Rekestnr. 08/03513 mr. J. Spier Parket 31 oktober 2008 Conclusie inzake [Verzoekster]
- Op 9 januari 2008 heeft [verzoekster] een verzoekschrift ingediend waarin zij heeft verzocht om toepassing van de schuldsaneringsregeling. In haar vonnis van 8 april 2008 heeft de Rechtbank Zwolle-Lelystad dit verzoek afgewezen. [Verzoekster] heeft hoger beroep ingesteld. Bij arrest van 7 augustus 2008 heeft het Hof Arnhem het bestreden vonnis bekrachtigd.
- [Verzoekster] heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. Uit het verzoekschrift blijkt niet welke advocaat het heeft ondertekend. Strikt genomen kan daarom worden betwijfeld of het beroep ontvankelijk is. Ik zou over die twijfel willen heenstappen omdat 1) art. 426a Rv. niet vereist dat een advocaat wordt genoemd en 2) zowel uit de genoegzaam bekende handtekening van mr Garretsen als uit de begeleidende brief waarbij het (één dag later gedateerde) rekest is ingediend, blijkt wie de advocaat is.
- Het Hof heeft aangegeven dat [verzoekster] in eerste en tweede aanleg (ik voeg toe: op een essentieel punt ) tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd. Reeds dat wijst niet op - door de aanvrager aannemelijk te maken - goede trouw (art. 288 lid 1 onder b Fw.).
- Onderdeel 3.5 komt met een novum (van de opbrengst van het huis in 2004 zijn de toenmalige schulden betaald). Hoewel niet vaststaat wanneer dat huis is verkocht, blijkt uit de aan het appèlschriftuur gehechte overzicht van schulden dat ook deze stelling niet juist is. Er waren ook toen nog verschillende schulden uit (begin) 2004 die niet waren betaald.
- Bij deze stand van zaken mislukken de klachten. Personen die herhaaldelijk op voor de beoordeling van hun verzoek wezenlijke onderdelen onjuiste verklaringen afleggen, kunnen m.i. ipso iure niet aannemelijk maken dat ze te goeder trouw waren in de zin van art. 288 lid 1 onder b Fw. Ten overvloede ga ik nog kort op de klachten in.
- Onderdeel 3.8 is een ontoelaatbaar novum. Onderdeel 3.9 miskent dat het aan [verzoekster] is om haar goede trouw aannemelijk te maken.
- Onderdeel 3.10 miskent 's Hofs gedachtegang: men moet niet onbezonnen (d.i. zonder over relevante informatie te beschikken) nieuwe schulden aangaan zolang er nog schulden bestaan. [Verzoekster] wist dat haar woning met hypotheek was bezwaard; zij heeft niet aangevoerd dat, laat staan waarom, zij heeft gedacht (en dat nog minder dat zij heeft mogen denken) dat de opbrengst hoger zou zijn dan de hypotheekschuld. Zij heeft geen plausibele verklaring gegeven voor het op zich - en a fortiori in de gegeven omstandigheden - zonder enig inzicht in financiële gegevens kopen van een horecaonderneming. Voor zover onderdeel 3.11 al begrijpelijk is, is het een verregaand ontoereikende bestrijding van 's Hofs juiste en volkomen begrijpelijke oordeel.
- De onderdelen 3.12, 3.14 en 3.15 zijn niet (voldoende) begrijpelijk.
- Onderdeel 3.13 voldoet niet aan de eisen van art. 426a lid 2 Rv. omdat niet wordt aangegeven waar de daar betrokken stelling is te vinden. Conclusie Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO. De Procureur-Generaal bij de Hoge der Nederlanden, Advocaat-Generaal
🔗 Naar officiële bron
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.