ECLI:NL:PHR:2008:BB4853
Nr. 02456/06 Mr. Vellinga Zitting: 11 september 2007 Conclusie inzake: [verdachte] 1. Verdachte is door het Gerechtshof te Arnhem wegens "een afbeelding - of een gegevensdrager, bevattende een afbeelding - van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, is betrokken, in voorraad hebben, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast is de onttrekking aan het verkeer van de in het arrest vermelde voorwerpen gelast.
B.
Bij onderdeel B dient bij het vierde gedachtestreepje na de alinea die eindigt op de woorden "met zijn linkerhand omklemt hij zijn balzak" de volgende alinea's te worden toegevoegd bestand [bestandsnaam 4].jpg (opname 14): een jongen, jonger dan 16 jaar, staand in een bos. Hij is gekleed in een grijskleurig shirt en een blauwkleurige trui en heeft zijn (spijker)broek op zijn knieën. Hij heeft een erectie. bestand [bestandsnaam 5].jpg (opname 19): twee naakte jongens liggend op de rug met gespreide benen, in de leeftijdscategorie jonger dan 16 jaar."
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I), na voorlezing aan het hof overgelegd, en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Omvang van het hoger beroep De advocaat-generaal en de verdachte hebben ter terechtzitting opgegeven dat zij geen rechtsmiddel hebben willen instellen tegen dat deel van het vonnis, waarvan beroep, waarbij verdachte ter zake van het tenlastegelegde onder A betrekking hebbend op de videoband [film 3] werd vrijgesproken, zodat het hof verstaat dat het hoger beroep van het Openbaar Ministerie en verdachte uitsluitend is gericht tegen de bewezenverklaring en strafoplegging.
Het vonnis waarvan beroep Het hof zal het vonnis, waarvan beroep, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigen omdat het hof tot een andere bewezenverklaring en strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.
Nietigheid van de dagvaarding Het hof nummert de onderdelen van de tenlastelegging zoals hierna vermeld.
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de dagvaarding onder A nietig is voorzover betrekking hebbend op de videobanden met de titels "[film 3]" en "[film 10]" omdat de daarbij genoemde handelingen niet nader zijn omschreven en aan het begrip handelingen op zich onvoldoende feitelijke betekenis toekomt.
Naar het oordeel van het hof treft dit verweer doel. De term seksuele handeling heeft als zodanig onvoldoende feitelijke betekenis. Deze woorden in de tenlastelegging hadden telkens nader feitelijk moeten worden beschreven op grond van het bepaalde in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering.
Het hof zal derhalve de dagvaarding nietig verklaren voor zover betrekking hebbend op de videoband "[film 10]". Aan een dergelijke beslissing komt het hof evenwel niet toe met betrekking tot de videoband met de titel "[film 3]" nu zowel de advocaat-generaal als verdachte hebben aangegeven dat het hoger beroep geen betrekking heeft op de door de rechtbank gegeven vrijspraak ten aanzien van laatstgenoemde videoband.
De raadsvrouw heeft voor wat betreft de onder overige onder A genoemde videobanden aangevoerd dat onduidelijk is op welke beelden van in die films optredende jongens de verwijten slaan omdat in die films meerdere acteurs optreden. Aldus zou ook het resterende deel van de tenlastelegging onder A niet voldoen aan de vereisten van art. 261 van het Wetboek van Strafvordering.
Het hof komt dienaangaande tot een ander oordeel. De opsteller van de tenlastelegging heeft kennelijk aansluiting gezocht bij de beschrijving van de verbalisant [verbalisant 4] (bijlage 4 in het proces-verbaal van de Rijksrecherche nummer [...]) van die fragmenten die volgens deze verbalisant strijd zouden opleveren met art. 240b Sr.
Weliswaar is het niet eenvoudig vast te stellen op welke scènes van de op DVD gekopieerde videofilms en op welke plaatjes de tenlastelegging zoals deze na wijziging is komen te luiden betrekking heeft, maar dat ligt naar het oordeel van het hof niet zozeer aan een gebrekkige inrichting van de tenlastelegging, als wel aan de veelheid van het materiaal dat onder verdachte in beslag genomen is. De tenlastelegging bevat niettemin voldoende concrete en duidelijke beschrijvingen van de jeugdige personen figurerend in de fragmenten waarop de tenlastelegging betrekking heeft, alsmede van de door hen verrichte handelingen.
Kennisneming van de gehele inhoud van de bewuste videobanden bezien tegen de in de tenlastelegging gegeven beschrijvingen van jeugdige personen en handelingen maakt onmiskenbaar duidelijk op welke beeldfragmenten de tenlastelegging betrekking heeft. Ook bij verdachte kan daar geen misverstand over hebben bestaan. Daaraan doet niet af dat de bewoordingen in de tenlastelegging betrekking kunnen hebben op meer dan één scène uit de bedoelde films in die gevallen waarin gesproken wordt over beelden/fragmenten van jongens. Met name geldt dit met betrekking tot de onderdelen A sub 2, sub 3, sub 5, sub 8, sub 10 en sub 11 van de tenlastelegging.
Het hof merkt overigens wel op dat het voor een doelmatige rechtspleging veruit de voorkeur had verdiend in de tenlastelegging aan de hand van tellerstanden aan te geven op welke fragmenten de tenlastelegging precies betrekking heeft, en bij het overzetten van de videobanden op DVD's ter wille van een eenduidige markering de tellerstanden vast in het gekopieerde beeldmateriaal op te nemen.
De slotsom luidt dat behoudens hetgeen hiervoor ten aanzien van de film "[film 10]" is overwogen het beroep op nietigheid faalt.
De raadsvrouw heeft voorts aangevoerd dat de tenlastelegging innerlijk tegenstrijdig is voorzover in de aanhef van de tenlastelegging het verwijt wordt uitgesproken dat het gaat om gegevensdragers welke afbeeldingen van seksuele gedragingen bevatten van personen die de leeftijd van zestien jaar nog niet bereikt hebben terwijl de in de feitelijke omschrijving van jongens opgenomen leeftijdsaanduiding van "circa veertien/vijftien jaar" inhoudt dat die jongens al zestien jaar kunnen zijn.
Het hof is van oordeel dat de door de raadsvrouw voorgestane uitleg juist zou zijn indien de tenlastelegging uitsluitend grammaticaal zou moeten worden geïnterpreteerd. Het hof kiest echter voor de veel meer voor de hand liggende contextuele uitleg dat, gelet op de aanhef van de tenlastelegging, onder jongens in de leeftijd van circa veertien/vijftien jaar niet worden begrepen jongens die de leeftijd van zestien jaar reeds hebben bereikt. Ook dit verweer moet worden verworpen.
In de tenlastelegging worden vele malen de woorden "onder meer" gebruikt. Deze woorden hebben echter een zodanig weinig specifieke betekenis dat het hof voor de beoordeling van het feitelijke verwijt op deze vage aanduiding geen acht kan slaan; in zoverre is de tenlastelegging eveneens nietig.
Het hof is niet gebleken dat in enigerlei ander opzicht dan hiervoor is vermeld de dagvaarding nietig is. (...) Verweren Aangevoerd wordt dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard omdat verdachte gezien de beperkte hoeveelheid belastend materiaal of in de ogen van de verdediging zelfs het geheel ontbreken daarvan op grond van interne beleidsregels van het openbaar ministerie niet vervolgd had mogen worden. Het hof verstaat dit verweer als een beroep op schending van de beginselen van een goede procesorde.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Op 22 oktober 2001 zijn er in de woning van verdachte, na een tip van een aldaar werkzame elektromonteur, zestien videobanden en vier diskettes in beslag genomen, waarvan het vermoeden bestond dat zich daarop kinderpornografisch materiaal bevond. Ook het daarop volgende politieonderzoek wees in die richting. In aanvang liet de zaak zich aanzien als een zaak met veel beeldmateriaal dat viel onder het bereik van art. 240b Sr. Dit was ook zo op het moment van dagvaarden.
Het feit dat het opsporen en vervolgen van privé-bezit van materiaal vallend onder het verbod van artikel 240b Sr. bij het openbaar ministerie volgens een eigen richtlijn voor de opsporing en vervolging van overtredingen van art. 240b Sr geen prioriteit heeft, staat op zich niet in de weg aan het vervolgen van strafbare feiten waarop de politie door burgers is gewezen. Nadat een in de woning van verdachte werkzame electriciën aan een politiefunctionaris had gemeld dat hij daar meerdere videobanden had aangetroffen met vermoedelijk kinderpornografisch materiaal en daarvan een beschrijving had gegeven, lag het voor de hand dat tegen verdachte kort na die melding een gerechtelijk vooronderzoek werd gevorderd en geopend. Gezien de bevindingen van het gerechtelijk vooronderzoek kan evenmin gezegd worden dat de beslissing tot dagvaarding in deze zaak ongerechtvaardigd was. Het hof is van oordeel dat met de vervolgingsbeslissingen van de officier van justitie geen beginselen van een goede procesorde zijn geschonden.
Schending van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM Voorts is aangevoerd dat de redelijke termijn is geschonden en dat dit in ieder geval dient te leiden tot strafvermindering.
In de zaak tegen verdachte is het navolgende gebleken:
Op 22 oktober 2001 neemt de rechter-commissaris te Maastricht in het kader van een die dag tegen verdachte geopend gerechtelijke vooronderzoek ter zake vermoedelijke overtreding van art. 240b Sr. de door verdachte aan haar overhandigde videobanden en diskettes in beslag.
Op 13 november 2001 wijst de Hoge Raad de rechtbank te Arnhem aan als gerecht voor hetwelk de vervolging en berechting der zaak zal plaatsvinden.
Bij beschikking/proces-verbaal van 1 februari 2002 neemt de rechter-commissaris te Arnhem de behandeling over.
Op 18 februari 2003 wordt het gerechtelijk vooronderzoek door de rechter-commissaris gesloten.
Bij beschikking van 17 maart 2003 wordt de sluiting van het gerechtelijk vooronderzoek door de rechtbank nietig verklaard.
De uitgebrachte dagvaarding voor de terechtzitting van 27 maart 2003 wordt op 19 maart 2003 ingetrokken.
Op 8 juli 2003 wordt een verzoek tot wraking van de rechter-commissaris afgewezen.
Op 11 november 2003 worden op verzoek van verdachte door de rechter-commissaris de getuigen Becker-Hartenhof, [getuige 1], Steeghs, [verbalisant 7] en [verbalisant 6] gehoord.
Op 10 december 2003 worden op verzoek van verdachte door de rechter-commissaris de getuigen Rosendaal, [verbalisant 1] en Moers gehoord.
Op 23 december 2003 wordt het gerechtelijk vooronderzoek opnieuw door de rechter-commissaris gesloten.
Op 12 februari 2004 wordt de dagvaarding aan verdachte betekend om ter terechtzitting van 11 maart 2004 te verschijnen voor de meervoudige strafkamer van de rechtbank te Arnhem.
Op 25 maart 2004 wijst de rechtbank vonnis.
Op 6 april 2004 stelt het openbaar ministerie appèl in tegen dit vonnis. De aanzegging daarvan wordt op 27 april 2004 aan verdachte betekend.
Verdachte stelt zelf op 8 april 2004 hoger beroep in tegen het vonnis.
Op 13 september 2004 wordt de dagvaarding in hoger beroep aan verdachte betekend.
Op 12 november 2004 vindt de terechtzitting in hoger beroep plaats, gevolgd door het tussenarrest van het hof van 26 november 2004, waarbij het onderzoek wordt heropend en de zaak wordt teruggewezen naar de rechter-commissaris in verband met deskundigenonderzoek.
Op 13 oktober 2005 en 9 januari 2006 vinden verdere onderzoeken ter terechtzitting in hoger beroep plaats.
Bij tussenarrest van 23 januari 2006 wordt het onderzoek heropend.
Ter terechtzitting van 11 april 2006 wordt het onderzoek hervat en nadien gesloten. Het eindarrest in deze zaak wordt heden uitgesproken.
Het hof is van oordeel dat het onderzoek als geheel onwenselijk lang heeft geduurd maar tekent daarbij aan dat het onderzoek zich in eerste instantie niet alleen richtte op het voorhanden hebben van kinderporno maar ook op het plegen van ontucht met een minderjarige (de art. 249 Sr.-zaak). In de art. 249 Sr-zaak heeft een uitgebreid opsporingsonderzoek plaatsgehad. In het kader van rechtshulpverzoeken heeft ook onderzoek in België en in Frankrijk plaatsgevonden. Bij brief van 13 februari 2003 heeft het openbaar ministerie verdachte bericht dat hij niet (verder) vervolgd zou worden voor de art. 249 Sr.-zaak.
Het openbaar ministerie heeft na de definitieve sluiting van het gerechtelijk vooronderzoek in de art. 240b Sr.-zaak besloten om in die zaak tot dagvaarding over te gaan.
Ook het onderzoek in hoger beroep heeft lang geduurd, met name omdat het hof het nodig achtte een nader deskundigenonderzoek in te stellen naar de leeftijd van de afgebeelde personen.
Naar het oordeel van het hof levert niettemin de duur van de berechting noch in zijn totaliteit noch in zijn afzonderlijke fases, gelet op de complexiteit en omvang van het verrichte onderzoek schending op van artikel 6 lid 1 EVRM. Bij de strafoplegging zal het hof echter in het voordeel van verdachte rekening houden met het feit dat er inmiddels geruime tijd is verstreken.
Wat op basis van verdachtes persoonlijke beleving van het tijdsverloop door de verdediging naar voren is gebracht, brengt daarin geen verandering.
Onrechtmatig optreden door de electriciën [getuige 1] en door de opsporingsambtenaren [verbalisant 7] en [verbalisant 6].
Aangevoerd is dat zowel de electriciën [getuige 1] als de opsporingsambtenaren [verbalisant 6] en [verbalisant 7] onrechtmatig hebben gehandeld door het eigenmachtig bekijken van videobanden in de woning van verdachte.
Dit zou een zodanig ernstige inbreuk opleveren op het in artikel 8 van het EVRM gewaarborgde recht op privacy dat dit moet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.
Met betrekking tot dit verweer stelt het hof vast dat de electriciën door tijdens zijn werkzaamheden onder de vloer van een ingebouwde kast in de woning van verdachte aangetroffen videobanden aldaar af te spelen en te bekijken inbreuk heeft gemaakt op het door artikel 8 van het EVRM gegarandeerde recht op respect voor het privé-leven.
Nu bij dat onrechtmatig optreden van [getuige 1] de overheid op geen enkele wijze was betrokken, stond die onrechtmatigheid niet in de weg aan het instellen van een opsporingsonderzoek of een gerechtelijk vooronderzoek terzake vermoedelijke overtreding van art. 240b Sr.
Na de melding van [getuige 1] stelden [verbalisant 7] en [verbalisant 6] een nader onderzoek in. [verbalisant 7] wilde daarbij verifiëren of de door [getuige 1] gegeven inschatting van de leeftijd van op de videobanden voorkomende jongens als jonger dan 16 jaar klopte. [verbalisant 7] en [verbalisant 6] werden door [getuige 1] in de woning gelaten waarna [verbalisant 7] aldaar fragmenten van twee videobanden met behulp van afspeelapparatuur van verdachte heeft bekeken. [verbalisant 7] kwam daarbij tot de conclusie dat in elk geval de leeftijd van één van de jongens die deelnam aan seksuele handelingen jonger dan 16 jaar was. Deze opsporingsambtenaren hebben vervolgens, met achterlating van de videobanden, de woning weer verlaten.
Het optreden van [verbalisant 7] en [verbalisant 6] in de woning van verdachte was onrechtmatig omdat zij zonder toestemming van verdachte zijn woning hebben betreden en daar nader onderzoek hebben uitgevoerd. Hierdoor is gehandeld in strijd met de artikelen 6 en 8 van het EVRM.
Het hof is van oordeel dat met de constatering van deze schending kan worden volstaan omdat aangenomen moet worden dat ook zonder nader onderzoek door [verbalisant 7] en [verbalisant 6] op grond van de melding door [getuige 1] aan de politie een gerechtelijk vooronderzoek terzake vermoedelijke overtreding van art. 240b Sr tegen verdachte door de officier van justitie zou zijn gevorderd en door de rechter-commissaris zou zijn geopend, en een doorzoeking zou hebben plaatsgevonden.
Alleen wanneer [verbalisant 7] tot de inschatting zou zijn gekomen dat er geen jongens op de video's voorkwamen die kennelijk jonger waren dan 16 jaar hadden die bevindingen wellicht kunnen leiden tot het niet instellen van een vordering tot opening van een gerechtelijk vooronderzoek of het achterwege laten van verder onderzoek. Die situatie heeft zich echter niet voorgedaan.
Publiciteit Aangevoerd is dat het openbaar ministerie op grove wijze de rechten van verdachte heeft geschonden door in een persbericht van 14 maart 2003 mede te delen dat de strafzaak tegen verdachte op 27 maart 2003 zou worden behandeld terwijl op dat moment een bezwaarschrift tegen de sluiting van het gerechtelijk vooronderzoek was ingediend. Ook heeft de griffier van de rechtbank te Arnhem ten onrechte een afschrift van de dagvaarding voor de zitting van 27 maart 2003 aan de pers verstrekt terwijl die dagvaarding al door het openbaar ministerie was ingetrokken.
Het hof merkt allereerst op dat in een persbericht van 17 maart 2003 het openbaar ministerie heeft medegedeeld dat wanneer de officier van justitie bekend zou zijn geweest met het feit dat er een bezwaarschrift tegen de sluiting van het gerechtelijk vooronderzoek was ingediend er geen dagvaarding zou zijn uitgegaan. Het persbericht van 14 maart 2003 was dus voortijdig en onjuist. Overigens bevatte dit persbericht niet meer dan de mededeling dat verdachte was gedagvaard voor de zitting van 27 maart 2003 met een korte aanduiding van de tenlastegelegde feiten.
Het verstrekken door de griffie van de rechtbank van een afschrift aan de pers van de reeds ingetrokken dagvaarding voor de zitting van 27 maart 2003 was ook onjuist maar aangenomen moet worden dat aan degene die dat afschrift verstrekte niet bekend was dat de dagvaarding was ingetrokken. De verstrekking van afschriften van dagvaardingen, zo blijkt uit een brief van de president van de rechtbank Arnhem van 5 november 2003 aan de voormalige raadsman van verdachte, geschiedde onder de voorwaarde dat over de zaken niet mocht worden gepubliceerd voordat de zitting had plaatsgevonden. Die voorwaarde hield ook in dat over ingetrokken dagvaardingen niet mocht worden gepubliceerd. Het dagblad De Limburger heeft in strijd met deze voorwaarde gehandeld. De rechtbank te Arnhem is daarom met ingang van 1 april 2003 gestopt met het verstrekken van afschriften van dagvaardingen. Sedertdien liggen afschriften van dagvaardingen voor zittingen van de meervoudige kamer van die rechtbank voor de pers één week voor de zitting onder embargo ter inzage.
De hierboven geschetste gang van zaken bevatte onregelmatigheden maar geven geen blijk van een doelbewuste of grove veronachtzaming van de belangen van verdachte op een eerlijk proces. Zij staan aan de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie niet in de weg.
Wijze totstandkoming deskundigenrapportage Door de raadsvrouw zijn bezwaren aangevoerd met betrekking tot de wijze van totstandkoming van het deskundigenrapport.
Het hof heeft bij tussenarrest van 26 november 2004 de navolgende opdracht geformuleerd: "De door de rechter-commissaris -na overleg met de advocaat-generaal en raadsvrouw van verdachte- te benoemen forensische geneeskundige zal allereerst met betrekking tot elke door de advocaat-generaal nader aan te geven persoon een verantwoorde inschatting moeten maken of buiten redelijke twijfel die persoon de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt ten tijde van het maken van de opname.
Daarnaast zal de deskundige zelfstandig de videobanden moeten onderzoeken om een overeenkomstige inschatting te maken van de niet door de advocaat-generaal nader aangeduide overige personen. Voorshands zal de deskundige zich in zijn rapport kunnen beperken tot zijn bevindingen ten aanzien van personen die volgens voormelde maatstaf de leeftijd van 16 jaar kennelijk nog niet hadden bereikt.
De deskundige zal eerder omschreven inschatting van leeftijd ook dienen te maken van alle personen afgebeeld op de in de tenlastelegging onder B vermelde (beeld)bestanden."
Dat bij een eerste selectie van te beoordelen materiaal de raadsvrouw en verdachte niet werden betrokken geschiedde om het onderzoek zo snel mogelijk te laten plaatsvinden. In een latere fase vond ruimschoots compensatie plaats omdat de opdracht van het hof tevens inhield dat al het inbeslaggenomen beeldmateriaal door de deskundige moest worden beoordeeld. Het stond de deskundige vrij bij zijn beoordeling ook na te gaan van welke afgebeelde jongens kon worden vastgesteld dat zij buiten redelijke twijfel de leeftijd van 18 jaren nog niet hadden bereikt.
De verdediging is voorts ruim in de gelegenheid geweest om de rapporten van de deskundige, onder meer tijdens het horen van de deskundige ter terechtzitting van het hof van 13 oktober 2005, te bestrijden en in twijfel te trekken. Nagenoeg al het beeldmateriaal waarop volgens de schriftelijke rapportage van de deskundige jongens waren te zien die de leeftijd van 16 jaar nog (niet; WHV) hadden bereikt is ter terechtzitting vertoond en naar aanleiding daarvan heeft ook de verdediging ruimschoots gebruik gemaakt van het recht de deskundige nader te bevragen.
Het hof is derhalve van oordeel dat waar het betreft het onderzoek door de deskundige geen enkel rechtens te respecteren belang van verdachte is geschonden.
Bewezenverklaring Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 22 oktober 2001 te Maastricht, gegevensdragers, te weten videobanden als hierna onder A aangeduid en computerdiskettes als hierna onder B aangeduid, bevattende afbeeldingen van seksuele gedragingen - gedragingen zoals hierna bij de onderscheiden videobanden en computerdiskettes omschreven - waarbij personen betrokken waren die kennelijk de leeftijd van zestien jaar nog niet hadden bereikt, in voorraad heeft gehad, A -2. een videoband met de titel "[film 1]", bevattende beelden van een circa veertien jaar oude jongen, die masturbeert, oraal zowel als anaal seksueel contact heeft met andere jongens; -4. een videoband met de titel "[film 2], waarop een jongen in de leeftijd van circa veertien jaar te zien is tezamen met een andere jongen, terwijl zij seksuele handelingen met elkaar verrichten, te weten masturberen en het praktiseren en/of het hebben van oraal en anaal seksueel contact B -2. een computerdiskette (in het dossier aangeduid als "floppy 2") waarop de navolgende bestanden zijn vastgelegd: bestand [bestandsnaam 1].jpg (opname 31): twee naakte jongens liggend in elkaars armen en met gespreide benen op een bank, waarvan de jongen rechts op de foto jonger is dan 16 jaar;. bestand [bestandsnaam 2].jpg (opname 32): te zien is een naakte jongen, die jonger is dan 16 jaar. Hij heeft een erectie en houdt met zijn hand zijn penis vast -4. een computerdiskette (in het dossier aangeduid als "floppy 4") waarop de navolgende bestanden zijn vastgelegd: bestand [bestandsnaam 3].jpg: jongen, gekleed in een T-shirt zit met enigszins gespreide benen op een stoel. Hij heeft een erectie. Een tweede jongen zit geknield tussen zijn gespreide benen en pleegt orale seks met de op de stoel zittende jongen. Zittende jongen is kennelijk nog geen 16 jaar; bestand [bestandsnaam 4].jpg (opname 14): een jongen, jonger dan 16 jaar, staand in een bos. Hij is gekleed in een grijskleurig shirt en een blauwkleurige trui en heeft zijn (spijker)broek op zijn knieën. Hij heeft een erectie; bestand [bestandsnaam 5].jpg (opname 19): twee naakte jongens liggend op de rug met gespreide benen, in de leeftijdscategorie jonger dan 16 jaar.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.
De eigen waarnemingen van het hof ter zitting van 13 oktober 2005 alsmede de inzichten en bevindingen van de ter zitting gehoorde deskundige Maat hebben het hof tot het oordeel gebracht dat bij de voormelde bewezenverklaarde afbeeldingen telkens sprake is van gedragingen van een of meer jongens die kennelijk de leeftijd van 16 jaren nog niet hadden bereikt, waarbij het hof "kennelijk" verstaat als "buiten redelijke twijfel". Het hof heeft hierbij gelet op de lichamelijke ontwikkeling van de afgebeelde personen. Voor zover onder 4.3. en 4.4. sprake is van "jonger dan 16 jaar" dient dit in de context van de tenlastelegging te worden te worden verstaan als "die kennelijk de leeftijd van 16 jaar nog niet heeft bereikt"
In voorraad hebben De raadsvrouw heeft voorts aangevoerd dat, in tegenstelling tot hetgeen de Hoge Raad hierover heeft bepaald, onder het begrip in voorraad hebben volgens de wetsgeschiedenis niet valt het in bezit hebben voor eigen gebruik.
Het hof houdt zich aan de uitleg van artikel 240b (oud) Sr. zoals gegeven door de Hoge Raad bij arrest van 8 mei 2001 NJ 2001, 479. Die uitleg houdt in dat onder in voorraad hebben in genoemd artikel ook valt het uitsluitend ten behoeve van eigen gebruik onder zich houden/bezitten van in dat artikel genoemd materiaal. Hieruit volgt tevens dat geen sprake is van de door de raadsvrouw aangevoerde schending van art. 1 Sr en art. 7 EVRM.
Zo al verdachte tot voormeld arrest gedacht mocht hebben dat hij niet strafbaar handelde, dan moet in elk geval de grondslag aan die overtuiging zijn ontvallen met kennisneming van die uitspraak. Verdachte heeft medegedeeld dat hij de uitspraak kende. (...) Strafbaarheid van de verdachte Dwaling Gesteld is dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat hij verontschuldigbaar heeft gedwaald ten aanzien van de strafwaardigheid van het voorhanden hebben van het inbeslaggenomen materiaal. De videobanden zijn door verdachte legaal gekocht in de periode van vóór 1996. De banden waren in die periode openlijk verkrijgbaar. Na de inwerkingtreding van art. 240b Sr is de handel door politie en justitie gescreend op de aanwezigheid van kinderporno. Gezien de verscherpte controle van politie en justitie kort na de strafbaarstelling van kinderporno in 1985 en na de "opschoonacties" is de conclusie gerechtvaardigd dat alles wat daarna in de winkel openlijk verkrijgbaar was niet viel onder de strafbaarstelling van art. 240b Sr. Die conclusie wordt nog eens versterkt doordat in de jaren daarna openlijk werd geadverteerd met de banden die in de handel waren overgebleven en waarvan sommige ook uitvoerig werden gerecenseerd zonder dat politie en/of justitie daartegen optraden. Voor alle banden in de tenlastelegging geldt dat deze openlijk werden verkocht en verhuurd en in de Gaykrant werden aangeprezen.
Het feit dat de onder verdachte inbeslaggenomen videobanden openlijk werden aangeboden en verdachte de videobanden in de reguliere handel in Nederland en in Duitsland heeft gekocht, brengt niet met zich dat het voorhanden hebben van de videobanden legaal was. Aan de omstandigheid dat deze videobanden (ook) na 1985 verkocht werden, dat met die banden geadverteerd werd in de Gaykrant en dat die banden ook in de Gaykrant werden gerecenseerd kon en mocht verdachte niet het vertrouwen ontlenen dat het voorhanden hebben van die banden niet illegaal was en ter zake daarvan geen vervolging zou plaatsvinden.
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn."
Door het hof gebezigde bewijsmiddelen 1. Een proces-verbaal, opgemaakt en ondertekend op 26 oktober 2001 door mr I. Becker, rechter-commissaris en mr M.B.T.G. Steeghs, officier van justitie, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:
Op 22 oktober 2001 hebben wij, mr I. Becker, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Maastricht en mr M.B.T.G. Steeghs, officier van justitie in het arrondissement Maastricht ons begeven naar het adres [a-straat 1] te [woonplaats], het adres van verdachte [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1956.
De deur werd geopend door verdachte voornoemd. Wij hebben de woning betreden.
Ik, rechter-commissaris, heb verdachte geïnformeerd over de situatie die was ontstaan en het feit waarvan hij werd verdacht en hem verzocht het betreffende beeldmateriaal alsmede zijn computer vrijwillig voor onderzoek ter beschikking te stellen.
Verdachte heeft ons 16 videobanden en 4 diskettes overhandigd.
Door de Rijksrecherche werd een onderzoek ingesteld ter zake het in voorraad hebben van afbeeldingen of gegevensdragers bevattende afbeeldingen van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van zestien jaar nog niet had bereikt was betrokken.
Hierin is als verdachte betrokken: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1956 te [geboorteplaats].
Op 22 oktober 2001 werden in het pand [a-straat 1] te [woonplaats] 16 videobanden en 4 floppy disks in beslag genomen.
Door [verbalisant 3], digitaal rechercheur van de regiopolitie Limburg-Zuid, werd de inhoud van de vier floppy disks gekopieerd (gebrand) naar een compact disk.
Tijdens het onderzoek werden de in beslag genomen videobanden onderzocht door [verbalisant 4], brigadier van politie. De door [verbalisant 3] gebrande CD werd eveneens onderzocht door [verbalisant 4].
Ter ondersteuning van het door de politie-ambtenaar [verbalisant 4] verrichte onderzoek met betrekking tot de door hem onderzochte afbeeldingen op de inbeslaggenomen floppy disks werd een cd met, van deze floppy disks gekopieerde afbeeldingen, overhandigd aan [verbalisant 5], inspecteur bij de dienst Nationale Recherche Informatie met het verzoek deze afbeeldingen te analyseren.
In het onderhavige onderzoek zijn 16 VHS videobanden in beslag genomen. Wij hebben deze videobanden onderzocht op de aanwezigheid van kinderporno. "[film 1]"
De jongens in de film verrichten seksuele handelingen met elkaar. Een jongen trekt zichzelf en andere jongens af. Pijpt andere jongens en laat zich pijpen. Hij heeft anaal contact met een andere jongen. "[film 2]"
Er is een aantal jongens te zien. De jongens verrichten seksuele handelingen met elkaar. De jongens trekken zichzelf en elkaar af. Zij pijpen elkaar en hebben anaal contact met elkaar.
In aanvulling op het proces-verbaal nummer 2001147126 d.d. 23 oktober 2001 van de regiopolitie Limburg-Zuid, relaterende het onderzoek van inbeslaggenomen videobanden relateer ik het volgende:
Op 4 januari 2005 ontving ik uit handen van mr J. Wiarda, advocaat-generaal bij het gerechtshof te Arnhem 9 eerder door mij in dit onderzoek onderzochte videobanden, waar onder:
Hieronder volgt een overzicht van scenes waarbij de videoband/DVD is aangegeven en de geselecteerde scenes met tijdsaanduidingen.
Videoband nr. 4/DVD nr. 4 Film 1: [film 1] Tellerstand 0:0:00 - 0:44:10 Opnames van twee blanke jongens die seksuele handelingen verrichten.
Seksuele handelingen: masturberen, fellatio, anale geslachtsgemeenschap, ejaculeren.
Videoband nr. 8/DVD nr. 8 "[film 2]"
Tellerstand 0:0:00 - 0:43:23 Opnames van meerdere blanke jongens die seksuele handelingen verrichten.
Seksuele handelingen masturberen, fellatio, anale geslachtsgemeenschap, ejaculeren.
In februari 2002 ontving ik van [verbalisant 1], hoofdinspecteur bij de Rijksrecherche te 's-Hertogenbosch een cd-rom met daarop mogelijk kinderpornografische afbeeldingen met het verzoek deze afbeeldingen te analyseren.
De cd-rom bleek te zijn opgebouwd uit vier folders met de namen: flop01, flop02, flop03 en flop04.
De afbeeldingen in de verschillende folders werden bekeken. De kinderpornografische afbeeldingen werden per folder benoemd en beschreven in de bij dit proces-verbaal genoemde bijlage.
Folder: flop02 [bestandsnaam 1].jpg: Twee naakte jongens zitten, half over elkaar heen hangend, op een bank. Beiden hebben duidelijk zichtbaar een erectie.
Folder: flop04 [bestandsnaam 4].jpg: Een naakte staande jongen. Hij heeft een erectie. De staande jongen is van de zijkant gefotografeerd. [bestandsnaam 3].jpg: Jongen, gekleed in een T-shirt, zit met enigszins gespreide benen op een stoel. Hij heeft een erectie. Een tweede jongen zit geknield tussen zijn gespreide benen en pleegt orale seks met de op de stoel zittende jongen. [bestandsnaam 5].jpg: Twee naakte jongens liggen achterover op een bed. Zij hebben beiden de benen gespreid.
Hetgeen wij zojuist hebben gezien is materiaal van de videobanden en de floppy's die ik in mijn woning in [woonplaats] aanwezig heb gehad.
Daarnaast zal de deskundige zelfstandig de videobanden moeten onderzoeken om een overeenkomstige inschatting te maken van de niet door de advocaat-generaal nader aangeduide overige personen. Voorshands zal de deskundige zich in zijn rapport kunnen beperken tot zijn bevindingen ten aanzien van personen die volgens voormelde maatstaf de leeftijd van 16 jaar kennelijk nog niet hadden bereikt.
De deskundige zal eerder omschreven inschatting van leeftijd ook dienen te maken van alle personen afgebeeld op de in de tenlastelegging onder B vermelde (beeld)bestanden."
Nog een ander probleem doet zich m.b.t. de rapportages voor: de deskundige is zijn opdracht te buiten gegaan door van alle afgebeelde personen niet alleen te beoordelen of ze kennelijk de leeftijd van 16 jaren niet hadden bereikt (zoals de opdracht luidde),. maar ook of ze die van 18 jaren niet hadden bereikt. Dat laatste maakte geen deel uit van de opdracht en ik verzoek u dan ook dat onderdeel van de rapportages buiten beschouwing te laten. Hetzelfde geldt voor het feit dat de deskundige alle afbeeldingen op de bestanden heeft beoordeeld en zich niet heeft beperkt tot de bestanden die op de tenlastelegging waren vermeld, zoals de opdracht luidde. Ook dat onderdeel van het rapport dient daarom buiten beschouwing te blijven. (pleitnota p. 42) 17. Zo hier al van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt sprake is, geldt dat uit het arrest van het Hof van afwijking van dat standpunt niet blijkt. Daaruit blijkt immers niet dat het Hof in zijn beoordeling heeft betrokken hetgeen de deskundige heeft bevonden met betrekking tot de deelname aan seksuele handelingen door jongens beneden de leeftijd van achttien jaar, terwijl het Hof evenmin is getreden buiten de in de tenlastelegging gegeven omschrijving van de feiten.
De verdachte heeft de door de Advocaat-Generaal beschreven gang van zaken niet weersproken. Dit betekent dat het oordeel van het Hof niet onbegrijpelijk is.
De raadsvrouw heeft voor wat betreft de onder overige onder A genoemde videobanden aangevoerd dat onduidelijk is op welke beelden van in die films optredende jongens de verwijten slaan omdat in die films meerdere acteurs optreden. Aldus zou ook het resterende deel van de tenlastelegging onder A niet voldoen aan de vereisten van art. 261 van het Wetboek van Strafvordering.
Het hof komt dienaangaande tot een ander oordeel. De opsteller van de tenlastelegging heeft kennelijk aansluiting gezocht bij de beschrijving van de verbalisant [verbalisant 4] (bijlage 4 in het proces-verbaal van de Rijksrecherche nummer [...]) van die fragmenten die volgens deze verbalisant strijd zouden opleveren met art. 240b Sr.
Weliswaar is het niet eenvoudig vast te stellen op welke scènes van de op DVD gekopieerde videofilms en op welke plaatjes de tenlastelegging zoals deze na wijziging is komen te luiden betrekking heeft, maar dat ligt naar het oordeel van het hof niet zozeer aan een gebrekkige inrichting van de tenlastelegging, als wel aan de veelheid van het materiaal dat onder verdachte in beslag genomen is. De tenlastelegging bevat niettemin voldoende concrete en duidelijke beschrijvingen van de jeugdige personen figurerend in de fragmenten waarop de tenlastelegging betrekking heeft, alsmede van de door hen verrichte handelingen.
Kennisneming van de gehele inhoud van de bewuste videobanden bezien tegen de in de tenlastelegging gegeven beschrijvingen van jeugdige personen en handelingen maakt onmiskenbaar duidelijk op welke beeldfragmenten de tenlastelegging betrekking heeft. Ook bij verdachte kan daar geen misverstand over hebben bestaan. Daaraan doet niet af dat de bewoordingen in de tenlastelegging betrekking kunnen hebben op meer dan één scène uit de bedoelde films in die gevallen waarin gesproken wordt over beelden/fragmenten van jongens. Met name geldt dit met betrekking tot de onderdelen A sub 2, sub 3, sub 5, sub 8, sub 10 en sub 11 van de tenlastelegging.
Het hof merkt overigens wel op dat het voor een doelmatige rechtspleging veruit de voorkeur had verdiend in de tenlastelegging aan de hand van tellerstanden aan te geven op welke fragmenten de tenlastelegging precies betrekking heeft, en bij het overzetten van de videobanden op DVD's ter wille van een eenduidige markering de tellerstanden vast in het gekopieerde beeldmateriaal op te nemen.
De slotsom luidt dat behoudens hetgeen hiervoor ten aanzien van de film "[film 10]" is overwogen het beroep op nietigheid faalt."
De Tanner-criteria behelzen een indeling van pubesbeharing en kenmerken van ontwikkeling van uitwendige genitalia. Een kopie van deze criteria (met foto's als voorbeeld) heb ik u voor de vorige zitting opgestuurd. Inmiddels beschikken we bovendien over kleurenfoto's uit de Handleiding Groeidiagrammen van Burgemeier c.s., van stadia die althans volgens de verklaring van prof. Maat, vergelijkbaar zijn met de stadia van Tanner. Uit de foto's van de Tanner-stadia die vandaag ter zitting zijn getoond, blijkt echter dat daar nog wel enig verschil in zit, in die zin dat fase P2 bij Burgemeijer lijkt op fase PH3 bij Tanner.
In een brief die is gepubliceerd in het blad Pediatrics in 1998 hebben nota bene Tanner zelf en Rosenbloom gewaarschuwd tegen het gebruik van deze criteria voor andere dan medische en educatieve doeleinden (bijlage 2). Ik citeer: "This (to estimate probable chronologic age - AR) is a wholly illegitimate use of Tanner staging: no equations exist estimating age from stage, and even It they did, the degree of unreliability in the staging - the independent variable - would introduce large errors into the estimation of age, the dependent variable. Furthermore, the unreliability of the stage rating is increased to an unknown degree by improperly performed staging, that is, not at all clinical examination but through nonstandardized and, thus, unsuitable photographs.'° In hetzelfde tijdschrift is kritiek gekomen op de oproep van beide auteurs aan artsen om niet meer als getuige-deskundige op te treden in zaken waarin gevraagd wordt de leeftijd aan de hand van Tanner-criteria vast te stellen. Diverse deskundigen stelden dat het wel degelijk nuttig kan zijn als getuige-deskundige op te treden en de Tanner-criteria te gebruiken. Zo stelde Kutz dat aan de hand daarvan wel kan worden vastgesteld dat iemand eruit ziet als een minderjarige, al kan de precieze leeftijd niet worden vastgesteld. Hij wees erop dat deskundigen in het algemeen zeer terughoudend zijn om uitspraken te doen over personen die lijken te vallen in de Tanner-stadium 3 of hoger. Ook wees hij erop dat algemeen erkend is dat deze stadia niet van toepassing zijn op (etnische) populaties die Tanner niet heeft onderzocht.1° Sirotnak erkende dat het schatten van de exacte leeftijd geen nauwkeurige wetenschap is, maar toch wel bruikbaar om vast te stellen of iemand een kind is of niet. In een reactie op deze kritiek stelde Rosenbloom dat de critici niet het belangrijkste onderdeel van de oorspronkelijke brief betwistten, te weten dat de precieze leeftijd niet aan de hand van de criteria kan worden vastgesteld. Hij gaf onder meer het volgende voorbeeld van in zijn ogen kolossaal ("egregious") misbruik van de Tanner-criteria:
Tanner 4 late, has heavy hair at base of pen/s and up over pubis... Testes well developed in full scrotum, pen/s long and broad. No hair on thighs or up to inguinal area or up linea alba. Age 16-17"
Ik begrijp uit zijn opmerkingen dat niet het vaststellen van een ontwikkelingsstadium op problemen stuit, maar het koppelen van een zekere leeftijd daaraan."(pleitnota p. 10-12) en "5. De nadere opgave van de Advocaat-Generaal en de rapportages van prof. Maat In het afgelopen jaar hebben de verbalisant [verbalisant 4] en prof. Dr. Maat zich nog eens over de banden en bestanden gebogen. Ook zij hebben daarbij in hoge mate vertrouwd op de Tanner-criteria. Dit heeft geleid tot opmerkelijke resultaten.
Ten eerste blijkt het overgrote deel van de jongens naar het oordeel van prof. Maat niet als "kennelijk jonger dan 16" te kunnen worden aangemerkt. In zijn tweede rapport, nadat hij al het materiaal had bekeken, komt hij tot de conclusie dat slechts in 10 gevallen, 4,7% van het totaal, sprake is van jongens die kennelijk de leeftijd van 16 jaren niet hebben bereikt. Tot deze 10 gevallen beperkt zich daarom nu de discussie. Die discussie willen wij in volle hevigheid voeren, nu wij het met deze conclusies niet eens zijn en menen dat het aantoonbaar of op zijn minst onzeker is dat prof. Maat het met betrekking tot die 10 afbeeldingen bij het rechte eind heeft. En waar twijfel is, moet deze gelden in het voordeel van de verdachte.
Ten tweede is het zeer opmerkelijk dat Prof. Maat in de gevallen van zijns inziens te jonge jongens heeft gesteld dat die zich in ontwikkelingsfase PH2 bevonden, terwijl [verbalisant 4] (die ook volgens Maat voldoende gekwaliceerd is dergelijke inschattingen te maken) hen in al die gevallen inschat op PH3. Op grond van de uitgangspunten van de rapportage van prof. Maat (die als gezegd voorzover wij kunnen overzien wetenschappelijk juist zijn) moet worden geconcludeerd dat wanneer een jongen zich in fase PH3 bevindt géén sprake is van "kennelijk jonger dan 16". Zijn opmerking zoals neergelegd in het proces-verbaal van de terechtzitting van 13 oktober 2005, dat P3 (of G3) zou betekenen "jonger dan 16 jaar" (zie o.a. blz. 5) kan ik me niet herinneren, maar moet onjuist zijn gezien zijn eigen uitgangspunten zoals genoemd in beide rapportages en het meermalen voorkomen van P(H)3 en G3 in die rapportages bij jongens die door hem als "nog geen 18 jaar" zijn aangemerkt. Bovendien zou dat in strijd zijn met de wetenschappelijke opvattingen van Tanner en Kutz, die ik eerder heb besproken. Vanaf Tanner fase 3 is de onzekerheid te groot om te kunnen spreken van "kennelijk jonger dan 16 jaar".
Wij menen dat het inschatten van een ontwikkelingsfase als PH 2 of PH3 geen academisch deskundigenwerk is: aan de hand van beschrijving en foto's zijn de fases ook door een geoefende leek wel in te schatten. Dat geldt zeker voor een "ervaren leek" als [verbalisant 4]. Dat laatste is als gezegd bevestigd door Maat tijdens de vorige terechtzitting, in antwoord op de vragen die ik hem daarover heb gesteld. Wij concluderen uit de verschillende inschattingen dat over de ontwikkelingsfase ook onder "deskundigen" kennelijk twijfel mogelijk is. Die conclusie wordt bevestigd door onze eigen ervaringen bij het bekijken van de beelden, waarbij ik opmerk dat ik meen dat ook ikzelf inmiddels aan de hand van mijn kennis daarover wel een inschatting van Tanner/Burgemeijer stadia kan maken.
Ik denk u ook. Verdere bevestiging van de twijfel die bij het maken van die inschatting kan bestaan vinden wij in het gegeven dat prof. Maat in zijn rapportage zelfs niet consistent is in zijn eigen oordeel. In het tweede rapport wordt een aantal jongens anders beoordeeld dan in het eerste. Bovendien komt een van de te jong bevonden jongens in andere scènes voor, waarin hij niet als "kennelijk geen 16" is aangemerkt. We zullen hierop dadelijk nader ingaan. Tenslotte is tijdens de vorige zitting gebleken dat Maat gemakkelijk aan het twijfelen is te brengen. In de loop van de zitting, naar aanleiding van indringende vragen van met name cliënt, werd hij zeer onzeker. Hij deelde mede zich geprest te voelen beelden te beoordelen waar hij dat eigenlijk niet verantwoord vond en was daar ook aarzelend in.
Soms waren zijn opmerkingen zelfs onderling tegenstrijdig. Ook daarop kom ik zo direct terug.
Dat in geval van PH3/G3 geen sprake is van "kennelijk geen 16", is wél een oordeel dat o.i. is voorbehouden aan de deskundige. Dat oordeel is immers gebaseerd op wetenschappelijke inzichten zoals hierboven beschreven. Wij vinden het echter vreemd dat prof. Maat is uitgegaan van slechts één statistische tabel (die alleen op Tanner's onderzoeksgroep deze betrekking heeft) en niet merkbaar rekening heeft gehouden met het gegeven dat een aantal van de jongens die nu nog ter discussie staan in één geval van Aziatische - en in de overige gevallen mogelijk van Oost-Europese afkomst is. Aziatische jongens zien er in het algemeen jonger uit dan hun West-Europese leeftijdsgenoten. Maat heeft tijdens de vorige zitting ook zelf erkend dat hij deze jongens minder goed kan beoordelen. Hetzelfde geldt voor Oost- Europese jongens die in minder goede sociale omstandigheden opgroeien en daardoor mogelijk langzamer zijn in hun lichamelijke ontwikkeling, zoals Wafelbakker heeft beschreven. Met betrekking tot hen heeft Maat gesteld dat inderdaad minder bekend is, omdat daarnaar geen onderzoek is gedaan. Daarmee bestaat o.i. het risico dat deze jongens in de rapportage ten onrechte als "kennelijk geen 16" zijn ingeschat.
Ik zal het hiervoor besprokene nu toepassen op de films en diskettes. Ik zal mij daarbij opnieuw beperken tot die afbeeldingen die naar het oordeel van de deskundige te jonge jongens laten zien, omdat de overige banden en bestanden, overeenkomstig de daarover voorafgaand aan de zitting gemaakte afspraak, niet ter terechtzitting zijn voorgehouden of besproken.
A. De banden 1. [film 1] (DVD 4) Deze film bevat drie scènes en een aantal reclamefilmpjes. Die filmpjes laat ik gelet op het standpunt van de advocaat-generaal zoals geformuleerd in zijn brief aan de rechter- commissaris dd. 10 februari 2005 buiten beschouwing.
De le scène duurt niet 33 minuten, zoals de nadere opgave aangeeft, maar ongeveer 14,5 minuten. De 2e scène loopt van de 14,5e minuut tot de 19e minuut en de 3e, waarin weer dezelfde jongens acteren als in de eerste scène loopt door tot de 33e minuut.
De twee door de AG geselecteerde scènes, in de 8e en de 24e minuut, zijn afkomstig uit de 1e en de 3e scène en tonen dus dezelfde jongens. Prof. Maat heeft deze scènes in zijn eerste rapport beoordeeld en is toen tot de conclusie gekomen dat beide jongens in fase PH3G4 verkeerden en derhalve niet in de categorie van "kennelijk geen 16" vielen. Verder heeft [verbalisant 4] deze jongens aangemerkt als verkerend in fase P3G3, resp. P3/P4G3, welke constatering eveneens moet leiden tot de conclusie dat de jongens niet als "kennelijk geen 16" kunnen worden aangemerkt. Deze feiten en conclusies moeten er toe leiden dat cliënt van dit onderdeel van de tenlastelegging wordt vrijgesproken.
Verwarring ontstaat door het 2e rapport Maat. Deze heeft in zijn 2 beoordeling van de film dit keer in de eerste 33 minuten van de band een blonde, caucasische jongen aangetroffen die in de fase PH2G3 zou verkeren en dus als "kennelijk geen 16" moet worden aangemerkt. Wanneer hij daarmee een van de eerder door hem beoordeelde jongens bedoelt, is deze conclusie onbegrijpelijk. Hoe kan het dat dezelfde jongen in twee rapporten verschillend wordt beoordeeld? Een andere mogelijkheid is dat het rapport ziet op een van de jongens in de tweede scène, maar die scène is blijkens de nadere opgave in de tenlastelegging niet bedoeld. Daarin wordt immers gesproken van een jongen rode korte broek en groen shirt, en een jongen in o.a. een geel/groene sweatshirt. Dat is een beschrijving van de jongens in scènes 1 en 3. De jongens in de tweede scène zijn zo niet gekleed. Voorzover deze tenlastelegging niet nietig is, dient cliënt dan ook van dit feit te worden vrijgesproken.
Nog meer verwarring ontstaat door Maat's verklaring ter terechtzitting, die erop neerkomt dat hij in zijn tweede rapport dezelfde jongen bedoelt als in het eerste rapport. Het verschil in de tijdsregistratie zou te verklaren zijn door overzetting van beeldmateriaal. Even later kwam hij echter tot de conclusie dat de tellerstand toch in orde was, waardoor zijn conclusie opnieuw onbegrijpelijk wordt. Vervolgens werd hem de 2° scène getoond, vanaf tellerstand 00.14.00 en later vanaf 00.17.13. In beide scènes figureren dezelfde twee jongens. Maat's verklaring hierover is ronduit zwalkend. Eerst stelt hij dat de linker jongen in de categorie G3P2 valt.
Vervolgens verklaart hij dat die jongen volgens de criteria van Burgemeijer in de categorie P3 valt, terwijl hij kort daarvoor heeft gesteld dat de classificatie P3 bij Burgemeijer overeenkomt met PH3 bij Tanner. Daarop verklaart hij dat P2 of P3 zou kunnen. Na een interventie van cliënt, die hem erop wijst dat P3G3 volgens Maat's rapportage betekent "jonger dan 18 jaar", stelt hij tenslotte dat hij hem PH3 heeft gegeven, maar hem bij een tweede beoordeling PH2 zou geven vanwege de ontwikkeling van de genitaliën. Hij eindigt met de opmerking dat de jongen "richting P3" gaat. Het komt mij vreemd voor dat de deskundige hier zijn inschatting van de pubesbeharing (P of PH) koppelt aan de ontwikkeling van de genitaliën, waar immers een eigen indeling voor is (G of GH).
Vaststaat in ieder geval dat de deskundige zichzelf meermalen tegenspreekt. De beelden in de 17° minuut nog eens rustig bekeken hebbend, stel ik vast dat donker gepigmenteerde, krullende beharing zichtbaar is, zij het weinig, Ik heb zelfs de stellige indruk dat sprake is van een geschoren toestand, nu de donkere kleur zich verder uitstrekt dan de gekrulde beharing. Dat is goed zichtbaar op het beeld in minuut 16.53 en minuut 17.02, waarvan ik kopieën (in zwart-wit, dus iets minder duidelijk) aan deze pleitnota heb gehecht. Daarnaast de afbeeldingen uit de Groeidiagrammen houdend heb ik als inmiddels toch enigszins getrainde leek de overtuiging dat sprake is van P3 en zeker niet van P2. Ik denk dat u diezelfde overtuiging zult zijn toegedaan als u die beelden nog eens bekijkt.
Zeer opmerkelijk tenslotte is dat in de 37e minuut en verder, vanaf 37.56 een scène te zien is uit [film 2]. De jongens die in deze scène acteren worden door prof. Maat in zijn tweede rapport beoordeeld als kennelijk nog geen 18 jaar. Ik kom daar bij de bespreking van [film 2] op terug. Nog opmerkelijker is dat de "donkere jongen" dezelfde is als die welke in de zojuist besproken scènes door Maat als kennelijk geen 16 is ingeschat... Ter vergelijking heb ik een afbeelding van minuut 18.33 (2 scène [film 1]) en minuut 38.00, scène uit [film 2]. Ook in minuut 34.15 tot 34.45 (zie 1e rapport Maat) is deze jongen te zien. Ook hier gaat het om een scène uit [film 2], in die film te zien vanaf minuut 00.00.50. Daar heeft Maat hem omschreven als "geschoren" en PH?G3. Ik kom daar zo direct op terug.
Tenslotte merken wij op dat deze film voorzover ons bekend in ieder geval tot 2004 in de handel is gebleven. Op 9 maart 2003 werd de film aangetroffen op de site van de Duitse vestiging van [bedrijf A] en op 3 maart 2004 op de site van een distributeur uit [plaats A].
Ik kom tot de conclusie dat cliënt van dit onderdeel van de tenlastelegging moet worden vrijgesproken, nu niet bewijsbaar is dat de videoband '[film 1] onder meer beelden bevat van een circa 14 jaar oude jongen die zichzelf en andere (kennelijk oudere) jongens masturbeert, oraal zowel als anaal contact heeft met andere jongens of dergelijke handelingen ondergaat, of beelden bevat van twee jongens van ongeveer 14/15 jaar die elkaar masturberen of oraal seksueel contact hebben. Niet bewijsbaar zijn:
Ik meen dat een en ander leidt tot de conclusie dat twijfel bestaat aan de juistheid van de conclusies van de deskundige en dat op basis van zijn rapportage, maar ook op basis van de waarneming van [verbalisant 4] en de eigen waarneming, gesteld kan worden dat beide jongens in fase PH3G3 verkeren en derhalve niet kunnen worden aangemerkt als "kennelijk de leeftijd van 16 jaar niet bereikt". Dat een conclusie van "kennelijk de leeftijd van 16 niet bereikt" alleen op grond van een penis zou kunnen worden getrokken, zoals Maat tijdens de vorige zitting deed, is in strijd met zijn eigen rapportage en de wetenschappelijke opvattingen daarover. Daarbij speelt ook nog een rol dat de jongens er in mijn lekenogen Oost-Europees uitzien en derhalve mogelijk niet in de door prof. Maat gehanteerde statistiek vallen. Cliënt dient gezien dit alles ook van feit 2 te worden vrijgesproken." (pleitnota, p. 15-21) Voorts doelt het middel op hetgeen de verdachte heeft aangevoerd ter terechtzitting van 9 januari 2006: "Ik wil graag reageren op hetgeen de deskundige op de vorige terechtzitting heeft aangevoerd. De deskundige ging mijns inziens op de zitting alle kanten op. Als de kans bestond dat hij op zijn woorden gevangen zou worden, greep hij terug op de Tannercriteria. Er was elke keer sprake van P3 en dat is altijd goed. Naar aanleiding van zijn verklaring ben ik zelf de literatuur ingedoken. Ik heb het boek van Tanner uit 1962, getiteld "Growth at Adolescence" uit de bibliotheek gehaald. In dit boek tussen pagina 32 en pagina 33 zit een fotoblad waar ook het stadium P2 is afgebeeld. Op die foto is geen pubesbeharing te zien. De eerste haartjes die verschijnen, kun je niet op de foto zien. Bij P3 is de pubesbeharing wel zichtbaar.
Nadat het eerste haar gezien kan worden, komt het tweede stadium voor haar. De eerste haartjes verschijnen aan de basis van de penis en zijn niet gekleurd. Het gaat niet om het aantal haren. Deskundige Maat haalt in zijn tweede rapport pagina 181 aan van het artikel van William Marshall, getiteld "Puberty". Ik neem aan dat hij het artikel bedoelt dat ik aan u overleg, hoewel hij Tanner niet noemt als tweede schrijver. Het artikel dat ik aan u overleg is hoofdstuk 8 uit volume 2. Burgemeijer geeft definities. Burgemeijer verbindt geslachtskenmerken niet aan leeftijden. Hij geeft geen criteria. Tanner doet dat wel. Wat Maat over Burgemeijer zei, klopt dus niet. Wat Maat verklaarde, werd steeds gekker.
Maat gaf de kwalificatie G3, over de pubesbeharing kon hij niet oordelen maar toch werd de kwalificatie leeftijd onder 16 jaar eraan verbonden. Hoe kan dat? In de litteratuur wordt niet onderbouwd dat gecategoriseerd kan worden op basis van alleen de P- of G-factor. Maat zei ook dat er duidelijk sprake was van een vroege G3. Een vroege G3 bestaat echter niet, dat heeft hij zelf verzonnen. Dat kinderen die eerder op eigen benen staan, eerder geslachtsrijp zijn, is flauwekul. Maat zei over een Aziatische jongen dat hij niet jonger dan 16 jaar was, daarna was hij dat wel. Hij zei ook dat er naar Aziaten geen onderzoek is gedaan. Dat klopt niet, er is wel onderzoek naar Aziaten gedaan en daaruit is gebleken dat zij veel later in de puberteit komen.
Op pagina 195 worden de cruciale verschillen uiteen gezet Het eerste stadium is altijd de groeispurt in de puberteit, die duurt 4 tot 6 jaar. Het gaat om het beginpunt. Het stadium PH2 begint gemiddeld op de leeftijd van 11,8 in Nederland, op de leeftijd van 13 jaar in de hogere klasse in Hong Kong en op de leeftijd van 13,5 jaar in de Himalaya. Burgemeijer heeft de plaatjes van Van Wieringen gebruikt uit 1965, deze komen overeen met die van Tanner. Eén kenmerk is niet genoeg om tot een kwalificatie te komen. Ik leg het boek van Tanner aan u over."
Het hof heeft bij tussenarrest van 26 november 2004 de navolgende opdracht geformuleerd: "De door de rechter-commissaris -na overleg met de advocaat-generaal en raadsvrouw van verdachte- te benoemen forensische geneeskundige zal allereerst met betrekking tot elke door de advocaat-generaal nader aan te geven persoon een verantwoorde inschatting moeten maken of buiten redelijke twijfel die persoon de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt ten tijde van het maken van de opname.
Daarnaast zal de deskundige zelfstandig de videobanden moeten onderzoeken om een overeenkomstige inschatting te maken van de niet door de advocaat-generaal nader aangeduide overige personen. Voorshands zal de deskundige zich in zijn rapport kunnen beperken tot zijn bevindingen ten aanzien van personen die volgens voormelde maatstaf de leeftijd van 16 jaar kennelijk nog niet hadden bereikt.
De deskundige zal eerder omschreven inschatting van leeftijd ook dienen te maken van alle personen afgebeeld op de in de tenlastelegging onder B vermelde (beeld)bestanden."
Dat bij een eerste selectie van te beoordelen materiaal de raadsvrouw en verdachte niet werden betrokken geschiedde om het onderzoek zo snel mogelijk te laten plaatsvinden. In een latere fase vond ruimschoots compensatie plaats omdat de opdracht van het hof tevens inhield dat al het inbeslaggenomen beeldmateriaal door de deskundige moest worden beoordeeld. Het stond de deskundige vrij bij zijn beoordeling ook na te gaan van welke afgebeelde jongens kon worden vastgesteld dat zij buiten redelijke twijfel de leeftijd van 18 jaren nog niet hadden bereikt.
De verdediging is voorts ruim in de gelegenheid geweest om de rapporten van de deskundige, onder meer tijdens het horen van de deskundige ter terechtzitting van het hof van 13 oktober 2005, te bestrijden en in twijfel te trekken. Nagenoeg al het beeldmateriaal waarop volgens de schriftelijke rapportage van de deskundige jongens waren te zien die de leeftijd van 16 jaar nog (niet; WHV) hadden bereikt is ter terechtzitting vertoond en naar aanleiding daarvan heeft ook de verdediging ruimschoots gebruik gemaakt van het recht de deskundige nader te bevragen.
Het hof is derhalve van oordeel dat waar het betreft het onderzoek door de deskundige geen enkel rechtens te respecteren belang van verdachte is geschonden."
In this connection, the Court makes it clear at the outset that, just like observance of the other procedural safeguards enshrined in Article 6 1, compliance with the adversarial principle relates to proceedings in a 'tribunal'; no general, abstract principle may therefore be inferred from this provision that, where an expert has been appointed by the court, the parties must in all instances be able to attend the interviews held by him or to be shown the documents he has taken into account. What is essential is that the parties should be able to participate properly in the proceedings before the 'tribunal' (see, mutatis mutandis, the Kerojärvi v. Finland judgment of 19 July 1995, Series A no. 322, p. 16, 42 in fine).
In het in de schriftuur genoemde EHRM 2 juni 2005, EHRC 2005, 72 met noot Fernhout (Cottin tegen België) herhaalt het EHRM deze regels ten aanzien van deskundigenonderzoek in een strafprocedure. Daar wordt nog aan toegevoegd: "A ce titre, elle précise que le respect du contradictoire, comme celui des autres garanties de procédure consacrées par l'article 6 par. 1, vise l'instance devant un "tribunal"; il ne peut donc être déduit de cette disposition un principe général et abstrait selon lequel, lorsqu'un expert a été désigné par un juge, les parties doivent avoir dans tous les cas la faculté d'assister aux entretiens conduits par le premier ou de recevoir communication des pièces qu'il a prises en compte. L'essentiel est que les parties puissent participer de manière adéquate aÌ la procédure devant le"tribunal" (voir, mutatis mutandis, Kerojarvi c. Finlande, arrêt du 19 juillet 1995, série A no 322, p. 16, par. 42 in fine)."
Dans de telles circonstances, le requérant n'a pu faire entendre sa voix de manière effective avant le dépôt du rapport de l'expertise en cause. La possibilité indirecte de discuter le rapport d'expertise dans des mémoires ou lors d'une des audiences d'appel ne peut, en l'espèce, passer pour un équivalent valable du droit de participer à la séance d'expertise. Ainsi, le requérant n'a pas eu la possibilité de commenter efficacement un élément de preuve essentiel et une demande d'expertise complémentaire n'y aurait rien changé. En effet, eu égard à la situation existant à l'époque en droit belge, une nouvelle expertise aurait elle aussi été unilatérale."
Dat betekende dat art. 6 lid 1 EVRM was geschonden.
In het onderhavige onderzoek zijn 16 VHS videobanden in beslag genomen. Wij hebben deze videobanden onderzocht op de aanwezigheid van kinderporno. "[film 1]"
De jongens in de film verrichten seksuele handelingen met elkaar. Een jongen trekt zichzelf en andere jongens af. Pijpt andere jongens en laat zich pijpen. Hij heeft anaal contact met een andere jongen. (...) 4. Een ambtsedig proces-verbaal, genummerd 2001147126-9, opgemaakt door [verbalisant 4], brigadier van politie en door hem gesloten en getekend op 2 februari 2005, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisant:
In aanvulling op het proces-verbaal nummer 2001147126 d.d. 23 oktober 2001 van de regiopolitie Limburg-Zuid, relaterende het onderzoek van inbeslaggenomen videobanden relateer ik het volgende:
Op 4 januari 2005 ontving ik uit handen van mr J. Wiarda, advocaat-generaal bij het gerechtshof te Arnhem 9 eerder door mij in dit onderzoek onderzochte videobanden, waar onder:
Hieronder volgt een overzicht van scènes waarbij de videoband/DVD is aangegeven en de geselecteerde scènes met tijdsaanduidingen.
Videoband nr. 4/DVD nr. 4 Film 1: [film 1] Tellerstand 0:0:00 - 0:44:10 Opnames van twee blanke jongens die seksuele handelingen verrichten.
Seksuele handelingen: masturberen, fellatio, anale geslachtsgemeenschap, ejaculeren. (...) 7. De ter terechtzitting van het hof van 13 oktober 2005 afgelegde verklaring van getuige-deskundige G.J.R. Maat, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven: (nadat hem is getoond DVD 4 vanaf tellerstand 00:33:30 tot en met 00:36:00) De linker jongen is kennelijk jonger dan zestien. (...) 50. In de toelichting op het middel wordt geklaagd dat bewijsmiddel 4 een gedenatureerde samenvatting geeft van het daar bedoelde proces-verbaal door de tellerstand die voor de gehele film geldt (0:00:00 - 0:44:10) te koppelen aan de eerste scène, te vinden op de tellerstanden 0:00:10- 0:33:40. Daaruit zou ook duidelijk worden dat de verklaring van de deskundige, immers tellerstand 00:33:30 - 00:36:00 betreffende, niet ziet op dezelfde beelden als bewijsmiddel 4.
Film 1: [film 1] Tellerstand 0:0:00 - 0:44:10 Scène 1.
Tellerstand 0:0:10 - 0:33:40 Opnames van twee blanke jongens die seksuele handelingen verrichten.
Seksuele handelingen: masturberen, fellatio, anale geslachtsgemeenschap, ejaculeren.
Leeftijdsbepaling:
Jongen 1: Is in het begin van de film nog gekleed in o.a. een rode korte broek en groen Tshirt.
Pubesbeharing: P3. Ontwikkeling uitwendige genitaliën: G3 Geschatte leeftijd: 13 jaar.
Jongen 2: Is in het begin van de film nog gekleed in o.a. een geel/groene sweat shirt.
Pubesbeharing: P3/P4 Ontwikkeling uitwendige genitaliën: G3. Geschatte leeftijd: 13 jaar.
Geselecteerde scènes:
Tellerstand 0:08:20 - 00:09:30. Masturberen en fellatio.
Tellerstand 0:24:00 - 0:25:30. Anale geslachtsgemeenschap.
Aansluitend reclamefilmpjes.
Vanaf tellerstand 0:33:40 - 0:44:10 (einde band.) Reclamefilmpjes voor [film 12] "[...]"
Diverse reclamefilmpjes waarin jongens seksuele handelingen verrichten.
Geselecteerde scènes:
Tellerstand 0:34:15 - 0:34:45: Opnames van een masturberende jongen.
Pubesbeharing: P2. Ontwikkeling uitwendige genitaliën: G2/G3. Geschatte leeftijd: 12 jaar.
3". Een als bijlage 4 bij het onder 2 genoemd proces-verbaal gevoegd proces-verbaal, genummerd 2001147126, opgemaakt door [verbalisant 4] en [verbalisant 6], respectievelijk brigadier en hoofdagent van Regiopolitie Limburg-Zuid en door hen gesloten en getekend op 23 oktober 2001, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisanten:
In het onderhavige onderzoek zijn 16 VHS videobanden in beslag genomen. Wij hebben deze videobanden onderzocht op de aanwezigheid van kinderporno. (...). "[film 2]"
Er is een aantal jongens te zien. De jongens verrichten seksuele handelingen met elkaar. De jongens trekken zichzelf en elkaar af. Zij pijpen elkaar en hebben anaal contact met elkaar.
In aanvulling op het proces-verbaal nummer 2001147126 d.d. 23 oktober 2001 van de regiopolitie Limburg-Zuid, relaterende het onderzoek van inbeslaggenomen videobanden relateer ik het volgende:
Op 4 januari 2005 ontving ik uit handen van mr J. Wiarda, advocaat-generaal bij het gerechtshof te Arnhem 9 eerder door mij in dit onderzoek onderzochte videobanden, waar onder: (...)
Hieronder volgt een overzicht van scènes waarbij de videoband/DVD is aangegeven en de geselecteerde scènes met tijdsaanduidingen. (...) Videoband nr. 8/DVD nr. 8 "[film 2]"
Tellerstand 0:0:00 - 0:43:23 Opnames van meerdere blanke jongens die seksuele handelingen verrichten.
Seksuele handelingen masturberen, fellatio, anale geslachtsgemeenschap, ejaculeren.
De ter terechtzitting van het hof van 13 oktober 2005 afgelegde verklaring van getuige-deskundige G.J.R. Maat, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven: (...) (nadat hem is getoond DVD 8, tellerstand 00:15:15 tot en met 00:18:00) Beide jongens vallen in de categorie onder de 16 jaar. "
In februari 2002 ontving ik van [verbalisant 1], hoofdinspecteur bij de Rijksrecherche te 's-Hertogenbosch een cd-rom met daarop mogelijk kinderpornografische afbeeldingen met het verzoek deze afbeeldingen te analyseren.
De cd-rom bleek te zijn opgebouwd uit vier folders met de namen: flop01, flop02, flop03 en flop04.
De afbeeldingen in de verschillende folders werden bekeken. De kinderpornografische afbeeldingen werden per folder benoemd en beschreven in de bij dit proces-verbaal genoemde bijlage.
Folder: flop04 (...) [bestandsnaam 5].jpg: Twee naakte jongens liggen achterover op een bed. Zij hebben beiden de benen gespreid.
De raadsvrouw heeft voorts aangevoerd dat, in tegenstelling tot hetgeen de Hoge Raad hierover heeft bepaald, onder het begrip in voorraad hebben volgens de wetsgeschiedenis niet valt het in bezit hebben voor eigen gebruik.
Het hof houdt zich aan de uitleg van artikel 240b (oud) Sr. zoals gegeven door de Hoge Raad bij arrest van 8 mei 2001 NJ 2001, 479 (lees: HR 21 april 1998, NJ 1998, 782; WHV). Die uitleg houdt in dat onder in voorraad hebben in genoemd artikel ook valt het uitsluitend ten behoeve van eigen gebruik onder zich houden/bezitten van in dat artikel genoemd materiaal. Hieruit volgt tevens dat geen sprake is van de door de raadsvrouw aangevoerde schending van art. 1 Sr en art. 7 EVRM.
Zo al verdachte tot voormeld arrest gedacht mocht hebben dat hij niet strafbaar handelde, dan moet in elk geval de grondslag aan die overtuiging zijn ontvallen met kennisneming van die uitspraak. Verdachte heeft medegedeeld dat hij de uitspraak kende.
5.2.2. Art. 240b Sr is gewijzigd bij wet van 13 november 1995, Stb. 575.
In art. 240b (oud) Sr was aan het "in voorraad hebben" van een in dat artikel bedoelde afbeelding van een seksuele gedraging het vereiste gesteld dat dit geschiedde ter verspreiding of ter openlijke tentoonstelling van die afbeelding. Dat vereiste is bij genoemde wet komen te vervallen.
Blijkens de in de conclusie van het Openbaar Ministerie onder 4.4 aangehaalde passages uit de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel dat tot genoemde wet heeft geleid, is daarmee beoogd om, met het oog op een effectieve bestrijding van ten aanzien van kinderen gepleegde zedendelicten, ook het in voorraad hebben van kinderpornografie voor eigen gebruik onder het bereik van art. 240b Sr te brengen.
Naar volgt uit het in de conclusie van het Openbaar Ministerie weergegeven verdere verloop van de parlementaire behandeling, is die aanvankelijke toelichting naderhand in de Nota naar aanleiding van het verslag van de Tweede Kamer en door de Minister tijdens de mondelinge beraadslagingen in het parlement genuanceerd in die zin dat het privébezit van een enkele afbeelding als bedoeld in art. 240b Sr niet onder het bereik van dat artikel valt. Het begrip "in voorraad hebben" is, aldus die nadere toelichting niet gelijk te stellen met "in bezit hebben"; "in voorraad hebben" houdt een zekere pluraliteit in, maar heeft ook een zekere externe connotatie.
Die nadere nuancering is evenwel moeilijk te verenigen met de ook nog tijdens de mondelinge behandeling van het wetsontwerp in de Eerste Kamer benadrukte ratio van genoemde wet en de aanvankelijk door de Regering daarop gegeven toelichting, terwijl zij voor wat het vereiste van pluraliteit van afbeeldingen betreft evenmin strookt met de ondubbelzinnige tekst van art. 240b Sr, nu zowel in het eerste als in het tweede lid van dat artikel sprake is van "een afbeelding". Zij staat bovendien op gespannen voet met de eisen die vanuit een oogpunt van rechtszekerheid aan de afgrenzing van de desbetreffende bepaling moeten worden gesteld. Bij die stand van zaken moeten bij de interpretatie van het begrip "in voorraad hebben" de ratio van de wettelijke regeling en de oorspronkelijke interpretatie van dat begrip in de Memorie van Toelichting prevaleren. 's Hofs oordeel dat het in het bezit hebben van materiaal als bedoeld in art. 240b Sr voor eigen gebruik oplevert het "in voorraad hebben" in de zin van dat artikel is dus juist, zodat ook het vierde middel tevergeefs is voorgesteld."