Conclusie Nr. 08/01965 E Mr Jörg Zitting 9 december 2008 Conclusie inzake: [Verzoeker=verdachte]
(1)zaak herhaalde Uw Raad nog eens dat "het in art. [225], eerste lid, Sr() bedoelde oogmerk slechts ziet op het gebruik van het valse of vervalste geschrift en niet ook op de valsheid zelf. Voor bewezenverklaring van dat oogmerk is beslissend of de verdachte de bedoeling had het desbetreffende geschrift te gebruiken of te doen gebruiken. Dat oogmerk kan dus bestaan ongeacht de vorm van het opzet die ten aanzien van het valselijk opmaken of vervalsen wordt aangenomen" (HR 16 september 2008, LJN BC7960).
- Eerst de vorm van het bewezenverklaarde opzet. Als bewijsmiddelen 6, 7 en 8 zijn de aan de Grondkamer toegezonden, op 9 maart 1998 ondertekende, pachtovereenkomsten opgenomen. Als bewijsmiddelen 9, 10 en 11 de eveneens op 9 maart 1998 ondertekende exploitatieovereenkomsten. Die overeenkomsten verschaffen een onjuist beeld van de verhouding tussen [verdachte] en zijn B.V.'s en de akkerbouwers met betrekking tot de pacht. Er zijn ook nog aanvullende overeenkomsten waarin van de exploitatieovereenkomsten wordt afgeweken. Met het oordeel van het hof dat sprake is van een schijnconstructie - zie hierboven, punt 10 - staat daarmee de intellectuele valsheid van de overeenkomsten van meet af aan vast: het was geen pacht. De bewezenverklaarde vorm van opzet is derhalve die van onvoorwaardelijk opzet.
- De wet eist vervolgens niet meer dan dat er oogmerk op het gebruik is. Dat oogmerk was er, sterker nog: er is van de valse overeenkomsten daadwerkelijk gebruik gemaakt.
- Tenslotte wijst de steller op het middel op het verweer 'de gewijzigde Meststoffenwet'. In de pleitnotities is in het kader van de strafmaat door de verdediging gewezen op het gewijzigde inzicht van de wetgever inzake de strafwaardigheid van het produceren van meststoffen. De constructie zoals opgesteld door de verdachten is volgens de stellers van het middel inmiddels in overeenstemming met de nieuwe meststoffenwetgeving.
- Dit betreft een strafmaatverweer waarvoor onder het oude recht gold dat de motivering slechts de verbazing moest wegnemen die de straf zou kunnen wekken in het licht van wat ter terechtzitting is aangevoerd. Een responsieplicht voor uitdrukkelijk onderbouwde standpunten ten aanzien van de strafmaat was nog niet ingevoerd.
- De strafmotivering houdt als volgt in: "Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich samen met anderen in het jaar 1998 schuldig gemaakt aan het op illegale wijze uitbreiden van de productie van dierlijke meststoffen, waardoor teveel fosfaat is geproduceerd. De verdachte heeft samen met drie akkerbouwers pacht-, exploitatie- en samenwerkingsovereenkomsten gesloten met betrekking tot drie van zijn pluimveestallen. Zodoende kon de verdachte zijn bedrijven op niet-legale wijze uitbreiden en zijn omzet vergroten. De pacht- en exploitatieovereenkomsten werden bij de notaris getekend, en dienden om tegenover derden een andere voorstelling van zaken te geven dan overeenstemde met de werkelijkheid, terwijl de samenwerkingsovereenkomst door de verdachten geheim werd gehouden. Er is derhalve - naar het oordeel van het hof - sprake geweest van een schijnconstructie. Voorts is komen vast te staan dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 1 juni 2004, meermalen is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke feiten. Het hof zal bij de strafoplegging rekening houden met de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. Het hof is van oordeel dat terzake van de feiten een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met een proeftijd van 2 jaar en een geldboete van € 50.000,-, subsidiair 180 dagen hechtenis een juiste reactie vormen. Echter, gelet op hiervoor bedoelde overschrijding zal naast de onvoorwaardelijke geldboete een lagere voorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd. Bij de vaststelling van de geldboete is rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.
- De opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaar en een geldboete van € 50.000,00, subsidiair 180 dagen hechtenis kan gelet op de onderbouwing geen verbazing wekken en is toereikend gemotiveerd: de schijnconstructie was in het voordeel van verzoeker en hij heeft een relevant strafblad.
- Ambtshalve gronden waarop Uw Raad de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.
- Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend ten aanzien van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G
- Porta Iuris noemt dit in de kop een Antilliaanse zaak, hetgeen duidt op een hardnekkig - al 20 jaar voortdurend - misverstand dat alles wat met "Justitie" in de West te maken heeft, Antilliaans is.