Nr. 03422/06 Mr. Vellinga Zitting: 19 juni 2007 Conclusie inzake: [verdachte]
(1)De wetgever heeft evenwel niet beoogd de medeplichtige te straffen voor meer dan waarop zijn opzet was gericht. Het is namelijk zeker niet ondenkbaar dat het door de dader voorgenomen en door de medeplichtige bevorderde misdrijf anders verloopt of dat de dader een ander misdrijf pleegt dan waartoe de medeplichtige opzettelijk hulp heeft verleend. Voor die gevallen waarin het opzet van de medeplichtige en het uiteindelijk gepleegde misdrijf uiteenlopen heeft de wetgever een regeling getroffen in art. 49, vierde lid, Sr voor: Bij het bepalen van de straf komen alleen die handelingen in aanmerking die de medeplichtige opzettelijk heeft gemakkelijk gemaakt of bevorderd, benevens hun gevolgen.
- In HR 27 oktober 1987, NJ 1988, 492 was een geval aan de orde waarin het Hof de verdachte had vrijgesproken van medeplichtigheid aan diefstal met geweld, de dood ten gevolge hebbende, omdat - aldus het Hof- het opzet van de medeplichtige niet, zoals was tenlastegelegd, was gericht op het begane hoofddelict, doodslag. Over de vraag of het Hof aldus blijk had gegeven van een onjuiste uitleg van de in de tenlastelegging voorkomende, in de zin van de wet gebezigde woorden "als medeplichtige opzettelijk" overwoog de Hoge Raad: "6.
- In dit verband is van belang dat in art. 48 een beperking, overeenkomend met het bepaalde in het tweede lid van art. 47 Sr, ontbreekt en dat de in het vierde lid van art. 49 vervatte beperking uitsluitend betrekking heeft op het bepalen van de aan de medeplichtige op te leggen straf. 6.
- Uit de onder 6.4 genoemde wetsbepalingen, gelezen in onderling verband en samenhang, volgt enerzijds dat ten aanzien van de medeplichtige bij de bewezenverklaring en kwalificatie moet worden uitgegaan van de door de dader verrichte handelingen, ook indien het opzet van de medeplichtige slechts was gericht op een deel daarvan, en anderzijds dat het maximum van de aan de medeplichtige op te leggen straf een derde minder bedraagt dan het maximum van de straf, gesteld op het misdrijf dat de medeplichtige voor ogen stond."
- Anders dan aan het middel ten grondslag ligt behoeft voor het bewijs van de medeplichtigheid uit de gebezigde bewijsmiddelen dus niet te kunnen volgen dat het opzet van de medeplichtige op alle bestanddelen van het tenlastegelegde gronddelict, hier in het bijzonder de voorbedachte raad, is gericht.
- Het middel faalt.
- Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG 1 J. de Hullu, Materieel strafrecht, Deventer 2003, derde druk, p.
- Of zoals Minister Modderman schrijft in het regeringsantwoord op het verslag van de tweede Kamer:"De medeplichtige is altijd medeplichtig aan het misdrijf zóó als het gequalificeerd wordt.", zie H.J. Smidt, Geschiedenis van het wetboek van strafrecht, I, Haarlem 1881, p. 407.