Nr. 02834/06 Mr Machielse Zitting: 9 oktober 2007 Conclusie inzake: [verdachte]
(2)Bij nadere bestudering van die onderbouwing in relatie tot het proces-verbaal van de politie blijkt mij dat de raadsman meer twijfel oproept dan waartoe dat proces-verbaal aanleiding geeft. Uit het proces-verbaal blijkt immers het volgende. Op 26 november 2004 is hennepafval aangetroffen waarnaar een onderzoek is ingesteld. Het hennepafval bleek te herleiden te zijn tot autobedrijf [C]. Aan [B] is vervolgens verzocht het belastingpatroon in de elektriciteitskabel van het pand waar dat bedrijf is gevestigd, te onderzoeken. Uit de bijlagen bij het proces-verbaal blijkt dat op 15 december 2004 tot en met 20 december 2004 dit onderzoek is uitgevoerd. Van de zijde van [B] is medegedeeld dat het onderzoek deed vermoeden dat op dat adres vermoedelijk gebruik wordt gemaakt van een groot aantal assimilatielampen. Eerder was al gebleken dat op 1 juli 2004 bij een afvalverwerkingsbedrijf materiaal was gestort dat afkomstig zou zijn van een hennepkwekerij. De twee personen die deze storting hadden gedaan vervoerden zich in een auto die op naam stond van verdachte [verdachte]. Op 11 augustus 2004 is bij de politie weer melding gemaakt van een storting van hennepafval op een vuilstortplaats door twee mannen waarbij gebruik werd gemaakt van een auto die op naam stond van de echtgenote van [betrokkene 1]. Op 11 januari 2005, de dag van de doorzoeking van het pand waar de hennepkwekerij is aangetroffen, heeft de eigenaar van het pand, [betrokkene 1], aan de politie verklaard dat de hennepkwekerij eigendom is van [verdachte] en [medeverdachte 1]. Vervolgens zijn deze beide personen aangehouden. In dat proces-verbaal worden dus meerdere aanknopingspunten genoemd die ieder voor zich of in onderlinge samenhang voldoende zijn voor het ontstaan van een verdenking. Tegelijkertijd geeft het proces-verbaal mijns inziens geen aanleiding tot vragen over de rechtmatigheid van de doorzoeking. De steller van het middel erkent zelf reeds dat niet alle in dit verband relevante stukken pas na de doorzoeking zijn opgemaakt. 4.
- De raadsman heeft vooral gewezen op twijfels omtrent de chronologie van hetgeen omtrent het gerezen vermoeden van schuld in het proces-verbaal van de politie is opgetekend en zoals gezegd op de omstandigheid dat processen-verbaal in de meeste gevallen pas in een laat stadium - ook zelfs na de doorzoeking zelf - zijn opgemaakt. Het hof heeft overwogen dat op basis van het proces-verbaal van bevindingen wel degelijk bij de verbalisanten het redelijke vermoeden kan zijn gerezen, dat ten aanzien van het perceel [a-straat 1] te [woonplaats] sprake was van een overtreding van de Opiumwet. Aldus heeft het hof kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat de stelling van de verdediging, dat het proces-verbaal niet duidelijk maakt waar in de tijd de informatie die heeft geleid tot het ontstaan van de verdenking is te situeren getuigt van een onvolledige weergave van de inhoud van dat proces-verbaal. De verdediging wilde dus getuigen horen om beweerde onduidelijkheden in het proces-verbaal op te helderen, welke onduidelijkheden evenwel bij volledige lezing van proces-verbaal en bijlagen niet blijken te bestaan. Dat het hof onder deze omstandigheden het oproepen van de gevraagde getuigen niet noodzakelijk achtte is niet onbegrijpelijk. 4.
- Het middel faalt.
- Het eerste middel slaagt. Het tweede middel faalt en kan met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest behoort te leiden.
- Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Arnhem teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden 1 HR 28 november 2006, NJ 2007, 122; HR 28 november 2006, NJ 2007, 123; HR 15 mei 2007, LJN AZ
- 2 Voor zover de raadsman met het verzoek beoogde op te helderen of CIE-informatie in strijd met de Aanwijzing opsporingsbevoegdheden mondeling was verstrekt alvorens die schriftelijk vast te leggen, volsta ik met de verwijzing naar HR 9 december 2003, NJ 2004, 132.