Rolnr. C07/055HR mr. D.W.F. Verkade Zitting 13 juni 2008 Conclusie inzake: [Eiser] tegen [Verweerster] (niet verschenen)
(2)in rov. 3.5 tot uitgangspunt neemt dat van verrijking in de zin van art. 6:212 BW in het onderhavige geval pas sprake kan zijn indien de werkzaamheden en uitgaven van [eiser] in het kader van de verbouwing hebben geleid tot een waardestijging van de woning annex bedrijfsruimte. Om de vraag te beantwoorden of dit uitgangspunt juist is, sta ik stil bij het begrip ‘verrijking’. 3.
- Volgens de parlementaire geschiedenis van art. 6:212 BW hoeft een verrijking niet alleen gelegen te zijn in een vermeerdering van een actief, maar kan dit ook bestaan uit een besparing van kosten, afwending van schade of de bevrijding van een schuld. Ook in de literatuur wordt het begrip ‘verrijking’ ruim opgevat. Zo verstaat Hartkamp hieronder ‘elke toevoeging aan een vermogen’, waarbij hij aantekent dat aan de woorden ‘vermogen’ en ‘vermogensbestanddelen’ een veel ruimere betekenis toekomt dan zij in het gewone spraakgebruik hebben. Van verrijking (en verarming) kan bijvoorbeeld sprake zijn indien de één ten behoeve van de ander diensten heeft verricht, of de één het genot heeft gehad van vermogensbestanddelen van de ander, maar ook indien sprake is van een besparing van uitgaven, met dien verstande dat gedaagde de kosten daadwerkelijk heeft bespaard, d.w.z. dat hij de kosten anders zelf zou hebben gemaakt of had moeten maken. 3.
- Tegen deze achtergrond geeft ’s hofs beperking van het begrip verrijking in het onderhavige geval tot een waardevermeerdering van de woning annex winkel m.i. blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Zo het hof wel van een juiste rechtsopvatting zou zijn uitgegaan, heeft het zijn oordeel dat [eiser] de verrijking niet aannemelijk heeft gemaakt, onvoldoende gemotiveerd. De verrijking kon/kan in het onderhavige geval immers ook gelegen zijn in de besparing van uitgaven. Voor zover het hof van oordeel zou zijn geweest dat [eiser] tekortgeschoten is in zijn stelplicht door niet te stellen dat de verrijking erin bestond dat [eiser] uitgaven heeft gedaan die [verweerster] zich bespaarde, is dat in het licht van de gedingstukken eens te minder begrijpelijk , laat staan zonder enige motivering dienaangaande in het arrest. De onderdelen 2.1 t/m 2.4 treffen derhalve doel. 3.
- Onderdeel 2.5 klaagt dat voor het geval het hof zijn oordeel in rov. 3.5 (mede) heeft doen steunen op het betoog van [verweerster] bij pleidooi dat zij enige jaren geleden de woning annex bedrijfsruimte heeft gekocht voor ƒ700.000,- en dat onlangs de waarde ervan is geschat op € 300.000,-, dat oordeel nadere motivering behoeft nu bedoeld betoog als zodanig niet eens betrekking hoeft te hebben op de invloed van de verbouwing op de waarde van de woning annex bedrijfsruimte en derhalve voor de beoordeling van de zaak niet relevant, althans niet doorslaggevend is. 3.
- Hoewel het hof bedoeld betoog van [verweerster] in rov. 3.4 heeft weergegeven, vormt het m.i. niet een dragende bouwsteen voor zijn in rov. 3.5 neergelegde oordeel. Aldus faalt het onderdeel bij gebrek aan feitelijke grondslag. 3.
- Onderdeel 2.6 voert aan dat van [eiser] rechtens niet kan worden gevergd dat hij de door hem gestelde verrijking al in de schriftelijke fase van het geding aannemelijk maakt. Volgens [eiser] is noodzakelijk, maar ook voldoende dat [eiser] de verrijking van [verweerster] ten processe heeft gesteld. Dát [eiser] voldoende gesteld heeft, blijkt uit (bijv.) de MvG, nrs. 9, 11 en 12, waarnaar het onderdeel verwijst. 3.
- De passages in de MvG waarnaar het onderdeel verwijst, moeten gelezen worden tegen de volgende achtergrond. [eiser] had reeds bij conclusie van eis een (omvangrijke) hoeveelheid facturen en bonnen in het geding gebracht, die naar zijn stellingen betrekking hadden op de verbouwing van de woning annex bedrijfsruimte van [verweerster]. [Verweerster] verweerde zich – voor zover hier van belang – met de (algemene ) stellingen dat een juist inzicht in de door [eiser] betaalde bedragen ontbreekt, dat de door [eiser] overgelegde facturen geen onderbouwing bieden van zijn vordering, nu daarop allerlei zaken staan die niet in het pand zijn gebruikt, dat er gereedschappen zijn aangeschaft die door [eiser] nog steeds gebruikt worden en derhalve ten onrechte opgevoerd worden, en dat er bestellingen genoemd worden die slechts voor een klein gedeelte in het pand van haar gebruikt zijn, alsmede dat een gedeelte van de door [eiser] opgevoerde facturen door [verweerster] contant is voldaan (vgl. rov. 5 eindvonnis rechtbank). De rechtbank heeft daarop in rov. 6 van haar eindvonnis geoordeeld dat het op de weg van [eiser] ligt om concreet aan te geven welke specifieke werkzaamheden door hem zijn verricht in het pand van [verweerster], welke bedragen hij daarvoor heeft uitgegeven en in welke mate [verweerster] daardoor is verrijkt. Naar het oordeel van de rechtbank ontbrak een dergelijke concretisering, terwijl [eiser] ook geen concreet bewijsaanbod heeft gedaan. 3.
- In de MvG nr. 9 heeft [eiser] slechts de algemene stelling ingenomen dat het ‘duidelijk’ is dat [verweerster] door de uitgaven en werkzaamheden is verrijkt. In de MvG nr. 11 – de toelichting op grief 3 tegen rov. 6 van de rechtbank – stelde [eiser] evenwel méér: nl. dat ‘[verweerster] heeft toegegeven dat, van de door [eiser] overgelegde facturen, [eiser] facturen heeft betaald ten behoeve van de verbouwing van de woning annex winkelruimte van [verweerster]’; dat [verweerster] in punt 13 CvA niet voor niets heeft aangegeven dat het feitelijk nodig zal zijn om per factuur te bekijken wat er op staat en waar dat voor gebruikt zal kunnen zijn; en dat voor zover de facturen niet betrekking hebben op de bedrijfsvoering van [eiser] – in het licht van het partijdebat – de facturen dienen te worden aangemerkt als betrekking hebbend op de verbouwing van de woning annex bedrijfsruimte van [verweerster]. In de MvG nr. 12 voegde [eiser] daaraan toe dat hij heel nauwgezet alle facturen en uitgaven die verband hielden met de verbouwing van de woning annex bedrijfsruimte van [verweerster] heeft bijgehouden, reden waarom hij de desbetreffende overzichten juist kón overleggen. 3.17.
- Ook onderdeel 2.6 slaagt naar mijn mening. Waar het m.i. om gaat is of [eiser] aan zijn beroep op (ongerechtvaardigde) verrijking voldoende feiten ten grondslag heeft gelegd. Dat is m.i. het geval nu vaststaat dat [eiser] ten behoeve van de aan [verweerster]s in eigendom toebehorende woning annex winkel werkzaamheden heeft verricht en uitgaven heeft gedaan (vgl. rov. 3.1 hof), en het debat tussen partijen vooral betrekking had op de mate waarin de door [eiser] naar diens stellingen daartoe gedane uitgaven aan dit huis van [verweerster] ten goede waren gekomen . 3.17.
- Indien het hof in rov. 3.5 bedoeld heeft te oordelen dat [eiser] (de hoogte van) een waardestijging van [verweerster]s huis nader had moeten adstrueren, volgt het onderdeel het lot van de onderdelen 2.1-2.
- Indien het hof bedoeld heeft te oordelen dat [eiser] de hoogte van een andersoortige verrijking (besparing van uitgaven) aanstonds zodanig diende aan te tonen, dat zij als voorshands (behoudens tegenbewijs) vaststaand zou moeten kunnen gelden, is het hof uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Indien het hof met het van [eiser] verlangde ‘aannemelijk maken’ respectievelijk ‘inzichtelijk maken’ respectievelijk ‘met bescheiden staven’ in andere zin iets bedoelde dat méér inhoudt dan ‘voldoende feiten ten grondslag leggen’, is het hof eveneens uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de stelplicht, of is zijn oordeel zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk. Indien het hof daarmee niét iets anders bedoelde dan ‘voldoende feiten ten grondslag leggen’, is zijn oordeel zonder nadere motivering, die ontbreekt, eveneens onbegrijpelijk, en wel in het licht hetgeen ik hierboven in nrs. 3.15-3.16 heb vermeld. Ik opper ten slotte nog dat het hof, gelet op het in nr. 3.15 aangehaalde verweer van [verweerster], het misschien op de weg van [eiser] vond liggen om de volgens de stellingen van [eiser] op de verbouwing betrekking hebbende stapel facturen en bonnen nog eens door te spitten en die stuk voor stuk van een nadere toelichting of rubricering te voorzien . Gelet op het ten deze ongespecificeerde verweer van [verweerster], meen ik evenwel dat het hof dit niét (‘met terugwerkende kracht’) van [eiser] in het kader van diens stelplicht kon verlangen; en in ieder geval heeft het hof dit verlangen (of een ander verlangen) niet of onvoldoende duidelijk gemaakt. 3.
- Onderdeel 3 richt zich tegen de onder
(3)van rov. 3.5 weergegeven deeloverweging dat [eiser] evenmin op enige wijze aannemelijk heeft gemaakt dat [verweerster] tot het door hem genoemde bedrag verrijkt is ten koste van hem. Terecht gaat onderdeel 3.1, dat overigens geen klacht bevat, uit van de veronderstelling dat het hof in deze deeloverweging geoordeeld heeft dat [eiser] op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt dat hij tot het door hem genoemde bedrag verarmd is. 3.19. Onderdeel 3.2 klaagt – op gelijke wijze als onderdeel 2.6 dat deed t.a.v. de verrijking – dat van [eiser] rechtens niet kan worden gevergd dat hij de door hem gestelde verarming al in de schriftelijke fase van het geding aannemelijk maakt en voorts dat voor zover het hof bedoeld zou hebben dat [eiser] ook niet aan zijn stelplicht ter zake zou hebben voldaan zulks onbegrijpelijk is aangezien [eiser] een en andermaal heeft gesteld uitgaven te hebben gedaan ten belope als ten processe gesteld ten behoeve van de ten processe bedoelde verbouwing. Het onderdeel verwijst naar de nrs. 4, 5, 6, 9 en 20 MvG. Die stellingname impliceert een verarming corresponderend met de verrijking die [verweerster] door natrekking van het met de betreffende uitgaven aangeschafte heeft genoten, aldus het onderdeel. Onderdeel 3.3 voert aan dat voor zover het hof geoordeeld heeft dat [eiser] de door hem gestelde verarming tegenover de betwisting van [verweerster] niet heeft bewezen, dat oordeel onbegrijpelijk is, nu [eiser] juist heeft aangeboden de door hem gestelde uitgaven (ten dele) te bewijzen door middel van vijf (met name genoemde) getuigen. Volgens het onderdeel is rechtens onjuist, althans had het hof nader moeten motiveren dat het hof enerzijds [eiser] verwijt de gestelde verarming niet te hebben bewezen en anderzijds (ongemotiveerd) voorbijgaat aan het gedane bewijsaanbod. Tot slot klaagt het onderdeel dat voor zover het hof van oordeel zou zijn dat [eiser] het door hem gestelde eerst aannemelijk gemaakt zou moeten hebben alvorens tot getuigenbewijs te kunnen worden toegelaten, dat oordeel onjuist is. 3.20. De beide onderdelen 3.2 en 3.3 vormen tot op grote hoogte het spiegelbeeld van onderdeel 2.6. 3.21. Zoals ik bij de bespreking van onderdeel 2.6 de passages in de MvG waarnaar verwezen werd, heb nagelopen, zo doe ik dat ook hier. Nr. 4 MvG houdt inderdaad de pertinente stelling in dat [eiser] vele uitgaven heeft gedaan om de woning annex bedrijfsruimte van [verweerster] op te knappen en te verbeteren, met verwijzing (in nr. 5) naar geproduceerde aankoopbewijzen en een geproduceerd overzicht van uitgaven. Nr. 6 MvG refereert aan een erkenning van de overgelegde aankoopbewijzen door [verweerster] tot een bedrag van ongeveer € 9.000. Het weinig zeggende nr. 9 MvG kwam hiervoor al ter sprake. In nr. 20 MvG stelt [eiser] dat hij een deel van zijn vordering nader kan bewijzen met vijf (met name genoemde) getuigen die materialen en gereedschap hebben geleverd ten behoeve van de verbouwing van de woning annex bedrijfsruimte van [verweerster]. 3.22. De onderdelen 3.2 en 3.3 slagen naar mijn mening. Indien het hof in rov. 3.5 (onder 3) bedoeld heeft te oordelen dat [eiser] (de hoogte van) een met de waardestijging van [verweerster]s huis corresponderende verarming nader had moeten adstrueren, delen deze onderdelen het lot van de onderdelen 2.1-2.4. Indien het hof bedoeld heeft te oordelen dat [eiser] de hoogte van een verarming samenhangend met een andersoortige verrijking (besparing van uitgaven) aan de zijde van [verweerster] aanstonds zodanig diende aan te tonen, dat zij als voorshands (behoudens tegenbewijs) vaststaand zou moeten kunnen gelden, is het hof uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Indien het hof met het van [eiser] verlangde ‘aannemelijk maken’ iets anders bedoelde dat méér inhoudt dan ‘voldoende feiten ten grondslag leggen’, is het hof eveneens uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, of is zijn oordeel zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk. Indien het hof daarmee niét iets anders bedoelde dan ‘voldoende feiten ten grondslag leggen’, is zijn oordeel zonder nadere motivering, die ontbreekt, eveneens onbegrijpelijk in het licht hetgeen ik hierboven in nr. 3.21 heb vermeld. Indien het hof het bij MvG nr. 20 aangeboden bewijs onvoldoende gespecificeerd achtte, is dat oordeel zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk . 3.23. Onderdeel 3.4 klaagt dat het hof onvoldoende gemotiveerd voorbij is gegaan aan het betoog van [eiser] dat een door het hof te gelasten deskundigenbericht zou kunnen uitwijzen dat en in hoeverre door [eiser] uitgaven zijn gedaan ten behoeve van de ten processe bedoelde verbouwing. Volgens het onderdeel heeft hof zijn motiveringsplicht verzaakt nu het aan de indringende stellingen van [eiser] dat en waarom speciaal in dit geval een deskundigenbericht de nodige gegevens zou kunnen opleveren, geen enkele aandacht heeft besteed. 3.24. Ik meen dat dit onderdeel faalt. De vraag of deskundigen dienen te worden ingeschakeld is steeds aan de vrije beoordeling van de (feiten)rechter overgelaten. Wijst de rechter een verzoek tot benoeming van een deskundige af, dan hoeft hij een dergelijke afwijzing in beginsel niet te motiveren. Op dit beginsel bestaan schaarse uitzonderingen, maar die heb ik tot nu toe alleen waargenomen in bijzondere zaken als Bopz-zaken. Het hof kon derhalve zonder motivering voorbijgaan aan het verzoek van [eiser] aan het hof om een deskundigenbericht te gelasten. Ik teken terzijde nog aan dat het hof, indien het geoordeeld zou hebben (zoals het m.i. had moeten oordelen, zie hiervóór) dat [eiser] genoeg gesteld had voor vernietiging van het vonnis van de rechtbank en verdere instructie van de zaak, de vrijheid had om aan te geven dat datgene wat [eiser] via het deskundigenbericht zou willen bereiken, ook op andere wijze bereikt zou kunnen worden. Daarbij valt te denken aan verder partijdebat aan de hand van door de rechter nader aan te geven parameters, of nadere instructie tijdens een comparitie ten overstaan van een rechter/raadsheer-commissaris. Na vernietiging en verwijzing kan het verwijzingshof dit nader bezien. 3.25. Onderdeel 4 keert zich tegen de door het hof (kennelijk) gehanteerde bewijslastverdeling. Onderdeel 4.1 betoogt – bij wijze van inleiding – dat ’s hofs arrest blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting nu het hof er kennelijk van uitgaat dat de gehele bewijslast ter zake van de ongerechtvaardigde verrijking van [verweerster] op de schouders van [eiser] rust. Volgens onderdeel 4.2 miskent het hof daarbij dat het verweer van [verweerster] ten dele inhoudt (
- i)dat zij gelden voor de verbouwing aan [eiser] ter beschikking heeft gesteld, respectievelijk alles heeft betaald, alsmede dat [eiser] (
- ii)zaken waarvan hij stelt dat deze voor de verbouwing zijn benut tot zich heeft genomen en (iii) vernielingen heeft aangericht. Volgens het onderdeel rust voor deze zelfstandige verweren de bewijslast volgens de hoofdregel van art. 150 Rv. op [verweerster]. 3.25.1. Ad (i). Voor zover onderdeel 4.2 betrekking heeft op het verweer van [verweerster] dat zij de gelden voor de verbouwing aan [eiser] ter beschikking heeft gesteld resp. alles heeft betaald, mist het onderdeel feitelijke grondslag, omdat niets erop wijst dat dit verweer (mede) dragend is geweest voor ’s hofs in rov. 3.5 gegeven oordeel. Terzijde merk ik het volgende op. Na vernietiging en verwijzing kan bij het verwijzingshof nog aan de orde komen of het hier bedoelde verweer van [verweerster] een bestrijdend of zelfstandig ‘ja maar’-verweer is waarvan volgens de hoofdregel van art. 150 Rv. de bewijslast op haar rust (‘[eiser] heeft de uitgaven wel gedaan, maar met door mij contant ter beschikking gesteld c.q. gerestitueerd geld’), dan wel een gemotiveerd ‘neen, want’-verweer (‘[eiser] heeft die uitgaven niet gedaan, omdat ik het geld aan hem voorschoot/teruggaf’), waarbij de bewijslast van de gedane uitgaven volgens de hoofdregel bij [eiser] zou blijven rusten. In het licht van het partijdebat tot dusverre acht ik, naar de hoofdregel, de eerst genoemde optie voorshands aannemelijker dan de tweede. 3.25.2. Ad (ii). Het hof heeft in rov. 3.5, oordelend dat [eiser] ‘in het geheel niet inzichtelijk [heeft] gemaakt, noch met bescheiden gestaafd […] in welke mate zijn […] uitgaven aan deze beweerdelijke stijging hebben bijgedragen’, kennelijk mede het oog gehad op [verweerster]s onder (
- ii)bedoelde verweer dat [eiser] zaken waarvan hij stelt dat deze voor de verbouwing zijn benut tot zich heeft genomen, en heeft dat verweer kennelijk in zoverre gehonoreerd. In zoverre ken ik aan onderdeel 4.2 op dit punt (
- ii)feitelijke grondslag toe. Toch meen ik dat het niet slaagt. Anders dan het onderdeel ten deze betoogt, meen ik dat het hof heeft kunnen oordelen dat bij [verweerster]s verweer ten deze niet sprake is van zelfstandig of bestrijdend verweer, maar van een gemotiveerd ontkennend verweer . Ook al heeft [eiser] beklemtoond dat hij nauwgezet alle facturen en uitgaven die verband hielden met de verbouwing van de woning annex bedrijfsruimte van [verweerster] heeft bijgehouden, reden waarom hij de desbetreffende overzichten juist kón overleggen, en ook al meen ik dat [eiser] daarmee voldoende feiten aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd , dat neemt niet weg dat [verweerster] mocht ontkennen dat de door [eiser] verzamelde, opgevoerde en opgetelde facturen en bonnen, niet of slechts ten dele op de verbouwing van haar huis betrekking hadden. Voor zover [verweerster] die ontkenning heeft gemotiveerd met de stelling dat het gaat om zaken die [eiser] niet voor de verbouwing zijn benut, resp. tot zich heeft genomen, mag die motivering van haar ontkenning niet aangemerkt worden als een zelfstandig verweer. 3.25.3. Ad (iii). Voor zover onderdeel 4.2 gaat over de daar bedoelde vernielingen, mist het onderdeel feitelijke grondslag, omdat het hof daarover klaarblijkelijk geen oordeel heeft gegeven: aan die stelling van [verweerster] is het hof in het geheel niet toegekomen. Terzijde merk ik evenwel op dat, indien na vernietiging en verwijzing dit punt bij het verwijzingshof nog aan de orde zou komen, inderdaad moet gelden dat het hier bedoelde verweer van [verweerster] een zelfstandig verweer is waarvan volgens de hoofdregel van art. 150 Rv. de bewijslast op haar rust. 3.26. Onderdeel 4.3 voert aan dat indien het hof hier een afwijking van de hoofdregel van art. 150 Rv. gerechtvaardigd vond, dan wel de ‘behoudens tegenbewijs bewezen’-constructie heeft gebezigd, ’s hofs oordeel wat dit betreft nadere motivering vergt. Het onderdeel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag, omdat niets erop wijst dat het hof in deze of gene door het onderdeel bedoelde zin heeft geoordeeld. 3.27. Onderdeel 5.1 betoogt dat voor zover ’s hofs arrest aldus moet worden verstaan dat het hof zijn oordeel tevens heeft gebaseerd op de overweging dat [eiser] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de verrijking van [verweerster] ten koste van [eiser] ongerechtvaardigd was, heeft te gelden dat die ongerechtvaardigdheid in dit geval voor zich spreekt. 3.28. Voor zover dit onderdeel nog bespreking behoeft, faalt het bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof zag klaarblijkelijk geen reden om toe te komen aan een oordeel over eventuele ongerechtvaardigdheid van de door [eiser] gestelde en door het hof van de hand gewezen verrijking van [verweerster] ten koste van hem ([eiser]) en heeft dus niets in die zin overwogen. 3.29. Onderdeel 5.2, dat voortborduurt op onderdeel 5.1, deelt het lot daarvan. 3.30. Onderdeel 6 heeft betrekking op de door [eiser] verzochte schadestaatprocedure. 3.31. Het onderdeel kan niet tot cassatie leiden. Anders dan subonderdeel 6.1 betoogt, heeft het hof het verzoek tot verwijzing naar een schadestaatprocedure niet over het hoofd gezien, maar is het hof aan beoordeling van dat verzoek simpelweg niet toegekomen. De op subonderdeel 6.1 voortbouwende subonderdelen 6.2 en 6.3 behoeven geen bespreking. 4. Conclusie Mijn conclusie strekt tot vernietiging en verwijzing. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, A-G