Griffienrs. 01327/07 B en 01867/07 B Mr. Wortel Zitting:18 september 2007 (bij vervroeging) Conclusie inzake: [klager] 1. Deze cassatieberoepen betreffen twee beschikkingen van de Rechtbank te Groningen. Het cassatieberoep met griffienummer 01327/07 B is gericht tegen een beschikking van die Rechtbank met het kenmerk Rk 07/59. Bij die op 11 april 2007 genomen beschikking is het in art. 552p, tweede lid, Sv bedoelde verlof verleend stukken van overtuiging, in beslag genomen ter uitvoering van een verzoek om rechtshulp van de justitiële autoriteiten te Osnabrück (Bondsrepubliek Duitsland) ter beschikking van de officier van justitie te stellen, opdat deze de stukken van overtuiging zal kunnen overdragen aan de Duitse autoriteiten. Het cassatieberoep met griffienummer 01867/07 B is gericht tegen een beschikking van die Rechtbank met het kenmerk Rk 07/197. Bij die op 4 april 2007 gegeven beschikking is een op de voet van art. 552a Sv ingediend beklag tegen de inbeslagneming van diezelfde voorwerpen, en tegen het uitblijven van een last tot teruggave, ongegrond verklaard. 2. Namens verzoeker heeft mr J. Klopstra, advocaat te Stadskanaal, schrifturen houdende cassatiemiddelen ingediend. De eerste drie middelen die worden aangevoerd tegen de beschikking waarbij het in art. 552p, tweede lid, Sv bedoelde verlof is verleend zijn letterlijk gelijk aan de eerste drie middelen die worden aangevoerd tegen de ongegrondverklaring van het beklag. Tegen deze laatste beslissing wordt nog een vierde middel aangevoerd. Gelet op deze grote mate van overeenstemming van de klachten tegen de beide beschikkingen bespreek ik alle middelen in één conclusie. Inzake beide beroepen 3. Het eerste middel behelst de klacht dat de Rechtbank ten onrechte het verweer heeft verworpen dat verlenen van verlof tot overdracht van de inbeslaggenomen voorwerpen in strijd zou zijn met fundamentele beginselen van Nederlands procesrecht. Het tweede middel bevat de klacht dat de Rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de mogelijkheid dat de rechten die verzoeker krachtens art. 6 EVRM toekomen door het verlenen van het in art. 552p, tweede lid, Sv bedoelde verlof op flagrante wijze zullen worden geschonden, namelijk in geval de Duitse rechter niet in zijn oordeel zal betrekken of die aan de Duitse autoriteiten overgedragen voorwerpen op rechtmatige wijze zijn verkregen. Deze klachten lenen zich voor gezamenlijke bespreking. 4. Bij beoordeling van die middelen dient te worden vooropgesteld dat bij een beslissing als de onderhavige, verlangd met het oog op de uitvoering van een tot Nederland gericht verzoek om rechtshulp, uitgangspunt behoort te zijn dat aan rechtshulpverzoeken die zijn gedaan krachtens een voor Nederland verbindend verdrag zoveel mogelijk gevolg dient te worden gegeven. Dit brengt mee dat van inwilliging van zodanig rechtshulpverzoek - in voorkomend geval dus ook van verlenen van het in art. 552p, tweede lid, Sv bedoelde verlof - slechts kan worden afgezien indien zich belemmeringen van wezenlijke aard voordoen, voorvloeiende uit het toepasselijke rechtshulpverdrag of uit de wet, dan wel de uitvoering van het rechtshulpverzoek zou meebrengen dat een ernstige inbreuk wordt gemaakt op de hier te lande erkende fundamentele beginselen van een behoorlijke procesorde, vgl. HR NJ 2002, 580. 5. Overigens brengt ditzelfde uitgangspunt mij ertoe deze conclusie bij vervroeging te nemen, waarbij ook een rol speelt dat de behandeling van deze cassatieberoepen enige vertraging heeft opgelopen doordat aanvankelijk ingestuurde exemplaren van de cassatieschrifturen niet waren ondertekend. 6. In de beide bestreden beschikkingen is overwogen, voor zover hier van belang: "De raadsvrouw {...] heeft aangevoerd dat de rechter-commissaris op basis van onvolledige informatie is overgegaan tot de genoemde doorzoeking [...]. Uit de informatie zoals deze in het Duitse strafdossier is neergelegd, blijkt volgens de raadsvrouw onvoldoende van een redelijk vermoeden van schuld tegen [klager/betrokkene]. De doorzoeking en de inbeslaggenomen stukken zijn naar de mening van de raadsvrouw onrechtmatig verkregen nu niet blijkt van een gegronde verdenking tegen [klager/betrokkene]. Reden waarom [klager verzoekt het beslag op te heffen met last tot teruggave aan klager / de raadsvrouw concludeert tot afwijzing van de vordering]. (alleen in de beschikking strekkende tot verlening van het in art. 552p, derde lid, Sv bedoelde verlof) De stelling dat het vertrouwensbeginsel met zich brengt dat op de informatie als aangeleverd door de Duitse autoriteiten moet worden afgegaan, maakt dit volgens de raadsvrouw niet anders, daar de Duitse rechter - te zijner tijd oordelend in de strafzaak tegen betrokkene - zonder nader onderzoek van de rechtmatigheid van het uit de doorzoeking verkregen bewijs zal uitgaan nu deze naar de in Nederland geldende vormvoorschriften zal zijn geschied. BEOORDELING De rechtbank overweegt dat de rechter-commissaris ten tijde van het beoordelen van de vordering van de officier van justitie om tot doorzoeking ter inbeslagneming ex artikel 110 van het Wetboek van Strafvordering over te gaan, een rechtmatigheidstoets heeft aangelegd en tot het oordeel is gekomen dat aan de bij de wet gestelde voorwaarden is voldaan. Bij dat oordeel was betrokken de vraag of op basis van de door de Duitse autoriteiten te beschikking gestelde gegevens, kon worden gesteld dat er sprake is van een redelijk vermoeden van schuld tegen klager. Op basis van het vertrouwensbeginsel moet ervan worden uitgegaan dat de Duitse autoriteiten alle terzake het verzoek relevante gegevens bij het verzoek hebben overgelegd." 7. Waar het aankomt op de rechtmatige toepassing van bijzondere opsporingsbevoegdheden die slechts met machtiging van de rechter-commissaris kunnen worden aangewend, heeft naar Nederlands recht in het algemeen te gelden dat ter beoordeling van de zittingsrechter staat of de rechter-commissaris in redelijkheid de wettelijk vereiste machtiging heeft kunnen geven, en voorts of de officier van justitie, met de door de rechter-commissaris verstrekte machtiging, rechtmatig gebruik heeft gemaakt van de hem door de wet toegekende bevoegdheid, vgl. HR 11 oktober 2005, LJN AT4351. Bij dit door de zittingsrechter te verrichten onderzoek dient derhalve een zekere terughoudendheid in acht te worden genomen. Ter beoordeling staat of de rechter-commissaris en, wat de concrete toepassing van de bevoegdheid betreft, de officier van justitie in redelijkheid hebben kunnen oordelen dat aan de wettelijke vereisten en de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit was voldaan. 8. Met de laatste zin van de hierboven aangehaalde overwegingen heeft de Rechtbank kennelijk en terecht tot uitdrukking gebracht dat het vertrouwensbeginsel in het internationale rechtshulpverkeer meebrengt dat er bij de beoordeling en uitvoering van een rechtshulpverzoek vanuit gegaan moet worden dat de verzoekende Staat terecht stelt dat er (naar de maatstaven van zijn eigen wettelijk systeem) voldoende aanwijzingen van betrokkenheid bij een bepaald strafbaar feit voorhanden zijn. 9. Gelet op deze uitgangspunten is het in de hierboven aangehaalde overwegingen besloten liggende oordeel dat er geen grond is om aan te nemen dat de inwilliging van het rechtshulpverzoek een inbreuk zal opleveren op fundamentele beginselen van Nederlands strafprocesrecht, noch onjuist, noch onbegrijpelijk. 10. Verder brengt het reeds genoemde vertrouwensbeginsel in het internationale rechtshulpverkeer mee dat er ten aanzien van een verzoekende Staat die de bindende kracht van het EVRM heeft aanvaard vanuit moet worden gegaan dat de schending van in dit verdrag gewaarborgde rechten in die Staat kan worden voorgelegd aan een rechterlijke autoriteit die in staat is aan dat verweer, voor zover het gegrond wordt bevonden, gepaste consequenties te verbinden, vgl (met betrekking tot uitlevering) HR NJ 2004, 42. 11. De in feitelijke aanleg betrokken en in de cassatiemiddelen herhaalde stelling dat uit een eerder ten laste van verzoeker gewezen vonnis van een Duitse rechter volgt dat deze na overdracht van hier te lande inbeslaggenomen voorwerpen zonder meer uitgaat van een rechtmatige inbeslagneming en daarom niet bereid is nog te onderzoeken of de uitvoering van een door de Duitse autoriteiten gedaan rechtshulpverzoek tot schending van de in het EVRM gewaarborgde rechten heeft geleid, rechtvaardigt geen afwijking van het zojuist genoemde uitgangspunt, reeds omdat niet bekend is op welke gronden de Duitse rechter in die eerdere strafzaak tot de beweerde beslissing is gekomen. 12. In de toelichting op de middelen wordt ten slotte aangevoerd dat uit een nagezonden brief van het Staatsanwaltschaft Osnabrück gedateerd 7 mei 2007 is erkend dat het rechtshulpverzoek onjuiste informatie bevat ten aanzien van de (destijds) tegen verzoeker bestaande verdenking. 13. Bedoelde brief en een vertaling daarvan zijn bij de schriftuur gevoegd. De brief houdt in dat een bij het oorspronkelijk rechtshulpverzoek gevoegd politierapport onjuist is. In dit rapport werd vermeld dat verzoeker in Duitsland is veroordeeld voor zijn betrokkenheid bij drie in 1997 gepleegde overvallen. Dat had de opsteller van het rapport verkeerd begrepen, althans hij heeft dit ten onrechte voorgehouden aan degenen die het verzoek om rechtshulp dienden op te stellen. In werkelijkheid, aldus de Staatsanwalt in diens brief van 7 mei 2007, heeft ten aanzien van verzoeker de verdenking bestaan dat hij als mededader bij deze drie feiten betrokken is geweest, doch is hij ter zake van slechts één van die bankovervallen veroordeeld. Van een tweede, in het politierapport genoemde, overval is verzoeker vrijgesproken, en de derde in dit rapport genoemde overval is verzoeker destijds zelfs niet tenlastegelegd. De Staatsanwalt verzoekt te vernemen of de reeds verleende rechtshulp ook verleend zou zijn indien van meet af aan duidelijk zou zijn geweest dat verzoeker ter zake van slechts één van de genoemde, in 1997 begane, feiten is veroordeeld. 14. Bij de stukken bevindt zich een rechtshulpverzoek gedateerd 8 november 2006, strekkende tot doorzoeking van de woningen van verzoeker en een andere persoon en de eventueel bij hen in gebruik zijnde voertuigen. Daarbij is gevoegd een exemplaar van een Beschluss van een rechter in het Amtsgericht te Osnabrück gedateerd 4 november 2006, waarin als verdenking jegens verzoeker is omschreven dat hij betrokken is geweest bij vijf overvallen ("schwerer Raub" of "schwere räuberische Erpressung"), gepleegd op verschillende tijdstippen in de jaren 2005 en 2006. 15. De onjuistheid in de gronden waarop verzoeker in Duitsland als verdachte is aangemerkt betreft derhalve niet rechtstreeks de feiten die hij vermoedelijk heeft begaan, maar de in (een) eerder gevoerd(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.