Griffienr. 03645/06 P Mr Wortel Zitting:9 oktober 2007 (bij vervroeging) Conclusie inzake: [betrokkene]
(3)(...) Het hof overweegt naar aanleiding van hetgeen door de verdediging is aangevoerd het volgende. Ad 1: (...) Ad 2. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) heeft bij besluit van 13 maart 2000 de veroordeelden [persoon 1], [betrokkene] en [persoon 3] op grond van het bepaalde in het toenmalige artikel 16d van de CSV hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de premies ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten over de jaren 1997 en 1998, verschuldigd door de [bedrijf A] voor een bedrag van f 5.112.786,-. De rechtbank te Alkmaar heeft het tegen dit besluit door elk van de drie betrokkenen ingestelde beroep bij uitspraken van 12 juni 2002 telkens ongegrond verklaard. Deze uitspraken van de rechtbank zijn op 2 september 2004 door de Centrale Raad van Beroep bevestigd. Het hof is van oordeel dat de vordering van het Lisv, in de plaats waarvan inmiddels de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) is opgetreden, moet worden beschouwd als een vordering gebaseerd op nadeel dat het Lisv rechtstreeks heeft geleden door ten laste van de betrokkenen bewezen verklaarde feiten waarvan het wederrechtelijk verkregen voordeel thans moet worden geschat. In het licht van de evenbedoelde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep moet derhalve op de voet van het bepaalde in artikel 36e, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht een bedrag van f 5.112.786,- (zijnde € 2.320.081,14) in mindering worden gebracht op het hiervóór onder A berekende bedrag van € 2.861.155,-, zodat als wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelden tezamen resteert: € 541.073,86, af te ronden tot € 541.073,-. Ad 3. (...) III. Toerekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan de veroordeelden A. De verdediging heeft aangevoerd - kort gezegd - dat indien wederrechtelijk voordeel zou zijn behaald, dit voordeel ten goede is gekomen aan de spolka's en/of [bedrijf C], maar niet aan [Persoon 1, 2, 3 en betrokkene] Nu de veroordeelden geen aandeelhouder van deze voordeel genietende rechtspersonen zijn en voorts niet is gebleken van ongeoorloofde vermogensovergang van deze rechtspersonen naar veroordeelden, kan de veroordeelden geen voordeel worden ontnomen. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de verdediging verwezen naar HR 8 mei 2001, NJ 2001, 507 en HR 21 september 2004, NJ 2005, 17. Het hof overweegt hieromtrent het volgende. Het behaalde voordeel bestaat, zoals reeds eerder opgemerkt, uit het verschil tussen het uurtarief dat de Coöperatie van de Nederlandse bedrijven ontving en het uurtarief dat de Coöperatie aan de Poolse werknemers uitbetaalde, vermenigvuldigd met het aantal door de Poolse werknemers gewerkte uren en verminderd met de kosten die in direct verband staan met het verkregen voordeel. De Nederlandse agrarische bedrijven hebben geld overgemaakt naar bankrekeningen van de spolka's, die vervolgens hiervan de Poolse werknemers uitbetaalden. De gelden die hierna en na aftrek van de kosten resteerden is het behaalde voordeel. Dit voordeel is terechtgekomen bij de spolka's en [bedrijf C] Ltd. Uit onderzoek is gebleken dat de spolka's in opdracht van [persoon 1] en ten behoeve van de eerdergenoemde schijnconstructie zijn opgericht. Voorts is gebleken dat de op papier bij de oprichting van deze spolka's betrokken persoon [persoon 5], evenals de op papier beschikkings- en tekeningsbevoegden, zijnde eerdergenoemde [persoon 5] en [persoon 6], in werkelijkheid geen zeggenschap hadden over de spolka's. In werkelijkheid lag de zeggenschap bij [Persoon 1, 2, 3 en betrokkene] en konden zij feitelijk over het vermogen van de spolka's beschikken. Voorts is uit onderzoek gebleken dat [bedrijf C] Ltd. tenminste in samenwerking met [persoon 1] en [persoon 3] is opgericht, dat [Persoon 1, 2, 3 en betrokkene] de direct belanghebbenden zijn bij [bedrijf C] Ltd. en dat zij feitelijk over het vermogen van [bedrijf C] Ltd. konden beschikken. Hoewel aldus is komen vast te staan dat in feite [Persoon 1, 2, 3 en betrokkene] de zeggenschap hadden over de gelden die bij de spolka's en [bedrijf C] Ltd. als gevolg van de schijnconstructie zijn ingekomen, en [Persoon 1, 2, 3 en betrokkene] deze gelden ten eigen bate konden aanwenden, is door de verdediging geen inzicht verschaft in het (financiële) reilen en zeilen van deze bedrijven en heeft zij ook geen duidelijkheid verschaft over de vraag waar voornoemd voordeel gebleven is. Uit onderzoek is evenwel aannemelijk geworden dat [bedrijf C] Ltd. heeft voorzien (
- a)in de financiering van de aanschaf van de woning op het adres [a-straat 1] te [woonplaats], zijnde de woning waar [persoon 1] woonachtig is, en (
- b)in een deel van de financiering van de verbouwing van de woning op het adres [b-straat 1] te [woonplaats], zijnde de woning waar [persoon 2] en [betrokkene] woonachtig zijn geweest. Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat het aanvankelijk door de bedrijven wederrechtelijk verkregen voordeel aan [Persoon 1, 2, 3 en betrokkene] kan worden ontnomen. B. Met betrekking tot de verdeling van het totaal vastgestelde bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel tussen de veroordeelden heeft de verdediging slechts in zoverre duidelijkheid verschaft dat de rol van [persoon 2] in het feitencomplex dat ten grondslag ligt aan de ontneming het kleinst zou zijn geweest, aangezien zij enige tijd niet heeft gewerkt. Het hof heeft met deze omstandigheid rekening gehouden en heeft ten aanzien van de te ontnemen bedragen het volgende in aanmerking genomen: a. het opsporingsonderzoek onder de naam 'Ambassadeur' besloeg de periode 1 januari 1994 tot en met november 1998; b. het opsporingsonderzoek onder de naam 'Zonneschijn' besloeg de periode november 1998 tot en met november 1999; c. [Persoon 1] is strafrechtelijk veroordeeld voor feiten begaan in de periode van het onderzoek 'Ambassadeur', alsmede voor feiten begaan in de periode van het onderzoek 'Zonneschijn'; d. [Persoon 3] is strafrechtelijk veroordeeld voor feiten begaan in de periode van het onderzoek 'Ambassadeur'; e. [Betrokkene] is strafrechtelijk veroordeeld voor feiten begaan in de periode van het onderzoek 'Ambassadeur', alsmede voor feiten begaan in de periode van het onderzoek 'Zonneschijn'; f. [Persoon 2] is strafrechtelijk veroordeeld voor feiten begaan in de periode van het onderzoek 'Ambassadeur', alsmede voor feiten begaan in de periode van het onderzoek 'Zonneschijn'; g. [Persoon 2] is, in tegenstelling tot [persoon 1], [persoon 3] en [betrokkene], niet veroordeeld als oprichter en/of bestuurder van de criminele organisatie; h. [Persoon 2] is niet gedurende de gehele periode werkzaam geweest. De periode 'Ambassadeur' bedraagt blijkens het bovenstaande ongeveer vijf jaren en de periode 'Zonneschijn' één jaar. Het in totaal verkregen voordeel zal derhalve - afgezien van fluctuaties in de bedrijfsvoering, die niet gesteld en evenmin gebleken zijn - voor 5/6 in de periode 'Ambassadeur' zijn behaald en voor 1/6 in de periode 'Zonneschijn'. Een en ander heeft tot de volgende verdeelsleutel geleid: [Persoon 1]: - betrokkenheid bij Ambassadeur: ja - betrokkenheid bij Zonneschijn: ja [Persoon 3]: - betrokkenheid bij Ambassadeur: ja - betrokkenheid bij Zonneschijn: nee [Betrokkene]: - betrokkenheid bij Ambassadeur: ja - betrokkenheid bij Zonneschijn: ja [Persoon 2]: - betrokkenheid bij Ambassadeur: ja - betrokkenheid bij Zonneschijn: ja - kleinere rol binnen de criminele organisatie: 1/6 in mindering - beperkte tijdsduur betrokkenheid: 1/6 in mindering Op grond van het bovenstaande wordt de verdeelsleutel gesteld op respectievelijk 6 : 5 : 6 : 4. Dit leidt tot de volgende ontnemingsbedragen per veroordeelde: [Persoon 1]: 28,6 % van € 541.073,- = € 154.746,88, afgerond: € 154.746,- [Persoon 3]: 23,8 % van € 541.073,- = € 128.775,37, afgerond: € 128.775,- [Betrokkene]: 28,6 % van € 541.073,- = € 154.746,88, afgerond: € 154.746,- [Persoon 2]: 19 % van € 541.073,- = € 102.803,87, afgerond: € 102.803,-" 5. De regeling van art. 36e, zesde lid, Sr beoogt te voorkomen dat iemand hetzelfde wederrechtelijk verkregen voordeel meermalen, doch aan verschillende personen of instanties, zou moeten terugbetalen. Daarom moet deze regeling alleen worden toegepast op onherroepelijk toegekende vorderingen van (rechts)persoon strekkende tot vergoeding van schade die is toegebracht door het begaan van de strafbare feiten waarop de ontnemingsvordering is gebaseerd, voorzover deze schade correspondeert met een voordeel bij de veroordeelde; HR NJ 2000, 590, rov 4.6. 6. In 's Hofs hierboven weergegeven overwegingen ligt besloten dat verzoeker en zijn mededaders door het begaan van de in de strafzaak bewezenverklaarde feiten de schijn hebben gecreëerd dat de rechtspersoon [bedrijf A] bemiddelde bij goederentransacties tussen Poolse en Nederlandse bedrijven, terwijl er in werkelijkheid geen goederen werden geleverd doch Poolse arbeidskrachten ter beschikking van Nederlandse bedrijven werden gesteld. Hierin ligt besloten dat de feiten zijn begaan teneinde te maskeren dat de Poolse arbeidskrachten arbeid in loondienst verrichtten, waaruit noodzakelijkerwijs volgt dat met betrekking tot die door de Poolse arbeidskrachten niet de wettelijk vereiste opgaven zijn gedaan betreffende het uitbetaalde loon. Aangezien de premies voor sociale verzekeringen tezamen met de in te houden loonbelasting op aangifte behoren te worden afgedragen, impliceren de in de hoofdzaak bewezenverklaarde feiten tevens dat ten aanzien van de Poolse arbeidskrachten niet de verschuldigde premies zijn afgedragen. 7. Het Hof kon er dus vanuit gaan dat de in de strafzaak bewezenverklaarde feiten rechtstreeks tot gevolg hebben gehad dat de met de uitvoering van sociale verzekeringen belaste instanties premie-inkomsten zijn misgelopen. 's Hofs oordeel dat de vordering van het Landelijk instituut sociale verzekeringen, nadien het Uitvoeringsorgaan werknemersverzekeringen, heeft te gelden als een vordering ter zake van schade die rechtstreeks door de bewezenverklaarde feiten is geleden, getuigt derhalve niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. Voorts ligt in 's Hofs overwegingen besloten dat tegenover dit nadeel ook een door verzoeker genoten voordeel heeft gestaan, aangezien het Hof heeft vastgesteld dat het voordeel van verzoeker en zijn mededaders voortkwam uit de niet-aangegeven arbeid van de Poolse arbeidskrachten, te weten het verschil tussen hetgeen de Nederlandse bedrijven in rekening werd gebracht (berekend per uur en het aantal ingezette arbeidskrachten) en het aan die arbeidskrachten uitbetaalde bedrag (minus kosten). 8. Verder houden de overwegingen van het Hof een toereikend gemotiveerde verwerping in van het andersluidende standpunt van het Openbaar Ministerie, zodat het middel faalt. 9. Deze conclusie strekt ertoe dat de veroordeelde in diens cassatieberoep niet-ontvankelijk zal worden verklaard, en het cassatieberoep van het Openbaar Ministerie zal worden verworpen. Naar mijn inzicht leent het enige door het Openbaar Ministerie voorgestelde middel, en daarmee zijn beroep, zich voor afdoening met de in art. 81 RO bedoelde korte motivering. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,