← Nederland

ECLI:NL:PHR:2008:BF3920

08/02111 Mr L. Strikwerda Parket, 26 sept. 2008 conclusie inzake

  1. [Verzoeker 1]
  2. [Verzoekster 2] tegen Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht Edelhoogachtbaar College,
  3. Het tijdig door verzoekers tot cassatie, hierna: de ouders, ingestelde cassatieberoep is gericht tegen de beschikking van het gerechtshof te Amsterdam van 13 mei 2008, waarbij het hof op het hoger beroep van de ouders heeft bekrachtigd de beschikkingen van de rechtbank Utrecht d.d. 21 januari 2008, waarbij op verzoek van thans verweerster in cassatie, hierna: Bureau Jeugdzorg, de termijn waarvoor de minderjarige zoon van de ouders, hierna: [de zoon], onder toezicht van Bureau Jeugdzorg is gesteld, heeft verlengd met één jaar, met ingang van 23 januari 2008, en de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de zoon] heeft verlengd met ingang van 23 januari 2008 voor de tijd van twaalf maanden.
  4. Het cassatieberoep berust op één middel. Het middel kan naar mijn oordeel niet tot cassatie leiden en noopt niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, zodat de Hoge Raad de klachten kan verwerpen met toepassing van art. 81 RO. De zaak komt daarom in aanmerking voor een verkorte conclusie.
  5. Het middel behelst, als ik het goed zie, twee klachten.
  6. De eerste klacht komt op tegen het oordeel van het hof dat de gronden voor ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing nog steeds aanwezig zijn.
  7. Voor zover deze klacht ertoe strekt te betogen dat het hof met zijn oordeel art. 8 EVRM, art. 2 Eerste Protocol bij het EVRM, art. 1:254 lid 1 BW en art. 1:261 BW heeft geschonden, kan zij niet tot cassatie leiden. De klacht voldoet niet aan de eisen die ingevolge art. 426a lid 2 Rv gelden voor een cassatieklacht, nu in het geheel niet wordt aangegeven in welk opzicht en waarom het hof de genoemde verdrags- en wetsartikelen zou hebben geschonden.
  8. Ook voor zover de klacht inhoudt dat 's hofs oordeel onbegrijpelijk of anderszins gebrekkig gemotiveerd is, voldoet de klacht niet aan de eisen die ingevolge art. 426a lid 2 Rv gelden voor een cassatieklacht, aangezien de klacht niet aangeeft waarom het hof is tekortgeschoten in zijn motiveringsplicht. De klacht vraagt in feite om een hernieuwde beoordeling en waardering van in de feitelijke instanties door de ouders gestelde feiten en omstandigheden. Daarvoor is in cassatie echter geen plaats.
  9. De tweede klacht is kennelijk gericht tegen de afwijzing door het hof van het namens de ouders ter zitting gedane verzoek de machtiging tot uithuisplaatsing slechts te verlengen tot en met het einde van het schooljaar. De tegen die afwijzing gerichte klacht begrijp ik zo dat het hof zijn beslissing onbegrijpelijk zou hebben gemotiveerd, nu het hof heeft overwogen dat in de volgende fase van de behandeling zal blijken of [de zoon] daadwerkelijk in staat is het door hem geleerde zelfstandig in de praktijk toe te passen, terwijl het - aldus de klacht - voor [de zoon] slechts mogelijk is het door hem geleerde zelfstandig in de praktijk toe te passen als hij naar huis mag terugkeren.
  10. Het Hof heeft overwogen dat de positieve ontwikkelingen van [de zoon] nog erg pril zijn en dat in de volgende fase van zijn behandeling [de zoon] meer verantwoordelijkheden zal krijgen en zijn bewegingsvrijheid zal worden uitgebreid. Op grond van deze overwegingen is niet onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat in de volgende fase van de behandeling zal (moeten) blijken of [de zoon] daadwerkelijk in staat is het door hem geleerde in de praktijk toe te passen en het door de klacht bedoelde verzoek van de ouders heeft afgewezen. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.