ECLI:NL:PHR:2007:BB7408
Zaaknr. C06/113HR Mr. Huydecoper Zitting van 7 september 2007 Conclusie inzake De gemeente 's Gravenhage eiseres tot cassatie tegen Civilised Traveller B.V. en [Verweerster 2] verweersters in cassatie Feiten en procesverloop(1)
De feiten zijn als volgt:
Civilised Traveller en [verweerster 2] hebben beide incidenteel gevorderd, als derde-belanghebbenden in de zin van art. 3 lid 2 Ow in het onteigeningsgeding te mogen tussenkomen. De Gemeente heeft die vordering bestreden, in het geval van Civilised Traveller: op de grond dat deze, omdat het erfpachtsrecht inmiddels zou zijn geëindigd, niet erkend kon worden als derde-belanghebbende in de zin van art. 3 lid 2 Ow.
Bij vonnis van 21 juli 2004 heeft de rechtbank de vervroegde onteigening uitgesproken, met benoeming van deskundigen en van een rechter-commissaris, en met verdere beslissingen als gebruikelijk. Daarbij stelde de rechtbank tevens een voorschot op de schadevergoeding ten gunste van Civilised Traveller vast, maar hield de rechtbank de beslissing(en) op de vorderingen tot tussenkomst aan tot nadat deskundigenbericht zou zijn uitgebracht.
Vervolgens wees de rechtbank eindvonnis. Daarin stelde de rechtbank vast dat Civilised Traveller niet als tussenkomende partij kon worden toegelaten, omdat - kort gezegd - haar rechten als erfpachtster al waren geëindigd vóór de onteigening. De aanspraak op vergoeding voor de waarde van de opstallen waarin de erfpachtsvoorwaarden voorzagen, leverde volgens de rechtbank niet een recht op als bedoeld in art. 3 lid 2 Ow.
Niettemin heeft de rechtbank de aanspraak van Civilised Traveller op vergoeding van de bedoelde waarde onderzocht en vastgesteld. Dat deed de rechtbank omdat de Gemeente subsidiair had gevorderd dat de rechtbank de aanspraken van Civilised Traveller zou beoordelen als ware die (wel) derde-belanghebbende in de zin van art. 3 lid 2 Ow, terwijl Civilised Traveller te kennen had gegeven zich - om praktische redenen - niet tegen deze gang van zaken te verzetten. [verweerster 2] werd aangemerkt als huurster van de onteigende percelen, en daarmee als een van de in art. 3 lid 2 Ow bedoelde derde-belanghebbenden. De vordering tot tussenkomst van [verweerster 2] werd daarom als toewijsbaar beoordeeld; en haar aanspraak op schadevergoeding als huurster, werd door de rechtbank beoordeeld.
Ontvankelijkheid
Wat de voorwaarden voor het instellen van rechtsmiddelen betreft kunnen partijen bijvoorbeeld niet "consensueel" afwijken van de wettelijk voorgeschreven termijnen die daarvoor "staan"; en kunnen zij ook niet kiezen voor een wijze van instellen van het rechtsmiddel die niet aan de wettelijke vereisten beantwoordt (voorzover de wet geen uitzonderingen inhoudt, zoals de in art. 69 Rv. neergelegde uitzondering)(4). Wat de bevoegdheid betreft, mogen partijen niet afwijken van de "exclusieve" toekenningen van bevoegdheid zoals die bijvoorbeeld in art. 80 Rijksoctrooiwet 1995 of art. 2:345 BW zijn te vinden(5), en ook niet van de ressortsindeling voor de gerechtshoven die op de Wet RO berust(6).
Dat brengt mij - met verontschuldigingen voor dit oponthoud - tot de uitkomst dat de Gemeente in het onderhavige cassatieberoep kan worden ontvangen.
Bespreking van de middelen
Zoals hiervóór al aangestipt, gaat het in het geval van Civilised Traveller niet om een "echte" vergoeding terzake van onteigening, maar om een uit hoofde van de erfpachtsvoorwaarden verschuldigde vergoeding aan de erfpachtster, voor de waarde van "dier" opstallen bij het einde van de erfpacht(8).
Ik zal aan het begin van deze bespreking kort onderzoeken aan de hand van welke regels middel I moet worden beoordeeld.
Het gaat hier om een beoordeling die in belangrijke mate bepaald wordt door waarderingen van feitelijke aard(11), zodat cassatiecontrole maar in navenant beperkte mate mogelijk is.
Onderdeel I.1 daarvan duidt als onvoldoende deugdelijk gemotiveerd aan, het oordeel van de rechtbank over argumenten van de Gemeente die ertoe strekten dat de waarde van het onroerend goed - ik herinner er aan dat het dan gaat om de waarde van de opstallen op het goed na geëindigde erfpacht - moest worden verminderd met het oog op aanwezige verontreiniging in de vorm van asbest.
De rechtbank heeft dit argument, op het voetspoor van de geraadpleegde deskundigen, verworpen. De verwerping berust, kort gezegd, op de aan het deskundigenbericht ontleende gedachte dat een koper van het desbetreffende object slechts in de (beperkte) mate waarin deskundigen dat hebben begroot, met deze factor rekening zal houden.
Die klacht beoordeel ik als onaannemelijk.
Ofschoon mij wel duidelijk lijkt dat andere beoordelingsparameters voor de taxatie van dit gegeven denkbaar zijn, vormt de parameter die de rechtbank heeft aangenomen - namelijk: de door een redelijk handelend koper als aanvaardbaar te beoordelen koopprijs(13) - een bij uitstek zinnige en ook bij uitstek voor de hand liggende maatstaf. Dat de rechtbank, geroepen tot uitleg van de overigens op dit punt uiterst summier en lapidair geformuleerde bepaling uit de Algemene Voorwaarden, zijn uitleg door deze gegevens heeft laten bepalen, is daarom niet als rechtens onjuist aan te merken, en daarbij als het tegendeel van onvoldoende begrijpelijk: de door de rechtbank gekozen uitleg dringt zich eerder op als (een van) de meest in aanmerking komende. Voor het overige gaat het hier, zoals al eerder betoogd, om een uitleg van erfpachtsvoorwaarden, en daarmee om een aan de "feitenrechter" voorbehouden oordeel. De klacht van onderdeel 1.2 lijkt mij daarom ondeugdelijk.
Ook het onderhavige onderdeel lijkt mij, nog afgezien van het zojuist aangevoerde, niet steekhoudend.
Die benadering (door de rechtbank) doet aan het hier bedoelde gegeven (te weten: mogelijke verontreiniging) volledig recht wedervaren. Wat het middel aanvoert doet daar niet aan af. Nader onderzoek, zoals in onderdeel I.3 aan het slot bedoeld, lijkt mij alleen dan aan de orde als er inmiddels - nadere - gegevens zouden zijn (gebleken) die erop wijzen dat de in het deskundigenrapport tot uitgangspunt genomen opstelling van de potentiële koper ten opzichte van de mogelijke verontreiniging, niet langer als reëel kan worden aangemerkt. De rechtbank heeft klaarblijkelijk (gehoord de deskundigen) niet bevonden, dat daarvan sprake was.
De klacht richt zich in het bijzonder op het oordeel, in rov. 24, dat de hier door de Gemeente voor verrekening voorgedragen (verrijkings-)vordering niet voor eenvoudige vaststelling in aanmerking komt, reeds omdat niet eenduidig is gesteld welke partij als debiteur van de huurpenningen moet worden aangemerkt. Volgens de Gemeente is voldoende duidelijk dat [verweerster 2] als zodanig moest worden aangemerkt.
Ik zie hierbij geen tegenstrijdigheid met het oordeel, dat [verweerster 2] overigens wél als huurster moest worden aangemerkt. Bij dat oordeel kon de rechtbank mede in aanmerking nemen dat art. 3 lid 2 Ow en art. 42 Ow huurders en onderhuurders in één adem noemen. De rechtbank hoefde zich daarom niet nader te verdiepen in de vraag of [verweerster 2] onder de ene of de andere titel (of combinaties daarvan) viel, en mocht (in dit verband) dus voorbijgaan aan de details van de onderlinge verhouding tussen [verweerster 2], Civilised Traveller en [betrokkene 1] - zoals de rechtbank in rov. 29 dan ook heeft gedaan.
Daarbij weegt mee dat, vanwege het feit dat [verweerster 2] de opstallen in kwestie daadwerkelijk exploiteerde en daar het genot van had, het bepaald voor de hand ligt om aan te nemen dat [verweerster 2] dat als huurster deed. Er zijn natuurlijk ook andere titels denkbaar die aan het genotsrecht van [verweerster 2] ten grondslag zouden hebben kunnen liggen, maar huur is, temidden daarvan, een bij uitstek aannemelijke. Dat de rechtbank tegen die achtergrond de weging heeft gemaakt zoals zij dat blijkt te hebben gedaan, lijkt mij dan ook begrijpelijk; en dat oordeel behoefde geen nadere motivering(18).
Dat, en waarom, de rechtbank in dit verband weinig gewicht toe hoefde te kennen aan de omstandigheid dat de rechten met betrekking tot het object tussen Civilised Traveller en [betrokkene 1] verdeeld zouden zijn, kwam in alinea 24 hiervóór al aan de orde.
Ik denk dat ook dit argument niet opgaat. Art. 5:94 BW geldt voor "bevoegdelijk aangegane" huurovereenkomsten. Ofschoon de wetgever hier kennelijk overeenkomsten voor ogen hebben gestaan die de erfpachter (zelf) had gesloten, laat de wettekst ruimte voor andere "bevoegdelijk" aangegane huren: dus huren die met goedvinden van de erfpachter, en binnen de perken van diens bevoegdheden, door anderen zijn aangegaan. Daaronder zouden dan ook huren vallen, aangegaan door een rechtmatige verkrijger van "economische eigendom": vervreemding van erfpachtsrechten in de vorm van "economische eigendom" is in het algemeen toegestaan (en niets wijst er op dat dat in het onderhavige geval anders zou zijn). Door een dergelijke vervreemding wordt de "economische eigenaar" gewoonlijk bevoegd om de rechtshandelingen die daarvóór door de erfpachter mochten worden aangegaan, in diens plaats aan te gaan(19). Langs die weg kan een "bevoegdelijke" verhuring plaatsvinden die zowel naar de letter als naar de strekking van die bepaling, onder de regel van art. 5:94 BW mag worden begrepen(20).
Die stelling lijkt mij niet houdbaar in het licht van HR 29 november 2002, NJ 2003, 78 m.nt. PAS, rov. 3.9.4. In die rov. wordt onder ogen gezien het geval, dat er gedurende de periode waarin de erfverpachter de huur gestand moet doen mogelijkheden voor opzegging vallen. Daarbij is klaarblijkelijk (ook) gedacht aan de in de vorige rov., rov. 3.9.3, aangewezen mogelijkheid van opzegging van een overeenkomst die van rechtswege voor vijf jaar geldt maar die behoudens opzegging tot 10 jaar verlengd wordt (destijds art. 7A:1625 - 1628 BW, inmiddels art. 7:292 jo. 296 lid 1 BW). De erfverpachter (daar aangeduid als eigenaar) kan blijkens de aangehaalde rov. 3.9.4 dan in dezelfde gevallen en op dezelfde gronden opzeggen en beëindiging vorderen, als daarvóór (voor de oorspronkelijke verhuurder) gold.
Ik begrijp de aangehaalde overwegingen van de Hoge Raad daarom zo, dat in de genoemde gevallen de huurder aanspraak kan maken op de maximale termijn van voortgezette huur die de Hoge Raad noemt, te weten: de in art. 5:94 BW aangewezen termijn van vijf jaar, lopend vanaf het einde van de erfpacht. In het onderhavige geval zou die termijn dus geëindigd zijn op 1 september 2006 (gegeven dat de erfpacht op 1 september 2001 eindigde)(22); met dien verstande dat de erfverpachter/eigenaar gebruik mocht maken van de uit het huurrecht voortvloeiende mogelijkheden om de huur eerder te beëindigen.
Het gaat er in deze onderdelen om, dat de rechtbank de aan [verweerster 2] als onteigende huurster toekomende schadevergoeding heeft begroot met als uitgangspunt dat de huurovereenkomst met toepassing van de "normale" regels van (bedrijfsruimte)huurrecht vermoedelijk nog voor aanmerkelijke duur zou zijn verlengd.
In het licht van het zojuist besprokene, en gegeven de positie van [verweerster 2] als huurster van een object waarop de erfpachtsrechten van de oorspronkelijke verhuurster geëindigd waren, had volgens mij moeten worden aangenomen dat de huurverhouding ingevolge art. 5:94 BW op zijn laatst op 1 september 2006 - vijf jaar na het einde van de erfpacht - zou zijn geëindigd (of, zuiverder gezegd: dat vanaf dat moment niet meer van de Gemeente als gewezen erfverpachtster kon worden verlangd, de huurovereenkomst op de voet van art. 5:94 lid 2 BW gestand te doen).
De beoordeling van deze middelonderdelen is dan afhankelijk van de wijze waarop men de regel van art. 419 lid 1 Rv. uitlegt: de regel die de Hoge Raad verplicht, zich bij zijn onderzoek te "bepalen" tot de middelen waarop het beroep steunt.
Neemt men aan dat een klacht als "middel" in de zin van deze bepaling kan worden aanvaard wanneer die met recht aanvoert dat een bepaald, voldoende nauwkeurig aangeduid oordeel van de lagere rechter (rechtens) onjuist is, ook als de redenen waarmee dat betoog wordt ondersteund niet doeltreffend zijn, dan kan men de onderhavige klacht als gegrond aanmerken. Neemt men daarentegen aan dat de eiser - bijvoorbeeld met het oog op een behoorlijk partijdebat en op de mogelijkheden voor de wederpartij om zich te verweren - alleen over rechtsschending kan klagen als met enige nauwkeurigheid wordt aangegeven in welk opzicht het aangevochten oordeel van een verkeerde rechtstoepassing blijk geeft, dan geldt het omgekeerde.
De "engere" zienswijze heeft intussen aanleiding gegeven tot een interessante polemiek(24), gevoerd tussen deelnemers van ontegenzeggelijk gezag. De in die polemiek betrokken standpunten komen geen van alle overeen met de ruimere opvatting die ik zojuist als (mij) sympathiek heb bestempeld: op z'n minst wordt door elk van de betrokkenen gevergd, dat een klacht de rechtsregel die geschonden zou zijn moet aanwijzen.
Aan die maatstaf voldoet, denk ik, de klacht uit dit middelonderdeel niet: die bestrijdt de op het aangevochten punt door de rechtbank gevonden uitkomst, aan de hand van een volstrekt andere juridische benadering, dan mij juist lijkt. Daarbij wordt beroep gedaan op een rechtsopvatting die, volgens mij, hier in het geheel niet aan de orde kan komen(25).
Zo kom ik er, op de tast, tóch toe deze klacht als ondeugdelijk aan te merken.
Onderdeel II.5 klaagt over de beslissing van de rechtbank om ook wat betreft [verweerster 2] geen gevolg te geven aan de aanspraak van de Gemeente op een vordering wegens ongerechtvaardigde verrijking, uit hoofde van het feit dat de Gemeente huurgenot zou hebben verstrekt terwijl de huuropbrengsten naar anderen gingen. De klacht verwijst naar wat ten opzichte van Civilised Traveller in onderdeel I.4 is aangevoerd (wat in zoverre te billijken is, dat de rechtbank in rov. 37, waar dit argument van de Gemeente wordt verworpen, ook heeft verwezen naar de rov. (rov. 24) die in middelonderdeel I.4 wordt bestreden).
Ik wil intussen niet onvermeld laten dat enigszins in het oog loopt dat het beroep op ongerechtvaardigde verrijking, op de gronden die de Gemeente ten opzichte van Civilised Traveller deed gelden, nog aanmerkelijk problematischer lag ten opzichte van [verweerster 2]. Van [verweerster 2] valt immers, veel minder nog dan van Civilised Traveller, op de voorhand in te zien hoe zij - ik bedoel: [verweerster 2] - ten koste van de Gemeente zou zijn verrijkt. [verweerster 2] heeft huurgenot van de onteigende ruimtes gehad - in de zienswijze van de Gemeente: ten laste van de Gemeente -; maar voor [verweerster 2] stond daar tegenover de verplichting om een huurprijs te betalen (en die is, naar de rechtbank kennelijk heeft aangenomen, ook daadwerkelijk te haren laste gekomen). Niets wijst er op dat de huurprijs geen reële tegenwaarde voor het huurgenot opleverde(27). Dan valt niet dadelijk in te zien in welk opzicht [verweerster 2] verrijkt is(28). Al daarom is in dit verband begrijpelijk dat de rechtbank geen gemakkelijk beschikbaar aanknopingspunt zag om verrekening van een vordering wegens ongerechtvaardigde verrijking met de ten laste van de Gemeente komende verplichting tot schadevergoeding, in het kader van dit onteigeningsgeding, in beschouwing te (willen) nemen(29).
Het gaat er dan om dat de vordering tot tussenkomst is ingesteld toen de zaak stond voor vonnis op de vordering tot vervroegde onteigening; uitgerekend op dát ogenblik zou een vordering tot tussenkomst niet mogen worden gedaan, omdat daardoor vertraging in de uitspraak van de vervroegde onteigening zou (kunnen) intreden. (In feite is in deze zaak, althans volgens de Gemeente, het vonnis tot vervroegde onteigening ook een maand later uitgesproken dan aanvankelijk de bedoeling was).
Verder schrijft de Ow voor dat de belanghebbenden waar art. 3 lid 2 Ow op doelt, in een zeer vroeg stadium door de onteigenende partij van het uitbrengen van de dagvaarding in kennis worden gesteld, art. 18 leden 5 en 6 Ow. Dat kan niet anders betekenen, dan dat beoogd wordt dat deze belanghebbenden zo spoedig mogelijk van hun recht om tussen te komen gebruik kunnen maken (en men kan zich ook geredelijk voorstellen dat het de goede procesorde alleen maar dient, wanneer belanghebbenden al in het vroegste stadium van zich laten horen).
Hierin kan ik bepaald geen aanwijzing zien dat interventie in de fase dat de rechtbank zich op de vervroegde onteigening beraadt, niet geoorloofd zou zijn - eerder het tegendeel.
Maar zelfs wanneer dat anders zou moeten worden beoordeeld, lijkt mij duidelijk dat de sanctie die dit middelonderdeel blijkbaar toegepast wil zien - dat is kennelijk: niet-toelating van de gevorderde interventie -, niet kan worden aanvaard.
Conclusie Ik concludeer tot verwerping.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden 1 Deze zaak is de Hoge Raad reeds (enigszins) bekend uit hoofde van het bezwaar op de voet van de Wet Tarieven in Burgerlijke Zaken, waarover bij HR 27 april 2007, NJ 2007, 260 uitspraak is gedaan.
2 De kadastrale aanduidingen zijn: gemeente 's Gravenhage, sectie [A], nummers [001 en 004] (ontleend aan het rechtbankvonnis van 21 juli 2004).
3 Daarbij is de verklaring bedoeld in art. 52 Ow binnen de daar gestelde termijn gedaan (bij akte van 24 februari 2006, terwijl het eindvonnis van de rechtbank dateert van 15 februari 2006). Vervolgens is binnen de termijn van zes weken van art. 53 lid 1 Ow de verklaring aan Civilised Traveller c.s. betekend, en is gedagvaard met opgave van de tegen het vonnis van de rechtbank in te brengen middelen (op 12 april 2006). Er werd conform art. 53 lid 1 Ow, gedagvaard tegen de eerste terechtzitting die twee weken na het uitbrengen van de dagvaarding plaatsvond ( 28 april 2006).
4 Ik denk hier bijvoorbeeld aan HR 20 juni 2003, NJ 2004, 569 m.nt. HJS, rov. 4.3 en 4.4.
5 Voorbeelden ontleend aan alinea 3 van de noot van Haardt onder HR 27 januari 1984, NJ 1984, 399.
6 Zoals blijkt uit het zo-even aangehaalde arrest HR 27 januari 1984, NJ 1984, 399 m.nt. WLH, rov. 3.2.
7 Zie voor gevallen waarin een evenzeer doelgerichte als (misschien) minder voor de hand liggende uitleg van een door een procespartij ingenomen houding door de Hoge Raad is aanvaard, HR 22 april 2005, NJ 2006, 502 m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.4 (en HR 4 oktober 2002, NJ 2004, 149 m.nt. HJS, rov. 3.3);
8 Middel II, waar het gaat over de beslissing aangaande [verweerster 2], betreft wél een "echte" op de voet van de Ow vastgestelde onteigeningsvergoeding.
9 De Jong, Mon. Nieuw BW B28, p. 65; Van Velten, Preadvies KNB 1995, p. 53 e.v.; Asser-Mijnssen-Van Dam-Van Velten, 2002, nr. 241.
10 Laatstelijk (betreffende een akte tot vestiging van erfdienstbaarheden) HR 2 december 2005, NJ 2007, 5, rov. 3.3; zie ook HR 8 december 2000, NJ 2001, 350 m.nt. WMK, rov. 3.3 (betreffende een transportakte).
11 HR 13 juni 2003, NJ 2004, 251, rov. 3.4.
12 Onderdeel I.1 verwijst hier naar alinea's 13 - 21 van de pleitnota van de kant van de Gemeente. De argumenten die men daar vindt, worden alle genoemd in rov. 19 van het bestreden vonnis, zodat niet betwijfeld hoeft te worden dat de rechtbank die argumenten in de beoordeling heeft betrokken.
13 Waarbij ik uiteraard aanneem dat bedoeld is: de koopprijs van de opstallen waar de bepaling uit de erfpachtsvoorwaarden op gericht was (en niet, bijvoorbeeld, de koopprijs van het onroerend goed in zijn geheel - dus met inbegrip van de niet tot de opstallen te rekenen gedeelten).
14 Volgens vaststelling op p. 22 van het definitieve deskundigenbericht zou Civilised Traveller verhuurster zijn (gebleven) van het pand [a-straat 1] en was [betrokkene 1] verhuurder van [a-straat 2 ]. Daar worden ook gegevens vermeld over hoe de verschuldigde huurprijs over beide perceelsgedeelten verdeeld zou worden (waarbij verreweg de grootste huurcomponent aan [betrokkene 1] verschuldigd zou zijn). Rov. 28 verwijst naar die gegevens. Of er was aangevoerd dat tussen Civilised Traveller en [betrokkene 1] (nog) betalingsverplichtingen bestonden (zodat Civilised Traveller uit dien hoofde nog revenuën tegemoet kon zien, en zo "verrijkt" zou kunnen worden), heb ik niet kunnen vaststellen.
15 Bovendien kwam aan Civilised Traveller een vergoeding toe terzake van de geëindigde erfpacht, en laat zich denken dat hangende de afrekening daarvan een retentierecht kon worden uitgeoefend (en uit hoofde daarvan aanspraak kon worden gemaakt op (een deel van) de huuropbrengsten in de tussentijd). Ook in dat opzicht kon de rechtbank geredelijk menen, dat de rechtsverhoudingen zich niet eenvoudig lieten vaststellen.
16 In alinea 36 van de pleitnota in eerste aanleg namens de Gemeente worden de onduidelijkheden in de huurrelatie tussen [verweerster 2], Civilised Traveller en [betrokkene 1] helder aangewezen (in het kader van een betoog dat ertoe strekte dat er helemaal geen huurderschap van [verweerster 2] zou moeten worden aangenomen). Het is dat betoog, dat zich in dit verband (te weten: het beroep op ongerechtvaardigde verrijking), tegen de Gemeente keert.
17 Dit middelonderdeel verwijst naar alinea's 23 e.v. van de pleitnota namens de Gemeente (in eerste aanleg), maar hier wordt kennelijk gedoeld op de alinea's 32 e.v.
18 Het valt moeilijk in te zien wat die motivering méér zou hebben kunnen inhouden dan dat de rechtbank de vóór het aannemen van een huurverhouding pleitende aanwijzingen aannemelijker heeft bevonden dan de daartegen pleitende aanwijzingen - en ook zonder die, weinig "toegevoegde waarde" bezittende, motivering heb ik, als gezegd, geen moeite om het oordeel van de rechtbank te begrijpen.
19 Zie voor een enigszins vergelijkbaar geval HR 3 november 2006, NJ 2007, 155 m.nt. P. van Schilfgaarde, rov. 3.3 - 3.6.
20 Steun voor de hier verdedigde opvatting lijkt mij te putten uit HR 25 november 2005, NJ 2006, 338 m.nt. P.A. Stein, rov. 3.5.
21 Bij het verstrijken van de periode van tien jaar na verlenging van een aanvankelijk voor vijf jaar geldende overeenkomst zou mutatis mutandis hetzelfde gelden: ook dan zou, als het enkele verstrijken van de termijn al tot het eind van de overeenkomst zou leiden, verwijzing naar de opzeggingsmogelijkheden en -gronden die de wet de verhuurder biedt, zinloos zijn; zodat aangenomen moet worden dat de door de Hoge Raad uitgesproken regel ook voor dat geval anders "uitpakt" dan de leer die dit middelonderdeel verdedigt.
22 Zie HR 25 november 2005, NJ 2006, 338 m.nt. P.A. Stein, rov. 3.8 en 3.9.
23 De rechtbank is er blijkens rov. 36 van uit gegaan dat de (eerste) bepaalde tijd van vijf jaar waarvoor de huurovereenkomst gold, in december 2004 zou eindigen.
24 Beschreven door Ter Heide, Het cassatiemiddel in burgerlijke zaken, in "WB der Nederlanden" (WB-bundel), 2003, p. 200 - 202; zie vervolgens Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen, 2005, nr. 143; en daarnaast Asser, Civiele Cassatie, 2003, p. 78 - 79.
25 Ik bedoel dan de in onderdeel II.2 verdedigde opvatting dat een (bedrijfsruimte-)huurovereenkomst voor bepaalde tijd in geval van beëindiging van de erfpacht "van rechtswege" eindigt door het verstrijken van de bepaalde tijd..
26 Deskundigenrapport, p. 29; rechtbankvonnis (van 15 februari 2006), rov. 33, onder het kopje "Inkomensschade".
27 Integendeel, het in alinea 35 besproken gegeven suggereert dat de huurprijs eerder aan de hoge kant was, dan "geflatteerd".
28 Zie voor een (enigszins) vergelijkbaar geval HR 22 juni 2007, RvdW 2007, 603, rov. 3.3.
29 Men vraagt zich overigens allicht af of de Gemeente niet aan art. 5:94 BW het recht ontleende om van de huurster wier rechten zij gestand moest doen, dan ook rechtstreeks betaling van de huurpenningen te vorderen (zoals dat bij toepassing van, bijvoorbeeld, art. 7:226 BW wel het geval zou zijn. (Toepassing van art. 7:226 BW (of art. 7A:1612 BW (oud)) lijkt mij intussen al daarom uitgesloten, omdat de wet hier in art. 5:94 BW een "specialis"-regel biedt, en toepassing van andere regels daarmee niet te verenigen is.)). Ik laat dit punt rusten - het is in cassatie niet aan de orde.
30 Den Drijver-Van Rijckevorsel - Van Engen, Onteigening, 2003, p. 43 - 44. Verdere gegevens over de interventieprocedure (maar niet over de vraag die het middel opwerpt) bij Onteigening, eigendomsbeperking en kostenverhaal (losbl.), Van Mierlo, III B (§§ 11 e.v.).
31 Ik heb dan vooral het oog op art. 24 Ow, dat de rechter voorschrijft om onteigeningszaken voor alle andere te behandelen en om uiterlijk een maand na de eerste roldatum (voorlopig) uitspraak te doen.