Nr. 01691/07 H Zitting: 9 september 2008 Mr. Knigge Conclusie inzake: [Aanvrager]
- Aanvrager van herziening is bij uitspraak van de Politierechter te 's-Gravenhage van 9 november 2005 wegens feit 1 primair "diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd" bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden met aftrek.
- De herzieningsaanvrage is namens aanvrager ingediend door mr. M.R. Mantz, advocaat te 's-Gravenhage.
- De aanvrage steunt op de stelling dat er sprake is van een persoonsverwisseling. Aangevoerd wordt dat een onbekende ander bij diens aanhouding de persoonsgegevens van aanvrager heeft opgegeven.
- Ter staving van deze stelling zijn bij de aanvrage onder meer de volgende stukken overgelegd: - een brief van griffier N. Zoet d.d. 3 januari 2007 aan mr. Mantz met als bijlage de brief van mr. Mantz d.d. 10 december 2006 aan de Advocaat-Generaal bij het Hof inhoudende het verzoek om in verband met mogelijke persoonsverwisseling getuigen op te roepen die daarover zouden kunnen verklaren en eventueel nader onderzoek te doen naar de identiteitsvaststelling van de aangehouden verdachte; - een bij de brief van mr. Mantz als bijlage gevoegde schriftelijke "aangifte" (ongedateerd en ongeadresseerd) van aanvrager omtrent de persoonsverwisseling. Het blijkt niet dat deze aangifte daadwerkelijk bij de politie terecht is gekomen, maar mr. Manz verzoekt in zijn brief de Advocaat-Generaal deze aangifte door te willen geleiden naar de politie ter fine van verder onderzoek; - een brief van de Advocaat-generaal d.d. 18 december 2006 aan de verbalisant [verbalisant 1], die de aanhouding toentertijd heeft verricht, inhoudende het verzoek in een aanvullend proces-verbaal te relateren hoe de identiteit van de verdachte [aanvrager] terzake de twee inbraken in de nacht van woensdag 5 mei 2004 is vastgesteld, waarbij de Advocaat-Generaal in zijn brief voorts opmerkt dat de medeverdachte van de verdachte die zich [aanvrager] noemde hem overigens '[naam]' noemde; - een aanvullend proces-verbaal opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1], inhoudende: "Op 5 mei 2004 werd, nadat hij op heterdaad was aangehouden bij een inbraak in café [A] te Neer, door de aangehouden persoon de navolgende personalia opgegeven: [Aanvrager], geboren op [geboortedatum] 1978, te [geboorteplaats], wonende te [woonplaats], [a-straat 1]. De door [aanvrager] opgegeven personalia werden ingevoerd in het Bedrijfs Proces Systeem (BPS) van de regiopolitie Limburg-Noord. BPS is gekoppeld aan de persoonsserver van de Gemeentelijke Bevolkings Administratie (GBA). Na de invoer van de opgegeven personalia in BPS worden de ingevoerde gegevens automatisch vergeleken met de GBA gegevens. Als de ingevoerde personalia correct zijn blijkt dit uit het feit dat via de GBA persoonsserver automatisch het GBA nummer van de betrokkene in BPS wordt opgenomen. Het aan [aanvrager] gekoppelde GBA nummer betrof [001], hetgeen ook is vermeld op het in het dossier opgenomen gegevensblad, pagina 011, van de verdachte [aanvrager]. De door de verdachte opgegeven personalia bleken overeen te komen met de GBA gegevens. De persoon die op 5 mei 2004, te Neer werd aangehouden en die opgaf dat hij [aanvrager] was genaamd, was niet in het bezit van een legitimatiebewijs of een identiteitsdocument. Omdat de door [aanvrager] opgegeven personalia overeenkwamen met de GBA gegevens werd door mij geen nader onderzoek ingesteld naar zijn identiteit. Van de in dit onderzoek aangehouden verdachten, [aanvrager] en [medeverdachte 1] werden geen verdachtenfoto's en geen dactyloscopische signalementen gemaakt. Door de verdachte [medeverdachte 1] werd de persoon met wie hij in het café in Neer was geweest tijdens zijn verhoren steeds [naam] genoemd. Tijdens het verhoor van [aanvrager] op 6 mei 2004, te 13.28 uur, verklaarde deze dat hij tegen [medeverdachte 1] had verteld dat zijn naam [naam] was en dat [medeverdachte 1] hem vanaf die tijd [naam] noemde. De verdachte [medeverdachte 1] werd door mij tijdens zijn verhoren niet geconfronteerd met hetgeen de verdachte [aanvrager] verklaarde over de naam [naam]. Ik, verbalisant, kan mij niets meer herinneren van enig signalement van de persoon die op 5 mei 2004 te Neer werd aangehouden, die opgaf [aanvrager] te zijn genaamd en die door mij meerdere malen werd gehoord. In verband met vorenstaande werd dor mij, verbalisant, op 31 december 2006, geraadpleegd in het landelijke politie Herkenningssysteem (HKS). Uit dit systeem bleek mij dat op 24 juni 2005, door de regiopolitie Haaglanden een verdachtefoto was gemaakt van een persoon met in de in dit proces-verbaal en in het eerder opgemaakte dossier genoemde personalia van [aanvrager]. De betreffende foto werd door mij geprint en bekeken. De persoon afgebeeld op deze fotot herken ik in het geheel niet. De bedoelde foto wordt als bijlage bij dit proces-verbaal gevoegd. Als bijlage is bij dit proces-verbaal gevoegd een uitdraai van het HKS, waarin door mij werd geraadpleegd op [aanvrager]. Op deze uitdraai zijn de antecedenten van [aanvrager] vermeld en op welke datum en onder welk nummer de bijgevoegde verdachtefoto van hem werd gemaakt. Tevens is als bijlage bij dit proces-verbaal gevoegd een uitdraai van de door mij, op 31 december 2006, gedane GBA bevraging van [aanvrager]."
- Tot een behandeling in hoger beroep is het niet gekomen. Aanvrager is niet ontvankelijk verklaard, omdat hij, nadat het vonnis van de Politierechter hem in persoon was betekend, te laat hoger beroep had ingesteld.
- Gelet op het feit dat de aanvrager bij verstek is veroordeeld, is het bewijs van zijn daderschap uiterst mager te noemen. Dat bewijs berust immers uitsluitend op de niet afdoende geverifieerde - en gelet op de omstandigheid dat de mededader zijn kompaan "[naam]" noemde, nogal dubieuze - opgave van de aangehouden verdachte. Dit maakt dat er weinig nodig is om van een novum te kunnen spreken. Daarvan uitgaande meen ik dat de verklaring van de veroordeelde zoals gedaan in zijn "aangifte", bezien in samenhang met het aanvullend proces-verbaal waarin de verbalisant verklaart dat hij de persoon op de foto in het geheel niet herkent, het ernstig vermoeden doet ontstaan dat de Politierechter bij bekendheid hiermee de aanvrager zou hebben vrijgesproken.
- Ik concludeer dat de Hoge Raad de aanvrage gegrond zal verklaren, voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van het gewijsde zal bevelen en de zaak zal verwijzen naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage opdat de zaak op de voet van art. 467 Sv opnieuw zal worden behandeld en afgedaan. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
🔗 Naar officiële bron
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.