Nr. 02911/06 Mr. Knigge Zitting: 28 augustus 2007 Conclusie inzake: [Verdachte]
(1998)op 6 februari 2001 gedateerd was. Ten aanzien van B Ter onderbouwing van het hierboven onder B weergegeven standpunt verwijst mr. Van Dijk naar het proces-verbaal bevindingen d.d. 22 juni 2001 van de verbalisant [verbalisant 1] (dossierpagina 717 t/m 722 van het BOB-dossier). Mr. Van Dijk stelt dat dit proces-verbaal geen feiten en omstandigheden bevat waarop een redelijk vermoeden als bedoeld in artikel 126o, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering kan worden gebaseerd. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. In het proces-verbaal bevindingen d.d. 22 juni 2001 worden, naast de in het proces-verbaal van 6 februari 2001 reeds genoemde feiten en omstandigheden, aanvullend de navolgende omstandigheden gerelateerd op basis waarvan een redelijk vermoeden als bedoeld in titel V van boek 1 van het Wetboek van Strafvordering kan worden aangenomen (dossierpagina 720 van het BOB-dossier): - verdachte onderhoudt frequent contact met personen die antecedenten hebben op het gebied van de Opiumwet; - in de veelvuldige contacten die verdachte met andere personen via de mobiele telefoon heeft wordt in bedekte termen en met versluierd taalgebruik gesproken en waarbij regelmatig wordt aangegeven dat bepaalde onderwerpen niet over de telefoon mogen worden besproken; - verdachte maakt, door middel van codes en versluierd taalgebruik, herhaaldelijk afspraken met personen op bepaalde plaatsen, zoals wegrestaurants, waarbij de ontmoetingsplaats op het laatste moment nog wordt gewisseld; - verdachte is bijzonder argwanend en oplettend met betrekking tot het opsporingsmiddel observatie, hetgeen niet alleen blijkt uit het wijzigen van de ontmoetingsplaatsen maar ook uit zijn rijgedrag (hard rijden, op taxi overstappen etc.). - verdachte is zeer vermoedelijk op 2 april 2001 onder de valse naam "[valse naam verdachte]" vanuit Nederland naar Spanje gevlogen en weer terug en neemt diverse keren telefonisch contact op en regelt ontmoetingen met ene [betrokkene 2]. Het hof is op basis van de feiten en omstandigheden zoals gerelateerd in voormeld proces-verbaal van 6 februari 2001 en voormeld proces-verbaal van 22 juni 2001, in onderling verband en samenhang bezien, van oordeel dat daaruit een redelijk vermoeden kon worden afgeleid zoals bedoeld in titel V van boek 1 van het Wetboek van Strafvordering. Het hof verwerpt mitsdien dit verweer van mr. Van Dijk in zijn beide onderdelen." 5. Het eerste middel bevat de klacht dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het proces-verbaal aanvraag stelselmatige observatie d.d. 6 april 2001 van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] voldoende feiten en omstandigheden bevatte om een verdenking jegens verdachte op te kunnen baseren en de bijzondere opsporingsbevoegdheden als bedoeld in titel IV A van boek 1 van het Wetboek van Strafvordering te kunnen aanwenden, althans dat 's Hofs oordeel dienaangaande onbegrijpelijk is. 6. Het middel is niet veel meer dan een herhaling van het ten overstaan van het hof gevoerde verweer. Zo ziet het er geheel aan voorbij dat het Hof heeft overwogen dat mr. Van Dijk kan worden toegegeven dat de tactische informatie met betrekking tot kort gezegd Engeland en Amsterdam gedateerd was. Tegenover het "nietes" van de steller van het middel kan ik dan ook niet veel meer dan een "welles" plaatsen. Het oordeel van het Hof is naar mijn mening niet onbegrijpelijk. Voor verdere toetsing is in cassatie geen plaats. Ik merk nog op dat, anders dan waar de opsteller van het middel van uitgaat, het Hof de diverse onderdelen van de CID-informatie alsmede de tactische informatie in onderling verband en samenhang heeft bezien. Waar elk onderdeel afzonderlijk mogelijk niet voldoende zou zijn om een verdenking jegens verdachte op te baseren, is de gezamenlijkheid ervan dat wel. 7. Ik kan niet nalaten op te merken dat het beroep dat wordt gedaan op art. 27 Sv, mij misplaatst voorkomt. De opvatting die aan middel en verweer ten grondslag ligt, namelijk dat voor de inzet van bijzondere opsporingsbevoegdheden een verdenking in de zin van art. 27 Sv is vereist, is in haar algemeenheid niet juist. Zo vereist art. 126g Sv voor de toepassing van stelselmatige observatie - waarop het proces-verbaal van aanvraag d.d. 6 februari 2001 zich richtte, slechts de verdenking van een misdrijf. De geobserveerde persoon behoeft daarbij (nog) geen verdachte te zijn. 8. Het middel faalt. 9. Het tweede middel bevat de klacht dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat op basis van de feiten en omstandigheden gerelateerd in het proces-verbaal van 22 juni 2001 van de verbalisant [verbalisant 1] en het in middel 1 besproken proces-verbaal van 6 februari 2001 een redelijk vermoeden kan worden afgeleid als bedoeld in titel V van boek 1 van het Wetboek van Strafvordering, althans dat dit oordeel onbegrijpelijk is. 10. Ook hier gaat het om niet veel meer dan een herhaling van het gevoerde verweer. En ook hier geldt in mijn optiek dat het Hof zonder meer heeft kunnen oordelen dat aan de inhoud van het proces-verbaal van 6 februari 2001 in samenhang met de inhoud van het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 1] van 22 juni 2001 een redelijk vermoeden zoals bedoeld in titel V van boek 1 van het Wetboek van Strafvordering kan worden ontleend. 11. Ik merk daarbij nog op dat het beroep op art. 27 Sv zo mogelijk nog meer misplaatst dan ten aanzien van het eerste middel het geval is. De Titel V-bevoegdheden kenmerken zich in het algemeen door een - in elk geval qua formulering - afgezwakte verdenkingsvoorwaarde. Zo vereist art. 126m lid 1 Sv voor het aftappen van telefoons nog dat er een verdachte is, terwijl in art. 126t Sv de term verdachte juist zorgvuldig is vermeden. De vraag is dan ook in welk belang de verdachte is geschaad doordat vanaf 22 juni 2001 onder de inzet van de bijzondere opsporingsbevoegdheden een andere grond is geschoven. Dat het gevolg daarvan is geweest dat gebruik is gemaakt van opsporingsmethoden die onder het regime van titel IVA niet konden worden toegepast, is niet aangevoerd. Dat betekent dat het middel hoe dan ook niet tot cassatie kan leiden, aangezien het verweer niet aan de daaraan te stellen eisen voldeed. 12. Het middel faalt. 13. Het derde middel richt zich tegen de volgende overwegingen van het Hof: "Benamingen "[A]/[B]", "[C]" en "[D]" Mr. Van Dijk heeft ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit betoogd dat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken omdat - kort gezegd - op geen enkele wijze blijkt van enige betrokkenheid van de verdachte bij dat feit. De raadsman heeft daartoe onder meer aangevoerd dat met de benamingen zoals "[A]/[B]", "[C]" en "[D]", die voorkomen in afgeluisterde telefoongesprekken en die door de rechtbank voor het bewijs zijn gebruikt, niet de verdachte wordt bedoeld maar een andere persoon. De rechtbank heeft in dat kader - aldus mr. Van Dijk - ten onrechte voor het bewijs gebruik gemaakt van een proces-verbaal bevindingen d.d. 20 april 2002 van de verbalisant [verbalisant 6] (dossierpagina 1942 t/m 1959) waarin deze de conclusie trekt dat met genoemde benamingen de verdachte wordt bedoeld. Volgens de raadsman kan een conclusie van een verbalisant niet meewerken aan het bewijs en is er voor het overige ook geen bewijs dat met vorengenoemde benamingen de verdachte wordt bedoeld. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Met de raadsman van verdachte is het hof van oordeel dat het proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 april 2002 van de verbalisant [verbalisant 6] een conclusie bevat en het hof zal de conclusie in dit proces-verbaal om die reden niet voor het bewijs gebruiken. Met de rechtbank is het hof echter van oordeel dat op grond van hetgeen in dat proces-verbaal d.d. 20 april 2002 feitelijk is gerelateerd en door het hof als bewijsmiddel wordt gebezigd, de conclusie kan worden getrokken dat met de benamingen "[A]/[B]", "[C]" en "[D]", de verdachte wordt bedoeld. In dat proces-verbaal worden gerelateerd: - Een afgeluisterd telefoongesprek van 19 september 2001 waarin de gespreksdeelnemers (zijnde medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4]) spreken over "[A]" wiens dochter die dag jarig is, hetgeen ten aanzien van de dochter van verdachte blijkt te kloppen; - Afgeluisterde telefoongesprekken waarin een medeverdachte ([medeverdachte 3]) ontmoetingen afspreekt met verdachte en korte tijd na die telefonisch gemaakte afspraken of kort na die ontmoetingstijdstippen een andere medeverdachte belt met de mededeling dat hij een afspraak heeft gemaakt, dan wel een ontmoeting heeft gehad met "[B]" dan wel "[C]" dan wel "[D]" - Peilbakengegevens waaruit blijkt dat de auto van medeverdachte [medeverdachte 3] op hiervoor bedoelde ontmoetingstijdstippen zich bevindt in de (onmiddellijke) nabijheid van verdachtes woning in [woonplaats]. Tevens neemt het hof hierbij in aanmerking dat [medeverdachte 3] tijdens een verhoor bij de rechter-commissaris op 28 september 2005, naar aanleiding van een aantal hem voorgehouden afgeluisterde telefoongesprekken, in zijn algemeenheid heeft verklaard dat hij de verdachte soms "[D]" noemde." 14. De afgeluisterde telefoongesprekken waarin [medeverdachte 3] spreekt over "[A]/[B]", "[C]" en "[D]" en de daaraan gerelateerde peilbakengegevens, dan wel observatiegegevens zijn opgenomen in de ten aanzien van feit 1 gebezigde bewijsmiddelen 9.1, 9.2, 9.3 ([D], [B]), 10.1, 10.2, 10.3 ([D]), 11.1, 11.2, 11.3, 11.4, 11.5 ([C]), 12.1, 12.2, 12.3 ([C]), 13.1 ([B]), 14.1 t/m 14.6 ([D]),15.3, 15.4 ([D]), 16.1, 16.2 ([D]), 19.3, 19,4 ([D]). 15. De klacht is niet geheel duidelijk. Het middel zelf klaagt dat het Hof de verklaring van [medeverdachte 3] heeft gedenatureerd. In de toelichting op het middel lijkt de nadruk evenwel te vallen op de stelling dat de door het Hof "geciteerde onderdelen" uit het genoemde proces-verbaal van bevindingen niet (geheel) zijn terug te vinden in de aanvulling op het verkort arrest. 16. Om met dat laatste te beginnen: de steller van het middel ziet eraan voorbij dat het Hof door te overwegen als het heeft gedaan, zowel het bewijsmiddel heeft aangeduid waaraan het de bedoelde gegevens ontleende, als de inhoud daarvan heeft weergegeven. Daarmee is aan de eis der wet voldaan. Geen rechtsregel vereist dat (de inhoud van) het bewijsmiddel ook nog eens in de aanvulling op het verkort arrest wordt opgenomen. Reeds daarom faalt de klacht. 17. Dan nu de vermeende denaturering. Die zou zo begrijp ik hierin bestaan dat, waar [medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij verdachte tot cassatie soms "[D]" noemt, het Hof ervan uitgaat dat voorzover in de bewijsmiddelen wordt gesproken van "[A]/[B]", "[C]" en "[D]" daarmee verdachte wordt bedoeld. 18. Als bewijsmiddel 8 ten aanzien van feit 1 heeft het Hof de verklaring van [medeverdachte 3] bij de rechter-commissaris gebezigd voor zover inhoudende : "Soms noemde ik [verdachte] "[D]".". Deze tot het bewijs gebezigde zin komt uit een zich onder de stukken bevindend proces-verbaal van getuigenverhoor van 28 september 2005, houdende het verhoor van [medeverdachte 3] door de Rechter-Commissaris. De complete alinea waarin de zin is ingebed, luidt als volgt: "Met betrekking tot het gesprek 220040120 op pagina 15 van het vonnis verklaar ik dat ik mij dat gesprek niet kan herinneren en ik weet niet wie ik met de "[D]" in dat gesprek heb bedoeld. Ik noemde veel mensen "[D]". Soms noemde ik ook [verdachte] "[D]". Ik hoor de raadsman mij wijzen op mijn verklaring afgelegd op 31 maart 2005 in welke verklaring ik verklaard heb dat ik [verdachte] nooit "[D]" heb genoemd. U vraagt mij indringend wat nu de waarheid is. Ik heb [verdachte] mogelijk een of twee keer achter zijn rug om "[D]" genoemd, maar normaal noemde ik hem niet zo. Dit gezegd hebbend en terugkijkend op het laatste gesprek weet ik niet of ik in dit geval met "[D]" [verdachte] heb bedoeld." 19. Van denaturering lijkt mij hier geen sprake. Het Hof heeft bijkans letterlijk tot het bewijs gebezigd hetgeen [medeverdachte 3] heeft verklaard: "Soms noemde ik [verdachte] "[D]". Dat [medeverdachte 3] voorts verklaart dat hij verdachte hooguit één of twee keer zo heeft genoemd, doet hier niet aan af, omdat het het Hof vrijstond daaraan geen geloof te hechten. Dat hij verklaart de verdachte normaal niet zo te noemen, is door het Hof niet miskend. Uit de bewijsmiddelen volgt immers dat [medeverdachte 3] verdachte tevens "[C]", "[B]" en "[A]" noemde. 20. De opmerking in de toelichting op het middel dat het enkele feit dat [medeverdachte 3] bij de Rechter-Commissaris verklaard heeft dat hij verdachte soms "[D]" noemt, niet met zich brengt dat steeds als [medeverdachte 3] spreekt over "[D]" hij daarmee verdachte bedoelt, miskent dat het Hof zijn oordeel dat [medeverdachte 3] in de voor het bewijs gebezigde telefoongesprekken met "[D]" de verdachte bedoelt, niet alleen op dat enkele feit heeft gebaseerd, maar mede heeft doen stoelen op de andere in de gewraakte overweging weergegeven feiten en omstandigheden. 21. Het middel faalt derhalve in beide onderdelen. 22. Het vierde middel klaagt dat het Hof ten onrechte heeft geconcludeerd dat [medeverdachte 3] in [woonplaats] contact heeft gehad met verdachte, welk oordeel het Hof baseerde op het gegeven dat het peilbaken dat aan de auto van [medeverdachte 3] was aangebracht, op verschillende tijdstippen in [woonplaats] is geweest in combinatie met gesprekken die omstreeks die tijdstippen tussen de verzoeker tot cassatie en [medeverdachte 3] zijn gevoerd. 23. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de peilbakengegevens zoals weergegeven in bewijsmiddel 16.2 niet stroken met de peilbakengegevens zoals die zouden blijken uit het proces-verbaal van 13 december 2004 van verbalisant [verbalisant 7], als bijlage gevoegd bij het op bevel van het Hof aan het dossier toegevoegde aanvullend proces-verbaal betreffende bakengegevens van verbalisant [verbalisant 9] van 21 december 2004. 24. Het tot het bewijs gebezigde proces-verbaal van 11 februari 2003 van verbalisant [verbalisant 8] (bewijsmiddel 16.2) houdt in dat de personenauto, merk Peugeot, type 206, voorzien van het Belgische kenteken [AA-00-BB] op 8 april 2002 zich om 19:52 uur bevond op de [b-straat] te [woonplaats] en om 20:38 uur op de A67/E34. Het proces-verbaal van 13 december 2004 van verbalisant [verbalisant 7] houdt ten aanzien van dezelfde personenauto in dat deze zich volgens het daarin opgenomen overzichtsstaatje op 8 april 2002 om 19:14 uur bevond op de A13/E34, om 19:52 op de [b-straat] te [woonplaats] en om 21:03 uur wederom op de A13/E34. 25. Beide processen-verbaal stemmen dus in zoverre overeen. Beide processen-verbaal geven aan dat het gaat om "onder andere" vastgestelde data, annex tijdstippen, annex plaatsen. Ze bevatten dus niet alle peilbakengegevens. Daar staat tegenover dat gelet op het bevel van het Hof de processen-verbaal samen wel de volledige peilbakengegevens met betrekking tot de heen- en terugreis van [medeverdachte 3] van België naar [woonplaats] zouden moeten bevatten. 26. Dat dit het geval is is uitgaande van de gegevens zoals weergegeven in de beide overzichtsstaatjes ook plausibel: op 8 april is de auto om 19:14 uur vanuit België op weg naar [woonplaats], om 19:52 uur is deze gearriveerd; om 20:38 uur is hij op de terugweg op de A67/E34 en om 21:03 uur is hij weer bijna "thuis". 27. Het middel gaat stilzwijgend voorbij aan het in het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 7] vervatte overzichtsstaatje. Het beroept zich op de bij dat verbaal gevoegde kaartbladen met betrekking tot 8 april 2002. Volgens de kaarten bevond de auto zich op 8 april om 17:14 uur op de A13/E34, om 17:52 op de [b-straat] te [woonplaats] en om 19:03 weer op de A13/E34. De tijden van de kaartbladen verschillen precies twee uur met de tijden in het overzichtsstaatje. 28. Als regel kan in cassatie niet voor het eerst een beroep worden gedaan op feitelijke gegevens die door het Hof niet zijn vastgesteld. Ik zie geen reden om daarover in dit geval anders te oordelen. Ik merk daarbij op dat voor de discrepantie tussen het overzichtsstaatje en de kaartgegevens vermoedelijk een simpele verklaring bestaat. Het overzichtsstaatje vermeldt dat de tijdsaanduiding uitgaat van de Nederlandse zomertijd. Het ligt niet voor de hand dat de meetapparatuur op die zomertijd is afgesteld. Het zou me niet verbazen als die apparatuur uitgaat van Greenwich Mean Time (GMT). 29. In het middel wordt ook geklaagd over de peilbakengegevens betreffende 12 april 2002 waar het Hof van uitgaat in bewijsmiddel 19. Het tot het bewijs gebezigde proces-verbaal van 11 februari 2003 van verbalisant [verbalisant 8] houdt in dat de personenauto, merk Peugeot, type 206, voorzien van het Belgische kenteken [AA-00-BB] zich op 12 april 2002 om 21:25 uur op de [b-straat] te [woonplaats] bevond, om 21:26 uur een stukje verder op de [b-straat] te [woonplaats] bevond en om 21:31 bij de oprit van de A67/E34 bij [woonplaats] bevond. 30. Het proces-verbaal van 13 december 2004 van verbalisant [verbalisant 7] houdt ten aanzien van dezelfde personenauto in dat deze zich volgens het overzichtsstaatje op 12 april 2002 om 20:53 uur op de A21/E34 bevond, om 21:25 uur op de [b-straat] te [woonplaats] bevond en om 21:56 uur wederom op de A21/E34 bevond. Anders dan in het middel wordt gesteld zijn er door de verbalisant derhalve drie peilbakengegevens overgelegd en niet één. Deze gegevens sporen met de voor het bewijs gebezigde gegevens. Dat de kaarten telkens een tijdstip vermelden dat twee uren vroeger is, kan daaraan om de bovenvermelde reden niet afdoen. 31. Het middel faalt derhalve in beide onderdelen. 32. Het vijfde middel klaagt dat het Hof ten onrechte geen verkort proces-verbaal heeft opgemaakt, niet binnen drie maanden na het instellen van het cassatieberoep een aanvulling van het verkorte proces-verbaal heeft opgemaakt en niet de zakelijke inhoud van de verklaring van verdachte heeft opgenomen in het proces-verbaal. 33. In de toelichting op het middel wordt duidelijk dat de klacht zich eigenlijk enkel richt op de briefwisseling die plaatshad met betrekking tot de inhoud van de processen-verbaal van de terechtzittingen van 16 en 19 januari 2006 tussen de raadsman van verdachte en de Vice-President van het Hof te 's-Hertogenbosch. Deze briefwisseling is aangehecht aan de schriftuur. 34. De raadsman stuurt de Vice-President een afschrift van een aan hem gerichte brief van verdachte en merkt daarbij enkel op dat ook hem bij lezing van de processen-verbaal van de zitting opviel dat deze wel erg summier waren. Vervolgens vraagt hij de Vice-President om hem mede te delen of de bemerkingen van verdachte hem aanleiding geven de zittingsprocessen-verbaal aan te vullen. De Vice-President schrijft in antwoord op die brief dat hij geen aanleiding ziet om de processen-verbaal aan te vullen, nu daarin is aangegeven dat de verklaringen van verdachte zakelijk worden weergegeven en die weergave de relevante essentie van de verklaringen bevat. 35. Het komt mij voor dat men dan uitgepraat is. Als een verweer dermate belangrijk wordt geacht dat men daar graag een reactie van het Hof op heeft, dan doet men er goed aan uitdrukkelijk te verzoeken dit verweer op te nemen in het proces-verbaal van de terechtzitting. Beter nog, het op te nemen in een pleitnota en deze te overleggen. Kennelijk vond de raadsman bedoeld verweer niet belangrijk genoeg om zo'n handeling te verrichten. 36. Het middel faalt. 37. Het zesde middel bevat de klacht dat in het arrest staat vermeld dat het is gewezen door de mrs. Van Zon, Gründemann en Otten, terwijl aan de stukken van het geding het ernstige vermoeden valt te ontlenen dat het niet die drie raadsheren waren die het arrest hebben gewezen. 38. Het blijkt te gaan om (een kopie van) een roulatielijst van het Hof waaruit volgt dat de zaak van verdachte heeft gerouleerd tussen de raadsheren mrs Claassens, Otten en Van Zon en de griffier mr. Term. Een kopie van die lijst is aan de schriftuur gehecht. Belangrijker is dat de roulatielijst is aangehecht aan de akte van cassatie en derhalve deel uitmaakt van de gedingstukken. 39. Ik meen dat het enkele bestaan van bedoelde roulatielijst niet het ernstig vermoeden wekt dat het arrest niet door mr Gründemann is gewezen. Het verkort arrest is door mr Gründemann ondertekend hetgeen betekent dat hij met de inhoud daarvan is akkoord gegaan. Dat wordt niet anders als zou blijken dat hij nadien niet betrokken is geweest bij de aanvulling op het verkort arrest of bij de uitwerking van het proces-verbaal van de zitting. 40. Ik merk nog op dat de roulatielijst niet is gedateerd en dat die lijst evenmin vermeldt waarop zij betrekking heeft. Wel gaat het daarbij gezien het opschrift ("Cassatie inzake: [verdachte]") om een roulatieschema dat betrekking heeft op de fase na het instellen van het cassatieberoep. Om de vaststelling van het verkort arrest kan het dus moeilijk zijn gegaan. Daarop wijst ook dat niet alleen mr. Claassen niet klopt als het zou gaan om het eindarrest, maar dat ook de griffier een ander is. Nu zijn er in de onderhavige zaak erg veel terechtzittingen geweest in hoger beroep. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 20 juli 2005 vermeldt mr. Van Zon als voorzitter, mrs. Otten en Claassens als raadsheren, en mr. Van Term als griffier. Mijn inschatting is dan ook dat de roulatielijst op de uitwerking van het proces-verbaal van die terechtzitting ziet. 41. Het middel faalt. 42. Het zevende middel klaagt dat het Hof weliswaar heeft geconstateerd dat de redelijke termijn is overschreden, maar daarvoor ook voor een groot deel de schuld bij verzoeker tot cassatie heeft gelegd en overigens aan de constatering van die schending een te lichte strafkorting heeft verbonden, terwijl daarnaast ook de redelijke termijn in de cassatiefase is geschonden. 43. Het Hof heeft in zijn arrest met betrekking tot de overschrijding van de redelijke termijn het volgende overwogen: "Overschrijding van de redelijke termijn Van de zijde van de verdachte is het verweer gevoerd dat het in artikel 6 EVRM bedoelde recht van de verdachte op een openbare behandeling van de strafzaak binnen een redelijke termijn is geschonden, welke schending, aldus de raadsman, bij een eventuele strafoplegging verdisconteerd moet worden. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Procedureverloop Ten aanzien van het procedureverloop stelt het hof - voorzover van belang voor de beoordeling van de redelijke termijn - het navolgende vast. (
- i)2 juli 2002: aanhouding verdachte; (
- ii)3, 4 en 5 juni 2003: finale inhoudelijke behandeling rechtbank; (iii) 19 juni 2003: eindvonnis (
- iv)24 juni 2003: hoger beroep door verdachte: (
- v)29 oktober 2003: stukken ontvangen door hof; (
- vi)16 en 19 januari 2006: finale inhoudelijke behandeling hof; (vii) 2 februari 2006: eindarrest hof; Aanvang en einde totale procedure De aanvang van de redelijke termijn stelt het hof op 2 juli 2002, de datum waarop de verdachte werd aangehouden. Aan die aanhouding kon de verdachte in redelijkheid de verwachting ontlenen dat het openbaar ministerie jegens hem een vervolging zou instellen. De termijn eindigt op 2 februari 2006, zijnde de datum van het eindarrest van dit hof. Hieruit volgt dat de totale strafprocedure 3 jaren en 7 maanden heeft geduurd. Procedure in zijn afzonderlijke onderdelen. Uit het beschreven procedureverloop volgt dat de periode (
- i)tot en met (iii) (de behandeling in eerste aanleg) ruim elf maanden heeft geduurd. Van een overschrijding van de redelijke termijn, die normaliter, in geval zoals in casu verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, wordt gesteld op 16 maanden, is in dit deel van de procedure geen sprake. De periode van (
- iv)tot en met (
- v)(instellen hoger beroep en ontvangst van de stukken door het hof) heeft ruim vier maanden geduurd. Van een overschrijding van de redelijke termijn, die normaliter op 8 maanden wordt gesteld, is geen sprake. De periode van (
- iv)tot en met (vii) (instellen hoger beroep en eindarrest hof) heeft twee jaren en ruim 7 maanden geduurd. Dit is een overschrijding van de redelijke termijn die normaliter op 16 maanden, in geval zoals in casu verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, wordt gesteld, met een periode van ruim 15 maanden. Ten aanzien van deze periode (de procedure in hoger beroep) overweegt het hof dat door de verdediging een groot aantal verzoeken werd gedaan tot het uitvoeren van onderzoekshandelingen en tot het horen van een groot aantal getuigen (ook in het verre buitenland). Daarnaast betreft het een gecompliceerde zaak. Enige overschrijding van de gebruikelijk als redelijk aan te merken termijn in dit onderdeel van de procedure is naar het oordeel van het hof dan ook aanvaardbaar. Echter tijdens de behandeling in hoger beroep is de samenstelling van het hof gewijzigd na het tijdstip waarop voornoemde verzoeken door de verdediging werden gedaan (december 2003/januari 2004). Daardoor zijn de beslissingen op de verzoeken niet, zoals in de bedoeling lag, genomen op 16 april 2004, doch eerst op 17 september 2004. De vertraging die in deze fase is ontstaan is, te weten 5 maanden, is naar het oordeel van het hof niet toe te rekenen aan de verdediging. Tijdens de procedure in hoger beroep (april 2005) bleek tevens dat de verdediging niet de beschikking had gekregen over alle cd's en dvd's met opgenomen telefoongesprekken en tevens bleek dat deze gesprekken niet altijd even goed waren af te luisteren en de faciliteiten voor verdachte beperkt waren. Daardoor kon de geplande inhoudelijke behandeling op 26 en 28 oktober 2005 geen doorgang vinden en heeft die inhoudelijke behandeling eerst op 16 en 19 januari 2006 plaatsgevonden. Ook deze tussen eind oktober 2005 en medio januari 2006 verstreken tijd (ruim 21/2 maand) komt naar het oordeel van het hof niet voor rekening van de verdediging. Uit het vorenstaande volgt dat van de overschrijding van de gebruikelijk als redelijk aan te merken termijn voor de behandeling in hoger beroep een deel van ruim 71/2 maand niet voor rekening van de verdediging komt. Op basis van het vorenstaande is het hof van oordeel dat, gelet op het tijdsverloop voor wat betreft een afzonderlijk onderdeel (de procedure in hoger beroep) en de procedure als geheel, er sprake is van schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. De overschrijding van de redelijke termijn zal het hof compenseren door in plaats van een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren, de hierna te bepalen gevangenisstraf op te leggen." 44. Uit de overwegingen van het Hof volgt duidelijk dat het Hof de in de toelichting op het middel genoemde termijnoverschrijding in verband met het vertrek van de voorzitter mr. Aarts alsmede de termijnoverschrijding in verband met het beluisteren van de telefoon- en dirafgesprekken door verdachte uitdrukkelijk niet voor rekening van de verdediging laat komen. In de toelichting op het middel wordt daaraan eenvoudigweg voorbij gegaan. 45. Voor het overige geldt dat het oordeel van de feitenrechter inzake de redelijke termijn in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst in die zin dat slechts onderzocht kan worden of het oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is in het licht van alle omstandigheden van de zaak. Van onbegrijpelijkheid zal overigens niet snel sprake zijn omdat een dergelijk oordeel sterk verweven pleegt te zijn met waarderingen van feitelijke aard die zich onttrekken aan een beoordeling in cassatie. 46. Van een onjuiste rechtsopvatting is in dezen geen sprake en 's Hofs oordeel is ook geenszins onbegrijpelijk, met name ook niet waar het Hof de ingewikkeldheid van de zaak en de invloed van de verdediging op het procesverloop heeft betrokken. 47. Dit onderdeel van het middel faalt derhalve. 48. In het middel wordt voorts geklaagd over overschrijding van de redelijke termijn in cassatie, wegens overschrijidng van de inzendtermijn. Het beroep in cassatie is ingesteld op 13 februari 2006. De stukken hadden derhalve uiterlijk op 13 oktober 2006 bij de Hoge Raad moeten binnenkomen. Het middel stelt dat die stukken pas na die datum zijn binnengekomen, echter zonder een specifieke datum te noemen. 49. Volgens de griffiestempel op de stukken zijn deze echter op 25 augustus 2006 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Van een overschrijding van de inzendtermijn is dan ook geen sprake. 50. Het middel faalt derhalve. Bespreking van de middelen van mr. Zilver 51. Het eerste middel klaagt dat het Hof, ter verwerping van een terzake het onder 2 ten laste gelegde feit gevoerd verweer, bewijsoverwegingen heeft gebezigd welke niet aan de gebruikte bewijsmiddelen en/of feiten van algemene bekendheid kunnen worden ontleend, zodat de bewezenverklaring in zoverre ontoereikend is gemotiveerd. 52. Bedoeld verweer en de verwerping daarvan zijn door het Hof als volgt opgenomen in zijn arrest: "Buiten het grondgebied van Nederland brengen Mr. Ausma heeft betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit. Mr. Ausma heeft daartoe aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat er XTC-pillen buiten het grondgebied van Nederland zijn gebracht. Volgens mr. Ausma zijn er aanwijzingen in het dossier dat de XTC-pillen die in Lübeck (Duitsland) in beslag werden genomen, bij aanvang van het transport zich in België bevonden, vermoedelijk in het grensgebied West-Brabant/Antwerpen. De pillen zijn vervolgens via de Belgische route (Luik-Aachen) naar Lübeck (Duitsland) vervoerd. Daarbij werd - aldus mr. Ausma- het Nederlands grondgebied niet gepasseerd. De raadsman verwijst daarbij naar een ongedateerde brief van [betrokkene 2] welke als bijlage 6 is gevoegd bij de schriftelijke stukken die door mr. Ausma ter zitting van 20 juli 2005 werden overgelegd. Uit die brief volgt tevens - aldus mr. Ausma - dat de Ford Transit waarin de in Lübeck aangetroffen pillen werden vervoerd, was gehuurd bij een bedrijf in Tilburg en van daaruit naar het grensgebied West-Brabant/Antwerpen is gereden. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Daargelaten waar het transport van de XTC-pillen is aangevangen, vast staat dat de pillen vanuit het grensgebied West-Brabant/ Antwerpen naar Lübeck (Duitsland) zijn vervoerd. Voor de vraag welke route daarbij werd afgelegd - wel of niet over Nederlands grondgebied - is het navolgende van belang. Uit de huurovereenkomst met betrekking tot de Ford Transit (bijlage 15 van de door mr. Ausma op 20 juli 2005 overgelegde stukken), blijkt dat deze met ingang van 14 november 2001 was gehuurd bij een autobedrijf in Tilburg. De kilometerstand van die auto was toen 115.004 km. Uit bijlage 16 van de door mr. Ausma op 20 juli 2005 overgelegde stukken blijkt dat de Ford Transit, na de inbeslagneming op 20 november 2001 in Lübeck, daar op 19 december 2001 werd opgehaald en rijdend naar Tilburg is gebracht. De kilometerstand van de auto bij aankomst in Tilburg was 116.439 km. Het hof leidt hieruit af dat de Ford Transit vanaf de aanvang van de huurovereenkomst tot en met de terugkeer van de auto in Tilburg (116.439 km - 115.004 km=) 1.435 km heeft gereden. Uit de door het hof geraadpleegde routeplanner volgt dat de snelste route van Lübeck (Duitsland) naar Tilburg (over Nederlands grondgebied) ongeveer 546 km lang is. Dit betekent dat tussen het moment van de verhuur van de auto en de inbeslagneming daarvan in totaal (1.435 km - 546 km=) 889 km zijn gereden. Wanneer de door de verdachte gestelde route over Belgisch grondgebied vanuit het grensgebied West-Brabant/Antwerpen - via Luik naar Aachen en vervolgens naar Lübeck - zou zijn gereden, dan zou het aantal gereden kilometers (volgens de door het hof geraadpleegde routeplanner (snelste route)) uitkomen op: Tilburg-Antwerpen : 73 km; Antwerpen-Luik-Aachen-Lubeck: totaal 722 km; Uit een afgeluisterd telefoongesprek tussen [betrokkene 2] en de ontvangers van de pillen in Duitsland op 15 november 2001 (dossierpagina 4111 en 4112) blijkt dat [betrokkene 2] op 30 kilometer voor Lübeck stopt omdat hij te laat is voor de aflevering van de pillen. Dit betekent dat volgens de stelling van mr. Ausma voor de heenreis in totaal (722 km-30 km=) 692 km met de Ford Transit zijn gereden. Uit de brief van [betrokkene 2] (bijlage 6 bij de stukken van mr. Ausma d.d. 20 juli 2005) blijkt dat de Ford Transit op 15 november 2001 vanaf 30 kilometer voor Lübeck terug is gereden naar Bremen. Vervolgens is de Ford Transit met de XTC-pillen op 20 november 2001 weer vanuit Bremen naar Lübeck gereden, waar uiteindelijk de pillen in beslag werden genomen. De afstand Lübeck-Bremen bedraagt (volgens de door het hof geraadpleegde routeplanner (snelste route)) 178 km. Dit betekent dat op 15 november 2001 een afstand werd afgelegd van 178 km - 30 km (correctie in verband met eindpunt 30 km voor Lübeck) is 148 km. Op 20 november 2001 werd tussen beide plaatsen een afstand afgelegd van 178 km. Indien de door de raadsman van de verdachte gestelde route zou zijn gevolgd zou (73 km+692 km+148 km+178 km=) 1091 km met de Ford Transit zijn gereden, hetgeen aanzienlijk meer is dan het eerder vastgestelde aantal gereden kilometers (889 km). Het hof is daarnaast van oordeel dat de hiervoor door de raadsman gestelde route, welke geheel voert over Belgisch grondgebied, niet de meest voor de hand liggende route is. Immers de meest logische route vanuit het grensgebied West-Brabant/Antwerpen naar Lübeck voert - naar het oordeel van het hof - over Nederlands grondgebied. Uitgaande van deze route kan het aantal kilometers als volgt worden vastgesteld: Tilburg-Antwerpen: 73 km; Wernhout-Lübeck (-30 km): 559 km Lübeck(-30km)-Bremen: 148 km Bremen-Lübeck: 178 km Totaal: 958 km. Het hof stelt vast dat dit aantal gereden kilometers meer overeenkomt met de vastgestelde werkelijk gereden kilometers van 889 km. Het hof overweegt hierbij nog dat de hiervoor gebezigde afstanden, feiten van algemene bekendheid zijn, immers zijn af te leiden uit een voor eenieder te raadplegen routeplanner. Naast het hiervoor geconstateerde aantal gereden kilometers neemt het hof ook nog het navolgende in aanmerking voor de vaststelling dat het transport van de XTC-pillen over het Nederlands grondgebied zal zijn gegaan. Tegen de bestuurder van de Ford Transit, [betrokkene 2], werd een Haftbefehl door de Duitse autoriteiten (Amtsgericht Lübeck) uitgevaardigd in verband met de invoer van de XTC-pillen op Duits grondgebied. De inhoud van dat Haftbefehl (door de advocaat-generaal overgelegd ter zitting in hoger beroep op 19 januari 2006) luidt: "Der Beschuldigte [betrokkene 2] führte aus Holland kommend über Bad Bentheim mit einem weissen Transporter mit dem niederländischen Kennzeichen [CC-00-DD] nach den bisherigen Feststellungen über 1.600.000 Ecstasy-Pillen in die Bundesrepublik Deutschland ein." In een op schrift gestelde verklaring van [betrokkene 2] d.d. 25 maart 2002, welke op 17 april 2002 door de Rechtsanwalt van [betrokkene 2] werd verzonden aan de Staatsanwaltschaft bei dem Landgericht (door de advocaat-generaal overgelegd ter zitting in hoger beroep op 19 januari 2006), wordt vermeld: "Ich, [betrokkene 2], gebe hiermit nachfolgende Erklärung ab. (..) erkläre ich hiermit dass die Vorwürfe aus dem Haftbefehl des Amtsgericht Lübeck vom 21.11.2001, mir am diesem Tage verkündet und ausgehändigt, im Hinblick auf den Tatbeitrag meiner Person zutreffend sind". In dat verband overweegt het hof verder dat het een feit van algemene bekendheid is dat wanneer men vanuit het grensgebied West-Brabant/Antwerpen naar Lübeck rijdt, over Nederlands grondgebied, men bij de plaats Bad Bentheim, ter hoogte van Twente, de grens met Duitsland passeert. Op basis van het vorenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de XTC-pillen die op 20 november 2001 in Lübeck in beslag werden genomen via het Nederlandse grondgebied naar Duitsland zijn vervoerd en derhalve buiten het grondgebied van Nederland zijn gebracht. Hetgeen daartoe door mr. Ausma verder in zijn pleitnota wordt gesteld, doet daaraan niet af. Het verweer van de raadsman wordt mitsdien verworpen." 53. In de toelichting op het middel wordt in de eerste plaats aangevoerd dat het Hof bij herhaling uit gaat van de "snelste route" volgens "de door het hof geraadpleegde routeplanner", doch dat het enkele feit dat een bepaalde route volgens de door het Hof geraadpleegde routeplanner de kortste (ik neem aan dat hier bedoeld wordt "snelste") is niet rechtvaardigt dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat diezelfde route ook daadwerkelijk is gevolgd. 54. Deze grief berust op een onjuiste lezing van 's Hofs arrest. Het Hof heeft niet aangenomen dat de snelste routes daadwerkelijk zijn gereden, maar heeft bij zijn berekening veronderstellenderwijs tot uitgangspunt genomen dat telkens gebruik is gemaakt van de snelste route, hetgeen op zich ook het meest aannemelijk is. Die berekening heeft daarbij slechts de functie om aannemelijk te maken dat een route door Nederland zich beter laat verenigen met de standen die de kilometerteller aangaf dan de door de verdediging aangedragen route over Luik en Aachen. Dat de daadwerkelijke route door Nederland liep, heeft het Hof dan ook mede op grond van andere gegevens bewezen geacht. Het hof beroept zich immers ook op het feit van algemene bekendheid dat wanneer men vanuit het grensgebied West-Brabant/Antwerpen naar Lübeck rijdt, over Nederlands grondgebied, men bij Bad Bentheim, ter hoogte van Twente, de grens met Duitsland passeert, alsmede op het tot het bewijs gebezigde door de Duitse autoriteiten uitgevaardigde Haftbefehl inhoudende onder meer dat [betrokkene 2] via Bad Bentheim Duitsland is binnengereden en de, eveneens tot het bewijs gebezigde, verklaring van [betrokkene 2] dat hetgeen in het Haftbefehl staat op zijn deelname aan de in-/uitvoer van de XTC zag. 55. Ik merk daarbij op dat als - zoals de steller van het middel kennelijk voorstaat - in de berekening rekening wordt gehouden met mogelijke omleidingen of met extra kilometers die derden mogelijk met de auto hebben afgelegd, de berekening er voor de verdachte alleen maar ongunstiger op wordt. Als de Ford Transit na de inbeslagneming op de terugreis via omwegen naar Tilburg zou zijn teruggereden, dan valt het aantal vóór die inbeslagneming met de auto gereden kilometers in de berekening lager uit dan 889 km, zodat de discrepantie met de door de verdachte gestelde route groter is dan door het Hof is gesignaleerd. Hetzelfde geldt als er vóór de inbeslagneming (op de heenweg) met de auto omwegen zijn gereden. Dan komt de berekening van het aantal gereden kilometers op meer uit dan 1091 km, zodat de discrepantie met het "werkelijk" aantal gereden kilometers eveneens groter is dan door het Hof is gesignaleerd. In zoverre mag de verdachte dus niet klagen dat het Hof de snelste route tot uitgangspunt van zijn berekeningen heeft genomen. 56. Anders is het misschien als in plaats van de snelste, de kortste route zou zijn gereden. Voor zover daarover bedoeld mocht zijn te klagen, merk ik het volgende op. De kortste route van Lübeck naar Tilburg (de terugreis) komt volgens twee door mij de geraadpleegde routeplanners uit op 507 resp. 514 km, zodat als van die kortste route wordt uitgegaan, voor de heenreis 928 resp. 921 km resteert. Als op de heenreis zoals die door de verdachte is voorgesteld (via Luik en Aachen), de kortste route zou zijn genomen in plaats van de snelste, dan is het verschil met de snelste route slechts 24 km.