Rolnummer: C07/097HR Mr. Wuisman Rolzitting: 12 september 2008 (bij vervroeging) CONCLUSIE inzake:
(2)), tot uitbreiding van de cassatiemiddelen is overgegaan. Onder deze omstandigheden moet het ervoor worden uitgegaan dat dat niet het geval is. Het gevolg hiervan is dat de 'uitbreiding' van de cassatiemiddelen in de schriftelijke toelichting buiten beschouwing dient te blijven. cassatiemiddel I; de kwestie van de 33 originele recepten 2.3 Op blz. 6 van de cassatiedagvaarding worden de volgende twee klachten geuit:
- ofwel rechtbank en hof hadden aan de stukken die als producties 1, 2 en 3 bij conclusie van dupliek in conventie tevens houdende conclusie van repliek in reconventie in het geding zijn gebracht, een groter gewicht moeten toekennen;
- ofwel rechtbank en hof hadden een deskundige moeten benoemen en hebben door dat niet te doen volstrekt ten onrechte [eiser 1] het rechtsmiddel van een onderzoek door een onafhankelijke deskundige (ter zake van het bestaan of bestaan hebben van de 33 originele recepten) onthouden. 2.4 Beide klachten falen. Voor zover de rechtbank ter sprake wordt gebracht, wordt daarbij uit het oog verloren dat in cassatie alleen de beslissingen van het hof ter toetsing aan de Hoge Raad kunnen worden voorgelegd. De aangevochten beslissingen van het hof betreffen het waarderen van de bewijskracht van in het geding gebrachte stukken, die geen authentieke akten zijn, en het beoordelen van de wenselijkheid van de inschakeling van een deskundige voor de bewijsgaring. Beide beoordelingen zijn bij uitstek aan de feitenrechter voorbehouden. De Hoge Raad kan slechts toetsen of het hof bij beide beoordelingen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting dan wel of er sprake is van een geheel onbegrijpelijk of anderszins volstrekt onvoldoende gemotiveerd oordeel. Het een noch het ander wordt met de aangevoerde klachten aangetoond. cassatiemiddel I; de kosten van het onderzoek 2.5 Gesteld wordt dat [eiser 1] en AZS B.V. ten onrechte met de kosten van het onderzoek worden belast. Daarvoor worden redenen opgevoerd die niet eerder zijn aangedragen, van feitelijke aard zijn en daardoor niet voor het eerst in cassatie ter sprake kunnen worden gebracht. Reeds hierop strandt de klacht. cassatiemiddel II; het verrekeningsverweer 2.6 In verband met het verrekeningsverweer heeft Z&Z in appel bij gelegenheid van de memorie van antwoord een bewijs van betaling in het geding gebracht ter staving van haar stelling in eerste aanleg dat zij de declaratie voor de verstrekkingen in november 2002 heeft voldaan en niet heeft verrekend; zie de memorie van antwoord blz. 13/14 en productie 2 bij die memorie. In rov. 18 van het bestreden arrest overweegt het hof dat [eiser 1] en AZS B.V. deze stelling niet hebben betwist en verwerpt op die grond het verrekeningsverweer als onvoldoende onderbouwd. In cassatiemiddel II wordt hiertegen aangevoerd dat [eiser 1] ter zitting bij het hof al zijn bankafschriften vanaf december 2002 tot december 2003 van de betrokken rekening heeft getoond en dat daaruit blijkt dat het bedrag van de declaratie niet op de rekening is terug te vinden, zodat het hof ten onrechte overweegt dat [eiser 1] en AZS B.V. de gestelde betaling niet hebben betwist. 2.7 Van het getoond hebben van bankafschriften op de zitting bij het hof blijkt niet uit het proces-verbaal van de zitting. In de Pleitnota van de raadsman van [eiser 1] en AZS B.V. in appel wordt het verrekeningsverweer niet ter sprake gebracht, wat wel in de rede zou hebben gelegen indien het de bedoeling was om de door Z&Z ook weer bij de memorie van antwoord gestelde en nu met een betalingsbewijs onderbouwde betaling te betwisten. Onder deze omstandigheden kan in cassatie niet worden uitgegaan van het in cassatiemiddel II gestelde tonen door [eiser 1] van bankafschriften. Dat brengt mee dat het middel bij gemis aan feitelijke grondslag geen doel kan treffen.
- Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
- Zie in dit verband het overzicht van de in rechte vaststaande feiten onder 1.1 t/m 1.11 van het vonnis d.d. 1 december 2004 van de rechtbank, waarvan het hof in rov. 3 van zijn arrest d.d. 19 december 2006 - in cassatie onbestreden - vaststelt dat hiertegen in appel niet is opgekomen.
- Vgl. HR 23 december 2005, NJ 2006, 31.