ECLI:NL:PHR:2008:BE7451
Zaaknr. C07/082HR Mr. Huydecoper Zitting van 11 juli 2008 Conclusie inzake De Ontvanger van de Belastingdienst/Zuidwest eiser tot cassatie tegen Singulus Technologies A.G. verweerster in cassatie Feiten en procesverloop(1)
De feiten die tot dit geschil aanleiding hebben gegeven zijn als volgt:
Beide overeenkomsten zijn bij brieven van 23 januari 2003, overeenkomstig het in die overeenkomsten bepaalde, met onmiddellijke ingang beëindigd wegens, kort gezegd, wanbetaling van Memox. Bij die gelegenheid werden de machines tevens opgeëist.
Subsidiair stelt Singulus dat het bodembeslag haar niet kan worden tegengeworpen omdat Alcor de machines voorafgaand aan het bodembeslag al had opgeëist, maar afgifte door de afkoelingsperiode niet mogelijk is gebleken. Als gevolg hiervan heeft de Ontvanger de afkoelingsperiode kunnen gebruiken om zijn positie te verbeteren ten koste van Alcor. Dat zou in strijd zijn met de bedoeling van deze wettelijke regeling (ik bedoel dan: de regels betreffende het bodembeslag en de regeling betreffende de afkoelingsperiode van art. 241a Fw).
Het recht van de Ontvanger uit art. 22 lid 3 Iw
Uit deze bepaling heeft de Hoge Raad afgeleid dat aan de Ontvanger een recht toekomt om de in art. 22 lid 3 Iw genoemde belastingschulden te verhalen op in beslag genomen "stofferingszaken" die zich op de bodem van de belastingschuldige bevonden, ook wanneer derden van die zaken eigenaar waren of daarmee vergelijkbare goederenrechtelijke aanspraken daarop bezaten(5). Het hier bedoelde verhaalsrecht wordt meestal aangeduid als het "bodemrecht" (en zo zal ik het ook noemen)(6).
In die BW-bepaling was het privilege geregeld dat ten gunste van verhuurders gold (en dat, zoals voor de hand ligt, betrekking had op onbetaald gebleven huurpenningen e.d.). Dat privilege betrof (onder andere) "al hetgeen op den bodem is, zoo tot stoffering van het gehuurde goed of van de gepachte hoeve ...; onverschillig of de hierboven gemelde voorwerpen al dan niet aan den huurder of den pachter toebehooren.".
In de huidige tekst van art. 22 lid 3 Iw zijn de contouren van de voor het verhuurdersprivilege geschreven (maar in 1992 afgeschafte) bepaling van art. 1186 BW nog duidelijk te herkennen(8).
In de eerste plaats valt natuurlijk op dat er tussen het verhuurdersprivilege en de bodem van het gehuurde of gepachte (en wat daarop "tot stoffering of inrichting" is aangebracht), een zekere logische samenhang bestaat. Die samenhang is zeker niet in vergelijkbare mate aanwezig als het gaat om belastingschulden en zaken die zich op de "bodem" van de belastingschuldige bevinden(9).
In de tweede plaats valt op dat voor het verhuurdersprivilege geen verband wordt gelegd met beslag of andere maatregelen van rechtsvervolging; én dat het privilege van de verhuurder ingevolge art. 1188 BW een zekere mate van "zaaksgevolg" had, doordat het (althans in bepaalde gevallen) bleef gelden, ook als de zaken in kwestie van de bodem van de huurder/pachter werden weggevoerd.
Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 1987 - 1988, 20 588, nr. 3, p. 66 - 67: "Door de maatschappelijke ontwikkelingen sinds 1845 is het bodemrecht echter in een ander daglicht komen te staan en wordt dat recht niet alleen toegepast in aperte misbruiksituaties, doch ook in de situaties waarin het voorrecht van de fiscus gefrustreerd wordt. De laatstbedoelde situaties doen zich met name in de bedrijfssfeer voor.
Het komt veelvuldig voor dat een ondernemer de beschikking heeft over goederen waarvan hij niet de juridische eigendom heeft. In de praktijk eisen bijvoorbeeld banken en andere financiers of bedrijven voor het verlenen van kredieten of het leveren van goederen zekerheid van de ondernemer voor de voldoening van hun vorderingen. Die zekerheid vindt zijn beslag in het sluiten van overeenkomsten zoals onder meer huurkoopovereenkomsten, overeenkomsten betreffende eigendomsoverdracht tot zekerheid, bepaalde overeenkomsten van leasing of andere overeenkomsten waarbij de leverancier van goederen zich daarvan de eigendom voorbehoudt. Het sluiten van deze overeenkomsten leidt ertoe dat de onder de overeenkomst vallende goederen worden gebruikt in het bedrijf dat daarvan de lusten en lasten heeft, terwijl een ander daarvan de eigenaar is. Deze eigendom, bij voorbeeld van een aantal machines, berust bij banken of andere financiers, leveranciers e.d. Zij gebruiken de machines niet daadwerkelijk, de juridische eigendom strekt slechts tot zekerheid voor de voldoening van hun vorderingen.
Gelet op die situatie en het feit dat de onderwerpelijke overeenkomsten in de bedrijfssfeer vaak voorkomen en betrekking hebben op een groot aantal of alle goederen in een bedrijf, zou de ontvanger bij gebreke van het fiscale bodemrecht in veel gevallen nauwelijks of geen verhaalsmogelijkheden hebben.
Het voorrecht van de fiscus zou in de praktijk dan ook weinig of niets voorstellen."
Een afweging die aan de "equities" ten volle recht doet wedervaren, is op die manier niet verkregen - de wetgever komt enigszins aan een probleem dat men gesignaleerd heeft tegemoet, maar deinst ervoor terug, dat in volle omvang te doen, en trekt dan grenzen die, bezien vanuit het beoogde doel en de gehanteerde billijkheidsargumenten, niet steeds als begrijpelijk (laat staan als logisch) "overkomen".
Bij zo'n uitkomst zou ik er dan toe neigen, de keus die de wetgever gemaakt heeft te nemen voor wat die is: de resultante van een moeizame politieke krachtmeting, die moet worden gerespecteerd, maar waaraan geen duidelijke "achterliggende gedachte" ten grondslag ligt die (veel) houvast kan bieden bij de uitleg en de verdere toepassing.
Dit aspect is van invloed geweest op de afweging die in de regeling van het bodemrecht tot uitdrukking komt. Als men geconfronteerd wordt met een zaak als de onderhavige kan dit aspect de vraag oproepen in hoeverre er ruimte bestaat om, ook waar de Ontvanger de regels van deze Leidraad in acht heeft genomen en beroep op de belastingadministratie dus geen gevolg zou behoren te hebben, er toch van een onrechtmatig gebruik van de desbetreffende bevoegdheden sprake kan zijn.
Zich onttrekken aan het bodemrecht
In de schriftelijke toelichting namens de Ontvanger wordt de eerste van deze maatregelen betiteld als "de afvoerconstructie". Die term suggereert enigszins een diskwalificerend oordeel over de daarmee aangeduide praktijk. Voorzover inderdaad bedoeld werd een negatieve lading aan de gekozen aanduiding mee te geven, lijkt mij dat niet terecht. De door mij hiervóór als politiek compromis aangeduide regeling trekt de grens misschien op een manier die, althans in sommige opzichten, als arbitrair of grillig kan worden gekwalificeerd (en zo heb ik die grens ook gekwalificeerd); maar dat zo zijnde, valt het de betrokkenen niet kwalijk te nemen dat zij zich naar de gemarkeerde grenzen, arbitrair of niet, richten, en trachten voor zichzelf een plaats aan de "goede kant" van de gegeven grens te bewerkstelligen(16). Dat geldt dan echter, lijkt mij, even zo goed voor de Ontvanger als het geldt voor degenen die aan het bodemrecht proberen te ontkomen: beiden handelen "within the bounds of the law" als zij zich naar de grens van het politieke compromis richten.
De faillissementsrechtelijke afkoelingsperiode
De regeling komt er inhoudelijk op neer dat rechtbank dan wel de rechter-commissaris kunnen gelasten dat gedurende een beperkte tijd ieder verhaal van schulden op tot de boedel behorende goederen en iedere opeising van onder de schuldenaar berustende goederen achterwege moet(en) blijven.
Een afkoelingperiode belet dus dat een wederpartij van de schuldenaar met een beroep op - bijvoorbeeld - eigendomsrechten, goederen die zich onder de schuldenaar bevinden daadwerkelijk opeist.
Er zijn echter ook schrijvers die het tegengestelde standpunt - met verve - verdedigen(20)•.
Dat hier geen sofisterij wordt bedreven blijkt uit het vervolg van art. 241a Fw zelf, waar immers wordt bepaald dat opeising gedurende een afkoelingsperiode wordt uitgesloten voor "goederen die zich in de macht van de schuldenaar bevinden". Dit stelt buiten twijfel dat de wetgever zich bewust is geweest van het onderscheid tussen tot de boedel behorende goederen enerzijds, en zich in de macht van de schuldenaar bevindende goederen anderzijds, en dat dat onderscheid hier "met voorbedachten rade" is gehanteerd.
Het hof heeft in de onderhavige zaak ook klaarblijkelijk het leggen van bodembeslag tijdens een afkoelingperiode niet op de hier besproken grond als ontoelaatbaar aangemerkt, en over dat oordeel wordt in cassatie niet geklaagd. Aangezien de praktijk daarmee gebaat zou zijn ware denkbaar dat de Hoge Raad niettemin een oordeel over deze kwestie uitspreekt; maar voor de beslissing op het onderhavige cassatieberoep is dat dus niet noodzakelijk.
Ik denk intussen dat wij aan dit opvallende stilzwijgen geen gevolgtrekkingen mogen verbinden(24): het lijkt mij niet aannemelijk dat de wetgever hiermee tot uitdrukking heeft gebracht dat uitoefening van de bevoegdheden in verband met het bodemrecht tijdens de afkoelingsperiode wél, of juist niet als toelaatbaar werd beoordeeld. Men heeft misschien over het punt geen uitspraak willen doen; of misschien is over het hoofd gezien dat hier een probleem bestond dat om een oplossing vroeg. In beide gevallen geldt dat aan het stilzwijgen van de wetgever geen betekenis voor de uitleg van de wet in een bepaalde zin kan worden toegekend.
Deze bepalingen houden onder meer in dat een tijdens de afkoelingsperiode gelegd bodembeslag niet kan worden tegengeworpen aan eigenaren of derden-pandhouders die hun recht op afgifte al vóór het leggen van het beslag bij exploit geldend hadden gemaakt.
De vraag is nu natuurlijk of deze bepalingen aansluiten bij een onder het voorheen geldende recht al bestaande regel van ongeschreven recht (die dan door de nadere regeling bij de wet wordt "gecodificeerd" of misschien ook gepreciseerd); of dat het hier een geheel nieuwe, en van het voordien geldende recht afwijkende regeling betreft.
Daarbij leggen voor mij ook de aanstonds in alinea's 43 - 45 te bespreken argumenten mutatis mutandis (nog) enig gewicht in de schaal.
Ook hier betreft het een politiek compromis, vergelijkbaar met de compromissen waarvan de regeling van het bodemrecht van begin af aan blijk heeft gegeven; en dus niet een regel die alléén berust op een "balancing of the equities" (en daarmee mogelijk: op een al bestaande billijkheids- of zorgvuldigheidsnorm). De door mij als arbitrair betitelde grens die in 1992 (bij de invoering van de faillissementsrechtelijke afkoelingsperiode) een zekere, en mogelijk niet geheel voorziene "grenscorrectie" had ondergaan, is bij de wet van 2005 opnieuw gecorrigeerd. Dat levert geen reden op om de voorheen geldende grens al (op grond van ongeschreven recht) te interpreteren als anders gesitueerd.
Reële eigendom
Er bestaat namelijk nog een alternatieve rechtsopvatting die, naast de door het hof aan het bestreden arrest ten grondslag gelegde, indien juist bevonden moet leiden tot afwijzing van een beroep op bodembeslag in de omstandigheden van de onderhavige zaak.
Die opvatting is geïntroduceerd in een artikel van Vriesendorp(27). Ik geef die als volgt weer:
De Leidraad strekt ertoe dat het bodemrecht wél mag worden uitgeoefend als de eigendomsrechten van de derde als niet-reëel zijn aan te merken; en in het omgekeerde geval niet(28).
Na beëindiging van de desbetreffende rechtsverhouding en opeising van de desbetreffende zaken, zou de aanspraak van de betrokken derde dus moeten worden aangemerkt als "reële eigendom" als bedoeld in de Leidraad; en uit dien hoofde zou de Ontvanger gehouden zijn, het recht van de derde te respecteren(29).
Ik denk dat, omdat ik meen dat de grens die de Leidraad tot uitdrukking brengt, verloopt langs de lijn die ik in alinea 39 hiervóór al even aangaf: waar de lusten en lasten van een aan de belastingschuldige verstrekte zaak naar de strekking van de desbetreffende rechtsverhouding, en blijvend, geheel voor rekening van de houder-belastingschuldige komen en de aan een derde voorbehouden eigendom uitsluitend strekt tot het waarborgen van de nakoming van de verplichtingen van de houder-belastingschuldige uit hoofde van die rechtsverhouding, moet de desbetreffende eigendom als niet-reëel worden aangemerkt: de derde is formeel-juridisch eigenaar, maar in maatschappelijk-economisch opzicht is de houder-belastingschuldige dat. Hetzelfde geldt wanneer de desbetreffende rechtsverhouding niet uitsluitend, maar wel in sterk overwegende mate een strekking heeft als zojuist weergegeven.
In het door mij als enigszins arbitrair beschreven compromis waarop het bodemrecht berust, neemt een centrale plaats in wat er dan het eerst gebeurt: beslag van de Ontvanger of effectieve verwijdering van de bodem door de rechthebbende(33). Als dat laatste kan worden vervangen door het loutere beëindigen van de rechtsverhouding en het verlangen van afgifte - en dat is waar Vriesendorps gedachten in uitmonden: daardoor zou immers niet-reële eigendom in reële eigendom (kunnen) worden omgezet - , zou het met het compromis beoogde evenwicht vergaand ten gunste van de derde-eigenaar en ten nadele van de Ontvanger worden verplaatst. Het lijkt mij uitgesloten dat een dergelijke vergaande bedoeling of strekking aan de Leidraad zou mogen worden toegeschreven(34).
Zo kom ik terug op mijn uitgangspunt - namelijk dat een uitleg van de Leidraad die wel tot de zojuist verwopen uitkomst leidt, niet aanvaard behoort te worden.
De redenen waarom ik de door Vriesendorp bepleite oplossing verwerp, zijn hier "van overeenkomstige toepassing"(35). Ook deze benadering zou volgens mij dus niet moeten worden aanvaard.
Voorzover daarmee beoogd wordt dat de Hoge Raad zich uitspreekt over de vraag die de op Vriesendorps artikel berustende gedachten oproepen, lijkt mij dit een legitiem verlangen; en over de wijze waarop deze vraag zou kunnen worden beantwoord heb ik mijn mening zojuist al gegeven.
Conclusie Ik concludeer tot vernietiging, met verdere beslissingen als gebruikelijk.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden 1 Zie het in cassatie bestreden arrest onder 3 en het vonnis van de rechtbank in eerste aanleg , rov. 1onder a - k.
2 Resolutie van 25 juni 1990. De ADW vermeldt als datum van inwerkingtreden 1 juni 1990, maar vermeldt geen gegevens omtrent de publicatie van de oorspronkelijke Leidraad (wel van de vele daarna gevolgde versies van dit instrument, die alle in de Staatscourant zijn verschenen). De thans geldende Leidraad - voorzover voor de onderhavige zaak van belang - is onder meer te kennen uit S&J-editie 114-II (2005).
3 Zowel het vonnis van de eerste aanleg als het arrest in appel zijn gepubliceerd en becommentarieerd, zie voor de uitspraak van het hof VN 2007/13.25 met aant. red.; NJF 2007, 47; JOR 2006, 304 m.nt. Van Andel; en voor de beslissing in eerste aanleg (rechtbank Amsterdam 3 november 2004) VN 2005/7.25 m.nt. red.; JOR 2005, 78 m.nt. Van Andel.
4 Het in cassatie bestreden arrest is van 24 september 2006, en de cassatiedagvaarding van 21 december 2006.
5 HR 12 mei 1989, NJ 1990, 130 m.nt. WHH, rov. 3.5; HR 13 januari 1989, NJ 1990, 211 m.nt. EAA, rov. 3.1 onder a. Op zaken waarop het bodemrecht betrekking heeft, rust ook in dezelfde omvang een recht van voorrang ten gunste van de Ontvanger als op "eigen" zaken van de belastingschuldige - zo vat ik HR 5 oktober 1979, NJ 1980, 280 m.ntn. FJHM en WHH, "O. omtrent het cassatiemiddel" samen.
6 Het kan tot de duidelijkheid bijdragen om reeds hier aan te geven dat dit recht moet worden onderscheiden van het "bodemvoorrecht" dat de huidige Iw in art. 21 aan de Ontvanger toekent. Daarbij gaat het om aan de belastingschuldige toebehorende zaken waarop aan derden "bezitloos pandrecht" is verleend. Ook boven deze (pand)rechten wordt aan de Ontvanger voorrang verleend, voorzover de zaken in kwestie zich op de bodem van de belastingschuldige bevinden. Hierbij doet echter niet terzake of de Ontvanger beslag heeft gelegd.
7 Wet van 22 mei 1845, Stb. 22.
8 Zie voor de geschiedenis van art. 22 lid 3 Iw o.a. Vakstudie (losbl.) deel vijf, Invorderingswet, art. 22, aant. 1.2, en de conclusie van A - G Ten Kate voor HR 9 januari 1981, NJ 1981, 656.
9 De vraag wat in dit verband onder "bodem" mag worden begrepen is in deze zaak niet aan de orde, en ik zal die dan ook niet nader bespreken. Het betreft hier intussen een zeer ruim, maar ook enigszins onbestendig begrip.
10 Zie ook De Ranitz in "Het faillissement in de tijd van Molengraaff en nu", preadviezen voor de Vereeniging "Handelsrecht" 1993, p. 62 - 65.
11 Het kan ook om andere belastingschuldigen gaan, maar zoals het aangehaalde citaat uit de Memorie van Toelichting illustreert, concentreert de discussie zich vooral op de belastingschuldige ondernemer.
12 Dat het verhuurdersprivilege zich tot "stoffering" uitstrekte is, denk ik, te verklaren uit het feit dat de romeinsrechtelijke regel waaraan dit privilege op zijn beurt is ontleend, zag op de "invecta et illata" die zich op het gehuurde bevonden; zie daarover Asser-Van Oven (Zakenrecht), 1967, p. 15 - 30.
Men beseffe overigens dat huisraad en bedrijfsmiddelen "tot stoffering" in de periode waaruit deze regels stammen - (ook nog) in de 18e en vroege 19e eeuw - belangrijke vermogensbestanddelen plachten te zijn, die een aanzienlijke waarde vertegenwoordigden. Met een daarop gericht privilege werd een reële tegemoetkoming geboden, tewijl andere - voor moderne bedrijfsvoering natuurlijk zeer gangbare - activa zoals handelsvoorraden en debiteuren, gewoonlijk onvoldoende relatie met een huurobject vertonen om als voorwerp van een verhuurdersprivilege in aanmerking te komen. Met die gegevens voor ogen is het destijds aan het verhuurdersprivilege toegekende bereik goed te begrijpen; maar dat geldt voor het aan het bodemrecht toegekende bereik niet.
Naarmate het financiële belang van "stoffering" van de bodem onder de voor verhaal beschikbare activa is afgenomen is dit gaandeweg steeds minder gaan gelden.
13 In 1992 is geprobeerd de wettekst aan te passen op een wijze die een stukje met de hier besproken gedachten meegaat, zie bijvoorbeeld Kamerstukken II 1992 - 1993, 22 942 nr. 2, art. 3:280 sub 5° (a - c) jo. art. 3:284 BW en nr. 3, Hfdst II. De behandeling van dit wetsontwerp is echter in 1994 gestaakt. Beschouwingen over het bodemrecht in verband met dit wetsontwerp zijn te vinden bij De Ranitz in "Het faillissement in de tijd van Molengraaff en nu", preadviezen voor de Vereeniging "Handelsrecht" 1993, p. 53 e.v.
14 Sinds art. 21 Iw zijn huidige vorm kreeg (waarbij, zoals al even werd aangestipt, voor het "bodemvoorrecht" dat boven de rechten van bezitloze pandhouders gaat géén relatie met beslag is aangebracht) valt de betrekkelijke ongerijmdheid van deze beperking wat sterker op.
15 Ofschoon het bodemrecht inhoudelijk sedert 1845 maar vrij weinig verandering heeft ondergaan, is het wel bij vele gelegenheden ter discussie gesteld, zowel in de literatuur als in het politieke debat, zie bijvoorbeeld de bronnen vermeld bij Vakstudie (losbl.) deel vijf, Invorderingswet, art. 22, aant. 1.2.1.
16 Ik meen steun voor deze gedachte te kunnen ontlenen aan HR 12 april 1985, NJ 1986, 808 m.nt. WHH, rov. 3.3 en 3.5, evenals de noot onder dit arrest; zie ook Vakstudie (losbl.) deel vijf, Invorderingswet, art. 22, aant. 4.19.1 en Vetter c.s., Invordering van belastingen, 2005, p. 240 - 241.
17 Het gaat hier om de Wet van 7 mei 1986, S. 295, art. V en VII.
18 O.a. HR 16 oktober 1998, NJ 1998, 896, rov. 3.7; zie ook Reehuis - Slob c.s., Parlementaire Geschiedenis Invoeringswet boeken 3, 5 en 6, wijzigingen Rv. e.a., 1992, p. 414.
19 Van der Aa, De afkoelingsperiode in faillissement, diss. 2007, p. 95 - zie ook TvI 1995, p. 79 - 80; Vriesendorp, TvI 1998, p. 28 (aarzelend); Leuftink, Surséance van betaling, 1995, p. 119 - 120; Seinstra, Juridisch up to date 1994 nr. 16 (september) p. 3; Kortmann in: Kortmann c.s., Financiering en aansprakelijkheid, 1994, p. 159; De Ranitz in "Het faillissement in de tijd van Molengraaff en nu", preadviezen voor de Vereeniging "Handelsrecht" 1993, p. 160; in verschillende zin: Meeter en De Ranitz in het verslag van de vergadering van de Vereeniging "Handelsrecht" van 23 april 1993 (uitg. Zwolle 1994), p. 28 en p. 34 - 35 respectievelijk.
20 J.J. Van Hees, Leasing, 1997, p. 181 - 182; A. van Hees - C.M. Harmsen, Praktijkboek curatoren deel A.6, p. 11; zie ook Polak - Wessels, Insolventierecht Deel II, Gevolgen van faillietverklaring, 2000, nr. 2619.
21 Seinstra, Juridisch up to date 1994 nr. 16 (september) p. 3 - 4. In dit deel van het betoog lijkt een ander standpunt te worden verdedigd dan het in voetnoot 19 aangehaalde.
22 A. van Hees - C.M. Harmsen, Praktijkboek curatoren deel A.6, p. 10 - 11; Polak - Wessels, Insolventierecht Deel II, Gevolgen van faillietverklaring, 2000, nr. 2619 (met verwijzing naar verdere bronnen); Vriesendorp, TvI 1998, p. 28; Kortmann in: Kortmann c.s., Financiering en aansprakelijkheid, 1994, p. 159 - 160; Leidraad Invordering 1990, S&J-editie 114-II (2005), p. 198 - 199 (opmerkelijk is dat hier het geval van faillissement en schuldsanering wel wordt besproken, maar dat van surséance niet). De wettelijke regeling die inmiddels, sedert 2005, in de art. 63c en 241c Fw is neergelegd berust ook op het, blijkbaar als vaststaand aangenomen, uitgangspunt dat de regels voor de afkoelingperiode er niet aan in de weg staan dat bodembeslag wordt gelegd.
23 Van der Aa, De afkoelingsperiode in faillissement, diss. 2007, p. 8.
24 Er doet zich dus niet voor wat Conan Doyle in het verhaal "Silver Blaze" (van Sherlock Holmes) naar aanleiding van "the curious incident of the dog in the night" beschrijft: namelijk dat juist aan het feit dat de hond niets blijkt te hebben gedaan, verstrekkende gevolgtrekkingen mogen worden verbonden.
25 In het Voorontwerp Insolventiewet van de Commissie insolventierecht, gepubliceerd in 2007, wordt in art. 3.6.5 een beperkte versoepeling van deze betrekkelijk recent ingevoerde nieuwe wettelijke regeling voorgesteld (zie ook p. 81(f) in de Toelichting bij het Voorontwerp).
26 Ik zou overigens menen dat mede-crediteuren jegens elkaar slechts in beperkte mate tot het inachtnemen van égards gehouden zijn. (Ik vind voor deze opvatting - enige - steun bij Asser - Hartkamp 4 III, 2006, nrs. 51a en 51g.) Ook dat brengt mee dat ik weinig ruimte zie voor het aannemen van de normen van redelijkheid en billijkheid die het hof blijkbaar wél als aannemelijk heeft beoordeeld.
27 Namelijk het al eerder aangehaalde artikel uit TvI 1998, p. 27 e.v.
28 Leidraad Invordering 1990, S&J-editie 114-II (2005), p. 204 - 207.
29 De door Vriesendorp verdedigde regel heeft steun- of sympathiebetuigingen ontvangen van Polak - Wessels, Insolventierecht Deel II, Gevolgen van faillietverklaring, 2000, nr. 2619 en Tekstra, Fiscale aspecten van insolventies, 1999, p. 123; zie ook Van der Aa, De afkoelingsperiode in faillissement, diss. 2007, p. 92 - 93.
30 Als "leading cases" noem ik HR 28 maart 1990, NJ 1991, 118 m.nt. MS, rov. 4.3 - 4.6 en HR 11 oktober 1985, NJ 1986, 322 m.ntn. MS en G, rov. 3.3.
31 Uit de in alinea's 2 - 6 hiervóór weergegeven feiten blijkt dat de onder bodembeslag begrepen machines ten titel van lease aan Memox beschikbaar waren gesteld; dat de leaseovereenkomsten vóór de surséance en het bodembeslag waren beëindigd (dat dat rechtsgeldig is gebeurd kan volgens mij op z'n minst veronderstellenderwijs worden aangenomen); en dat de rechthebbenden met een maximum aan duidelijkheid en nadruk (maar zonder succes) vóórdat er bodembeslag werd gelegd, aanspraak hebben gemaakt op afgifte van de machines aan de op dat moment geldende eigenaar.
32 Deze opvatting is ook aanvaard in het in deze zaak in de eerste aanleg gewezen vonnis; kritisch daarover de noot van Van Andel in JOR 2005, 78.
33 In alinea 34 hiervóór heb ik erop gezinspeeld dat het hier besprokene mij ook heeft beïnvloed bij de beoordeling van de door het hof aanvaarde "betamelijkheidsnorm". Ik licht dat thans nader toe: zoals zojuist al beklemtoond, legt de regeling van het bodemrecht uit art. 22 lid 3 Iw de nadruk op de prioriteit: wie eerder beslag legt resp. wie eerder zaken van de bodem verwijdert, heeft het sterkste recht. Aanvaarding van de regel die het hof heeft aanvaard betekent niet alleen maar dat aan de Ontvanger een voordeel boven de derden-eigenaars wordt onthouden (namelijk dat de Ontvanger de afkoelingsperiode kan benutten, terwijl de derde-eigenaars dan niets kunnen uitrichten). Het betekent ook dat aan de enkele vordering tot afgifte (in of buiten rechte) gevolgen worden verbonden die die van de daadwerkelijke verwijdering van de bodem nabij komen of zelfs evenaren (afhankelijk van hoe men de regel precies opvat).
Daarmee wordt het de derde-rechthebbende (veel) gemakkelijker gemaakt om de uitoefening van het bodemrecht vóór te zijn. Het evenwicht uit het compromis dat in art. 22 lid 3 Iw aan het licht treedt, wordt daarmee in betekenisvolle mate "verlegd". Ook in dit verband beoordeel ik dat als niet verenigbaar met een juiste uitleg, hier dus: van de regel(ing) die op art. 22 lid 3 Iw berust.
34 Ik houd rekening met de mogelijkheid dat de aanhangers van de door Vriesendorp verdedigde oplossing nog verschil (willen) maken, al naar gelang het optreden van de derde-eigenaar en van de Ontvanger vóór een afkoelingsperiode plaatsvindt, of tijdens zo'n periode.
Hier lijkt mij het eerder gezegde echter a fortiori van toepassing: logisch is moeilijk vol te houden dat eigendom in het ene geval wél van niet-reëel tot reëel zou worden en in het andere geval niet; en met de aan de Leidraad toe te kennen bedoelingen stroken ook deze gedachten stellig niet.
35 Met dien verstande dat het hier eerder om uitleg van art. 22 lid 3 Iw gaat dan om uitleg van de Leidraad. Voor de bedoelingen die aan art. 22 Iw mogen worden toegedacht, geldt het eerder gezegde intussen dienovereenkomstig.
36 Het hof heeft, zoals in alinea 12 hiervóór al even werd opgemerkt, de kwalificatie van het eigendomsrecht van Singulus (als al-dan-niet "reëel") in het midden gelaten. Over die kwalificatie hadden partijen van weerszijden (ook) in de appelinstantie uitvoerige stellingen betrokken.
37 Ik laat dan nog daar, dat opvalt dat sommige voor de beoordeling alleszins wezenlijke gegevens lijken te ontbreken. Ik heb bijvoorbeeld in de dossiers niet een duidelijk leesbare tekst aangetroffen van de leaseovereenkomsten waarop de aanspraken van Singulus berusten. Ik denk dat een verantwoord oordeel zonder tenminste die informatie, moeilijk valt te geven.