08/04174 Mr. F.F. Langemeijer Parket, 24 oktober 2008 Conclusie inzake: [Verzoeker] tegen Officier van Justitie te Rotterdam In deze zaak is een voorlopige machtiging verleend. Is hier sprake van een zgn. `paraplumachtiging'?
(3). De bestreden beschikking kan dus niet op die lokatie ten uitvoer worden gelegd. Op zichzelf is mogelijk dat ten aanzien van een betrokkene, die niet in een psychiatrisch ziekenhuis verblijft, een voorlopige machtiging wordt verleend teneinde hem in een psychiatrisch ziekenhuis te doen opnemen, indien aan de wettelijke vereisten voor het verlenen van een voorlopige machtiging is voldaan. De in dit geval verleende machtiging kan worden tenuitvoergelegd in een - als zodanig aangemerkt - psychiatrisch ziekenhuis, mits de tenuitvoerlegging een aanvang neemt binnen twee weken na dagtekening van de beschikking (art. 10, lid 1, Wet Bopz). 2.5. Volgens het cassatierekest zou betrokkene nog steeds verblijven op het adres BAVO Europoort, afd. Verslavingszorg (Delftweg 166 te Rotterdam). De enkele omstandigheid dat de voorlopige machtiging niet binnen de in art. 10, lid 1, Wet Bopz bepaalde termijn is tenuitvoergelegd rechtvaardigt op zichzelf nog niet de gevolgtrekking dat de voorlopige machtiging niet had mogen worden verleend. 2.6. De officier van justitie had een voorlopige machtiging verzocht om het verblijf van betrokkene in BAVO Europoort te Rotterdam "te doen voortduren", als ware dit een als zodanig aangemerkt psychiatrisch ziekenhuis. Deze formulering van het verzoek, gecombineerd met de reeds aangehaalde toelichting van de behandelend arts ter zitting, bood de raadsman een aanknopingspunt voor de veronderstelling dat de behandelaars betrokkene op deze lokatie wilden laten blijven zo lang het goed gaat en van de te verlenen machtiging slechts gebruik wilden maken wanneer het niet langer goed gaat. In mijn woorden: de behandelaars zouden de verzochte voorlopige machtiging `achter de hand' willen houden. Blijkens de weergave van de mondelinge overwegingen van de rechter op blz. 2 van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling, heeft ook de rechtbank het inleidend verzoekschrift in deze zin opgevat. In het debat in eerste aanleg lijkt art. 10, lid 1, Wet Bopz uit het oog te zijn verloren: men kan een voorlopige machtiging niet langer dan veertien dagen `achter de hand houden'. 2.7. Hoe dan ook, er was voor de rechtbank wel reden om op het verweer van de raadsman in te gaan. Indien het de bedoeling is, de voorlopige machtiging alleen te gebruiken als `stok achter de deur' om betrokkene over te halen om zich in de verslavingskliniek aan de afspraken met de behandelaar(
- s)te houden, al is het maar voor een periode van veertien dagen, wordt de mogelijkheid van een voorlopige machtiging gebruikt voor een ander doel dan waarvoor zij is gegeven, namelijk: opneming in een psychiatrisch ziekenhuis. Wanneer de stoornis van de geestvermogens de betrokkene gevaar doet veroorzaken en dit gevaar buiten een (als zodanig aangemerkt) psychiatrisch ziekenhuis, niet zijnde een zwakzinnigeninrichting of verpleeginrichting, slechts door het stellen en naleven van voorwaarden kan worden afgewend, komt de mogelijkheid van een voorwaardelijke machtiging aan de orde (art. 14a Wet Bopz). Daarom slaagt in ieder geval de klacht over het ontbreken van een motivering voor de verwerping van het verweer. De bestreden beschikking kan om deze reden m.i. niet in stand blijven. 2.8. Of de rechtsklacht slaagt, is lastiger te beoordelen: daarvoor zou - bij gebrek aan vaststelling van de feiten - als hypothetische grondslag in cassatie moeten worden gehanteerd dat het de bedoeling was, betrokkene niet daadwerkelijk in een psychiatrisch ziekenhuis op te nemen en de voorlopige machtiging alleen te gebruiken als `stok achter de deur' om betrokkene over te halen om zich in de verslavingskliniek aan de afspraken met de behandelaar(
- s)te houden. 3. Conclusie De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar de rechtbank te Rotterdam. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, 1 Volgens het begeleidend schrijven van BAVO Europoort zou betrokkene sinds 28 februari 2007 zijn opgenomen; volgens de kop van het behandelingsplan en het cassatierekest verblijft hij sinds 24 juli 2007 op de desbetreffende afdeling. 2 Het middel verwijst naar HR 11 november 2005, NJ 2006, 288 m.nt. J. Legemaate (BJ 2006, 1 m.nt. W. Dijkers); HR 2 juni 2006, BJ 2006, 36; HR 6 juni 2008, BJ 2008, 45 m.nt. W. Dijkers. 3 Deze lokatie is niet genoemd in de lijst van aangemerkte instellingen (Stcrt. 2008 nr. 68, met aanvullingen nadien), ook te raadplegen via: www.minvws.nl via: dossiers/Bopz/voor professionals/Bopz-instellingen. Ook in de geneeskundige verklaring (rubriek 4) wordt ervan uitgegaan dat betrokkene (nog) niet is opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis.