Nr. 00683/07 Mr. Vellinga Zitting: 20 mei 2008 Conclusie inzake: [verdachte]
(1)en is evenmin onbegrijpelijk. Met die vaststelling kan het antwoord op de vraag die in de toelichting op het middel aan de orde wordt gesteld - of diezelfde bewoordingen tevens een beledigend karakter hebben, indien zij los van de context van het onderhavige geval waren gebruikt - in het midden blijven. Afhankelijk van de context kan immers ook het bezigen van op zichzelf niet beledigende woorden een beledigend karakter hebben.
- In de toelichting op het middel wordt opgemerkt dat in feitelijke aanleg is aangevoerd dat de verdachte zich niet specifiek tegen de politieambtenaren heeft uitgelaten, maar in algemene zin. Dit verweer vindt zijn weerlegging in de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen waaruit immers het tegendeel blijkt.
- Hetgeen voorts in de toelichting op het middel wordt aangevoerd, te weten dat verdachte ten tijde van het doen van de uitlating in een hevige gemoedstoestand verkeerde, en dat agenten omdat zij in het onderhavige geval een bemiddelde rol vervulden - anders dan politieambtenaren in het algemeen - een dikkere huid voor uitlatingen van beledigende aard dienen te hebben, kan niet tot cassatie leiden. Het aangevoerde is niet aan het Hof voorgehouden en vereist (mede) onderzoek van feitelijke aard. In cassatie kan daarop dus niet voor het eerst een beroep worden gedaan.
- Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.
- Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG 1 HR 18 december 2007, NJ 2008, 34; HR 6 januari 2004, NJ 2004, 201 en HR 19 december 2000, NJ 2001, 101.