Nr. 03586/06 Mr Machielse Zitting 8 januari 2008 Conclusie inzake: [verdachte]
(2)Het hof is echter voorbijgegaan aan de mogelijkheid dat de voorafgaande (dus inmiddels beeindigde) aanranding tot een hevige gemoedsbeweging heeft geleid die het tenlastegelegde tot gevolg heeft gehad. Uit zijn overwegingen lijkt namelijk te volgen dat een beroep op noodweerexces niet kan slagen omdát er geen sprake meer was van een noodweersituatie. De overwegingen van het hof getuigen in zoverre van een onjuiste rechtsopvatting, gelet op het hiervoor geciteerde arrest. 3.
- De vraag is dus wel degelijk of de voorafgaande aanranding een hevige gemoedsbeweging tot gevolg heeft gehad die vervolgens tot de tenlastegelegde gedragingen van verdachte hebben geleid. Het hof geeft op die vraag geen duidelijk antwoord terwijl de vraag door het verweer wel wordt opgeroepen. Het hof heeft de bewering van verdachte dat [het slachtoffer] met de borst vooruit op hem is toelopen in het midden gelaten. Van de juistheid van de bewering van verdachte dient dan maar te worden uitgegaan. Dat het met de borst vooruit op verdachte toelopen nog geen aanranding is, begrepen als een feitelijke aantasting of een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor, acht ik begrijpelijk. In zoverre is het hof ook niet uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Maar dat het een schakel is in de korte keten der gebeurtenissen tussen het pakken van de vis en de klap die verdachte heeft uitgedeeld lijkt mij niet aan twijfel onderhevig. Uit de overwegingen van het hof volgt niet zonder meer dat de klap het gevolg niet kan zijn geweest van de hevige gemoedsbeweging die eerder door de (poging tot) diefstal van de vis bij verdachte is veroorzaakt. Ik neem daarbij in ogenschouw dat de gebeurtenissen zich achtereenvolgens in een zeer kort tijdsbestek moeten hebben afgespeeld en het met de borst vooruit op verdachte aflopen door een van de personen die betrokken was bij de (poging tot) diefstal bepaald niet geschikt moet worden geacht om de hevige gemoedsbeweging bij verdachte te temperen. In de emoties van het moment heeft verdachte het feit dat de ander op hem toe kwam lopen wellicht geïnterpreteerd als een handelen uit vijandige gezindheid, samenhangend met de eerdere (poging tot) diefstal van de vis. De pleitnota in hoger beroep voert ook aan dat er geen sprake is van een nieuw incident maar van een voortzetting van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding (blz. 3).
- Het middel is terecht voorgesteld. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest behoort te leiden.
- Deze conclusie strekt tot vernietiging van het arrest voor zover het betreft de beslissingen over de strafbaarheid van het bewezenverklaarde, de strafbaarheid van de verdachte, de strafoplegging en de vordering van de benadeelde partij en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch dat de zaak opnieuw zal dienen te berechten en af te doen. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG 1 Zie ook reeds HR 18 mei 1993, NJ 1993,
- 2 Vgl. in beginsel HR 13 juni 1989, NJ 1990,193; HR 24 september 1991, NJB 1992, p.158, nr. 56.