← Nederland

ECLI:NL:PHR:2008:BA1024

Nr. 02057/06 H Mr. Machielse Zitting: 20 maart 2007 Conclusie inzake: [Aanvrager] 1.

  1. Deze zaak betreft de zogenaamde 'Deventer moordzaak'. Aanvrager werd in die zaak door de rechtbank Zwolle op 9 maart 2000 (LJN-nummer AA5060) vrijgesproken van moord en vervolgens door het Gerechtshof Arnhem op 22 december 2000 (LJN-nummer AD8964) alsnog voor dat feit veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren. Tegen die veroordeling heeft aanvrager cassatieberoep ingesteld, maar de Hoge Raad heeft het cassatieberoep bij arrest van 20 november 2001 (LJN-nummer AD5148) verworpen. Vervolgens heeft aanvrager een eerste herzieningsaanvraag ingediend, die bij uitspraak van 1 juli 2003 door de Hoge Raad gegrond is verklaard. Die beslissing hield met name verband met de resultaten van nieuw onderzoek die de relatie tussen het veronderstelde moordwapen (een mes) en de moord onaannemelijk maakten, een relatie die een wezenlijke schakel vormde in de bewijsvoering door het Gerechtshof Arnhem. De zaak is vervolgens opnieuw behandeld door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch. Bij die behandeling heeft het OM nieuw bewijs tegen aanvrager geleverd. Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 9 februari 2004 (LJN-nummer AO3222) het arrest van het Gerechtshof Arnhem van 22 december 2000 - onder verbetering van gronden - gehandhaafd. Nadat aanvrager hiertegen wederom cassatieberoep heeft ingesteld, heeft de Hoge Raad ook dit beroep bij arrest van 22 februari 2005 (LJN-nummer AR5714) verworpen. 1.
  2. Namens de aanvrager heeft Mr. G.G.J. Knoops, advocaat te Amsterdam, bij de Hoge Raad nu een (tweede) herzieningsaanvraag ingediend die op 27 juli 2006 is binnengekomen.1 Bij de aanvraag zijn twee productiemappen (productiemappen I en II) met bijlagen gevoegd. Een aanvulling op deze aanvraag is afzonderlijk bij de Hoge Raad ontvangen op 2 augustus
  3. Vervolgens heeft Mr. Knoops een tweede aanvulling op de aanvraag ingediend, die door de Hoge Raad op 29 augustus 2006 is ontvangen. Op 15 november 2006 heeft de feitelijke behandeling plaatsgevonden, waarbij mr. Knoops de aanvraag mondeling heeft toegelicht en stukken heeft overgelegd. Vervolgens heeft mr. Knoops nog een derde aanvulling toegezonden, die op 6 maart 2007 is ontvangen. Alleen wat in de aanvraag, inclusief aanvullingen en bijlagen, aan de orde wordt gesteld is voorwerp van bespreking in deze conclusie. 1.
  4. Voor de goede orde zal ik hieronder eerst kort - daarbij uitgenodigd door de door de aanvrager ontvouwde ideeën over het bijzondere rechtsmiddel der herziening - uiteenzetten onder welke voorwaarden een herzieningsaanvraag kan worden toegewezen. Daarna zal ik kort samenvatten welke gronden voor herziening in deze aanvraag worden aangedragen en hoe die in de aanvraag worden onderbouwd. In deze conclusie wordt steeds gesproken van "aanvrager". Daarmee doel ik op de veroordeelde, maar voor zover er wordt ingegaan op hetgeen in onderhavige herzieningsaanvraag wordt aangevoerd, heeft die term natuurlijk (mede) betrekking op Mr. Knoops, die de aanvraag immers namens de veroordeelde heeft opgesteld. 1.
  5. De aanvraag gaat ervan uit dat het Gerechtshof 's-Hertogenbosch zich voor het bewijs van het daderschap uitsluitend, althans in belangrijke mate heeft laten leiden door het oordeel van een deskundige, te weten ing. Eikelenboom. Nieuwe rapportage van een andere deskundige zou de uitgangspunten van de deskundige waarop het hof heeft vertrouwd niet langer als de meest waarschijnlijke toedracht bestempelen. Hoewel het hier gaat om nieuwe rapportage door een andere deskundige dan de deskundige die eerder heeft gerapporteerd zou toch een teleologische uitleg van het novumbegrip de Hoge Raad ertoe moeten brengen art. 457 lid 1 onder 2 Sv hier van toepassing te verklaren. De steller van de aanvraag legt uit dat een teleologische interpretatie zich oriënteert op doel en strekking van de herziening als buitengewoon rechtsmiddel. Over dat doel en die strekking van de herziening wordt overigens vervolgens in de aanvraag niet uitgeweid. Toch lijkt het mij zinvol de bepalende kenmerken van dit buitengewone rechtsmiddel hier voor het voetlicht te halen. Doel en strekking van dit rechtsmiddel kunnen immers niet naar believen worden aangepast, maar zijn afhankelijk van de tekst van de wet, van de wil van de wetgever en van de uitleg door de Hoge Raad. 1.
  6. Herziening is een buitengewoon rechtsmiddel. Het biedt de mogelijkheid om in bijzondere omstandigheden een veroordeling die al onherroepelijk is geworden, toch ongedaan te maken. Een herzieningsverzoek kan dus pas worden gedaan wanneer een strafzaak reeds is afgerond en de betrokkene definitief is veroordeeld. De bedoeling van de herzieningsregeling is niet om dit strafproces bij de Hoge Raad nog eens over te kunnen doen en een veroordeling, die reeds onherroepelijk is, nog eens ter discussie te stellen. Volgens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv kunnen als grond voor herziening slechts dienen één of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken ("novum") en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid tot (voorzover hier van belang) vrijspraak van de veroordeelde. 1.
  7. Een novum kan slechts een omstandigheid van feitelijke aard betreffen. Een verkeerde toepassing van het recht is geen grond voor herziening. De reden daarvoor is dat wanneer een veroordelende rechter het recht onjuist toepast, daarover reeds bij de eerdere berechting en in cassatie kon worden geklaagd. Om tot herziening te kunnen leiden mogen aangevoerde feiten ook niet reeds bij die oorspronkelijke berechting zijn gebleken, omdat in dat geval de feiten niet nieuw zijn en de betrokkene al in de gelegenheid is geweest die feiten daar aan te voeren. Een herzieningsaanvraag zal ook goed moeten worden onderbouwd. Vandaar de woorden "door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden." Het volstaat niet de nieuwe feiten in een herzieningsaanvraag te stellen met het doel nader onderzoek te bewerkstelligen. 1.
  8. Het gaat erom dat de gestelde nieuwe feiten ernstige vragen oproepen over de juistheid van een veroordeling. Wanneer na een onherroepelijke veroordeling omstandigheden naar voren worden gebracht die de veroordeelde ontlasten, is dat niet zonder meer een grond om een veroordeling opnieuw onder de loupe te nemen. Daarvoor is meer nodig. Er is pas een grond voor herziening van een veroordeling bij het 'ernstige vermoeden' dat de rechter de betrokkene zou hebben vrijgesproken (etc.), indien hij met de nieuwe omstandigheden bekend was geweest. Of dat het geval is hangt mede af van de vraag wat het bewijsmateriaal is waarop de veroordeling van de veroordeelde berust. Een novum kan nooit geïsoleerd op waarde worden geschat. Ik geef een voorbeeld. Als de bewezenverklaring van het plegen van een gewapende overval berust op de herkenning van de veroordeelde door het slachtoffer bij een Osloconfrontatie, zullen naderhand gebleken gebreken bij die confrontatie ernstige twijfel opleveren over de juistheid van die bewezenverklaring. Maar als er naast die confrontatie op de plaats van het delict DNA-materiaal van de veroordeelde is gevonden en bij hem thuis het wapen is aangetroffen waarmee tijdens de overval volgens technisch onderzoek is geschoten, zal het novum niet voldoende zijn. Het gaat erom of het nieuwe feit in het licht van al het beschikbare materiaal de aangevallen uitspraak in haar wezen lijkt aan te tasten en daarmee niet gelijktijdig kan bestaan.2 1.
  9. Uit het voorgaande volgt wel dat een mening, overtuiging of gevolgtrekking in het algemeen niet als een feitelijke omstandigheid kan worden aangemerkt en dus geen novum kan opleveren. In de onderhavige herzieningsaanvraag baseert aanvrager zich in belangrijke mate op oordelen van deskundigen. Deskundigen kunnen over onderwerpen verschillende opvattingen hebben, verschillende valide onderzoeksmethoden gebruiken of tot verschillende bevindingen komen. In de 'Puttense moord'-zaak heeft de Hoge Raad overwogen dat het oordeel van een deskundige in beginsel slechts als een novum kan gelden, voor zover daarbij wordt uitgegaan van feiten en/of omstandigheden van feitelijke aard die niet bekend waren dan wel geacht kunnen worden bekend te zijn geweest aan de rechter die de uitspraak heeft gewezen. Bijzondere omstandigheden kunnen volgens de Hoge Raad echter meebrengen dat daarover anders moet worden geoordeeld.3 Zo deed zich in de 'Puttense moordzaak' de situatie voor dat de deskundige, wiens oordeel volgens de Hoge Raad een wezenlijk onderdeel vormde in de bewijsvoering door het hof, later terugkwam op zijn oordeel vanwege omstandigheden die het hof wel maar hemzelf destijds niet bekend zouden zijn geweest. 1.
  10. Onder bijzondere omstandigheden zou een deskundigenoordeel, ondanks het ontbreken van nieuwe omstandigheden van feitelijke aard, volgens de Hoge Raad dus een novum kunnen opleveren. Daarbij moet mijns inziens ook gedacht worden aan de situatie dat een deskundige op basis van nieuwe wetenschappelijke inzichten aantoont dat een deskundigenoordeel, dat een wezenlijk onderdeel uitmaakt van de bewijsvoering, evident onjuist is geweest. Vooruitlopend op de bespreking van de inhoud van de aanvraag merk ik hier reeds op dat aanvrager zich veelvuldig beroept op wetenschappelijke uitspraken die erop neer komen dat hetgeen aanvrager aanvoert 'niet valt uit te sluiten' of dat hetgeen het hof aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd 'niet met zekerheid is vast te stellen'. Het 'nieuwe' komt er dan vaak op neer dat de bij het hof reeds bekende onzekerheden van forensisch bewijs extra belicht worden. Dergelijke uitspraken kunnen echter niet als novum worden aangemerkt indien zij niet op nieuwe feiten zijn gebaseerd en evenmin duiden op een eerst achteraf blijkende evidente onjuistheid van het deskundigenoordeel waar de rechter in laatste ressort zich in belangrijke mate op heeft gebaseerd. Bij de beoordeling van deze aanvraag zal dus tussen alle stellingen door moeten worden gezocht naar omstandigheden van feitelijke aard of evidente vergissingen van deskundigen, die het ernstige vermoeden wekken dat het hof bij bekendheid ermee tot een vrijspraak was gekomen. 1.
  11. De onderhavige herzieningsaanvraag beslaat exclusief de bijlagen 110 pagina's. Zij betreft een niet altijd even overzichtelijke aaneenschakeling van wat de aanvrager "nieuwe feitelijke gegevens" noemt. Die hebben in belangrijke mate betrekking op (het onderzoek naar) de DNA- en bloedsporen op de blouse van het slachtoffer. De nieuwe feiten worden met regelmaat herhaald in verschillende onderdelen van de aanvraag. Soms worden nieuwe feiten naast elkaar besproken zonder dat aanvrager duidelijk toelicht wat het verband tussen die feiten is. Eén en ander heeft tot gevolg dat de gronden voor herziening niet erg duidelijk zijn afgebakend. Uit de eindconclusie en de hoofdstukkenindeling van de aanvraag valt af te leiden dat aanvrager verschillende nieuwe rapporten als gronden voor herziening aanmerkt. In de hoofdstukkenindeling zijn aldus zes herzieningsgronden te herkennen: 1.
  12. Het eerste onderdeel van de herzieningsaanvraag (hoofdstuk IV) gaat in op een rapport d.d. 31 maart 2006 van The Forensic Science Service in Huntingdon, Engeland, opgemaakt door forensisch deskundige dr. L.P. Kenny. Dat rapport is opgemaakt op verzoek van aanvrager en bevat antwoorden op vragen van aanvrager over het DNA-sporenonderzoek in onderhavige zaak. Daarbij heeft Kenny kennis kunnen nemen van de vertaalde deskundigenrapportages van het NFI, maar niet van het arrest van het hof. Het tweede onderdeel betreft nieuwe NFI-rapporten waaruit volgens aanvrager blijkt van vooringenomenheid van het NFI ten tijde van de behandeling van de strafzaak in 2003-
  13. Het derde onderdeel van de herzieningsaanvraag betreft een NFI-notitie van april 2005 getiteld "Forensisch onderzoek en bewijswaarde van biologische contactsporen". Het vierde onderdeel gaat in op een brief d.d. 22 juni 2006 van Prof. Dr. P. de Knijff, DNA-deskundige, waarin deze antwoord geeft op enkele door aanvrager aan hem gestelde vragen over zijn eerdere optreden als deskundige in de onderhavige strafzaak. Het vijfde onderdeel betreft een enkele tientallen pagina's tellend overzicht van alle onderzochte DNA-profielen, een overzicht dat blijkens de adressering op de daarbij gevoegde brief d.d. 6 februari 2006 van het NFI bedoeld is geweest voor de eerdergenoemde Forensic Science Service. Tot slot heeft het zesde onderdeel van de aanvraag betrekking op het namens het College van Procureurs-generaal op 6 juni 2006 opgemaakte rapport "Deventer moordzaak, Oriënterend vooronderzoek" (hierna: het onderzoeksrapport). Dit onderzoeksrapport is bij de herzieningsaanvraag gevoegd. In dit verband gaat aanvrager vooral in op nieuwe feiten ten aanzien van de hypothese dat een ander de werkelijke dader is geweest.4 1.
  14. Zoals gezegd leid ik uit de eindconclusie en de hoofdstukkenindeling af dat aanvrager verschillende nieuwe rapporten, die als bijlagen zijn gevoegd bij de aanvraag, als gronden voor herziening aanmerkt. De aanvraag bestaat er vooral in dat aan die rapporten verschillende feiten worden ontleend die nieuw zouden zijn en kennelijk in samenhang met dat rapport als een novum moeten worden aangemerkt. Bij de feitelijke behandeling op 15 november 2006, waar de aanvraag mondeling is toegelicht, verraste aanvrager mij door op te merken dat in het verzoek "maar liefst een negental nieuwe feiten aan het daglicht (wordt) gebracht". Het betreft hier blijkens de overgelegde pleitnota van die toelichting in hoofdzaak stellingen, die naar hun aard evenmin als meningen, overtuigingen of gevolgtrekkingen een novum kunnen opleveren. Slechts feiten waar die stellingen op zijn gebaseerd kunnen als novum worden erkend. Hoeveel aangevoerde nova er volgens aanvrager dan over zouden blijven, is niet duidelijk. Ik blijf dus maar uitgaan van een aanvraag die bestaat uit zes te onderscheiden nova. In dat verband zal ik echter steeds de feiten die aanvrager aan de verschillende rapporten ontleent en als nieuw aanmerkt beoordelen als aangevoerd novum. Daarmee hoop ik te voorkomen dat ik feiten die door de aanvrager als novum worden aangemerkt over het hoofd zie en niet als zodanig beoordeel. Mij moet in ieder geval van het hart dat de manier waarop de aanvraag is gepresenteerd een beoordeling van de ingediende aanvraag bijzonder moeilijk en vooral tijdrovend maakt. 1.
  15. Als bijlagen bij de aanvraag en de aanvullende aanvragen zijn - voor zover hier relevant - de volgende stukken gevoegd: - Een rapport d.d. 31 maart 2006 van The Forensic Science Service in Huntingdon, Engeland, opgemaakt door forensisch deskundige L.P. Kenny (bijlage 3) - Een notitie van het NFI, inhoudende antwoorden op vragen van het Landelijk Parket, blijkens een bijgevoegde brief d.d. 7 april 2006 gericht aan het Landelijke Parket (bijlage 4) - Een NFI-rapport van 23 mei 2006 over de aard van de gekleurde substantie op de blouse (bijlage 5) - Het rapport "Deventer Moordzaak, oriënterend vooronderzoek" van 6 juni 2006, 112 blzz. (bijlage 6) - Een FLDO-rapport van 18 mei 2006, inhoudende een aanvullend vergelijkend DNA-onderzoek van prof. Dr. P. de Knijff en Drs. T. Kraaijenbrink (bijlage 7) - Twee pagina's van een document getiteld 'Bijzonderheden Deventer moordzaak' d.d. 28 oktober 2003 van de hand van officier van Justitie Mr Duijts (bijlage 8) - Een brief d.d. 18 augustus 2005 van R. Torenbeek, patholoog, aan Algemeen Schriftkundig Bureau E.&W. Waisvisz (bijlage 9) - Een NFI-rapport van 19 mei 2006 (ing. I. Keereweer), inhoudende een vormsporenonderzoek in verband met stippenpatronen en een veegpatroon op de blouse (bijlage 10) - Een NFI-rapport van 18 mei 2006 (Dr. ing. Z.J.M.H. Geradts), inhoudende een beeldonderzoek naar de aanwezigheid van cosmeticaprodukten in de woning van het slachtoffer en naar de eerdere aanwezigheid van een in 2003 geconstateerde vlek D (SVO9.004) (bijlage 11) - Een notitie van het NFI d.d. 1 april 2006 (A.P.A. Broeders en A.D. Kloosterman) naar aanleiding van het rapport van de Engelse Forensic Science Service (bijlage 12) - Een e-mail d.d. 2 mei 2006 van L. Kenny van de Forensic Science Service over de herkomst van bloedvlekje #10 op de blouse (bijlage 15) - Een NFI-rapport van 19 mei 2006 (Ing. M.J. van der Scheer en dr. A.D. Kloosterman), inhoudende een aanvullend bloedsporen- en DNA-onderzoek (bijlage 16) - Een uitgave uit 2005 van het NFI met de titel "Forensisch onderzoek en bewijswaarde van biologische contactsporen" (Bijlage 17) - Een brief d.d. 22 juni 2006 van prof. dr. P. de Knijff aan de raadsman van aanvrager met antwoord op enkele vragen (bijlage 18) - Een overzicht met grafische weergaven van alle DNA-profielen met een bijgaande brief d.d. 6 februari van het NFI aan "Forensic Science Service" (bijlage 19) - Een notitie van J. Boumans over het overzicht dat als bijlage 19 is gevoegd (bijlage 20) - Een proces-verbaal van 8 mei 2006 van verbalisanten [verbalisant 1 en 2], inhoudende een verhoor van H.G. van B. (bijlage 24) - Een proces-verbaal van 24 mei 2006 van verbalisanten [verbalisant 1 en 2], inhoudende een verhoor van W.H. K.S. (bijlage 25) - Een niet ondertekende tekst met als titel "verklaring van de getuige die niet mocht getuigen, afgelegd op 20 juni 2006 per videoconferencing." (bijlage 26) - Een verslag d.d. 17 januari 2006 opgemaakt door particulier recherche bureau PD Recherche Advies, inhoudende een verhoor op 16 januari 2006 van M.I. W. (bijlage 27) - Een proces-verbaal van 2 februari 2006 van verbalisant [verbalisant 3], inspecteur bij de Regiopolitie IJsselland, inhoudende een verslag van een gesprek met M. de J. en M. W. en een proces-verbaal van 8 mei 2006 van verbalisanten [verbalisant 1 en 2], inhoudende een verhoor van M.I. W. en een proces-verbaal van 8 mei 2006 van verbalisanten [verbalisant 1 en 2], inhoudende een verhoor van M.C. de J. (bijlage 28) Een verslag uit juli 2006 opgemaakt door particulier recherche bureau PD Recherche Advies, inhoudende een verhoor van N.P. van R. (bijlage 29) - Een NFI-rapport van 27 april 2006 (Drs. W.P.F. Fagel), inhoudende een vergelijkend handschriftenonderzoek (bijlage 30) - Een rapport van 17 mei 2006 van de Forensic Science Service, inhoudende een vergelijkend handschriftenonderzoek (bijlage 31) - Een notariële akte d.d. 29 april 2006, opgemaakt door J.C. Cargile, notaris in Texas (VS), inhoudende een verklaring van C. Baggett, handschriftdeskundige in Richardson (Texas) (bijlage 32) - Een NFI-rapport van 18 mei 2006 (ing. M.T.A. Vasconcellos-Kamperveen), inhoudende een textielonderzoek naar de herkomst van snij- en steeksporen in de blouse (bijlage 33) - Een rapport d.d. 18 mei 2006 van Dr. R. Visser, arts-patholoog, inhoudende een onderzoek naar de steekwonden (bijlage 34) - Een krantenartikel inhoudende een interview met T. Broeders (bijlage 35) - Een uitgave van 26 januari 2005 van het FLDO met de titel "De bijzondere aspecten van Y-chromosoom en mitochondriaal forensisch DNA onderzoek" (bijlage 36) - Een CD-rom van het NFI, bevattende foto-opnames van stukken van overtuiging (bijlage 37) - Een notitie van de hand van aanvrager, onder meer bevattende foto-opnames van de blouse van het slachtoffer (bijlage 38) - Een NFI-rapport d.d. 13 september 2006 van G.J.Q. van der Peijl, inhoudende een aanvullend analytisch-chemisch onderzoek naar de herkomst van de lichtrode vlekken (bijlage 40) - Een NFI-rapport d.d. 18 september 2006 van ing. M.J. van der Scheer, ing. I. Keereweer en dr. A.D. Kloosterman, inhoudende antwoorden op aanvullende vragen van het openbaar ministerie over het bloedspoorpatroononderzoek, het vormsporenonderzoek en het DNA-onderzoek (bijlage 41) - Een notitie van de hand van aanvrager, inhoudende een tijdstippenanalyse van de foto-opnames van de blouse (bijlage 48 en 49) - Een brief van Prof. Dr. P. de Knijff d.d. 4 oktober 2006 aan de officier van Justitie bij het Landelijk Parket en aan Dr. A.D. Kloosterman van het NFI, inhoudende antwoorden op enkele aanvullende vragen over het Y-chromosoom onderzoek (bijlage 50) 1.
  16. Omdat de kernvraag bij onderhavige herzieningsaanvraag is of de aangevoerde nieuwe feiten het ernstige vermoeden wekken dat het hof bij bekendheid daarmee tot een vrijspraak was gekomen, is het van belang de bewijsvoering van het hof, waaronder de bewijsmiddelen en de aanvullende bewijsoverwegingen, weer te geven.5 Daaruit blijkt welke feiten en welke bevindingen voor het hof wezenlijk zijn geweest om tot de conclusie te komen dat aanvrager in onderhavige zaak de dader is geweest.6 Hetgeen in herziening wordt aangevoerd zal deze bewijsvoering in haar wezen moeten aantasten wil er een grond voor herziening zijn. Het zijn ook inderdaad die feiten en bevindingen waar de herzieningsaanvraag in belangrijke mate betrekking op heeft. Tegelijkertijd acht ik een weergave van de bewijsvoering voorzover de aanvraag daartegen opkomt van belang om ook aan het publiek in zoverre een volledig beeld te geven van dit deel van het bewijs dat tegen aanvrager is gebruikt. 1.
  17. Voor een goed begrip van de inhoud van de rapporten der deskundigen die betrekking hebben op de sporen die op de blouse zijn aangetroffen - een belangrijk onderdeel in de aanvraag - is het zinvol eerst een aantal woorden te wijden aan de selectie van de plaatsen op de blouse waar de monsters zijn genomen. De deskundige Eikelenboom heeft in zijn rapport van 22 januari 2004 hiervan verslag gedaan. Ervan is uitgegaan dat het slachtoffer make-up gebruikte en dat tijdens het delict make-upsporen zijn overgebracht op de blouse. Aldus zouden lichtrode vlekken zijn ontstaan. Ook andere vermoedelijk delictgerelateerde stukken van de blouse zijn bemonsterd. De blouse is daarnaast onderzocht met behulp van een crimescope, waarmee biologische vloeistoffen zoals speeksel, zweet, bloed en sperma kunnen worden aangetoond. Van relevant geachte vlekken die met de crimescope zijn gevonden zijn ook monsters genomen. De monsters zijn onderzocht op de aanwezigheid van DNA materiaal. In een aantal monsters is een mengprofiel aangetroffen, in andere monsters blijkt het DNA materiaal afkomstig te zijn van één persoon. Er zijn twee methodieken gebruikt om DNA profielen uit de monsters te kunnen samenstellen. In de eerste plaats is tewerk gegaan volgens standaardmethoden, die over het algemeen geen profielen zullen opleveren uit celmateriaal dat kan worden overgedragen bij zakelijk, oppervlakkig contact zoals het geven van een hand of het voeren van een gesprek. Daarnaast zijn sporen ook onderzocht met de Y-chromosomale methode, waarmee kleine hoeveelheden mannelijk DNA materiaal kunnen worden geïdentificeerd. 1.
  18. Mede op basis van hetgeen deskundigen in hun voor het bewijs gebezigde rapporten hebben vermeld en ter terechtzitting bij het hof hebben verklaard, is het volgende aan het hof bekend geweest over de aangetroffen sporen op de blouse van het slachtoffer voor zover de DNA-profielen daarin significante overeenkomsten vertonen met het DNA-profiel van aanvrager: - een vlek ter hoogte van de rechterschouder naast de revers (#1). Het betreft hier een mengprofiel. Het celmateriaal in deze bemonstering kan bestaan uit een mengsel van celmateriaal van het slachtoffer en aanvrager. In het NFI rapport van 19 januari 2004 wordt deze laatste opmerking gemaakt in verband met hetgeen is vastgesteld ten aanzien van het mengprofiel van spoor #9, ten aanzien waarvan door het NFI wordt gesteld dat de kans dat een willekeurig gekozen mannelijk individu een DNA-profiel bezit als dat van dit afgeleide partiële profiel minder bedraagt dan één op de miljoen. Kloosterman verklaart ter terechtzitting in hoger beroep op 26 januari 2004 dat in tegenstelling tot hetgeen het geval is bij een volledig profiel (zie spoor #10 en spoor #20) bij een partieel profiel de statistische berekening ingewikkelder is. Ten aanzien van dit spoor kan evenals het NFI doet ten aanzien van spoor #9 dus worden aangenomen dat de kans dat een willekeurig gekozen mannelijk individu een DNA-profiel bezit als dat van dit afgeleide partiële profiel minder bedraagt dan één op de miljoen. Bij Y-chromosomaal onderzoek werden in 2004 4 overeenkomende DNA-kenmerken aangetroffen die volledig overeenkomen met het DNA van veroordeelde, waardoor de aanwezigheid van DNA van verdachte in dit spoor niet valt uit te sluiten. De vlek was crimescope-positief en sloeg dus aan op de aanwezigheid van lichaamsvloeistoffen. Dit zou speeksel of zweet kunnen zijn. - een vlek op de rechterschouder (#7). Het betreft een partieel profiel. Het DNA kon door prof. De Knijff op basis van Y-chromosoom onderzoek aan aanvrager worden gerelateerd, omdat de 9 DNA-kenmerken van het vastgestelde Y-chromosoom DNA-profiel volledig overeenkwamen met het DNA van veroordeelde. De kans dat deze kenmerken worden aangetroffen bij een willekeurig mannelijk individu in Europa is 4%. De vlek was crimescope-positief en sloeg dus aan op de aanwezigheid van lichaamsvloeistoffen. - een tweede bemonstering van vlek #1 ter hoogte van de rechterschouder naast de revers (#8). Dit betreft een mengprofiel. Het celmateriaal in deze bemonstering kan bestaan uit een mengsel van celmateriaal van het slachtoffer en aanvrager. In het NFI rapport van 19 januari 2004 wordt deze laatste opmerking gemaakt in verband met hetgeen is vastgesteld ten aanzien van het mengprofiel van spoor #9, ten aanzien waarvan door het NFI wordt gesteld dat de kans dat een willekeurig gekozen mannelijk individu een DNA-profiel bezit als dat van dit afgeleide partiële profiel minder bedraagt dan één op de miljoen. Kloosterman verklaart ter terechtzitting in hoger beroep op 26 januari 2004 dat in tegenstelling tot hetgeen het geval is bij een volledig profiel (zie spoor #10 en spoor #20) bij een partieel profiel de statistische berekening ingewikkelder is. Ten aanzien van dit spoor kan evenals het NFI doet ten aanzien van spoor #9 dus worden aangenomen dat de kans dat een willekeurig gekozen mannelijk individu een DNA-profiel bezit als dat van dit afgeleide partiële profiel minder bedraagt dan één op de miljoen. Kloosterman verklaart voorts ter terechtzitting in hoger beroep op 26 januari 2004 (p. 22): "Vlek #8 bevat een DNA-mengprofiel, waarvan het grootste deel van het celmateriaal afkomstig is van het slachtoffer, terwijl slechts enkele kenmerken overeenkomst vertonen met het DNA-profiel van de verdachte." Bij Y-chromosomaal onderzoek werden een Y-chromosoom DNA-profiel vastgesteld bestaande uit 6 DNA-kenmerken die volledig overeenkomen met het DNA van verdachte, zodat de aanwezigheid van DNA van verdachte in dit spoor niet valt uit te sluiten. De vlek was crimescope-positief en sloeg dus aan op de aanwezigheid van lichaamsvloeistoffen. Dit zou speeksel of zweet kunnen zijn. - een lichtrood vlekje naast de revers ter hoogte van de bovenzijde van de rechterborst (#9). Het betreft hier een mengprofiel. De kans dat een willekeurig gekozen mannelijk individu een DNA-profiel bezit als dat van dit afgeleide partiële profiel bedraagt minder dan één op de miljoen. Bij Y-chromosomaal onderzoek werd een Y-chromosoom DNA-profiel met drie DNA-kenmerken vastgesteld die volledig overeenkomen met het DNA van verdachte waardoor de aanwezigheid van DNA van verdachte in dit spoor niet valt uit te sluiten. Met de crimescope zijn geen lichaamsvloeistoffen herkend. - een bloedvlekje op de achterzijde van de kraag (#10). Het betreft hier een volledig profiel. De kans dat een willekeurig gekozen mannelijk individu hetzelfde DNA-profiel bezit als dat van dit bloedspoor bedraagt minder dan één op de miljard. - een vlek op het rechtervoorpand (#13). Het betreft hier een profiel dat blijkens het NFI-rapport van 19 januari 2004 ongeschikt was voor identificatiedoeleinden. De vlek was crimescope-positief en sloeg dus aan op de aanwezigheid van lichaamsvloeistoffen. Kloosterman verklaart daarover ter terechtzitting in hoger beroep op 26 januari 2004 (p. 22): "Ik heb gerapporteerd dat in vlek #13 een profiel aanwezig is dat ongeschikt is voor identificatiedoeleinden. Het gaat om een profiel met te zwakke kenmerken om het thans definitief te benoemen. De fragmenten die ik wel zie komen overeen met het DNA-profiel van de verdachte." - een lichtrode vlek op de achterzijde van de rechter revers (#18). Het betreft hier een mengprofiel. Het celmateriaal in deze bemonstering kan bestaan uit een mengsel van celmateriaal van het slachtoffer en aanvrager. In het NFI rapport van 19 januari 2004 wordt deze laatste opmerking gemaakt in verband met hetgeen is vastgesteld ten aanzien van het mengprofiel van spoor #9, ten aanzien waarvan door het NFI wordt gesteld dat de kans dat een willekeurig gekozen mannelijk individu een DNA-profiel bezit als dat van dit afgeleide partiële profiel minder bedraagt dan één op de miljoen. Kloosterman verklaart ter terechtzitting in hoger beroep op 26 januari 2004 dat in tegenstelling tot hetgeen het geval is bij een volledig profiel (zie spoor #10 en spoor #20) bij een partieel profiel de statistische berekening ingewikkelder is. Ten aanzien van dit spoor kan evenals het NFI doet ten aanzien van spoor #9 dus worden aangenomen dat de kans dat een willekeurig gekozen mannelijk individu een DNA-profiel bezit als dat van dit afgeleide partiële profiel minder bedraagt dan één op de miljoen. Met de crimescope zijn geen lichaamsvloeistoffen herkend. Het spoor bevindt zich in de nabijheid van ribbreuken en strangulatiesporen. - een lichtrode vlek op de achterzijde van de rechter revers/kraag (#19). Het betreft hier een mengprofiel. Het celmateriaal in deze bemonstering kan bestaan uit een mengsel van celmateriaal van het slachtoffer en aanvrager. In het NFI rapport van 19 januari 2004 wordt deze laatste opmerking gemaakt in verband met hetgeen is vastgesteld ten aanzien van het mengprofiel van spoor #9, ten aanzien waarvan door het NFI wordt gesteld dat de kans dat een willekeurig gekozen mannelijk individu een DNA-profiel bezit als dat van dit afgeleide partiële profiel minder bedraagt dan één op de miljoen. Kloosterman verklaart ter terechtzitting in hoger beroep op 26 januari 2004 dat in tegenstelling tot hetgeen het geval is bij een volledig profiel (zie spoor #10 en spoor #20) bij een partieel profiel de statistische berekening ingewikkelder is. Ten aanzien van dit spoor kan evenals het NFI doet ten aanzien van spoor #9 dus worden aangenomen dat de kans dat een willekeurig gekozen mannelijk individu een DNA-profiel bezit als dat van dit afgeleide partiële profiel minder bedraagt dan één op de miljoen. Met de crimescope zijn geen lichaamsvloeistoffen herkend. Het spoor bevindt zich in de nabijheid van ribbreuken en strangulatiesporen. een lichtrode vlek op het rechter7 voorpand (#20). Het betreft hier een mengprofiel waarin het mannelijk individu meer of beter celmateriaal heeft achtergelaten dan het slachtoffer. Van het mengprofiel kan een volledige profiel van een mannelijk individu worden afgeleid. De kans dat een willekeurig gekozen mannelijk individu een DNA-profiel bezit als dat van dit afgeleide profiel bedraagt minder dan één op de miljard. Met de crimescope zijn geen lichaamsvloeistoffen herkend. Het spoor bevindt zich in de nabijheid van een ribbreuk en in de buurt van een van de steekgaten. FOTO 1

(8)overzicht voorzijde FOTO 2 #10 aan de binnenzijde van de achterkant kraag FOTO 3 #18 binnenzijde rechter revers FOTO 4 #19 achterzijde kraag 1.
  1. Het hof heeft in dit verband als volgt overwogen: "
  2. Daderschap van de verdachte
  3. DNA-onderzoek en overig sporenonderzoek 2.1.
  4. Blijkens de rapportage d.d. 19 januari 2004 van dr. Kloosterman, DNA-deskundige, werkzaam bij het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie te Rijswijk (hierna: NFI) zijn twintig bemonsteringen (de sporen ARA852#1 tot en met #20) genomen van de blouse die het slachtoffer droeg toen zij door de politie dood werd aangetroffen. De bemonsterde plaatsen zijn geselecteerd na visuele inspectie met de crimescope en op grond van criminalistische ervaring. Dat wil zeggen (dr. Kloosterman in voormeld rapport en ing. Eikelenboom, deskundige op het gebied van onderzoek naar bloedspoorpatronen en biologische sporen, werkzaam bij het NFI, ter zitting van 8 december 2003 en 26 januari 2004) dat plaatsen zijn geselecteerd waarvan werd verondersteld dat zij, gelet op de bijzonderheden van het delict, met het delict in verband konden worden gebracht. 2.1.
  5. Dr. Kloosterman is bij zijn onderzoek en aanvullend onderzoek onder meer tot de volgende bevindingen gekomen: - op de achterzijde van de kraag van de blouse is een bloedspoor #10 aangetroffen waarvan het DNA-profiel overeenkomt met het DNA-profiel van de verdachte. De kans dat een willekeurig gekozen mannelijk persoon eenzelfde profiel bezit bedraagt minder dan één op de miljard. Spoor #10 is een enkelvoudig profiel; - van het celmateriaal in de bemonsteringen #1, #9, # 18, # 19 en #20 zijn mengprofielen verkregen waarin naast het DNA-profiel van het slachtoffer een (partieel) profiel is aangetroffen waarvan de kenmerken (van een mannelijk individu) overeenkomen met de kenmerken in het profiel van de verdachte; - uit spoor #20 kon een volledig DNA-profiel worden afgeleid dat overeenkomt met het profiel van de verdachte. De kans dat een willekeurig gekozen mannelijk individu dit DNA-profiel bezit bedraagt minder dan één op de miljard; - uit spoor #9 kon een partieel profiel worden afgeleid dat overeenkomt met de desbetreffende kenmerken in het profiel van de verdachte. De kans dat een willekeurig gekozen mannelijk individu dit DNA-profiel bezit bedraagt minder dan één op de miljoen; - de sporen #9, #18, #19 en # 20 zijn aangetroffen in lichtrode vlekken op de blouse. 2.1.
  6. De sporen #1 tot en met #9 zijn ingevolge de door het hof op 8 december 2003 gegeven opdracht eveneens onderzocht door dr. De Knijff, DNA-deskundige, hoofd van het Forensisch Laboratorium voor DNA-Onderzoek te Leiden. Deze deskundige heeft die sporen zowel aan een autosomaal DNA-onderzoek als aan een Y-chromosoom DNA-onderzoek onderworpen. Ten aanzien van de sporen #1 en # 9 concludeert dr. De Knijff voor wat betreft het autosomaal DNA-onderzoek eveneens dat het hier gaat om mengprofielen waarin naast het DNA-profiel van het slachtoffer DNA-kenmerken worden aangetroffen die van de verdachte afkomstig kunnen zijn. Voor wat betreft het Y-chromosoom DNA-onderzoek concludeert de deskundige dat in de sporen #1, #7, #8 en # 9 een Y-chromosoom DNA-profiel werd vastgesteld bestaande uit kenmerken die volledig overeenkwamen met die van het DNA-profiel van de verdachte. 2.1.
  7. Op grond van de hierboven gerelateerde bevindingen van dr. Kloostermann en dr. de Knijff, en in het bijzonder gelet op de in het rapport van dr. Kloostermann voor wat betreft de sporen #9, #10 en # 20 genoemde waarschijnlijkheidsgraad, gaat het hof ervan uit dat de met het DNA van de verdachte overeenkomende DNA-sporen op de blouse van het slachtoffer van de verdachte afkomstig zijn. 2.1.
  8. Door ing. Eikelenboom is aan de hand van foto's en stukken van overtuiging een bloed- en biologisch sporenonderzoek verricht. Deze deskundige is daarbij op grond van een aantal bevindingen tot de volgende conclusies gekomen (zie rapport d.d. 22 januari 2004): a. de richting van het stroompatroon van het bloed op het gezicht van het slachtoffer (vanuit de mondhoek recht naar beneden) en de distributie van bloed rond de steekgaten op de blouse geven veel steun aan de hypothese dat het slachtoffer op haar rug op de grond lag op het moment dat de steken zijn toegebracht; b. de hypothese dat het op de blouse aangetroffen, van een mannelijk individu afkomstige celmateriaal is overgedragen tijdens een gewelddadig incident, vindt veel steun in een aantal - hierna te noemen - bevindingen. 2.1.
  9. Ing. Eikelenboom heeft in dit verband in de eerste plaats onder meer opgemerkt dat de in het onderhavige onderzoek verkregen DNA-profielen zijn bepaald met de standaardmethoden die door het NFI bij het DNA-onderzoek worden gehanteerd. Bij die methoden zullen over het algemeen geen profielen worden verkregen uit celmateriaal dat kan worden overgedragen bij zakelijk, oppervlakkig contact zoals het geven van een hand of het voeren van een gesprek op geringe afstand tussen personen. Ter zitting van 26 januari 2004 heeft ing. Eikelenboom verklaard dat voor het met behulp van genoemde standaardmethoden verkrijgen van een bruikbaar DNA-profiel van huidcellen minimaal 200 cellen dienen te zijn overgebracht en dat bij het bedoelde zakelijke, oppervlakkige contact in het algemeen minder dan deze hoeveelheid zal worden overgedragen. Deze informatie is ter zitting bevestigd door de deskundige dr. De Knijff. 2.1.
  10. Als bevindingen die zijn onder b gerelateerde conclusie steunen heeft ing. Eikelenboom verder genoemd: 1*- het bloedvlekje #10, dat is ontstaan door een kleine hoeveelheid vloeibaar bloed, is van dien aard dat, gelet op het feit dat bloed bij kleine verwondingen snel stolt dan wel droogt, aannemelijk is dat het afkomstig is van een wondje dat kort vóór of tijdens het contact met de blouse is ontstaan; 2*- de in de lichtrode substantie aangetroffen sporen geven bij beschouwing met de crimescope geen indicatie voor de aanwezigheid van lichaamsvloeistoffen zoals sperma, speeksel of zweet, hetgeen enige steun geeft aan de veronderstelling dat het aldaar aangetroffen celmateriaal afkomstig is van huidcellen; 3*- de lichtrode substantie, vermoedelijk make-up (op gezicht en/of hals aangebrachte foundation), waarin celmateriaal van een mannelijk individu (hof: overeenkomend met het celmateriaal van de verdachte) is aangetroffen bevindt zich op locaties waar het slachtoffer strangulatiesporen en ribbreuken heeft opgelopen; 4*- de afwezigheid van vreemd celmateriaal in controlemonsters (ter zitting van 26 januari 2004 heeft ing. Eikelenboom toegelicht dat deze controlemonsters net buiten de lichtrode vlekken zijn genomen) geeft steun aan de veronderstelling dat het mannelijk DNA gelijktijdig met de lichtrode substantie is overgedragen, aangezien anders verwacht kon worden dat dit mannelijk DNA ook net buiten de lichtrode substantie aangetroffen zou worden; 5*- het op zoveel verschillende plaatsen (rechterschouder, achterzijde kraag, achterzijde revers, rechtervoorpand) aantreffen van het mannelijk DNA verwacht men niet van een zakelijk contact als praten en het geven van een hand; 6*- de afwezigheid van ander DNA dan dat van het slachtoffer en het met dat van de verdachte overeenkomende; 7*- in spoor #20 zijn de piekoppervlakken van de mannelijke donor hoger dan die van de vrouwelijke donor. Gezien de grote hoeveelheden DNA van het slachtoffer op zowel de binnen- als de buitenzijde van de blouse, betekent dit dat de mannelijke donor zoveel DNA heeft afgegeven dat dit op deze locatie die van de vrouwelijke donor overheerst. Dit past niet bij de veronderstelling dat de mannelijke donor het slachtoffer slechts een hand heeft gegeven of met haar heeft gesproken. Spoor #20 is, naar ing. Eikelenboom ter zitting van 26 januari 2004 heeft verklaard, op de rechtervoorzijde9 van de blouse aangetroffen op slechts enkele centimeters van de bovenste steekwond. Dat hier de mannelijke donor in het mengprofiel overheerst duidt erop dat deze donor aanmerkelijke kracht heeft uitgeoefend. 2.1.
  11. Het hof onderschrijft de conclusies van ing. Eikelenboom en de daaraan ten grondslag liggende motivering en maakt deze tot de zijne. Het hof acht het, gelet op voormelde bevindingen, zodanig onwaarschijnlijk dat het DNA van de verdachte op enig ander moment dan tijdens het delict en/of enkel via normaal en zakelijk contact op de blouse is terechtgekomen, dat die door de verdediging gesuggereerde mogelijkheden in redelijkheid kunnen worden uitgesloten. Zowel voor wat betreft het bloedvlekje in de buitenste kraag aan de achterzijde van de blouse (spoor #10) als ten aanzien van de sporen #9, #18, # 19 en # 20 geldt immers, gelet op de plaats van spoor #10 en de bevindingen van ing. Eikelenboom inzake de andere sporen, dat het niet aannemelijk is te achten dat deze sporen bij een normaal en zakelijk contact op de blouse terecht zijn gekomen. Dat tussen de verdachte en het slachtoffer bij enige ontmoeting tussen hen vóór de avond van het overlijden van het slachtoffer een ander dan een normaal en zakelijk contact heeft plaatsgevonden is op geen enkele wijze gebleken. De verdachte heeft slechts de mogelijkheid geopperd dat hij het slachtoffer heeft aangeraakt op een moment dat zij emotioneel was. De verdachte heeft echter desgevraagd verklaard dat hij zich in concreto een zodanig contact niet kan herinneren. Bovendien valt niet in te zien hoe een dergelijk gebaar, gezien de bevindingen van ing. Eikelenboom, alle op de blouse aangetroffen sporen met DNA van de verdachte zou kunnen verklaren. Voorts acht het hof het niet aannemelijk dat het slachtoffer, van wie uit verklaringen van familie en bekenden blijkt dat zij zich zorgvuldig placht te kleden en er altijd goed verzorgd uitzag, op de avond dat zij om het leven is gebracht een blouse zou hebben gedragen met een bloedvlekje in de kraag en rozerode vlekken op verschillende andere plaatsen die daar bij een eerdere gelegenheid al in zijn gekomen. Het hof heeft ter terechtzitting van 26 januari 2004 de blouse bekeken en geconstateerd dat zowel het bloedvlekje in de kraag als de rozerode vlekken aan de voorzijde van de blouse (vooral langs de hals) met het blote oog duidelijk waarneembaar zijn. 2.1.
  12. Anders dan de raadsman van de verdachte bij pleidooi heeft gesteld, ziet het hof in de brief van dr. De Knijff d.d. 22 januari 2004, houdende de beantwoording van een aantal door de raadsman aan dr. De Knijff gestelde vragen, geen standpunt dat in tegenspraak is met de door het hof onderschreven conclusies en bevindingen van ing. Eikelenboom. Het hof stelt vast dat dr. De Knijff in die brief weliswaar opmerkt dat vrijwel nimmer te voorspellen valt óf DNA wordt overgedragen, maar dat hij in die brief tevens opmerkt dat achteraf voor die overdracht een mogelijke (en soms enige) verklaring kan worden gegeven. Ter terechtzitting van 26 januari 2004 heeft dr. De Knijff bovendien verklaard dat hij DNA-deskundige en geen sporendeskundige is en hij zich derhalve niet deskundig acht om aan de in dit geval aangetroffen sporen enige conclusie te verbinden omtrent de wijze waarop deze kunnen en/of moeten zijn overgebracht. Dr. De Knijff heeft voorts verklaard dat hij uit de bevindingen van het NFI (dr. Kloosterman en ing. Eikelenboom) begrijpt dat zijn constatering (in zijn brief van 22 januari 2004 aan de raadsman) dat in de onderzochte mengsporen zeer veel DNA van het slachtoffer is aangetroffen en slechts een geringe hoeveelheid DNA van de verdachte, ten aanzien van spoor #20 niet opgaat. Dr. De Knijff heeft verder de verklaring van ing. Eikelenboom onderschreven dat, als bij onderzoek van sporen met behulp van de crimescope geen fluorescentie wordt waargenomen, dit betekent dat er geen indicatie is voor de aanwezigheid van lichaamsvloeistoffen. Dr. De Knijff heeft desgevraagd bevestigd dat bij die sporen de hypothese dat het celmateriaal van speekseldruppeltjes afkomstig kan zijn, niet past. 2.1.
  13. Aan het vorenstaande doet naar het oordeel van het hof verder evenmin af dat - zoals door de raadsman van de verdachte naar voren gebracht - niet méér bloed van de verdachte is aangetroffen, in de lichtrode substantie geen DNA van de verdachte uit zweet of speeksel is aangetroffen, het microsporenonderzoek aan het vest, de benen en het gezicht van het slachtoffer geen aanwijzingen tegen de verdachte heeft opgeleverd, en op de microsporenfolie van het gezicht van het slachtoffer behalve geen zichtbare bloedsporen ook geen andere bijzonderheden (zie rapport dr. Kloosterman d.d. 19 januari 2004, pagina 6) zijn waargenomen. Het hof acht het in dit verband van belang dat het bloedvlekje #10 volgens ing. Eikelenboom is ontstaan door een klein wondje waarbij een kleine hoeveelheid bloed vrijkomt die snel stolt. Het hof vermag dan ook niet in te zien waarom, zoals door de raadsman wordt gesteld, van een dergelijke verwonding op meer plaatsen vlekken zouden moeten worden verwacht. 2.1.
  14. Ten aanzien van de mate waarin DNA van de verdachte is aangetroffen heeft ing. Eikelenboom desgevraagd verklaard dat die mate bepaald niet gering is te noemen en dat bovendien niet uitgesloten is dat bij verder onderzoek nog meer sporen kunnen worden gedetecteerd. Nu voorts ook in de door de raadsman zelf aangehaalde brief van dr. De Knijff d.d. 22 januari 2004 wordt opgemerkt dat nimmer is te voorspellen of door enig contact DNA zal worden overgedragen, kan naar het oordeel van het hof aan het tot nu niet gedetecteerd zijn van meer en/of andere DNA-sporen van de verdachte geen enkele conclusie worden verbonden die de door het hof overgenomen conclusies van ing. Eikelenboom ontkracht. 2.1.
  15. Folies als waarmee het gelaat van het slachtoffer is bemonsterd hebben, zoals door dr. Kloosterman ter terechtzitting van 26 januari 2004 toegelicht, ten doel een oppervlak te bemonsteren op de aanwezigheid van sporen zoals vezels en haren. Een constatering "dat daarop geen zichtbare bloedsporen of andere bijzonderheden zijn waargenomen" dient dan ook in die context te worden geplaatst. Reeds daarom kan naar het oordeel van het hof uit het niet vermeld zijn van enige waarneming van make-up op een dergelijk folie niet de conclusie worden verbonden dat het slachtoffer geen make-up (in het bijzonder foundation) zou hebben gedragen op het moment dat zij werd vermoord. Het hof acht voorts het uitgangspunt van ing. Eikelenboom, dat de lichtrode substantie die op verschillende plaatsen op de blouse is aangetroffen make-up betreft, door de op pagina 10 van zijn rapport van 22 januari 2004 daarvoor gegeven argumenten (waaronder de kleur van de substantie, de locaties van de substantie op de blouse - in de buurt van de hals en het gezicht van het slachtoffer - in relatie tot de in het sectieverslag neergelegde bevindingen dat zich een groot aantal geweldshandelingen rond deze locaties heeft afgespeeld en een experiment met een proefpersoon met foundation op het gezicht die een wit truitje droeg met een kraag), een deugdelijk gemotiveerd en daarmee betrouwbaar uitgangspunt. 2.1.
  16. Resumerend concludeert het hof dat op de blouse van het slachtoffer verschillende sporen afkomstig van verdachte zijn aangetroffen, dat die sporen consistent zijn met het gepleegde delict en redelijkerwijze geen andere uitleg toelaten dan dat deze moeten zijn ontstaan bij het plegen van het delict." 1.
  17. Het hof heeft op basis van verklaringen en van de omstandigheden waarin het slachtoffer werd aangetroffen voorts vastgesteld dat zij op donderdagavond 23 september 1999 moet zijn vermoord. Het hof heeft verder vastgesteld dat zij voor het laatst op die donderdagavond om 20.36 uur een telefoongesprek heeft gevoerd met aanvrager. Dit erkent aanvrager ook. Aanvrager heeft verklaard dat hij ten tijde van het telefoontje op de autosnelweg A28 was nabij afslag 't Harde, op weg naar Lelystad. Op basis van hetgeen vele verschillende deskundigen hebben verklaard over de gegevens van het telefoonverkeer heeft het hof vastgesteld dat aanvrager ten tijde van het telefoontje niet op de autosnelweg A28 is geweest, maar in of nabij Deventer. Het hof heeft voorts overwogen dat de verklaringen van aanvrager over de betreffende avond niet overeenkomen met die van zijn echtgenote en dochter. In de herzieningsaanvraag worden geen nieuwe feiten aangevoerd die twee van deze drie vaststellingen (tijdstip moord, en tegenstrijdigheid verklaringen aanvrager met die van echtgenote en dochter) beogen te bestrijden.10 1.
  18. Een belangrijk onderdeel van het oordeel van het hof is dat het de mogelijkheid van oppervlakkig zakelijk contact, zoals het geven van een hand of het voeren van een gesprek, als oorzaak van overdracht van aanvragers DNA op de blouse van het slachtoffer verwerpt.11 Dat oordeel is niet alleen gebaseerd op de omstandigheid dat er met de zogenaamde crimescope geen speeksel is waargenomen, wat de overdracht van DNA-materiaal als gevolg van op korte afstand met elkaar praten weerspreekt. Het oordeel is - zoals uit het arrest blijkt (2.1.7.) - mede gebaseerd op het feit dat sporen in de lichtrode vlekken zich bevinden op locaties waar het slachtoffer strangulatiesporen en ribbreuken vertoont, dat net buiten die locaties geen sporen zijn aangetroffen, dat DNA van aanvrager is aangetroffen op plekken die niet stroken met de overdracht bij een normaal zakelijk contact door speeksel of via de hand van het slachtoffer en het feit dat in een lichtrode vlek dichtbij een steekwond (#20) meer DNA is aangetroffen van aanvrager dan van het slachtoffer hetgeen zeker niet past bij het geven van een hand of het voeren van een gesprek. Voorts is voor het hof van belang dat geen enkel DNA-spoor van enig ander persoon is aangetroffen. Het hof verwacht verder niet dat het slachtoffer een hele dag een blouse zou hebben gedragen met een bloedvlekje op de kraag. 1.
  19. Nadat het cassatieberoep tegen de veroordeling door het hof 's-Hertogenbosch door de Hoge Raad was verworpen, is de zaak toch weer in de belangstelling gekomen. Naar aanleiding van informatie die werd aangedragen door met name Maurice de Hond, is op verzoek van het College van Procureurs-generaal een oriënterend vooronderzoek gestart. In het kader van dat vooronderzoek zijn verschillende nadere onderzoeken gedaan, onder meer naar de sporen op de blouse. Daar zijn nieuwe voor aanvrager belastende resultaten uit voortgekomen. Die zijn door aanvrager ook als bijlagen bij de aanvraag gevoegd en kunnen aldus ook bij de beoordeling van de aanvraag worden betrokken. Bij gelegenheid van de mondelinge toelichting op 15 november 2006 heeft aanvrager aangevoerd dat in deze procedure tot herziening met belastende onderzoeksresultaten die door het OM inmiddels zijn gegenereerd geen rekening mag worden gehouden. Alleen elementen die de aanvrager aandraagt tellen mee. Dat uitgangspunt strookt met de stelling dat bij een herzieningsaanvraag de beoordeling zich beperkt tot die aanvraag, maar ziet er aan voorbij dat de Hoge Raad nader onderzoek kan laten verrichten (art. 465 Sv) en dat het Parket bij de Hoge Raad de bevoegdheid heeft nadere berichten in te winnen (art. 462 Sv), waardoor nieuw materiaal dat de gronden waarop de aanvraag berust weerspreekt, ook boven tafel zou kunnen komen. Zo een nader onderzoek naar de gronden waarop de aanvraag berust heeft immers de strekking om na te gaan hoe sterk de grondslag is waarop de aanvraag is gestoeld.12 Dit doet hier overigens nauwelijks ter zake, omdat aanvrager zoals gezegd de meeste belastende onderzoeksresultaten zelf bij de aanvraag heeft gevoegd. De nieuwe belastende resultaten komen op het volgende neer: - In het aanvullende Y-chromosoom DNA-onderzoek van De Knijff (bijlage 7) naar polymorfe Y-chromosomale DNA-kenmerken is meer zekerheid verkregen dat het Y-chromosoom DNA-profiel uit de vlekjes #1, #7, #8, , bloedvlek #10 en de lichtrode vlekken #9, #18, #19 en #20 overeenstemt met het Y-chromosoom DNA-profiel van veroordeelde. Ten aanzien van deze sporen #1 (9 kenmerken), #7 (8 kenmerken), #8 (7 kenmerken), #9 (2 kenmerken), #18 (11 kenmerken), #19 (6 kenmerken) en #20 (11 kenmerken) kan worden geconcludeerd dat het Y-chromosoom DNA-profiel volledig overeenkomt met dat van veroordeelde. - In het aanvullende Y-chromosoom DNA-onderzoek van De Knijff (bijlage 7) is vastgesteld dat ook het Y-chromosoom DNA-profiel van spoor #6 (2 kenmerken) volledig overeenkomt met dat van aanvrager. Dit betreft een vlek op het linkervoorpand van de blouse onder het overdrachtspatroon in bloed. Ter terechtzitting in hoger beroep op 16 januari 2004 heeft deskundige Eikelenboom over dit spoor verklaard (p. 14) dat het is bemonsterd "omdat de dader daar mogelijk zijn hand heeft neergezet bij het afvegen van het mes aan de blouse." - In het aanvullende Y-chromosoom DNA-onderzoek van De Knijff (bijlage 7) is vastgesteld dat ook het Y-chromosoom DNA-profiel van sporen #12 (een vlek ter hoogte van de rechterschouder, 5 kenmerken), #13 (een vlek op het rechtervoorpand, 11 kenmerken) en #17 (een bemonstering in de onmiddellijke omgeving van vlek #9, 2 kenmerken) overeenstemmen met het Y-chromosoom DNA-profiel van aanvrager. Vlekken #12 en #13 waren blijkens de verklaring van Eikelenboom bij het hof crimescope-positief en sloegen dus aan op de aanwezigheid van lichaamsvloeistoffen. - In het aanvullend bloedsporen- en DNA-onderzoek (bijlage 16) is met experimenten geconstateerd dat meer dan oppervlakkig contact nodig is om een doordrukpatroon zoals bij bloedvlekje #10 te veroorzaken en dat een geprojecteerde bloedspat een dergelijk patroon niet kan veroorzaken. Daardoor bestaat het vermoeden dat het hier een overdrachtsspoor betreft. - Bij het aanvullend bloedsporen- en DNA-onderzoek (bijlage 16) aan een 95-tal bloedsporen is een nieuw bloedvlekje #42 op de rand van de binnenste kraag aangetroffen met het DNA-profiel van aanvrager en zijn geen DNA-kenmerken aangetroffen die wijzen op een ander individu dan het slachtoffer. De kans dat een willekeurige man hetzelfde DNA-profiel bezit als dit bloedspoor bedraagt circa een op 50 miljoen. 1.
  20. Naar aanleiding van het vooronderzoek is er een aanvullend Y-chromosoomspecifiek DNA-onderzoek gedaan naar de 95 extra bloedsporen en naar materiaal dat onder de nagels van het slachtoffer is gevonden. De resultaten van dit laatste onderzoek blijken uit bijlage 50 bij de herzieningsaanvraag. Prof. dr. De Knijff schrijft daarin dat in het nagelvuil Y-chromosomaal materiaal van aanvrager is gevonden hetgeen wijst op twee mogelijke scenario's: A) Het mannelijke celmateriaal in het nagelvuil is afkomstig van de veroordeelde. B) Het mannelijk celmateriaal in het nagelvuil is afkomstig van een andere man welke bij toeval hetzelfde Y-chromosoom profiel heeft als de veroordeelde. In het laatste geval geldt volgens De Knijff als globale indicatie voor de verspreiding van dit Y-chromosomaal profiel dat de frequentie van het gevonden Y-chromosoom profiel in de West Europese bevolkingsgroep (inclusief Nederland) ca. 3% is. Dit bericht van De Knijff is als bijlage aan de aanvraag toegevoegd en mag dus kennelijk naar de mening van aanvrager bij de beoordeling van de aanvraag een rol spelen. Kennelijk ziet aanvrager hier in steun voor zijn stelling dat een ander dan veroordeelde de echte moordenaar is. In de schriftelijke weergave van de mondelinge toelichting (p. 34 e.v.) betoogt aanvrager dat een Y-chromosomale match hoogstens betekent dat degene wiens Y-chromosomaal materiaal met het profiel overeenstemt niet kan worden uitgesloten. Dat is wellicht de wetenschappelijke vertaling maar ik kan mij toch niet aan de indruk onttrekken dat het aantreffen van Y-chromosomaal materiaal aan de nagels van het slachtoffer dat past bij dat van aanvrager de aanvraag juist niet sterker maakt, in tegenstelling tot wat kennelijk aanvrager meent. 1.
  21. Naar aanleiding van bijlage 50 heb ik bij het Openbaar Ministerie het betreffende FLDO-rapport d.d. 11 september 2006 van Dr. P. de Knijff opgevraagd. Uit dat rapport blijkt dat in vier van de door het FLDO ontvangen sporen een Y-chromosoom DNA-profiel kon worden waargenomen. In de overige bloedsporen is geen Y-chromosoom DNA-profiel waargenomen. Het betreft het bloedvlekje #42, twee monsters uit materiaal dat is aangetroffen aan de onder- en bovenkant van de nagels van de linkerhand van het slachtoffer en een monster uit materiaal dat is afgenomen aan de bovenkant van de nagels van de rechterhand van het slachtoffer. Bij het autosomale DNA onderzoek door het FLDO aan het bloedvlekje #42 werd in het partiële DNA-profiel een zodanige hoofdbijdrage van kenmerken van de veroordeelde aangetroffen dat de kans dat een willekeurig ander individu, die geen bloedverwant is van de veroordeelde, hetzelfde DNA-profiel bezit vele malen minder is dan één op de miljard. Ten aanzien van de drie nagelvuilsporen concludeert De Knijff op basis van Y-chromosomaal DNA-onderzoek dat het profiel overeenkomt met dat van aanvrager. 1.
  22. Ik zal nu ingaan op de aangevoerde gronden voor herziening. Het eerste onderdeel: het rapport van de Forensic Science Service 2.1.
  23. De aanvrager beroept zich ten eerste op het rapport van de Forensic Science Service, dat door L.P. Kenny is opgemaakt naar aanleiding van vragen die aanvrager aan haar heeft gesteld (bijlage 3). De raadsman van aanvrager heeft aan Kenny een overzicht van de relevante feiten en omstandigheden in onderhavige zaak verstrekt. Ter gelegenheid van de mondelinge toelichting van onderhavige aanvraag op 15 november 2006 heeft de raadsman naar aanleiding van een verzoek van ondergetekende toegezegd een kopie van dit overzicht aan de Hoge Raad te verstrekken. Die is door mij ontvangen. Kenny heeft voorts de beschikking gekregen over een vertaalde versie van de deskundigenrapportages die het hof voor het bewijs heeft gebruikt. 2.1.
  24. Aanvrager gaat in dit verband in op verschillende opmerkingen die Kenny in het rapport maakt over het sporenonderzoek op de blouse en die volgens aanvrager nieuwe feiten opleveren. Hij maakt daarbij een onderscheid tussen feiten ten aanzien van het bloedvlekje #10 en feiten ten aanzien van de overige DNA-sporen op de blouse. Het betoog van aanvrager begint met een bespreking van de overige sporen. 2.2.
  25. Ten eerste voert hij aan (4.2.1.) dat Kenny in haar rapport opmerkt dat het niet mogelijk is om vast te stellen wanneer de lichtrode vlekken op de blouse, waarvan het hof veronderstelt dat het make-up betreft, daarop terecht zijn gekomen, behalve nadat de blouse voor de laatste keer is gewassen.13 Het is in de kern genomen deze opmerking waaruit de aanvrager afleidt dat 'allerminst kan worden aangenomen dat de lichtrode substantie tegelijkertijd met het DNA van verzoeker op de blouse terecht is gekomen.' 2.2.
  26. Uit de aanvraag en uit de mondelinge toelichting leid ik af dat aanvrager deze stelling probeert kracht bij te zetten door aan te voeren dat niet zeker is of de lichtrode substantie wel make-up betreft. De mondelinge toelichting wekt de indruk dat aanvrager deze onzekerheid omtrent de oorsprong van de lichtrode substantie als zodanig als novum aanmerkt, maar bij nadere bestudering van de aanvraag kan de enige relevantie hiervan zijn dat als het geen make-up betreft, de hypothese dat de substantie gelijktijdig met de moord op de blouse terecht is gekomen zou worden tegengesproken (dan zou de locatie van de sporen immers aan betekenis verliezen). Het is echter nog maar de vraag of dit zo relevant is, omdat het ook opmerkelijk zou zijn als een andere substantie zo samenvallend met DNA-sporen van aanvrager op de blouse terecht is gekomen. 2.2.
  27. Om de onzekerheid over de oorsprong van de lichtrode substantie kracht bij te zetten wijst hij - kennelijk in aanvulling op het rapport van Kenny - op twee nieuwe rapporten uit
  28. Het gaat ten eerste om een NFI-onderzoek uit 2006 (bijlage 5) dat aanwijzingen heeft opgeleverd dat het om foundation gaat maar tevens de slotsom bevat dat het te vroeg is om daaruit een conclusie te trekken. Naar aanleiding van vragen hierover heeft deze deskundige - ten tweede - een nadere rapportage gemaakt, die voorafgaande aan de mondelinge toelichting op 15 november 2006 is overgelegd (bijlage 40). Die nadere rapportage bevat de slotsom dat de deskundige bij zijn eerdere rapport blijft en niet meer zekerheid kan bieden over de oorsprong van de lichtrode vlekken. 2.2.
  29. Volgens de aanvrager zou een en ander een novum opleveren dat de volgende bewijsoverweging (2.1.7 sub 4) van het hof teniet zou doen: "de afwezigheid van vreemd celmateriaal in controlemonsters (ter zitting van 26 januari 2004 heeft ing. Eikelenboom toegelicht dat deze controlemonsters net buiten de lichtrode vlekken zijn genomen) geeft steun aan de veronderstelling dat het mannelijk DNA gelijktijdig met de lichtrode substantie is overgedragen, aangezien anders verwacht kon worden dat dit mannelijk DNA ook net buiten de lichtrode substantie aangetroffen zou worden." 2.2.
  30. Zoals het hof in zijn arrest overweegt onder 2.1.
  31. gaat het uit van een vermoeden dat het slachtoffer make-up heeft gebruikt. Het hof heeft vastgesteld dat het slachtoffer op 24 september 1999 te Zutphen een afspraak had bij de schoonheidsspecialiste (arrest 1.10). Dat stemt overeen met verklaringen van familie en bekenden waaruit blijkt dat het slachtoffer zich zorgvuldig placht te kleden en er altijd goed verzorgd uitzag (arrest 2.1.8). Het hof heeft zich geschaard achter het uitgangspunt van ing. Eikelenboom dat de lichtrode substantie die op verschillende plaatsen op de blouse is aangetroffen make-up betreft, gelet op de kleur van de substantie, de lokaties van de substantie op de blouse - in de buurt van de hals en het gezicht van het slachtoffer - en op een experiment met een proefpersoon met foundation op het gezicht die een wit truitje droeg met een kraag (arrest 2.1.12). De aanvraag noemt het opvallend dat in de vraagstelling van het OM ten behoeve van het oriënterend onderzoek (bijlage 4, vraag 8) ervan wordt uitgegaan dat het slachtoffer geen make-up gebruikte. Ik deel de verbazing van de aanvrager op dit punt. Ik neem aan dat hier sprake is van een vergissing. Het schriftelijk requisitoir, door de AG overgelegd, sluit zich immers op bladzijde 12 aan bij de veronderstelling dat de lichtrode substantie make-up was. De aangehaalde nieuwe NFI- rapporten ondersteunen dat vermoeden van het hof eerder dan dat zij het weerleggen. 2.2.
  32. Het eerste onderzoeksverslag van 23 mei 2006 houdt in dat pigmenten die aan foundation zijn toegevoegd ervoor moeten zorgen dat het product na het aanbrengen de huidkleur benadert. In het bijzonder worden anorganische pigmenten gebruikt zoals titaandioxide en ijzeroxide. Vele factoren zijn volgens het verslag onzeker, onder meer welke producten het slachtoffer gebruikte, hoe zij die gebruikte en wanneer. Er kan dus bij eventueel contact een mengsel van producten zijn overgedragen, waarbij ook rekening moet worden gehouden met natuurlijke afscheiding van de huid. Contact met een van de auteurs van een recent artikel over forensisch onderzoek aan foundation leerde de onderzoeker van het NFI, dr. G.J.Q. van der Peijl, dat door deze auteur in alle onderzochte foundationproducten de elementen ijzer en titaan zijn aangetroffen, hetgeen overigens niet zonder meer impliceert dat wanneer ijzer en titaan worden gevonden daarmee vaststaat dat foundation aanwezig is. Nader onderzoek van artikelen, boeken en ingrediëntenlijsten door de onderzoeker van het NFI bracht aan het licht dat ti-taandioxide en ijzeroxide bijna altijd voorkomen in foundation. Zulke anorganische componenten blijven in het algemeen in sporen goed bewaard, in tegenstelling tot organische ingrediënten. Vervolgens is het NFI overgegaan tot nader onderzoek van een monster genomen uit de kraag van de blouse en van een monster genomen uit het rechter-voorpand. Tevens is geëxperimenteerd met foundation op katoenen lapjes. In alle foundationvlekken die op de controlelapjes zijn gemaakt is de aanwezigheid van ijzer, titaan en silicium vast te stellen. Een van de onderzoeksmethodieken die op het kraagmonster zijn toegepast toonde de aanwezigheid van ijzer en titaan aan. Een andere onderzoeksmethode wees daarnaast op de aanwezigheid van silicium. Het monster uit het voorpand bevatte aanwijzingen voor de aanwezigheid van titaan, ijzer en silicium. Dr. van der Peijl beveelt nader onderzoek aan, omdat het onderzoek waarvan hij verslag doet beperkt is geweest qua object, achtergrond en methodiek. Wel stelt onderzoeker dat het beperkte onderzoek van de monsters die van de blouse zijn genomen karakteristieken heeft aangetoond zoals in foundation worden aangetroffen, zoals de kleur, morfologie en de aanwezigheid van titaan en ijzer. Ten behoeve van de beantwoording van aanvullende vragen zijn geen nieuwe onderzoeken uitgevoerd. Blijkens het rapport van 13 september 2006 heeft de schoonheidsspecialiste van het slachtoffer inmiddels verklaard dat het slachtoffer cosmetica, waaronder foundation, gebruikte.14 Dr. G.J.Q. van der Peijl handhaaft op 13 september 2006 de formulering van zijn eerder getrokken conclusie in het rapport van 23 mei
  33. 2.2.
  34. Dit onderzoek heeft dus als resultaat opgeleverd dat in de monsters, genomen van de kraag en het voorpand van de blouse, in ieder geval stoffen voorkomen die voor foundation kenmerkend zijn en dat het slachtoffer inderdaad foundation gebruikte. Deze onderzoeksresultaten maken de veronderstelling dat de lichtrode substantie make-up betreft alleen maar sterker, zij het niet wetenschappelijk waterdicht. 2.2.
  35. De omstandigheid dat het niet mogelijk is om vast te stellen wanneer de lichtrode substantie op de blouse terecht is gekomen en de omstandigheid dat mede daarom niet met zekerheid is vast te stellen hoe het DNA van aanvrager op de blouse terecht is gekomen, betreffen voorts geen omstandigheden die het hof ten tijde van de berechting onbekend waren. Met die onzekerheden heeft het hof immers blijkens zijn overwegingen rekening gehouden. 2.2.
  36. Kenny gaat in dit verband niet uitdrukkelijk in op de - ook door het NFI gevolgde - redenering dat de afwezigheid van DNA-sporen van aanvrager net buiten de lichtrode vlekken steun geeft aan de hypothese dat het DNA in de lichtrode vlekken gelijktijdig met die lichtrode substantie op de blouse terecht is gekomen. Zij gaat in dit verband ook niet in op de betekenis van de vaststelling dat de lichtrode vlekken zich bevinden op plekken waar het slachtoffer strangulatiesporen en ribbreuken heeft opgelopen. Die redenering en die vaststelling kunnen nauwelijks los worden gezien van de gedachte dat de lichtrode vlekken tijdens het begaan van het misdrijf op de blouse terecht zijn gekomen. 2.2.
  37. Wel merkt zij op dat er naar haar mening (opinion) geen wetenschappelijke tests zijn die antwoord geven op de vraag of het DNA gelijktijdig met de lichtrode substantie op de blouse terecht is gekomen en welke betekenis gehecht moet worden aan de afwezigheid van DNA op de blouse buiten de lichtrode vlekken (p. 11-12), met het oog op weerlegging of bevestiging van de hypothese dat het DNA van aanvrager door krachtig contact op de blouse terecht is gekomen. Ik citeer: "In my opinion, the Netherlands Forensic Institute have undertaken a robust and comprehensive examination of the blouse taking into account information from both the prosecution and defence and reached a reasonable conclusion based on the hypothesis that the DNA matching [aanvrager] associated with the light red staining was deposited as a result of forceful contact. However, in my opinion, there are no scientific tests available to support or refute this hypothesis in terms of: i. the degree of force required to deposit sufficient DNA material to be able to discern a DNA profile, ii. whether the male DNA present was deposited at the same time as the light red staining, iii. the significance of the absence of DNA from a male in non-stained areas Also, there may be other explanations for how the DNA from [aanvrager] was deposited on the blouse and taking these into account the level of support given to the significance of the presence of DNA that could have originated from [aanvrager] on the blouse would be reduced." 2.2.
  38. Wat Kenny precies bedoelt met deze mening is mij niet geheel duidelijk. Ik neem aan dat zij bedoelt dat de conclusie waartoe het NFI in dit verband is gekomen, gezien hetgeen de algemene menselijke ervaring leert, redelijk is. Dat er geen wetenschappelijke tests zijn om zo een ervaringshypothese te weerleggen of te bewijzen doet nog niet af aan de redelijkheid van de overwegingen die het hof aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd. 2.2.
  39. Met de "other explanations" doelt zij kennelijk op de gedachten die zij op pagina 5 en volgende heeft ontvouwd over mogelijke alternatieven. Ik geef haar gedachtegang weer. Áls veroordeelde behoort tot de groep van mensen die beduidend meer DNA materiaal afscheiden bij oppervlakkige contacten dan anderen bestaat de mogelijkheid dat dit DNA materiaal bij een zakelijk contact is terechtgekomen op de blouse van het slachtoffer, hetzij rechtstreeks hetzij via de handen van het slachtoffer. Maar die verklaring houdt geen rekening met het feit dat het DNA van aanvrager alleen is aangetroffen in crimescope-positieve vlekken of in de lichtrode vlekken. Dus blijven er slechts twee verklaringen open, die een alternatief vormen voor de twee mogelijkheden die het NFI heeft voorgesteld.15 Het eerste alternatief is dat veroordeelde een 'good shedder' is en op een bepaalde plaats een ruime hoeveelheid DNA materiaal heeft achtergelaten dat vervolgens van deze plaats weer op de handen van de echte moordenaar is overgedragen en daarna, door de geweldsuitoefening op het slachtoffer, is vermengd met de lichtrode substantie. Opvallend is dan wel dat er geen DNA materiaal van een derde, bijvoorbeeld op de blouse, is aangetroffen, maar wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat het mogelijk is dat iemand een bepaald voorwerp vastpakt of gebruikt zonder daarop een aantoonbare hoeveelheid DNA materiaal achter te laten. 2.2.
  40. Ik maak uit de redenering die dr. Kenny aldus ontwikkelt op dat zij zich stelt achter het oordeel van het NFI dat het aantreffen van lichaamsmateriaal van veroordeelde in de lichtrode vlekken erop wijst dat dit lichaamsmateriaal daar door de moordenaar moet zijn achtergelaten. Dat die moordenaar een ander dan veroordeelde zou kunnen zijn hangt evenwel van veronderstellingen aan elkaar; dat veroordeelde significant veel droog DNA materiaal afscheidt, dat hij een aantoonbare hoeveelheid DNA materiaal ergens anders dan op de blouse heeft gedeponeerd dat vervolgens in contact is gekomen met de handen van de moordenaar, en dat de echte moordenaar zelf nergens op de locus delicti of aan (de kleding van) het slachtoffer, met wie hij toch in krachtig en gewelddadig contact moet zijn geweest, aantoonbare hoeveelheden DNA materiaal heeft verloren. Dat de deskundige vervolgens ook nog denkt aan een derde, die niets met de moord te maken heeft, als tussenschakel, introduceert nóg een dubium. Niet blijkt immers dat ergens van die onbekende tussenschakel enig DNA materiaal is gevonden. 2.2.
  41. De laatste suggestie die de deskundige doet, te weten die van contaminatie, komt verder nog aan de orde. Eerlijk gezegd kan ik, gelet op het speculatieve karakter van de "other explanations" die dr. Kenny aandraagt, in dit onderdeel van het rapport niets lezen wat wijst op feiten die nog onbekend waren en die op de onschuld van veroordeelde zouden wijzen. Ik zou eerder zeggen: integendeel, omdat dr. Kenny er kennelijk ook van uitgaat dat het DNA materiaal dat in de lichtrode vlekken in de blouse is aangetroffen daar door de moordenaar moet zijn achtergelaten. 2.2.
  42. Waarom de - overigens steeds verder afkalvende - onzekerheid over de oorsprong van de lichtrode vlekken en de uitspraken van Kenny de hiervoor aangehaalde overweging van het hof teniet doen, wordt dus niet overtuigend toegelicht. Het voorgaande duidt niet op nieuwe omstandigheden van feitelijke aard. Het duidt er evenmin op dat de deskundigen van het NFI in 2003 en 2004 (evidente) vergissingen hebben gemaakt die in belangrijke mate aan de veroordeling ten grondslag hebben gelegen. Het voorgaande kan dus hoe dan ook geen novum opleveren. 2.3.
  43. In de mondelinge toelichting op 15 november 2006 (p. 9, nr. 23 e.v.) gaat aanvrager in dit verband in op de omstandigheid dat het NFI in de lichtrode vlekken wel DNA van aanvrager heeft aangetroffen, maar in de nabijheid van die lichtrode vlekken niet. Blijkens het NFI-rapport van 22 januari 2004 (p. 13) en de verklaring van Eikelenboom op de zitting van 26 januari 2004 (p. 14), zijn er destijds door het NFI in de nabije omgeving van de vlek #9 drie controlemonsters genomen (#14, #15 en #17) omdat er tijdens de zitting van 8 december 2003 vragen rezen over de mogelijkheid dat het in vlek #9 aangetroffen DNA-materiaal al eerder, vóór het delict, op de blouse aanwezig was. Blijkens de NFI-rapporten van 19 januari 2004 en 22 januari 2004 is als controlemonster ook een bemonstering #16 genomen in een 'schone' omgeving op het rechtervoorpand van de blouse . FOTO 5 Onderaan: #14 #9 #15 #17 2.3.
  44. Dat in de controlemonsters bij vlek #9 geen DNA is aangetroffen van aanvrager is voor het NFI een aanwijzing geweest dat de lichtrode vlekken (#9, #18, #19 en #20) gelijktijdig met het DNA van aanvrager op de blouse terecht zijn gekomen (r.o. 2.1.7., punt 4). Het hof heeft deze bevindingen in zijn arrest overgenomen en mede op basis daarvan is het tot de conclusie gekomen dat het "zodanig onwaarschijnlijk (is) dat het DNA van de verdachte op enig ander moment dan tijdens het delict en/of enkel via normaal en zakelijk contact op de blouse is terechtgekomen, dat die door de verdediging gesuggereerde mogelijkheden in redelijkheid kunnen worden uitgesloten." Aanvrager wijst echter op de vaststelling van De Knijff in zijn rapport d.d. 18 mei 2006 over een aanvullend vergelijkend DNA-onderzoek (bijlage 7), dat het Y-chromosoom DNA-profiel uit bemonstering #17 volledig overeenkomt met het Y-chromosoom DNA-profiel van aanvrager. Dat deze bemonstering aan aanvrager valt te verbinden, was het hof niet bekend. 2.3.
  45. Het wekt verbazing dat aanvrager dit nieuwe feit pas bij de mondelinge toelichting aanvoert, omdat het als één van de speerpunten van deze aanvraag zou kunnen worden beschouwd. Zelfs in de mondelinge toelichting wordt aan dit feit beduidend minder aandacht besteed dan aan andere aangevoerde omstandigheden. De reden daarvoor kan zijn dat aanvrager in andere onderdelen van de aanvraag zelf de betrouwbaarheid van het Y-chromosomale onderzoek van De Knijff aanvecht voor zover dat tot nieuwe belastende DNA-sporen van aanvrager heeft geleid. Denk aan de match van het Y-chromosomale materiaal aan de nagels van het slachtoffer en het profiel van veroordeelde. Dat zou dan natuurlijk ook de relevantie van het spoor in bemonstering #17 moeten relativeren. Hoe dan ook, er moet van worden uitgegaan dat de vaststelling door De Knijff juist is en dan is de vraag of dit feit het ernstig vermoeden wekt dat het hof hierdoor tot een vrijspraak was gekomen. 2.3.
  46. Blijkens de verklaring van Eikelenboom op de terechtzitting van 26 januari 2004 zijn de controlemonsters speciaal net buiten de lichtrode vlekken genomen om te onderzoeken of het DNA in spoor #9, genomen uit een kleine lichtrode vlek, zich al eerder op de blouse heeft bevonden. Het NFI-rapport van 22 januari 2004 luidt ten aanzien van de hypothese dat de DNA-sporen in de lichtrode vlekken tijdens het delict zijn overgebracht - voor zover hier relevant - als volgt: "de afwezigheid van vreemd celmateriaal in de controlemonsters.(..) Indien het celmateriaal van het mannelijk individu eerder op de blouse aanwezig is geweest dan zou men dit ook op andere plaatsen buiten de lichtrode substantie verwachten." 2.3.
  47. Het hof heeft deze overweging als volgt overgenomen in zijn arrest: "de afwezigheid van vreemd celmateriaal in controlemonsters (ter zitting van 26 januari 2004 heeft ing. Eikelenboom toegelicht dat deze controlemonsters net buiten de lichtrode vlekken zijn genomen) geeft steun aan de veronderstelling dat het mannelijk DNA gelijktijdig met de lichtrode substantie is overgedragen, aangezien anders verwacht kon worden dat dit mannelijk DNA ook net buiten de lichtrode substantie aangetroffen zou worden" 2.3.
  48. Sporen van aanvrager buiten de lichtrode vlekken zijn ook aangetroffen, namelijk - zoals reeds bekend bij het hof - in de crimescope-positieve vlekken en nu dus ook in controlemonster #
  49. Dat controlemonster is blijkens de foto's zoals gevoegd bij deze herzieningsaanvraag overigens vele centimeters verderop op de rechterrevers genomen, zodat de vermelding dat het monster zich in de onmiddellijke omgeving van spoor #9 bevindt enige relativering behoeft.16 FOTO 6 rode stip: #9, blauwe stip: vermoedelijk #
  50. Tussenin #15, bovenaan #18 2.3.
  51. Eén van de crimescope-positieve plekken, #1, bevindt zich niet veel verder van vlek #9 dan monster #
  52. Dat relativeert mijns inziens de betekenis van het aantreffen van een profiel van aanvrager in controlemonster #
  53. Aldus is immers aangetoond dat zich ook buiten de lichtrode vlekken, zij het in een crimescope-positief monster, genomen in de directe omgeving van vlek #9, DNA materiaal van veroordeelde bevindt. 2.3.
  54. Mede gelet op de geciteerde formulering van het NFI, moet mijns inziens vooral belang worden toegekend aan de omstandigheid dat vier van de zes locaties waar aanvankelijk DNA-sporen van aanvrager zijn aangetroffen, lichtrode vlekken zijn. Dat er later buiten één van die vier locaties toch een Y-chromosoom profiel van aanvrager wordt aangetroffen doet niet zodanig veel aan die betekenis af dat daarmee het ernstige vermoeden wordt gewekt dat de redenering die het hof tot het daderschap van aanvrager heeft gebracht in haar wezen wordt aangetast. Ik neem daarbij in overweging dat in één van de vier lichtrode vlekken (mengprofiel uit vlek #20) de piekoppervlakken van de mannelijke donor hoger zijn dan die van de vrouwelijke donor. Aan het ernstig vermoeden dat het hof zou hebben vrijgesproken bij bekendheid met het aantreffen van Y-chromosomaal DNA-materiaal van veroordeelde in monster #17 wordt voorts serieus afbreuk gedaan door de bevindingen in hetzelfde rapport van De Knijff met betrekking tot monster #617 en de crimescope-positieve vlek #1218 waarin hetzelfde Y-chromosoom DNA profiel is aangetroffen als in vlek #
  55. Van een novum dat relevant is in de zin van art. 457 lid 1 aanhef en onder b Sv, is hier dus geen sprake. 2.4.
  56. Ten tweede (4.2.2.) voert aanvrager twee opmerkingen aan, één uit het rapport van Kenny en een uit het rapport d.d. 18 mei 2006 dat DNA-deskundige De Knijff heeft opgemaakt (bijlage 7). Het betreft ten eerste de volgende passage uit het rapport van Kenny (p. 4): "However, there are possible additional DNA components not associated with the profiles of either [slachtoffer] or [aanvrager] present in the profiles obtained from three areas of light red staining - stains 18, 19,
  57. This possible additional component consists of a single additional peak in stains 18 an 19 and two additional peaks in stain
  58. However, they are present at a very low level and it is not possible for me to determine whether they actually indicate DNA from another source or whether they are just features (artefacts) of the DNA profiling tests". 2.4.
  59. In de schriftelijke reactie van 1 april 2006 van het NFI (bijlage 12) op het rapport van Kenny wordt opgemerkt dat de enige manier om de herkomst van het DNA in relatie tot de door Kenny genoemde pieken nader te onderzoeken Y-chromosoom specifiek DNA-onderzoek betreft. Daarmee kan volgens het NFI worden vastgesteld of het hier eventueel gaat om DNA-kenmerken van een (tweede) man. 2.4.
  60. Op 28 april 2006 is door het openbaar ministerie een aanvraag voor een dergelijk aanvullend onderzoek gedaan aan De Knijff, met het bovenvermelde rapport van 18 mei 2006 als uitkomst. Hij concludeert dat het Y-chromosoom DNA-profiel van sporen #18, #19 en #20 volledig overeenkomt met dat van aanvrager. Aanvrager beroept zich echter op de volgende slotoverweging uit het rapport van De Knijff, waarbij hij slechts het door mij gecursiveerde deel citeert: "Y-chromosoom kenmerken worden onveranderd van vader op zoon doorgegeven. Hierdoor hebben alle mannen die in directe mannelijke lijn aan elkaar verwant zijn, hetzelfde Y-chromosoom DNA-profiel. Zelfs als twee mannen 10-tallen generaties verschillen van elkaar, en waarschijnlijk een andere achternaam hebben en ogenschijnlijk geen familie van elkaar zijn, kan nog steeds sprake zijn van een volledig identiek Y-chromosoom profiel. In geval van een volledige overeenkomst tussen de Y-chromosoom profielen van een spoor en een verdachte kunnen wij niet uitsluiten dat een andere man, al dan niet in mannelijke lijn direct verwant aan de verdachte, de donor van het aangetroffen DNA-profiel kan zijn." 2.4.
  61. De hier geciteerde opmerkingen van deskundigen Kenny en De Knijff geven weer welke onzekerheden er bestaan bij DNA-onderzoek. Volgens aanvrager moet er uit worden afgeleid dat "thans geenszins vaststaat dat er geen ander DNA van een derde persoon op de blouse is aangetroffen c.q. nog kan worden aangetroffen." Bij voorbaat merk ik reeds op dat conclusies als deze geen nieuwe feiten betreffen die als novum moeten worden aangemerkt. Daarbij komt dat ook voor het hof niet vaststond dat er geen DNA van een derde persoon zou kunnen worden aangetroffen. 2.4.
  62. Wat aanvrager hier doet, is zelf nieuw belastend bewijs aandragen in de vorm van het aanvullende onderzoek van De Knijff om dat vervolgens aan te vallen met de stelling dat dit nieuwe bewijs niet uitsluit dat een ander toch de dader is. Dat is in herziening een nutteloze en voor de aanvrager zelfs schadelijke exercitie. Wat Kenny opperde was slechts een mogelijkheid die vervolgens door De Knijff is onderzocht. Het onderzoek van De Knijff heeft de kring van personen op wie de pieken in monsters 18, 19 en 20 zijn terug te voeren, verkleind. Die pieken wijzen immers hetzij op veroordeelde hetzij op iemand anders die hetzelfde Y-chromosomenprofiel bezit, welke kans nou niet bepaald uitbundig groot is. De aanwijzingen tegen veroordeelde na het bekend worden van de resultaten van het onderzoek van De Knijff zijn juist sterker dan daarvoor. De opmerkingen van Kenny en De Knijff wekken dus zeker niet het ernstige vermoeden dat het hof bij bekendheid daarmee tot een vrijspraak was gekomen. Overigens wijs ik erop dat het aanvullende bloedsporenonderzoek, waarvan aanvrager zelf de resultaten bij de aanvraag heeft gevoegd (bijlage 16), in de 95 extra bloedsporen geen DNA-kenmerken van een derde persoon heeft opgeleverd. 2.5.
  63. Ten derde voert aanvrager aan (4.2.3.) dat het hof door het NFI onvoldoende is voorgelicht over mogelijke alternatieve verklaringen voor de DNA-sporen op de blouse van het slachtoffer. Hij voert aan dat Kenny in haar rapport alternatieve hypothesen formuleert die het NFI en dus ook het hof buiten beschouwing hebben gelaten. Het NFI is blijkens zijn rapport van 22 januari 1999 uitgegaan van twee hypothesen: - het celmateriaal van een mannelijk individu is overgebracht op de blouse S12 via normaal zakelijk contact, bijvoorbeeld via speeksel dat tijdens het spreken is vrijgekomen, of door het geven van een hand aan het slachtoffer, waarbij de hand van het slachtoffer het celmateriaal van het mannelijke individu vervolgens over de blouse heeft verspreid en - het celmateriaal van een mannelijk individu is overgebracht op de blouse S12 tijdens het delict. 2.5.
  64. Aanvrager bespreekt vervolgens vier door Kenny geopperde alternatieve hypothesen, "waarvan er twee niet door het NFI aan het Hof zijn voorgelegd". Welke twee dat zijn, vermeldt hij niet. Ik vermoed dat aanvrager zinspeelt op de mogelijkheden van 'secondary transfer' en van contaminatie. Volgens aanvrager tast hetgeen Kenny opmerkt over de alternatieve hypothesen kennelijk de bewijsvoering van het hof in de kern aan. De aanvrager brengt het noemen van deze alternatieven door Kenny namelijk in verband met de volgende concluderende overweging van het hof: "Het hof acht het, gelet op voormelde bevindingen, zodanig onwaarschijnlijk dat het DNA van de verdachte op enig ander moment dan tijdens het delict en/of enkel via normaal en zakelijk contact op de blouse is terechtgekomen, dat die door de verdediging gesuggereerde mogelijkheden in redelijkheid kunnen worden uitgesloten." 2.5.
  65. Het wordt in de aanvraag niet duidelijk hoe de door Kenny geopperde hypothesen zich volgens aanvrager precies verhouden tot de door het NFI gehanteerde hypothesen. In werkelijkheid komt Kenny bovendien niet met vier maar met twee alternatieve hypothesen ten opzichte van die van het NFI. Daarom vat ik hier nogmaals voor de duidelijkheid samen hetgeen Kenny over mogelijke alternatieven opmerkt. 2.5.
  66. Aanvrager kan een persoon zijn die veel huidcellen afscheidt. Deze zouden bij een zakelijk contact overgedragen kunnen zijn aan het slachtoffer die hen vervolgens heeft verspreid. Die mogelijkheid acht zij onwaarschijnlijk. Vervolgens oppert zij de mogelijkheid dat de huidcellen van aanvrager zijn terechtgekomen op een voorwerp en vandaar op een derde, de werkelijke dader, die de huidcellen weer heeft overgebracht op de blouse van het slachtoffer, zonder daar eigen lichaamsmateriaal achter te laten. Deze wijze van overdracht wordt wel 'secundary transfer' genoemd. Naast de mogelijkheid van 'secundary transfer' noemt zij nog de mogelijkheid van contaminatie. Aldus komt zij tot twee alternatieven. Overigens merkt zij op dat beide hypothesen geen redelijk alternatief bieden voor de aanwezigheid van het bloedvlekje #10 (met DNA-sporen van aanvrager) op de kraag van de blouse van het slachtoffer. 2.5.
  67. Voor wat betreft de contaminatie verwijs ik naar mijn bespreking van hetgeen aanvrager daar later over aanvoert. Hier beperk ik mij tot het alternatief van "secondary transfer". Het hof is met dat alternatief bekend geweest. Ter terechtzitting bij het hof op 8 december 2003 heeft NFI-deskundige Kloosterman als volgt verklaard (p. 20 e.v.): "Het onderzoek aan overdrachtssporen en contactsporen bevindt zich nog in een pril stadium. Dit onderzoek is sinds ongeveer twee jaar mogelijk. Meer in het bijzonder staat het onderzoek naar de aard van het celmateriaal nog in de kinderschoenen. Tot nu toe is op de blouse geen materiaal aangetroffen dat herleidbaar was tot andere personen dan het slachtoffer of de verdachte. Het ene individu laat gemakkelijker zijn DNA-materiaal achter dan het andere. Dit wordt "shedden" genoemd naar het Engelse werkwoord "to shed". Een persoon die met zijn onbedekte huid een voorwerp of een andere persoon vastpakt, laat zijn cellen op dat voorwerp of die persoon achter. Er zijn mensen die relatief veel en mensen die relatief weinig cellen achterlaten. Wij noemen dat "goede" en "slechte" shedders. Het is niet bekend of zulks genetisch is bepaald. Er is nog te weinig diepgaand wetenschappelijk onderzoek gedaan om de vraag definitief te kunnen beantwoorden of het mogelijk is cellen achter te laten door middel van handelingen in het dagelijks verkeer. Uit de literatuur is wel een aantal case-studies bekend. Ik kan me voorstellen dat bij het schudden van een hand, waarbij enige kracht wordt uitgeoefend, cellen worden achtergelaten. Naar de vraag of dit celmateriaal vervolgens weer verplaatsbaar is, is nog te weinig onderzoek verricht. Ik acht niet waarschijnlijk dat cellen worden achtergelaten bij het langs een persoon lopen of bij het leggen van een hand op iemands schouder. In mijn praktijk ben ik dit laatste in ieder geval nog niet tegengekomen. De verdachte vraagt mij of het mogelijk is dat, wanneer hij mij een hand geeft en vervolgens met zijn tas in de hand wegloopt, mijn DNA op zijn tas zit. Ik kan dat niet uitsluiten. Een dergelijke overdracht wordt in de wetenschap "secundary transfer" genoemd." 2.5.
  68. Voorts heeft NFI-deskundige Eikelenboom in zijn rapport van 22 januari 2004 (p. 9) het volgende opgemerkt over het door Kenny genoemde alternatief van overdracht van DNA-sporen via de 'werkelijke dader': "Uit de literatuur blijkt dat het mogelijk is dat DNA van een individu A wordt overgedragen op individu B waarna individu B het DNA van individu A achterlaat op een object of een slachtoffer C (secondary transfer). Rutty (2002 zie bijlagen) heeft tijdens onderzoekingen aanwijzingen gevonden die in deze richting wijzen. Bij deze onderzoeken is de gevoelige LCN-methode gebruikt."19 2.5.
  69. Ook in de brief d.d. 22 januari 2004 van De Knijff aan de raadsman van aanvrager antwoordt De Knijff op een vraag van de raadsman over de mogelijkheid van secondary transfer via een derde als volgt: "
  70. Overdracht van DNA van A naar B via C kan natuurlijk wel in theorie, maar mij zijn geen praktijkvoorbeelden bekend." 2.5.
  71. Uit het voorgaande volgt dat de door Kenny naar voren gebrachte hypothesen wel degelijk aan het hof zijn voorgelegd. Reeds om die reden kan het aangevoerde geen novum opleveren. 2.5.
  72. Ten overvloede merk ik op dat in het aanvullende onderzoek van De Knijff (bijlage 7) ook in de sporen #18, #19 en #20 geen sporen van derden zijn aangetroffen, evenmin als in het aanvullende bloedsporenonderzoek van het NFI (bijlage 16) waarbij de sporen 21 tot en met 115 voor het eerst zijn bemonsterd en onderzocht. Voorts wordt in de schriftelijke reactie van het NFI van 1 april 2006 op het rapport van Kenny (bijlage 12) vermeld dat "men bij de gewelddadige contacten tussen deze derde en het slachtoffer ook DNA van deze derde persoon (zou) verwachten." Dat is volgens die reactie de reden geweest om die hypothese van overdracht via derden niet nader te onderzoeken. Het NFI merkt in de bedoelde reactie ook op dat contaminatie niet als serieus alternatief bij het sporenonderzoek is betrokken, omdat volgens de gegevens van het NFI de blouse van het slachtoffer elke keer separaat verpakt op het NFI is aangeleverd en in een afzonderlijke ruimte is onderzocht. 2.6.
  73. Ten vierde voert aanvrager aan (4.2.4.) dat Kenny in haar rapport het volgende opmerkt, waarbij ik het door aanvrager aangehaalde cursiveer: "In some cases it is possible to determine the action that caused the transfer of material, for example, in cases involving an assault where the victim receives injuries that bleed. In these cases, the nature and distribution of any bloodstaining that could have originated from the victim on the suspect's clothing could assist in determining whether it was deposited as a result of a violent incident, for example, punching or kicking, rather than by simple contact with the victim whilst they were bleeding. If it is not possible to determine what body fluid has given rise to a particular DNA profile, it will not be possible to determine how and when that DNA was deposited. There will be more than one possible explanation for how the DNA came to be deposited on an item including by some innocent means of transfer; for example, by contact with an individual. Therefore I would have to agree with the Netherlands Forensic Institute that the traces of DNA do not constitute direct evidence but that they may have indirect evidential significance as they can indicate that a suspect was present at a scene or has had some form of contact with the victim." 2.6.
  74. De gecursiveerde opmerkingen van Kenny, die door aanvrager als een novum worden gepresenteerd, houden kennelijk verband met algemene opmerkingen over forensisch onderzoek naar de herkomst van sporen van lichaamsvloeistoffen. De opmerkingen leiden Kenny tot de conclusie dat het NFI de DNA-sporen terecht als indirect bewijs heeft aangemerkt. Die conclusie sluit aan bij het NFI-rapport van Kloosterman van 19 januari 2004 waarin - voor zover hier relevant - het volgende wordt opgemerkt (p. 4): "Voor de identificatie van klassieke biologische sporen zoals bloed en sperma bestaan zeer gevoelige en specifieke testmethoden. Voor de identificatie van speeksel bestaat een veel minder gevoelige test. Voor de zeer geringe hoeveelheden celmateriaal die bij contact met de huid worden overgedragen bestaat nog helemaal geen laboratoriumtest waarmee de aard van het celmateriaal kan worden vastgesteld en door het geringe aantal cellen in dit type sporen is microscopisch onderzoek evenmin een optie. (..) In tegenstelling tot DNA-profielen van klassieke biologische sporen - zoals bloed en sperma - vormen DNA-profielen van niet-gekarakteriseerde biologische microsporen over het algemeen geen direct bewijs. Wel hebben zij mogelijk een indirecte bewijswaarde. Het probleem is dat er vaak verscheidene verklaringen mogelijk zijn voor de aanwezigheid van niet nader te specificeren celmateriaal op een plaats delict of op een stuk van overtuiging." 2.6.
  75. De door mij gecursiveerde opmerking van Kenny is volgens aanvrager echter in tegenspraak met de volgende overweging van het hof: "2.1.
  76. (..) Dr. De Knijff heeft verder de verklaring van ing. Eikelenboom onderschreven dat, als bij onderzoek van sporen met behulp van de crimescope geen fluorescentie wordt waargenomen, dit betekent dat er geen indicatie is voor de aanwezigheid van lichaamsvloeistoffen." 2.6.
  77. Kennelijk bedoelt aanvrager te betogen dat Kenny niet uitsluit dat de DNA-sporen via normaal zakelijk contact zijn overgedragen. Dat is inderdaad zo maar het is wel een wat eenzijdige weergave van wat dr. Kenny heeft gerapporteerd. In wezen schrijft zij niets anders dan dat wanneer DNA materiaal wordt aangetroffen waarvan de aard en oorsprong niet duidelijk is, het lastig zal zijn om te bepalen hoe dat DNA materiaal daar is terechtgekomen. Meer kan ik daar niet van maken. Zeker kan ik aan het rapport van dr. Kenny niet ontlenen dat eraan een onderzoek ten grondslag ligt waaraan een ernstig vermoeden valt te ontlenen dat het oordeel van het hof, dat het DNA materiaal van de veroordeelde tijdens het delict is overgedragen op de blouse van het slachtoffer, onjuist is. 2.6.
  78. De omstandigheid dat de 'zakelijk contact'-hypothese niet valt uit te sluiten was het hof reeds bekend. Het NFI heeft die in zijn rapportages ook besproken. Het heeft slechts geconcludeerd dat zijn bevindingen meer steun bieden aan overdracht ten tijde van het delict dan via normaal zakelijk contact. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting bij het hof op 8 december 2003 (p. 20-21) heeft NFI-deskundige Kloosterman aldaar bovendien als volgt verklaard: "Met betrekking tot de aard van de vlekken met de nummers ARA852#1, ARA852#8 en ARA852#9 merk ik op dat is geprobeerd om de bloedvlekken heen te manoeuvreren. Het ging om vlekken die ofwel met het oog ofwel met de crimescope waren te zien en waarvan wij dachten dat het interessant was om daaruit DNA-materiaal te isoleren. Het is niet mogelijk iets te zeggen over de aard van het celmateriaal in die vlekken, bij voorbeeld of het om bloed, speeksel of huidcellen gaat. Ook het tijdstip van depositie van dat celmateriaal is niet aan te geven. DNA is een zeer stabiele stof. Ook materiaal dat al jaren op een blouse zit kan worden getypeerd voor DNA." (..) "De oudste raadsheer vraagt mij of, indien verdachte 's ochtends bij het slachtoffer op bezoek komt en ter begroeting een hand geeft, waarna het slachtoffer tijdens het daaropvolgende gesprek of in de loop van de dag met haar hand over haar gezicht of over haar blouse strijkt, dit een verklaring kan zijn voor het feit dat DNA-materiaal van de verdachte op de blouse van het slachtoffer wordt aangetroffen. Ik kan daar niet met zekerheid iets over zeggen. Ik sluit de theoretische mogelijkheid niet uit. Over de mate van waarschijnlijkheid van zulk een scenario kan ik geen uitspraak doen." 2.6.
  79. Blijkens het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep van 26 januari 2004 heeft ing. Eikelenboom zijn bevindingen nogmaals aan het hof uitgelegd. Hij heeft daarbij ook naar voren gebracht dat het niet uitgesloten is dat de DNA-sporen van speeksel afkomstig zijn. Hij verklaart in dat verband - voor zover hier relevant - als volgt: "De rode cirkels geven de locaties aan waar bemonsteringen van lichtrode substantie zijn genomen. Bij de werkhypothese is ervan uitgegaan dat de dader tijdens het toebrengen van het stompe trauma zijn handen in de make-up van het slachtoffer heeft gehad en die make-up vervolgens over de blouse heeft verspreid. Ook in de verkregen DNA-profielen van de bemonsteringen die met deze rode cirkels zijn aangegeven zijn naast merkers van het slachtoffer ook merkers aangetroffen van een mannelijk individu. De locaties in de rode cirkels waren niet crimescope-positief. In deze locaties is dus niet de aanwezigheid van lichaamsvloeistoffen aangetoond. Het is dus zeer onwaarschijnlijk dat het hier speeksel betreft. Het kan echter ook zijn dat het om een zo kleine hoeveelheid speeksel gaat dat deze door de crimescope niet wordt gedetecteerd. Ook bloed of sperma is in deze vlekken niet aangetoond." (pv, p. 14) FOTO 7 Uit: Aanvullend rapport 19 januari 2004 2.6.
  80. Het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep van 26 januari 2004, houdt voorts als verklaring van De Knijff - voor zover hier relevant - het volgende in (onderstreping door mij): (..) Mij wordt gevraagd om een toelichting op antwoord 4 in mijn brief aan de raadsman d.d. 22 januari 2004, inhoudende: "In geval van deze zaak lijkt het mij heel goed mogelijk dat langs een normale weg (overdracht middels speekseldruppeltjes) DNA van verdachte vooral op de voorkant van de blouse van het slachtoffer terecht kan komen". Ik heb uitsluitend bedoeld om aan te geven wat voor andere mogelijkheden er zijn om de aanwezigheid van DNA op kledingstukken te verklaren. Ik kan geen uitspraak doen over de mate van waarschijnlijkheid dat in deze zaak DNA door middel van speekseldruppeltjes op de voorkant van de blouse is terechtgekomen. Mij wordt voorgehouden dat, blijkens het rapport van het NFI d.d. 22 januari 2004, in vlek #20 de hoeveelheid DNA-materiaal die van de verdachte afkomstig kan zijn de hoeveelheid DNA van het slachtoffer overtreft. Dit was mij nog niet bekend toen ik mijn brief aan de raadsman schreef. (..) Desgevraagd beaam ik dat vlek #20 niet past bij de hypothese dat het DNA van verdachte via speekseldruppeltjes op de blouse van het slachtoffer terecht is gekomen."20 2.6.
  81. Uit deze citaten blijkt dat het hof niet alleen de 'zakelijk contact'-hypothese in ogenschouw heeft genomen, maar dat de deskundigen het hof ook hebben voorgelicht dat die hypothese niet uitgesloten kan worden. Zij hebben het hof alleen voorgehouden dat er meer ondersteuning is voor de hypothese dat de sporen op de blouse door geweld zijn overgebracht dan voor de hypothese dat zij voortkomen uit normaal zakelijk contact. De overweging van het hof laat reeds zien dat het hof ook onderkend heeft dat ten aanzien van de wijze van overdracht van het DNA op de blouse van het slachtoffer geen absolute zekerheden zijn te verkrijgen en dat het hof daarom op zoek is gegaan naar de meest plausibele verklaring. 2.6.
  82. Het rapport van De Knijff van 22 juni 2006 is daarom naar mijn mening niet "vernietigend (...) voor de waarde van de verklaring van ing. Eikelenboom, zoals afgelegd in januari 2004 voor het Gerechtshof" zoals de mondelinge toelichting onder nr. 37 stelt. Het hof heeft de mogelijkheid van overdracht van kleine hoeveelheden speeksel bij zakelijk contact in zijn overwegingen betrokken maar haar niet, zoals aanvrager doet voorkomen, enkel verworpen op de grond dat de crimescope de aanwezigheid van speeksel niet aantoonde. De onaannemelijkheid van deze mogelijkheid heeft het hof op meerdere gronden gebaseerd. Uitdrukkelijk wijst het hof (2.1.8.) onder meer op de plaats waar #10 is gevonden. Ook de plaats van #18 en #19 is niet te rijmen met overdracht via speeksel bij een gewoon zakelijk contact. Deze vlekken bevinden zich immers aan de achterkant van de revers en kraag. 2.6.
  83. Kortom, een nieuwe omstandigheid die het ernstige vermoeden wekt dat het hof bij bekendheid ermee tot een vrijspraak was gekomen, is in de opmerkingen van Kenny niet te lezen. Het nieuwe karakter van het inzicht van Kenny wordt door aanvrager niet onderbouwd. Hij merkt aan het slot nog op dat "dit feit" (waar de aanvrager precies naar verwijst, blijft in het ongewisse) ook wordt erkend door het NFI in de na de veroordeling opgestelde rapporten. Daarbij verwijst hij slechts naar het navolgende hoofdstuk in de aanvraag. Een integrale bespreking van het beweerde novum zou mijns inziens meer voor de hand hebben gelegen. 2.7.
  84. Ten vijfde (4.2.5.) voert aanvrager als nieuwe omstandigheid apart aan dat Kenny op p. 9 van haar rapport opmerkt dat "I have to agree with the NFI that the traces of DNA do not consitute direct evidence but that they may have indirect evidential significance as they can indicate that a suspect was present at a scene or has had some form of contact with the victim." 2.7.
  85. Deze opmerking zou niet zijn te verenigen met de overweging van het hof dat de sporen op de blouse "redelijkerwijze geen andere uitleg toelaten dan dat deze moeten zijn ontstaan bij het plegen van het delict". De reden waarom er volgens de aanvrager sprake is van onverenigbaarheid is dat er gelet op de "bovengenoemde conclusie" van Kenny wel degelijk sprake blijkt te zijn "van een andere uitleg die op zijn minst in redelijkheid kan worden aangenomen, en die zelfs meer dwingend voorkomt dan de forensisch-technisch ongefundeerde aanname van het NFI." Welke dan die andere uitleg zou zijn is mij niet helemaal duidelijk geworden. Waarom die andere uitleg zelfs meer dwingend is, wordt in dit verband door aanvrager verder niet onderbouwd. Van nieuwe omstandigheden van feitelijke aard of van evidente vergissingen in de deskundigenberichten van het NFI in 2004 blijkt hier niet. 2.7.
  86. Het punt van aanvrager lijkt in de kern te zijn dat de DNA-sporen ten onrechte als (enig) direct bewijs voor daderschap zijn aangemerkt. Van een novum kan in dat verband echter geen sprake zijn. Aan het hof is immers voorgehouden dat het hier gaat om indirect bewijs. Aanvrager valt op dit punt in herhaling en ik dus noodzakelijkerwijs ook: het NFI-rapport van Kloosterman van 19 januari 2004, dat het hof mede aan zijn bewijsoordeel ten grondslag heeft gelegd houdt namelijk - voor zover hier relevant - het volgende in (p. 4): "(..) In tegenstelling tot DNA-profielen van klassieke biologische sporen - zoals bloed en sperma - vormen DNA-profielen van niet-gekarakteriseerde biologische microsporen over het algemeen geen direct bewijs. Wel hebben zij mogelijk een indirecte bewijswaarde. Het probleem is dat er vaak verscheidene verklaringen mogelijk zijn voor de aanwezigheid van niet nader te specificeren celmateriaal op een plaats delict of op een stuk van overtuiging." 2.7.
  87. Zowel dr. Kenny als dr. Kloosterman hebben het over de situatie waarin celmateriaal op de plaats van het delict wordt aangetroffen zonder dat duidelijk is hoe het daar gekomen is of in welke vorm het daar is gedeponeerd. Dat onder zulke omstandigheden wetenschappelijk onderzoekers een slag om de arm houden en zich beperken tot de gevolgtrekking dat het lichaamsmateriaal daar op een of andere manier moet zijn gekomen doordat degene van wie celmateriaal is gevonden daar aanwezig is geweest of in ieder geval enigerlei relatie met de plaats van aantreffen van het lichaamsmateriaal heeft gehad lijkt mij niet vreemd. Maar het hof zag zich geconfronteerd met de aanwezigheid van DNA materiaal van veroordeelde praktisch uitsluitend op de blouse van het slachtoffer en dan nog wel op een bepaalde wijze verdeeld. Daaraan heeft het hof consequenties verbonden. Ik kan geen novum ontdekken in het feit dat lichaamsmateriaal dat op de plaats van het misdrijf wordt aangetroffen daar op een of andere manier moet zijn gekomen. In ieder geval heeft deskundige Kloosterman zulks ook aan het hof voorgehouden en heeft het hof die vraag ook onder ogen gezien. 2.8.
  88. Ten zesde (4.2.6.) voert aanvrager aan dat Kenny ten aanzien van de hypothese dat de DNA-sporen door geweld op de blouse terecht zijn gekomen in haar rapport opmerkt: "that in my opinion there are no scientific tests available to support or refute this hypothesis in terms of 1) the degree of force required to deposit sufficient DNA material to be able to discern a DNA profile, 2) whether the male DNA present was deposited at the same time as the light red staining, 3) the significance of the absence of DNA from a male in non-stained areas." 2.8.
  89. Met deze uitspraak van Kenny is volgens aanvrager onverenigbaar dat het hof als volgt overweegt in 2.1.6.: "(..) Ter zitting van 26 januari 2004 heeft ing. Eikelenboom verklaard dat voor het met behulp van genoemde standaardmethoden verkrijgen van een bruikbaar DNA-profiel van huidcellen minimaal 200 cellen dienen te zijn overgebracht en dat bij het bedoelde zakelijke, oppervlakkige contact in het algemeen minder dan deze hoeveelheid zal worden overgedragen. Deze informatie is ter zitting bevestigd door de deskundige dr. De Knijff." 2.8.
  90. Kennelijk bedoelt aanvrager dat nu er volgens Kenny - kort gezegd - geen wetenschappelijke tests zijn om de hypothesen te weerleggen of te bevestigen, de verklaring van Eikelenboom over de hoeveelheid huidcellen niet kan kloppen. Maar dat is in het rapport van Kenny niet te lezen. Zij laat zich niet uit over het minimale aantal cellen dat nodig is voor DNA-bepaling. Hoogstens valt aan het verslag te ontlenen dat aan Kenny geen wetenschappelijk onderzoek bekend is dat uitsluitsel geeft over de kracht die moet worden aangewend om voldoende DNA materiaal voor DNA-bepaling op te leveren. Maar dat er geen wetenschappelijke onderzoeken beschikbaar zijn over de kracht die nodig is om voldoende DNA materiaal te deponeren om een profiel uit te destilleren wil nog niet zeggen dat het geen ervaringsgegeven kan zijn van de deskundigen Eikelenboom en De Knijff dat een gewoon zakelijk contact onvoldoende cellen achterlaat om daaraan een DNA profiel te kunnen ontlenen en dat voor een DNA profiel minstens 200 cellen beschikbaar moeten zijn.21 Aanvrager heeft als bijlage 16 bij de aanvraag een aanvullend bloedsporen- en DNA-onderzoek gevoegd van het NFI van 21 april 2006, waarin ook dr. Kloosterman melding maakt van het ervaringsgegeven dat een gewone aanraking zoals bij een normaal zakelijk contact doorgaans te weinig DNA achterlaat om met een standaardmethode een DNA-profiel te kunnen opstellen. 2.8.
  91. De overweging van het hof betreft bovendien één van de omstandigheden die volgens het hof de hypothese ondersteunen dat het op de blouse aangetroffen, van een mannelijk individu afkomstige, celmateriaal is overgedragen tijdens een gewelddadig incident. In 2.1.
  92. geeft het hof de overige bevindingen weer die in zijn oordeel die hypothese eveneens ondersteunen. Het gaat daarbij, zoals gezegd, vooral om de opvallende locaties waar de DNA-sporen zijn aangetroffen die volgens het NFI en het hof niet stroken met de hypothese dat DNA-sporen willekeurig zijn overgedragen op de blouse van het slachtoffer. 2.8.
  93. Kenny merkt hierover op dat het NFI "reached a reasonable conclusion based on the hypothesis that the DNA matching [aanvrager] associated with the light red staining was deposited as a result of forceful contact." Dat er geen wetenschappelijke tests zijn om de vraag te beantwoorden hoeveel kracht moet worden gebruikt om voldoende DNA materiaal achter te laten voor de productie van een DNA-profiel doet niet af aan de redenen voor het hof om de hypothese te volgen dat de sporen ten tijde van het delict zijn overgebracht. Dat de bevindingen van het NFI en in het bijzonder de verklaring van Eikelenboom over de hoeveelheden celmateriaal berusten op een evidente vergissing, is uit het aangevoerde niet af te leiden. Voorts is hier geen sprake van nieuwe omstandigheden van feitelijke aard. 2.8.
  94. Hetzelfde geldt voor de uitspraak van dr. Kenny dat haar geen wetenschappelijk onderzoek bekend is dat hetzij steun biedt, dan wel afbreuk doet aan de veronderstelling dat het mannelijk DNA materiaal tegelijkertijd met de lichtrode substantie op de blouse is achtergelaten. Deze veronderstelling heeft het hof niet gebaseerd op op die vraag toegespitst wetenschappelijk onderzoek maar beredeneerd op basis van de resultaten van het onderzoek van de blouse door het NFI. Ook hier is dus geen sprake van een novum. Hetzelfde gaat op voor het derde aspect, dat aan dr. Kenny geen wetenschappelijk onderzoek bekend is over de betekenis van de afwezigheid van mannelijk DNA materiaal buiten de lichtrode vlekken. 2.9.
  95. Ten zevende (4.2.7.) noemt aanvrager de mogelijkheid van contaminatie, die eerder reeds naar voren kwam. Hij wijst daarbij op de opmerkingen die Kenny daarover maakt. Zij wijst in haar rapport op risico's van contaminatie die in het algemeen bestaan als bewijsstukken niet zorgvuldig worden bewaard. Ik wijs erop dat dr. Kenny niet beschikte over het arrest van het hof toen zij haar rapport opmaakte. Zij is uitgegaan van een feitenoverzicht dat door de aanvrager is samengesteld en waarvan het mij voor een goed begrip van dit opgeworpen punt zinvol lijkt de inhoud - voorzover hier relevant - weer te geven: "Before the (new) physical and biochemical investigations of the blouse were carried out at the end of the year 2003, assuming that it was the blouse the victim was wearing at the moment she was killed, it was found wrapped up into an unsealed open paper bag. That bag was put into a box within a bigger box containing other materials originating from the crime scène, including material from the carpet on which the mutilated corpse of the victim was found, and some other items that belonged to [aanvrager], including a red agenda and clothing. After the first examination of the seized blouse by the NFI in November 1999 this paper bag had supposedly been kept in the depository (above the garage of police cars) of, subsequently, the police's investigation department of Raalte and the police station of Deventer. It is unclear whether it has been in one of these two locations all the time during the entire period November 1999 - 2003, as no information is known concerning the circumstances of this material during all those years. In addition to the foregoing, according to the additional report of the police officers [verbalisant 5 en 6], the blouse was sent to the NFI on 14 October 1999, whilst the report of the NFI dated 21 February 2000 states that the blouse was only received by the NFI on 10 November
  96. In the period in between these two dates, almost a month, the whereabouts of the blouse remain unknown. Article 5 of the Dutch Decree on DNA Investigations in Criminal Proceedings of 1 September 1994 ('Besluit DNA-onderzoeken in strafzaken') provides that at the moment of the seizure, or as soon as possible after the seizure, the blouse should have been labelled and sealed with a DNA identifïcation seal by an investigating officer. However, in violation of aforementioned Article 5, this blouse was not labelled with a DNA identifïcation seal. Notably, the seizure took place in September 1999, whereas the legal provisions pertaining to the requirements for such seizure were already formulated in a legislative directive of 27 December 1995, issued by the Dutch Government. It was only after the NFI received the victim's blouse on 12 November 2003, i.e. four years and two months after its seizure, that a seal was put on the blouse. In a letter of 5 August 2003 [aanvrager] requested to call the two police officers, [verbalisant 5 en 6], who seized, numbered and wrapped the victim's blouse on 26 September 1999, to testify; this request was however denied by the Court of Appeal of 's-Hertogenbosch on 16 September
  97. The blood trace and several DNA traces were allegedly found on the blouse through an inspection at the end of
  98. However, in 1999 no such traces were reported to be present. According to two reports from expert witness Mr. Kloosterman from the Dutch Forensic Institute (NFI) dated December 2003 and January 2004, respectively, concerning the traces on this blouse, a minute trace of blood on the (outside) back of the collar was found. The investigators claimed that they had shown that this blood trace had a DNA profile identical to that of [aanvrager]. Furthermore, they claimed that cell material with a mixed DNA profile composed of DNA profile of the victim and of a (partial) DNA profile of [aanvrager] was found in pale-red spots on the blouse (she was allegedly wearing on the day of her murder) of [slachtoffer]. No information was provided as to how exactly the technical determination of the DNA was carried out, by which means and under which experimental circumstances this diagnosis was performed. Neither the lab records, nor the laboratory journal were provided to the defence and the Court. It is important to note here that the same blouse had already been investigated three times in the period September 1999 - December 2003, before these traces were found in December
  99. Blood spot ARA852#10 and the pale-red spots found on the blouse by the NFI in 2004 were never before identified, neither by the police nor the NFI. In the aforementioned report by the NFI of December 2003, it was the first time that mention was made of these pale red spots on the victim's blouse. The available photo material regarding the blouse in 1999 did not show the bloodspot or the pale-red spots, although it was established by the Court of Appeal of 's-Hertogenbosch in 2004 that both the blood spot and the pale-red spots were visible with the naked eye. The fact that no description of the bloodspot nor the pale-red spots was made before the research by the NFI in 2004, which would have been very likely, raises the presumption that the blouse may have been contaminated after September
  100. From the official reports it can be deducted that in December 1999 a pair of trousers of [aanvrager] and an umbrella were sent to the NFI. Subsequently, in November 2003, both the blouse and the umbrella were offered. In addition thereto, contamination could have taken place on 3 December 1999, now that the particular objects at the NFI were laid out and investigated, whilst on top of that the umbrella is red with white spots. When the blouse and the umbrella were offered on 12 November 2003, the umbrella could have contaminated the blouse, assuming that the materials were treated in the same manner. Therefore it is not unlikely that traces of cell material of [aanvrager] were transferred to the blouse due to the seizure of the blouse in violation of the requisite norms. Due to the defïciencies in the securing, sealing, packaging and storing of the blouse neither [aanvrager] nor the Court had the possibility to check or monitor whether the blouse had, at any moment between the seizure of the blouse and the various examinations thereof by the NFI, or in any other way, been contaminated. As the blouse, especially the material found on the blouse, was the most important, or even the sole, evidence the judgement of the Court of Appeal of 's-Hertogenbosch was based on, the prevention of contamination of the (materials on the) blouse was of utmost importance to [aanvrager]." 2.9.
  101. Kenny heeft in haar rapport antwoord gegeven op vragen die haar op basis van deze case summary door aanvrager zijn gesteld en die aldus luiden: "Mode of securing and storage Considering the manner in which the blouse (S12) has been secured and stored as described in the summary of appendix l (case facts), do you hold the view that the securing and subsequent storage of blouse S12 has been in violation of (international) forensic research norms? If so, which norms have been violated? In the case your answer to question 1 is affirmative, do you opine that, in view of these possible violations of forensic research norms, blouse S12 should not be used as evidence in a criminal procedure against [aanvrager]? The Court of Appeal judgment of 9 February 2004 considers that, in view of the way blouse S12 has been secured, seized, wrapped up and stored by the police, it is entirely implausible that any contamination could have occurred between blouse S12 and other evidence material. What is your expert opinion with respect to this conclusion of the Court of Appeal regarding the impossibility/improbability of contamination? With respect to the aspect of securing and storage, are there any other matters that attracted your attention and on which you would like to comment or wish to inform us?" 2.9.
  102. In haar rapport is Kenny op de mogelijkheid van contaminatie ingegaan. Zij schrijft: "Mode of securing and storage During the routine recovery of items for forensic examination the normal procedure would be for the item to be placed into a bag, labelled and sealed and stored appropriately to prevent any accidental contamination or destruction of any evidence. There are cases were the items have not been stored correctly, packaged and as such the integrity of the item cannot be guaranteed. These items can still be examined and any risk taken into account in the interpretation of the findings. In this case the blouse was not sealed into an exhibit bag; there is therefore the potential for this item to have been contaminated by other case exhibits. I understand that this blouse was stored in an open bag with other items and may have been examined at the same time as other items in this case. Forensic Laboratories have rigorous procedures in place to ensure that any potential for contamination is minimised and I am sure that a high level of anti-contamination procedures will have been undertaken at the Netherlands Forensic Institute. However as there are discrepancies in the continuity of this item, the potential that this item has been contaminated has to be considered. If, for example, this blouse was in direct contact with an item that contained a large amount of DNA from [aanvrager] then there is the possibility that DNA from [aanvrager] will have been transferred to the blouse. However, as DNA that could have originated from [aanvrager] was obtained from several areas of the blouse the original item would have had to have been heavily stained with DNA. Although there is the potential for DNA to be transferred from one item to another, this would not explain the presence of the bloodstain on the back of the collar. In my opinion, if the profile matching [aanvrager] was obtained from the blood stain then this could only have been transferred as a result of contact with wet blood. This stain is therefore unlikely to have been transferred as a result of contamination with an item containing DNA from [aanvrager]. Further examination could be undertaken with respect to any items stored with the blouse 812 to determine whether there is any DNA from [aanvrager] present and therefore whether these items could have contaminated the blouse. However, it should be noted that the absence of DNA from [aanvrager] on any of these items would significantly strengthen the level of support for the prosecution hypothesis that the DNA was deposited as a result of a violent incident." 2.9.
  103. Kenny heeft dus van aanvrager vernomen dat de blouse in een open tas is bewaard met andere voorwerpen en mogelijk tegelijkertijd met andere voorwerpen is onderzocht. Op grond daarvan merkt zij op dat "the potential that this item has been contaminated has to be considered". Dit deskundigenoordeel levert volgens aanvrager kennelijk een novum op. Ik benadruk overigens nu al dat volgens Kenny de bloedvlek #10 op de kraag daar alleen terecht kan zijn gekomen door contact met nat bloed, en dus niet via contaminatie, omdat bloed immers snel opdroogt. 2.9.
  104. De raadsman heeft omtrent de risico's van contaminatie bij het hof reeds verweer gevoerd. Opvallend is dat op basis van de hiervoor geciteerde case summary vragen zijn gesteld aan Kenny die eerder in de vorm van verweren aan het hof zijn voorgehouden, maar dat Kenny, gezien de op p. 2 en 3 van haar rapport opgenomen lijst van stukken die aan haar ter beschikking zijn geste

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.