van deze persoon volledig overeenkwam met de persoon die zich in de telefoongesprekken uitgeeft als zijnde [verdachte alias naam 1] (het hof begrijpt: [verdachte alias naam 1]), [verdachte alias naam 2], [verdachte alias naam 3] en [verdachte alias naam 4]. 15. Anders dan het middel wil heeft het Hof hetgeen bij pleidooi is aangevoerd ten aanzien van de bruikbaarheid voor het bewijs van de stemherkenning niet opgevat als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359 lid 2 Sv. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk (vgl. HR 11 april 2006, LJN AU9130, NJ 2006. 393, rov. 3.7.1). De omstandigheid dat beluistering van enige gesprekken leert dat niet steeds dezelfde persoon optrad als gebruiker van telefoonnummer [06-nummer] is niet in strijd met de constatering van de verbalisanten dat een en dezelfde persoon optrad als hoofdgebruiker van dat telefoonnummer. Met dat laatste is immers niet gezegd dat uitsluitend een en dezelfde persoon optrad als gebruiker van dat telefoonnummer. Dan blijft ter onderbouwing van het standpunt dat stemherkenning niet bruikbaar is als bewijsmiddel slechts over dat het hier gaat om een subjectief bewijsmiddel. Die enkele bewering is niet toereikend om genoemd oordeel van het Hof onbegrijpelijk te achten. 16. Het middel faalt. 17. Het derde middel klaagt dat het Hof zonder meer voorbij is gegaan aan het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de verdachte ter zake van de hem onder 4 en 5 tenlastegelegde feiten moest worden vrijgesproken. 18. Aan de verdachte is onder 4 en 5 tenlastegelegd: 4.primair: hij in of omstreeks de periode van 1januari 2003 tot en met 31 december 2003 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, en/of verdachtes mededader(
- s)meermalen geldbedragen tot een totaal van ongeveer 1.682.952,41 euro - (zaak 10, 11 en 18, Fl4 en F 15, X43) (bestaande uit: 1, 8.500 euro, althans een geldbedrag, afkomstig van [benadeelde partij 1], omstreeks 4 december 2003 ontvangen op een Postbankrekening van de Stichting [A] (zaak 10/ Fl4) en/of (...) althans een of meer geldbedragen, verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(
- s)wist(
- en)dat bovenomschreven geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit oplichting en/of valsheid in geschrifte, in elk geval enig misdrijf; subsidiair: hij in of omstreeks de periode van 1januari 2003 tot en met 31 december 2003 in de gemeente(
- n)Amsterdam en/of Zaanstad, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, na te noemen voorwerp(
- en)te weten: 8.500 euro, althans een geldbedrag, afkomstig van [benadeelde partij 1], omstreeks 4 december 2003 ontvangen op een Postbankrekening van de Stichting [A] (zaak 10 / Fl4) en/of (...) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen terwijl hij en/of zijn mededader(
- s)wist(
- en)dat bovenomschreven voorwerp(
- en)- onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf; (...) 5. hij in of omstreeks de periode van 1januari 2003 tot en met 2 februari 2004 in de gemeente(
- n)Amsterdam en/of Zaanstad, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit verdachte en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 8] en/of [medeverdachte 9] en/of [medeverdachte 10] en/of een of meer andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk: a. het met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van valse namen en/of van valse hoedanigheden en/of door listige kunstgrepen. en/of door een samenweefsel van verdichtsels, bewegen van personen en/of bedrijven en/of instellingen tot de afgifte van geldbedragen, in ieder geval oplichting, artikel 326 Wetboek van Strafrecht (zogeheten 'Advance Fee Fraude') en/of b. het valselijk opmaken en/of vervalsen van geschriften welke bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen, met het oogmerk deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, in ieder geval valsheid in geschrift, en/of het opzettelijk gebruik maken van voornoemde valse of vervalste geschriften als ware deze echt en onvervalst, artikel 225 Wetboek van Strafrecht (ter ondersteuning van voornoemde oplichtingen) en/of c. het verwerven en/of voorhanden hebben en/of overdragen van voorwerpen (geldbedragen) terwijl verdachte en/of verdachtes mededader(
- s)we(e)t(
- en)dat die voorwerpen (geldbedragen) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig zijn uit enig misdrijf, in ieder geval witwassen;" 19. Daarvan heeft het Hof bewezenverklaard dat: "4. hij in de periode van 23 januari 2003 tot en met 10 december 2003 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, en verdachtes mededaders meermalen geldbedragen tot een totaal van ongeveer 1.682.952 euro, althans geldbedragen, verworven en voorhanden gehad, terwijl hij en zijn mededaders wisten dat bovenomschreven geldbedragen -onmiddellijk of middellijk afkomstig waren uit enig misdrijf; 5. hij in de periode van 1 januari 2003 tot en met 2 februari 2004 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit verdachte en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] en [medeverdachte 9] en [medeverdachte 10], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk:
- a)het met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van valse namen en van valse hoedanigheden en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, bewegen van personen en bedrijven en instellingen tot de afgifte van geldbedragen, en
- b)het valselijk opmaken van geschriften welke bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen, met het oogmerk deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken en het opzettelijk gebruik maken van voornoemde valse geschriften als ware deze echt en onvervalst (ter ondersteuning van voornoemde oplichtingen) en
- c)het verwerven en voorhanden hebben en overdragen van voorwerpen (geldbedragen), terwijl verdachte en verdachtes mededaders weten dat die voorwerpen (geldbedragen) -onmiddellijk of middellijk- afkomstig zijn uit enig misdrijf." 20. Voor het bewijs heeft het Hof onder meer gebezigd als bewijsmiddel: "12. Een proces-verbaal van 22 december 2004, in de wettelijke vorm opgemaakt door mr. A.V.T. de Bie, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank te Amsterdam. Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 22 december 2004 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van [medeverdachte 1]: "[Verdachte] heb ik in de kerk leren kennen. Hij vroeg mij of ik hem kon helpen. Hij had geen eigen rekeningnummer en hij vroeg mij of ik een rekeningnummer had om geld over te maken. Ik was op dat moment voorzitter van de stichting [A] (hierna: de stichting) en ik heb hem toen de rekeningnummers van die stichting gegeven. Hij vertelde mij dat het de bedoeling was dat er dan geld overgemaakt zou worden ten behoeve van hem op die rekeningen en dat ik dat dan zou opnemen en aan hem geven. Ik wilde hem daarmee wel helpen. Ik weet niet meer precies hoe vaak er bedragen zijn gestort en hoe vaak ik heb opgenomen. Het ging om meerder keren. Ik weet ook niet meer om wat voor bedragen het precies ging, maar het ging wel om bedragen van meer dan 200 à 500 euro. Als een bedrag gestort was, nam ik dat niet in een keer op, maar in verschillende keren. Dat was omdat de bank een limiet stelde aan het bedrag dat je per keer kon opnemen. Het ging om twee bankrekeningen van die stichting. U toont mij foto 7 uit fotoserie X38. Dat is [verdachte]. In de tijd dat dit speelde, kwamen er geen andere gelden binnen op de rekening van de stichting. [Verdachte] deed niets voor de stichting." 21. Het middel heeft het oog op hetgeen als volgt bij pleidooi in hoger beroep is aangevoerd: "In deze procedure zijn in eerste instantie kopieën van vliegtuigtickets en kopieën van het paspoort van [verdachte] overlegd. Uit met name de paspoortgegevens blijkt dat [verdachte] van 9 december 2002 tot 6 juni 2003 in Nigeria aanwezig was. Dit omvat een groot deel van de tenlastelegging. De mogelijke stelling van het Openbaar Ministerie dat ook vanuit Nigeria gebeld kan worden is een mogelijkheid, maar in dit geval niet zo aannemelijk omdat ook veel andere activiteiten in Amsterdam zouden hebben plaatsgevonden. Daarnaast stelt de getuige [medeverdachte 1] dat hij begin 2003 [verdachte] is tegengekomen in een kerk in Amsterdam Zuidoost. Dit kan niet mogelijk zijn nu [verdachte] op dat moment in Nigeria verbleef. (...) Met betrekking tot feit 4 en 5 speelt de verklaring van [medeverdachte 1] een vrij cruciale rol, De overige bewijsmiddelen betreffen met name overzichten van financiële bescheiden die niet in de richting van [verdachte] kunnen duiden. Daarnaast bevindt zich in het dossier een verklaring van getuige [medeverdachte 10] die [verdachte] ook niet noemt (zie bewijsmiddel 27). [Medeverdachte 1] verklaart bepaald niet consistent. In de maanden na de aanhouding verklaart hij in januari/februari 2004 dat hij penningmeester en secretaris is van de Stichting [A]. Wanneer hem wordt gevraagd naar ene [verdachte] verklaart hij dat hij die naam niet kent. Vervolgens verklaart hij op 7 mei 2004 (zie proces-verbaal Fl6). Hij verklaart dan dat hij is benaderd door [verdachte] in de kerk in Amsterdam Zuidoost. [Verdachte] zou hebben gevraagd om bankrekeningen te gebruiken. In dit kader wordt er overigens slechts 1 foto van [verdachte] getoond. Verder verklaart [medeverdachte 1] dat hij geld wat zou zijn gestort op de rekeningen van de stichting zou hebben gegeven aan [verdachte], ene [betrokkene 1], [betrokkene 2], [betrokkene 3] en [betrokkene 4]. Als verdachte op de zitting van 19 mei 2004 verklaart hij over de ontmoeting met [verdachte] en dat het [verdachte] was die de rekeningen heeft gebruikt. Opvallend is dat hij in dit kader helemaal geen andere namen meer noemt. Op 22 december 2004 verklaart hij tegenover de rechter-commissaris hetzelfde verhaal. Echter, pas na confrontatie met eerdere gegevens over de andere namen worden deze ook genoemd. Hij stelt dan op 22 december 2004: "Pas nu realiseer ik mij dat al die mensen mij gebruiken". Dit komt bepaalt niet geloofwaardig over. Op de vraag waarom hij het hele verhaal niet eerder aan de politie heeft verteld geeft [medeverdachte 1] aan dat hij de aanklacht niet precies begreep. In elk geval staat vast dat hij pas is gaan verklaren nadat hij kennis heeft genomen van grote delen van het dossier. Opvallend is ook dat het verhoor wordt besloten met de vraag van de rechter-commissaris of hij de waarheid heeft gesproken (in elk geval wordt veronderstelt dat deze vraag wordt gesteld want [medeverdachte 1] antwoordt: "Nogmaals ik heb u de waarheid verteld"). De verklaringen van [medeverdachte 1] zijn in een later stadium tot stand gekomen na kennisname van het dossier en ze zijn niet eenduidig. Met name niet met betrekking tot de namen die zijn opgegeven. Daarnaast is het opvallend dat [medeverdachte 1] als ontmoetingspunt noemt begin 2003. Dit is het moment dat [verdachte] niet in Nederland aanwezig was maar in Nigeria. Ook op dit punt is de verklaring dus niet betrouwbaar. Daarnaast beschikte [verdachte] wel over een eigen bank/girorekening (zie proces-verbaal T7). Ook dit zal dus niet als reden kunnen gelden om zoals [medeverdachte 1] in elk geval zegt gebruik te maken van rekeningen van de stichting. De verklaring van [medeverdachte 1] die op deze punten niet betrouwbaar is, dient niet als bewijs te worden gebruikt. Een bewijs voor witwassen is dan ook niet aanwezig. Feitelijk geldt hetzelfde voor deelname aan de criminele Organisatie. Hiervan dient cliënt te worden vrijgesproken. Nu er geen sprake is van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband met gemeenschappelijke regels en doelstellingen waardoor de druk op individuele leden kan worden uitgeoefend zich aan die regels te houden." 22. Het betoog van de verdediging komt op het volgende neer. De verklaringen, afgelegd door [medeverdachte 1], zijn niet betrouwbaar, omdat [medeverdachte 1] als moment van ontmoeting met de verdachte noemt een moment waarop de verdachte volgens diens paspoort in Nigeria was. Voorts is de door de verdachte aan [medeverdachte 1] opgegeven reden voor verdachtes verzoek een te diens beschikking staande bankrekening te mogen gebruiken, te weten dat verdachte zelf geen bankrekening had, onjuist omdat de verdachte wel over een bankrekening beschikte. Uit een en ander volgt dat dat de verklaring van [medeverdachte 1] niet voor het bewijs kan worden gebezigd. Dit geldt temeer omdat [medeverdachte 1] pas aan de politie is gaan verklaren toen hij kennis had genomen van grote delen van het dossier en diens verklaringen niet eenduidig zijn. 23. Het Hof heeft dit betoog van de verdediging kennelijk niet opgevat als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359 lid 2 Sv. 24. Door de verdediging worden geen feiten of omstandigheden genoemd die onverenigbaar zijn met de essentie van de verklaring van [medeverdachte 1]. Dat [medeverdachte 1] een onjuist tijdstip zou hebben genoemd van de ontmoeting met de verdachte in de kerk sluit niet uit dat hij de verdachte aldaar heeft ontmoet, de omstandigheid dat de verdachte een bankrekening heeft, sluit niet uit dat hij tegenover [medeverdachte 1] heeft gezegd geen bankrekening te hebben om [medeverdachte 1] te kunnen bewegen een bankrekening aan hem voor gebruik beschikbaar te stellen. In het licht van de inhoud van de overige bewijsmiddelen, waaruit blijkt dat de verdachte tezamen en in vereniging met anderen personen heeft opgelicht door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door een of meer listige kunstgrepen, zou men ook kunnen zeggen dat het juist voor de hand ligt dat [verdachte] tegenover [medeverdachte 1] heeft gelogen over zijn eigen bankrekening en dat hetgeen [medeverdachte 1] daarover verklaart daarom juist de betrouwbaarheid van diens verklaring versterkt. Voor het overige volstaat de verdediging met in algemene zin de geloofwaardigheid van de verklaringen van [medeverdachte 1] aan de kaak te stellen. 25. Een en ander brengt mee, dat het oordeel van het Hof dat in het betoog van de verdediging geen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359 lid 2 Sv besloten ligt, niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is (vgl. HR 11 april 2006, LJN AU9130, NJ 2006. 393, rov. 3.7.1).