← Nederland

ECLI:NL:PHR:2009:AZ7364

Nr. 42.916 Mr. P.J. Wattel 13 december 2006 Derde Kamer A Vennootschapsbelasting 1996/1997 Conclusie inzake: Staatssecretaris van Financiën tegen X B.V. en vice versa

  1. Overzicht 0.
  2. Deze zaak en zaaknr. 43.293 gaan over de vraag of het ijzeren-voorraadstelsel door de belanghebbende op de fysieke voorraad mag worden toegepast of op de economische voorraad moet worden toegepast. Zij gaan bovendien - evenals de zaak met nr. 42.970 waarin ik heden eveneens concludeer - over de vraag of goed koopmansgebruik de belastingplichtige in de gegeven omstandigheden verplicht tot gezamenlijke waardering van tegengesteld in waarde bewegende vermogensbestanddelen (hedge accounting). De drie conclusies hebben een gemeenschappelijke bijlage (opgeslagen onder nr 42916cb) die ingaat op de meer algemene aspecten van hedging in het licht van fiscaal goed koopmansgebruik. 0.
  3. Deze zaak betreft belanghebbendes aanslag vennootschapsbelasting 1996/
  4. In de samenhangende zaak 43 293 gaat het om haar aanslagen 1997/1998 en 1998/
  5. Omdat in die laatste zaak (43 293) door het Hof is aangesloten bij de oordelen in onze zaak (42 916) en de partijen in cassatie in de zaak 43 293 verwijzen naar de processtukken in onze zaak (42 916), is mijn conclusie in die andere zaak als een aanvulling op deze conclusie te beschouwen. 0.
  6. In geschil is de waardering ultimo boekjaar 1996/1997 van de voorraad cacao van B BV, een fiscale-eenheidsdochter van de belanghebbende X BV. B is een processor die uit cacaobonen halffabrikaten produceert: cacaomassa, cacaoboter en cacaopoeder. Inkoop van cacaobonen en verkoop van halffabrikaten geschiedden in 1996/1997 nagenoeg volledig op termijn. Op het moment van sluiten van zo'n termijncontract ligt de prijs vast. Omdat de voorinkopen (forward purchases) bij gebreke van nog toekomstige oogst structureel in de tijd achterlopen bij de voorverkopen (forward sales), verkeert de belanghebbende voortdurend in een net short positie (meer verkocht dan gekocht). Uit de vastgestelde feiten volgt dat de fysiek aanwezige voorraad cacaobonenequivalenten (door de partijen ook genoemd: technische voorraad) op elk moment in 1996/1997 volledig was verkocht. 0.
  7. De belanghebbende minimaliseert haar risico's als gevolg van prijs- en valutaschommelingen en sluit goederentermijncontracten (futures) om de (resterende) prijsrisico's op haar voorverkopen (op haar net short positie) af te dekken. Door haar systeem van bepaling van de cumulatieve flat priced position (de goederenpositie in cacaobonen-equivalenten) loopt zij over een lange tijdsduur - cumulatief over een aantal opeenvolgende toekomstige maanden bezien - nagenoeg geen prijsrisico's op de voorraden. Per kortere periode (futures maanden) loopt zij naar haar zeggen wél significante risico's. Zij sluit valutatermijncontracten om koersrisico's op de in vreemde valuta afgesloten contracten te dekken. 0.
  8. In haar commerciële jaarrekening waardeert de belanghebbende de fysieke voorraad cacao op actuele marktwaarde en alle openstaande posities (het zogenoemde result on open position (ROP) en de future- en valutatermijncontracten) op marktwaarde per balansdatum. Zij rekent daarbij (het saldo van) de ongerealiseerde winsten en verliezen tot het resultaat. Uit de stukken van het geding volgt dat dit systeem ertoe leidt dat de voorraad gewaardeerd wordt tegen 'theoretical cost' (kennelijk een benadering van de niet per boon(equivalent) vaststelbare kostprijs). Fiscaal volgt zij dezelfde gedragslijn, zij het dat zij op haar technische voorraad het ijzeren-voorraadstelsel toepast, resulterende in een significant lagere waardering. In de bezwaarfase heeft de belanghebbende voorts alsnog het standpunt ingenomen dat zij voor fiscale doeleinden het nemen van ongerealiseerde winsten ter zake van op balansdatum openstaande posities mag uitstellen, hoewel zij alle ongerealiseerde verliezen per die datum wel neemt. De belanghebbende komt aldus tot een fiscale waardering van de voorraad cacao die ver onder de kostprijs ligt. 0.
  9. Het geschil valt uiteen in drie onderdelen,

(1)maar betreft in essentie twee vragen: (
  1. i)is het in overeenstemming met goed koopmansgebruik om het ijzeren-voorraadstelsel toe te passen op de fysieke (technische) voorraad cacaobonen (standpunt belanghebbende) of moet het worden toegepast op de economische voorraad (standpunt fiscus)? (
  2. ii)staat goed koopmansgebruik toe dat (alle) ongerealiseerde verliezen op de verkoop- en inkoopcontracten, futures en valutatermijncontracten direct worden genomen en de neming van (alle) ongerealiseerde winsten wordt uitgesteld (standpunt belanghebbende), of moeten de ongerealiseerde winsten en verliezen op de bedoelde transacties/instrumenten worden gesaldeerd, zodat alleen een saldo genomen c.q. uitgesteld wordt (standpunt fiscus)? 0.7. Het Hof heeft de eerste vraag (en de daarmee verband houdende kwestie van berekening van de voorraad (stock valuation) voor ROP-doeleinden) ten gunste van de belanghebbende beslecht. Tegen dat oordeel richt zich het principale cassatieberoep van de Staatssecretaris. Ter zake van de tweede vraag (saldering van ongerealiseerde winsten en verliezen) is de fiscus in het gelijk gesteld, zodat slechts een positief saldo van de met elkaar samenhangende ongerealiseerde winsten en verliezen vooralsnog niet genomen hoeft te worden. Tegen dat oordeel richt zich het incidentele cassatieberoep van de belanghebbende. 0.8. De discussie tussen de partijen munt niet uit in transparantie. Belanghebbendes uiteenzettingen geven de lezer van het dossier veel feitelijkheden, boekhoudkundige eigenaardigheden en stof, maar niet veel overzicht of inzicht in hetgeen beslissend is voor de toepassing van het ijzeren-voorraadstelsel en van hedge accounting. Zij voert niet zelden feiten in (veel) latere jaren dan het te berechten jaar aan, die dus voor dit jaar niet ter zake doen. Zij gebruikt in haar cassatieverweer- en incidenteel beroepschrift de techniek van het doen van beweringen of ontkenningen met verwijzing naar een ander onderdeel van haar geschrift of van een ander geschrift waar de juistheid van die bewering of ontkenning al zou blijken, alwaar men echter niet zelden slechts diezelfde bewering of ontkenning in andere bewoordingen aantreft. Ook de fiscus komt met veel administratietechniek, feitelijke beweringen en berekeningen. Zo ontspint zich (ook) in cassatie een nogal ongrijpbare, feitelijke en boekhoudkundologische discussie waar de cassatierechter niet steeds veel mee kan aanvangen. 0.9. Ik maak uit 's Hofs uitspraak op dat hij de ondernemer onder alle omstandigheden vrij acht de technische (fysieke) voorraad aan te merken als normale voorraad voor de toepassing van het ijzeren-voorraadstelsel, hetgeen mijns inziens een onjuist rechtsoordeel is. Onder bepaalde omstandigheden eist goed koopmansgebruik mijns inziens gebruik van de economische voorraad. Ik acht voorts 's Hofs (impliciete) oordeel dat deze belanghebbende, gezien haar bijzondere feitelijke omstandigheden, zoals door het Hof vastgesteld, voor die technische voorraad mag kiezen, onvoldoende gemotiveerd. Mede gezien het hoge onoverzichtelijkheids- en feitengehalte van de partijdiscussie kunt u mijns inziens in cassatie de omvang van de economische voorraad niet vaststellen, zodat verwijzing moet volgen. Voorts slagen enige motiveringsklachten van de belanghebbende over 's Hofs oordeel omtrent het naar nihil tenderen van de risico's ook voor wat betreft de valutarisico's. Ik meen daarom dat zowel het principale als het incidentele beroep gegrond verklaard moeten worden en concludeer tot vernietiging van 's Hofs uitspraak en terugwijzing van de zaak naar hetzelfde Hof voor feitelijk onderzoek. 1. Feiten en loop van het geding 1.1. Het Hof heeft, voor zover in cassatie relevant, de volgende feiten vastgesteld. 1.2. De belanghebbende, X BV (hierna ook: X), behoort tot het Amerikaanse concern A Incorporated, dat wereldwijd landbouwproducten en voedingsmiddelen verwerkt en distribueert. De belanghebbende vormt als moedervennootschap een fiscale eenheid ex art. 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 met een aantal dochtermaatschappijen, waaronder de processor B B.V. (hierna: B). Het boekjaar van de eenheid loopt van 1 juni tot en met 31 mei. In deze conclusie wordt de belanghebbende - in navolging van de partijen in hun gedingstukken - soms ook aangeduid als B; de termen B, X en belanghebbende worden in de stukken dooreen gebruikt. 1.3. X verwerkt sojabonen tot soja-olie en sojameel.
(2)B verwerkt volcontinue cacaobonen tot halffabrikaten (cacaomassa, cacaoboter en cacaopoeder) voor de chocolade- en de levensmiddelenindustrie.
(3)De bonen worden na de oogst (oktober-februari) verscheept naar Q en komen in de periode december-april in B's fabrieken aan. In het litigieuze jaar verwerkte B 198.000 metrieke tonnen
(4)(mt) cacaobonen.
(5)1.4. B verkoopt de cacaohalffabrikaten nagenoeg volledig op termijncontracten (voorverkopen of forward sales). De termijn waarop wordt verkocht varieert van 8 tot 24 maanden in de toekomst. Als gevolg hiervan is de productiecapaciteit van B's fabrieken in beginsel voor de eerstkomende 6 maanden steeds geheel verkocht, voor de daaropvolgende 6 maanden steeds voor 80-90% en voor het daaropvolgende jaar steeds voor 40-50%.
(6)De verkoopprijs wordt bepaald op het moment waarop de forward sales worden gesloten; betaling vindt plaats na levering aan de afnemer.
(7)1.5. De door B gewenste kwaliteit cacaobonen werd in het litigieuze jaar voor circa 90% op termijn ingekocht bij internationaal opererende groothandelsbedrijven (voorinkopen of forward purchases). Evenals bij de forward sales wordt de prijs bepaald ten tijde van het sluiten van het termijncontract.
(8)Omdat de gewenste kwaliteit cacaobonen niet ver vóór de oogstperiode kan worden gekocht, lopen de forward purchases in de tijd achter bij de forward sales. De belanghebbende zit dus structureel in een net short positie (meer verkocht dan ingekocht; zie 1.6 hieronder). In de jaren ná het litigieuze is de belanghebbende steeds meer zelf rechtstreeks cacaobonen bij boeren en kleinhandelaren gaan inkopen (door haar aangeduid als 'eigen sourcing').
(9)1.6. In haar administratieve systeem bewaakt B haar long/short positie op cacaobonen van de gewenste kwaliteit: elke (voor)verkoop van halffabrikaat wordt op basis van ervaringsgegevens omgerekend in de daarvoor benodigde hoeveelheid cacaobonen (cacaobonenequivalenten).
(10)Daartegenover worden de (voor)ingekochte hoeveelheden en de aanwezige voorraad geboekt. Door het in 1.5 genoemde timing-verschil tussen forward sales en forward purchases bestaat structureel een aanzienlijke net short positie.
(11)1.7. B gebruikt goederentermijncontracten (futures) om haar (inkoop)prijsrisico op de forward sales te beperken. Haar verkoopprijs ligt immers vast, terwijl daartegenover deels nog bonen gekocht moeten worden waarvan de prijs nog niet bekend is. Deze futures, die dagelijks verhandeld worden op de cacaotermijnmarkt te Londen, hebben betrekking op standaardhoeveelheden standaardbonen. De door B gekochte futures leiden (vrijwel) nooit tot feitelijke levering doch worden vóór expiratie afgewikkeld en dan vervangen door forward purchases van de specifieke door B gewenste hoeveelheid en kwaliteit.
(12)1.8. De forward purchases, forward sales en futures luiden in Britse ponden en in diverse andere valuta's. B gebruikte valutatermijncontracten om haar valutakoersrisico ten opzichte van de gulden af te dekken.
(13)1.9. Voor de bepaling van haar (inkoop)prijsrisico's (in metrieke tonnen cacaobonen) stelt B overzichten op van haar flat priced position, waarin ook haar positie in prijsrisico-afdekkende futures wordt verwerkt.
(14)Een zogenoemde flat priced position wordt berekend, zowel voor elke toekomstige maand als cumulatief voor een aantal (meer dan 12) toekomstige maanden. De cumulatieve flat priced position tendeert naar nihil, de flat priced position per maand niet.
(15)1.10. Bij de winstrapportage in haar commerciële jaarrekening volgt de belanghebbende de concernrichtlijn om voorraad dooreen leverbare producten waarvoor een marktnotering bestaat - zoals cacao en soja - te waarderen op actuele marktprijzen en om alle openstaande posities - forward purchases, forward sales, futures en valutatermijncontracten - naar de marktwaarde per balansdatum te waarderen. Als voorraad geldt in dit verband de fysieke voorraad waarover de belanghebbende de feitelijke beschikkingsmacht heeft (ook genoemd technische voorraad). De belanghebbende rekent aldus voor externe rapportage-doeleinden zowel ongerealiseerde winsten als ongerealiseerde verliezen tot haar resultaat. De genoemde concernrichtlijn, van 29 mei 1997, bepaalt onder meer:
(16)"X's inventories that are valued at market are hedged against the risk of price changes with cash contracts and futures contracts and against the risk of exchange rate fluctuations with foreign exchange contracts, where necessary. Price changes on physical inventory are substantially offset by gains or losses on the contracts. The net effect of (
  1. a)carrying physical inventories at market; (
  2. b)recognizing unrealized gains and losses on open cash contracts; and (
  3. c)recognizing unrealized gains and losses on futures contracts is to bring these inventories back to a theoretical cost." De bedoeling is dus kennelijk afdekking van zowel prijs- als valutarisico's, waarbij de prijsrisico's op fysieke voorraad en op voor(ver)kopen elkaar "substantially" uitdoven (kennelijk een global hedge), alsmede waardering van de voorraad op de (benaderde) kostprijs. 1.11. Bij haar fiscale winstberekening volgt de belanghebbende hetzelfde waarderingsstelsel, behalve voor haar technische voorraad cacao, waarop het ijzeren-voorraadstelsel wordt toegepast.
(17)1.12. B had op balansdatum 31 mei 1997 een technische voorraad cacaobonen van 130.426 mt die in haar commerciële jaarrekening werd gewaardeerd op de actuele marktprijs in Britse ponden, hetgeen omgerekend in guldens (tegen balansdatumkoers) resulteerde in een boekwaarde ad ƒ 402.574.352 (de commerciële boekwaarde). Voor de fiscale winstberekening past B een uit twee schijven bestaand ijzeren-voorraadstelsel toe: een schijf van 37.000 mt en een schijf van 8.000 mt, waaruit een surplus van 85.426 mt resulteert dat tegen actuele marktprijs wordt gewaardeerd; dit systeem levert een waardering per 31 mei 1997 op ad ƒ 338.181.568.
(18)Het verschil tussen de commerciële en de fiscale waardering beloopt derhalve ƒ 64.392.784. De voorraden cacaohalffabrikaten zijn per balansdatum, zowel commercieel als fiscaal, gewaardeerd op hun actuele marktprijs ad ƒ 80.120.612.
(19)1.13. Voor haar commerciële jaarwinstbepaling berekent B per balansdatum haar te verwachten transactieresultaat, veronderstellende dat op alle lopende verkoopcontracten geleverd moet worden. Zij noemt dit haar result on open position including production costs (ROP). Het ROP wordt berekend als de som van de resultaten op de forward sales en de resultaten op de forward purchases.
(20)1.14. Het resultaat op de forward sales wordt berekend door op de contractwaarde in mindering te brengen: (
  1. i)de waarde van de te verwachten bewerkingskosten, met een opslag van 10% (accrued production costs) en (
  2. ii)de waarde van de benodigde technische voorraad, berekend naar de marktprijs per balansdatum (stock valuation). Op het aldus bepaalde saldo wordt in mindering gebracht de zogeheten net long/short. Dit bedrag stelt het saldo voor van (
  3. i)de waarde van de reeds afgesloten inkoopcontracten (forward purchases); (
  4. ii)plus de waarde van de - in verband met de forward sales - nog in te kopen bonen; (iii) minus de waarde van de (nog te verkopen) cacaopoeder die zal resteren bij de verwerking van cacaobonen tot de (voor)verkochte halffabrikaten cacaoboter en cacaomassa; alles naar marktprijzen per balansdatum.
(21)1.
  1. Het resultaat op de forward purchases wordt berekend als het verschil tussen de marktwaarde van de reeds afgesloten inkoopcontracten per balansdatum en de contractwaarde, verminderd met de accrued production costs. 1.
  2. Het uit een en ander voortvloeiende ROP ad (negatief) ƒ 37.300.483 is het saldo van een ongerealiseerde winst ad ƒ 1.781.262
(22)op forward purchases en een ongerealiseerd verlies ad ƒ 39.081.745
(23)op forward sales.
(24)1.17. In haar jaarrekening 1996/1997 verantwoordt B tevens de - niet in het ROP tot uitdrukking gebrachte - ongerealiseerde winst op lopende futures ad ƒ 617.228 en de ongerealiseerde winst op lopende valutatermijncontracten ad (afgerond) ƒ 16.302.965.
(25)1.18. De Inspecteur berekent in het verweerschrift voor het Hof
(26)belanghebbendes saldo ongerealiseerd resultaat per 31 mei 1997 (door hem 'flat priced position' genoemd)
(27)met betrekking tot cacao als volgt (in guldens):
(28)Forward sales (39.081.745) Forward purchases 1.781.262 Result on open position (37.300.483) Forex 16.302.965 Futures 617.228 (20.380.290) Herwaardering voorraad (marktwaarde van de technische voorraad minus de historische kostprijs) 24.074.000 Ongerealiseerde winst 3.693.710 1.19. De belanghebbende heeft aangifte gedaan over het boekjaar 1996/1997 van een belastbare winst (tevens belastbaar bedrag) ad ƒ 72.091.692.
(29)1.20. Nadat de fiscus bij de belanghebbende een boekenonderzoek had ingesteld, is aan haar met dagtekening 15 juli 2000 een aanslag vennootschapsbelasting 1996/1997 opgelegd naar een belastbaar bedrag ad ƒ 236.902.967.
(30)De Inspecteur heeft bij het regelen van de aanslag - voor zover thans nog van belang - het verschil tussen de commerciële en fiscale boekwaarde van de voorraden cacao- en sojabonen (ƒ 64.392.784 respectievelijk ƒ 22.818.008) alsmede een bedrag van ƒ 37.300.483 ter zake van het ROP bij de belastbare winst van de belanghebbende geteld.
(31)1.21. De belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt, nader het standpunt innemende dat zij voor fiscale doeleinden alle ongerealiseerde winsten ter zake van per 31 mei 1997 openstaande posities niet hoeft te nemen. Voor cacao betekent dit dat zij de (in het ROP ad negatief ƒ 37.300.483 begrepen) ongerealiseerde winst ad ƒ 1.781.262 op inkoopcontracten alsnog uit haar belastbare bedrag wil elimineren, evenals de ongerealiseerde winsten ad (afgerond) ƒ 617.000 op futures en (afgerond) ƒ 16.303.000 op valutatermijncontracten. Voor andere producten, waaronder soja, heeft de belanghebbende op overeenkomstige wijze de ongerealiseerde winsten berekend die zij alsnog wil elimineren uit haar fiscale resultaat. Blijkens de specificatie in bijlage 12 bij het beroepschrift voor het Hof gaat het om een totaal (inclusief cacao) ad ƒ 49.710.000 aan te elimineren ongerealiseerde winst.
(32)1.
  1. De inspecteur heeft de aanslag bij uitspraak verminderd tot één naar een belastbaar bedrag ad ƒ 196.705.
  2. De belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
(33)1.23. Het eerste geschilpunt voor het Hof was of voor de waardering van de voorraden cacao- en sojabonen het ijzeren-voorraadstelsel in overeenstemming is met goed koopmansgebruik. Indien het gelijk op dit punt aan de belanghebbende is, is het tweede geschilpunt de vraag of de stock valuation in het ROP daaruit moet worden geëlimineerd tegen commerciële boekwaarde, zoals de belanghebbende verdedigt, dan wel tegen (lagere) fiscale boekwaarde, zoals de Inspecteur voorstaat. Het in aanmerking nemen van (het negatieve bedrag van) het ROP bij de fiscale winstberekening is voor het overige niet (meer) in geschil.
(34)Ten derde was in geschil of de belastbare winst alsnog kan worden verminderd met het volle bedrag van de ongerealiseerde winsten - door de belanghebbende berekend op ƒ 49.710.000 - dan wel slechts, zoals de Inspecteur voorstaat, met het bedrag ad ƒ 3.693.710 waarmee B's ongerealiseerde winsten de daartegen volgens de Inspecteur weg te strepen ongerealiseerde verliezen op de balansdatum overtreffen. 2. Het geschil in feitelijke instantie 2.1. Het Hof Amsterdam
(35)heeft het gelijk ter zake van de eerste twee geschilpunten (het ijzeren-voorraadstelsel en het ROP) bij de belanghebbende gelegd en ter zake van het derde geschilpunt (de saldering van ongerealiseerde winsten en verliezen) bij de Inspecteur. Het Hof heeft daartoe overwogen, voor zover in cassatie relevant: "Preliminaire overwegingen 5.
  1. (...) Belanghebbende heeft gesteld dat de bevoorradingspolitiek van B in de eerste plaats is gericht op waarborging van de continue productie van halffabrikaten in haar fabrieken. Hetgeen de inspecteur ter betwisting van die stelling heeft aangevoerd, overtuigt het Hof niet. Uit de enkele omstandigheid dat de voorverkopen in zeer aanzienlijke mate beslag leggen op de toekomstige productiecapaciteit van B, volgt immers niet dat belanghebbende "produceert op bestelling". En ook al zou een deel van de productie van B op bestelling plaatsvinden - waarvoor op zichzelf een aanwijzing is te vinden in de door belanghebbende erkende omstandigheid dat B bereid is haar standaardreceptuur aan te passen aan de wensen van grote afnemers - dan volgt daaruit nog niet dat zij haar bevoorrading laat afhangen van haar voorverkopen of, zoals de inspecteur het uitdrukt, inkoopt om aan haar leveringsverplichtingen te voldoen. Het Hof acht integendeel aannemelijk dat de inkopen van B afhangen van de omvang van haar productiecapaciteit en dat beslissingen over de omvang van de productiecapaciteit slechts indirect afhankelijk zijn van de verkoopresultaten. 5.
  2. Uit hetgeen is komen vast te staan omtrent de aard van het bedrijf van B, de voor haar geldende concernrichtlijn en de daarbij aansluitende inrichting van haar administratie, leidt het Hof af dat B structureel ernaar streeft haar prijsrisico op cacaobonen te minimaliseren. Administratief komt dit tot uitdrukking in de projecties die B maakt van haar (cumulatieve) "flat priced position" die zij met behulp van de haar ten dienste staande instrumenten, zoals futures en (valuta)termijncontracten, naar nihil probeert te laten tenderen. Ook in de (commerciële) balans komt deze gedragslijn tot uitdrukking in die zin dat zowel de ROP als de ongerealiseerde resultaten op futures en valutatermijncontracten worden gepresenteerd als correctieposten op de voorraadwaardering. Het Hof neemt bij het voorgaande in aanmerking dat van dag tot dag een marktnotering van de (standaard)cacaoboon beschikbaar is. De stelling van belanghebbende dat niet tegenover iedere forward purchase van B een futurecontract staat doet niet eraan af dat op globaal niveau structureel gestreefd wordt naar prijsrisicobeheersing. Het Hof leest in de stellingen van belanghebbende niet dat B in enigszins betekenende mate open posities inneemt ten opzichte van het basisprijsrisico op (standaard) cacaobonen. 5.
  3. Het Hof stelt vast dat partijen het - afgezien van de hen verdeeld houdende geschilpunten - erover eens zijn dat het in de aangifte gevolgde stelsel van jaarwinstberekening - kort gezegd: voorraadwaardering (...) gecorrigeerd met ROP (...) en met ongerealiseerde resultaten op futures en valutatermijncontracten (...) in beginsel in overeenstemming is met goed koopmansgebruik. Het Hof heeft geen aanleiding zich in zoverre niet bij partijen aan te sluiten. 5.
  4. Aan het feit dat B in haar (commerciële) balans de ROP en de ongerealiseerde resultaten op futures en valutatermijncontracten doet opgaan in de waardering van de post "Voorraad" ontleent het Hof - zie ook 5.
  5. - een aanwijzing dat het daarbij gaat om transacties en instrumenten die in de bedrijfsvoering van B een bepaalde correlatie vertonen. Aan dat enkele feit kan evenwel, anders dan de inspecteur kennelijk doet, niet de gevolgtrekking worden verbonden dat al deze bestanddelen voor doeleinden van de fiscale winstberekening als één activum moeten worden gewaardeerd. (...). Het eerste geschilpunt: het ijzerenvoorraadstelsel (...). 5.7.
  6. De omstandigheid dat B zich bij haar bedrijfsvoering, haar administratie en haar jaarrekening laat leiden door het uitgangspunt het prijsrisico op cacao zoveel mogelijk te minimaliseren, brengt niet mee dat B verplicht zou zijn te kiezen voor een stelsel van (fiscale) voorraadwaardering op basis van haar economische voorraad in plaats van haar technische voorraad. Onderdeel van de gevestigde leer inzake fiscale voorraadwaardering is dat het een belastingplichtige vrijstaat het ijzerenvoorraadstelsel toe te passen op de technische voorraad. In tegenstelling tot de inspecteur vermag het Hof aan de arresten HR 12 februari 1958, BNB 1958/90, HR 6 december 2002, BNB 2003/136 en HR 23 januari 2004, BNB 2004/214, niet een aanwijzing te ontlenen dat dit bij een bedrijfsvoering als die van belanghebbende anders zou zijn. In het midden kan dus blijven of, zoals de inspecteur stelt, de (op enig moment bestaande) "flat priced position" gelijk staat aan de "economische voorraad" van B op dat moment. 5.7.
  7. Tegen de achtergrond van hetgeen in 5.
  8. is overwogen, acht het Hof het naar de daaromtrent gangbare opvattingen, zoals die onder meer tot uitdrukking komen in de jurisprudentie van de Hoge Raad, in overeenstemming met goed koopmansgebruik dat B haar technische voorraad cacaobonen waardeert volgens het ijzeren-voorraadstelsel. Noch het feit dat B er voorshands in slaagt haar productie op voorhand te verkopen, noch het feit dat zij structureel naar beheersing van haar prijsrisico streeft, doen immers eraan af dat B voor de ongestoorde voortgang van haar productie een zekere hoeveelheid cacaobonen (de normale voorraad) daadwerkelijk voorhanden dient te hebben. Door waardering van deze normale voorraad (waarvan de omvang als zodanig niet in geschil is) op een vast bedrag wordt bereikt dat bij oplopend prijspeil de waardestijging van de normale voorraad niet in de belastingheffing wordt betrokken, zodat de normale voorraad (telkens) kan worden aangevuld uit de opbrengst van de verkochte halffabrikaten. 5.7.
  9. De kern van de zaak is, naar 's Hofs oordeel, dat belanghebbende bij haar fiscale winstberekening op vorenomschreven wijze rekening mag houden met de bijzondere kenmerken van de aan het bedrijf van B gebonden voorraad en dus niet, zoals de inspecteur wil, tot uitgangspunt behoeft te nemen dat de gehele technische voorraad - continu, dus ook op balansdatum - geheel verkocht is. De op balansdatum afgesloten voorverkopen mag belanghebbende, voor zover deze niet worden gedekt door de surplusvoorraad, voor de fiscale winstberekening toerekenen aan nieuw in te kopen voorraden. Toepassing van het ijzerenvoorraadstelsel is, zo bezien, geenszins in strijd met het realiteits- of het matchingbeginsel en doet door het uitstel van het nemen van (inflatie)winst op de normale voorraad tevens recht aan het voorzichtigheidsbeginsel. Tweede geschilpunt: de ROP 5.
  10. Ervan uitgaande dat het B is toegestaan haar voorraad cacaobonen te waarderen volgens het ijzerenvoorraadstelsel, moet als consequentie worden aanvaard dat zij in de berekening van de ROP niet alleen commercieel maar ook fiscaal de gehele technische voorraad waardeert tegen de marktprijs op balansdatum. Alleen op die manier wordt immers voor de fiscale winstberekening recht gedaan aan het uitgangspunt dat de normale voorraad cacaobonen vast aan het bedrijf is gebonden zodat bij de berekening van de ROP de op balansdatum afgesloten voorverkopen, voorzover niet gedekt door de surplusvoorraad, geheel door nieuwe inkopen - gewaardeerd tegen marktprijs - gedekt zullen moeten worden. De argumenten van de inspecteur inzake de berekening van de ROP delen hetzelfde lot als zijn argumenten tegen het ijzerenvoorraadstelsel. Het gelijk op het tweede geschilpunt is dus aan belanghebbende. Derde geschilpunt: de ongerealiseerde winsten en verliezen 5.9.
  11. Uitgaande van hetgeen in 5.
  12. is overwogen omtrent de bedrijfsvoering, de administratie en de jaarrekening van B, deelt het Hof het standpunt van de inspecteur dat de door belanghebbende voorgestane gesplitste behandeling van ongerealiseerde winsten (uitstellen) en ongerealiseerde verliezen (direct nemen) op haar verkoop- en inkoopcontracten, futures en valutatermijncontracten een volstrekt kunstmatig karakter heeft en aldus in strijd komt met het realiteits- en het matchingbeginsel. Vast staat immers dat B er structureel naar streeft om de prijs- en valutarisico's met betrekking tot haar voorraad- en orderpositie te beheersen ("flat priced position") en dat zij daar - getuige de omstandigheid dat de cumulatieve flat priced position naar nihil tendeert - over een langere periode bezien goeddeels in slaagt. In zoverre zijn de ongerealiseerde winsten en verliezen als elkaars spiegelbeeld te beschouwen. Met het voorzichtigheidsbeginsel wordt naar het oordeel van het Hof voldoende rekening gehouden door - overeenkomstig de nadere conclusie van de inspecteur - een positief saldo van aldus met elkaar samenhangende ongerealiseerde winsten en verliezen buiten aanmerking te laten bij de jaarwinstberekening. In een bedrijf als dat van belanghebbende brengt goed koopmansgebruik naar 's Hofs oordeel mee dat een dergelijk saldo per productgroep wordt bepaald, waarbij een eventueel negatief saldo direct tot het resultaat wordt gerekend en voor een eventueel positief saldo winstuitstel kan worden verleend. 5.9.
  13. Het Hof verwerpt de stelling van belanghebbende dat goed koopmansgebruik haar slechts dan tot saldering van de ongerealiseerde winsten en verliezen van B zou verplichten indien sprake zou zijn van een perfecte matching, waarmee zij doelt op tegengestelde posities die elkaar zowel qua aanvangstijdstip als qua omvang en looptijd volledig dekken. Een dergelijke rechtsregel bestaat naar 's Hofs oordeel niet, althans niet in deze algemene vorm, en kan evenmin worden afgeleid uit het door belanghebbende in dit verband aangehaalde arrest HR 23 januari 2004, BNB 2004/
  14. 5.9.
  15. Belanghebbende heeft gesteld dat als gevolg van de imperfecte matching van futures en voorverkopen/inkopen bepaalde (prijs)risico's blijven bestaan, door haar aangeduid als "differential-" en "spread"risico's. - Onder het eerstgenoemde risico verstaat zij het risico dat tussen de (met een future in te dekken) prijs van een standaardboon en de prijs van de nog in te kopen kwaliteitsboon een groter verschil zal bestaan dan bij de kostprijsberekening van de met de desbetreffende future afgedekte termijnverkoop door middel van een opslag op de standaardprijs werd aangenomen. - Onder het laatstgenoemde risico verstaat zij het risico van prijswijzigingen tussen het moment van feitelijke inkoop en het moment waarop de desbetreffende future wordt afgewikkeld; dit timingverschil heeft te maken met de omstandigheid dat futurecontracten vaste afloopdata hebben, terwijl de feitelijke inkopen - in het kader van de afwikkeling van de termijnverkopen - van dag tot dag, en derhalve op andere dan die vaste afloopdata, (kunnen) plaatsvinden. Deze stellingen van belanghebbende brengen het Hof niet tot een ander oordeel. Voorzover de hier bedoelde risico's niet reeds hun neerslag vinden in de "flat priced position" per balansdatum, betreft het risico's van toekomstige fluctuaties waarmee voor de waardering op balansdatum nog geen rekening behoort te worden gehouden. Bovendien is het enkele bestaan van die risico's naar 's Hofs oordeel onvoldoende om saldering van ongerealiseerde winsten en verliezen per balansdatum achterwege te laten. Het Hof neemt daarbij in aanmerking dat die risico's, zoals de inspecteur terecht aanvoert, marginaal zijn en dat zij, ook al zijn zij op ieder willekeurig tijdstip niet (volledig) af te dekken, volgtijdelijk voor beheersing vatbaar blijven. 5.9.
  16. Belanghebbende heeft nog gesteld dat zij risico loopt ter zake van de prijs van cacaopoeder maar de inspecteur voert terecht aan dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat en op welke wijze dit risico van belang is voor de waardering van de in geschil zijnde posten. Ook de overige stellingen van belanghebbende brengen het Hof niet tot een ander oordeel dan waartoe het in 5.9.
  17. is gekomen. (...)." 2.
  18. Het Hof heeft het belastbare bedrag, zoals dat bij de bestreden uitspraak op bezwaar is vastgesteld, nog verder verminderd met ƒ 64.392.784 (lagere waarde cacaobonen), ƒ 22.818.008 (lagere waarde sojabonen), ƒ 37.300.483 (ROP) en ƒ 3.693.710 (saldo ongerealiseerde winst cacaobonen).
(36)Het resulterende belastbare bedrag is ƒ 68.500.
  1. Het geschil in cassatie 3.
  2. De Staatssecretaris heeft tijdig en regelmatig beroep in cassatie ingesteld. De belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend waarin zij het beroep weerspreekt. Daarbij heeft zij tevens incidenteel cassatieberoep ingesteld. De Staatssecretaris heeft in het principale beroep een conclusie van repliek ingediend. De belanghebbende heeft daarop gedupliceerd. Tegen belanghebbendes incidentele beroep in cassatie heeft de Staatssecretaris verweer gevoerd. Daarop heeft de belanghebbende incidenteel gerepliceerd, waarop ten slotte de Staatssecretaris incidenteel heeft gedupliceerd. 3.
  3. De Staatssecretaris stelt principaal de volgende twee cassatiemiddelen voor: "I Schending van het Nederlands recht, met name van artikel 8 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en artikel 9 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 doordat het Hof heeft geoordeeld dat het ijzeren voorraadstelsel kan worden toegepast op de fysieke voorraden cacao en sojabonen die belanghebbende aanhoudt, zulks ten onrechte dan wel op gronden die de beslissing niet kunnen dragen omdat: a. de volledige fysieke voorraad steeds reeds geheel verkocht is en er derhalve sprake is van verkoop op bestelling; b. belanghebbende door het systeem van de nagestreefde "flat priced position" (nagenoeg) geen prijsrisico loopt over de voorraden; c. er geen sprake is van inflatiewinsten op de voorraad; d. er geen sprake is van aanvulling van voorraden doch van inkopen ter afdekking van het prijsrisico van reeds verkochte producten; e. de werkwijze van belanghebbende, aansluiten bij de fysieke voorraad in plaats van bij de economische voorraad, strijdig is met goed koopmansgebruik; f. door deze werkwijze willekeurige resultaten ontstaan. II Schending van het Nederlands recht, met name van artikel 8 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en artikel 9 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 doordat het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende bij de berekening van het "Result on open position including production costs" (hierna: ROP) de voorraad mag waarderen tegen marktprijs in plaats van tegen ijzeren voorraad prijs, zulks ten onrechte dan wel op gronden die de beslissing niet kunnen dragen omdat: a. het Hof het standpunt van de inspecteur verwerpt op basis van analoge toepassing van het door mij in het eerste middel besteden oordeel inzake de toepassing van het ijzeren voorraadstelsel; b. ongerealiseerde verliezen wel in aanmerking worden genomen, doch de daarmee samenhangende ongerealiseerde winsten niet; c. het ROP alleen fiscaal realiteit heeft wanneer het wordt gezien als een correctie op de tegen marktprijzen geadministreerde voorraad tot waardering tegen historische kostprijs (fiscaal wordt echter de voorraad op basis van het ijzeren voorraadstelsel gewaardeerd)." 3.
  4. Incidenteel stelt de belanghebbende de volgende vier middelen voor: "
  5. Schending van het Nederlandse recht, met name artikel 8 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en artikel 9 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en/of artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht doordat het Hof in r.o. 5.9.1 heeft geoordeeld dat: (...) de ongerealiseerde winsten en verliezen als elkaars spiegelbeeld zijn te beschouwen. Met het voorzichtigheidsbeginsel wordt naar het oordeel van het Hof voldoende rekening gehouden door (...) een positief saldo van aldus met elkaar samenhangende ongerealiseerde winsten en verliezen buiten aanmerking te laten bij de jaarwinstberekening. In een bedrijf als dat van belanghebbende brengt goed koopmansgebruik naar 's Hofs oordeel mee dat een dergelijk saldo per productgroep wordt bepaald, (...).
  6. Schending van (idem; PJW) doordat het Hof in r.o. 5.9.3 ter zake van het differential en het spreadrisico heeft geoordeeld: (...). Voorzover de hier bedoelde risico's niet reeds hun neerslag vinden in de "flat priced position" per balansdatum, betreft het risico's van toekomstige fluctuaties waarmee voor de waardering op balansdatum nog geen rekening behoort te worden gehouden. Bovendien is het enkele bestaan van die risico's naar 's Hofs oordeel onvoldoende om saldering van ongerealiseerde winsten en verliezen per balansdatum achterwege te laten. Het Hof neemt daarbij in aanmerking dat die risico's, zoals de inspecteur terecht aanvoert, marginaal zijn en dat zij, ook al zijn zij op ieder willekeurig tijdstip niet (volledig) af te dekken, volgtijdelijk voor beheersing vatbaar blijven.
  7. Schending van het Nederlandse recht en/of artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht doordat het Hof in r.o. 5.9.4 ter zake van het cacaopoederrisico heeft geoordeeld dat B BV: (...) niet aannemelijk heeft gemaakt dat en op welke wijze dit risico van belang is voor de waardering van de in geschil zijnde posten. Ook de overige stellingen van belanghebbenden brengen het Hof niet tot een ander oordeel dan waartoe het in 5.9.1 is gekomen.
  8. Schending van (idem; PJW) doordat het Hof in r.o. 5.6 overweegt: (...) beschouwt het Hof dit bewijsaanbod als ingetrokken. Voorzover dit niet reeds het geval zou zijn, passeert het Hof dat bewijsaanbod als niet ter zake doende omdat het Hof geen reden heeft te twijfelen aan de juistheid van hetgeen belanghebbende in de van haar afkomstige stukken heeft gesteld omtrent de werking van de markt voor cacaobonen en de wijze waarop zij futures en valutatermijncontracten sluit."
  9. Het ijzeren-voorraadstelsel
(37)(eerste principale middel) Algemeen 4.1. Substantialistische voorraadwaarderingsstelsels (zoals last in, first out, vervangingswaarde, vervangingskoop en - door de belanghebbende toegepast - ijzeren voorraad) nemen, anders dan nominalistische stelsels, tot uitgangspunt
(38)"(...) dat waardeveranderingen van de vaste economische voorraden (waarbij onder voorraden alle activa worden verstaan, waarover [de ondernemer; PJW] het prijsrisico draagt) niet tot de winst gerekend worden. Deze waardeverschillen (...) behoren niet tot de winst omdat zij nodig zijn voor de continuïteit van de onderneming. Zij wordt door dergelijke waardestijgingen, in goederen gerekend, niet rijker (...). Dat er boekhoudkundig een voordeel verschijnt, is slechts een gevolg van het rekenen in een ondeugdelijke waardemeter, het geld." Het ijzeren-voorraadstelsel elimineert dus de invloed van prijsverschillen in de vaste voorraad op de winst.
(39)U heeft de toepassing van het ijzeren-voorraadstelsel voor de fiscale jaarwinstbepaling in de jaren vijftig van de vorige eeuw aanvaard.
(40)De omvang van de toenmalige prijsstijgingen en de proliferatie van bedrijfseconomische substantialistische inzichten zullen een rol hebben gespeeld.
(41)Het ijzeren-voorraadstelsel kan alleen worden toegepast op goederenvoorraden, niet op vorderingen
(42)en evenmin op aan onderhanden werken bestede arbeidskosten (HR 20 april 1966, nr. 15 548, BNB 1966/150, met noot Smeets). U overwoog in laatstgenoemd arrest: "dat het ijzeren-voorraadstelsel is gericht op de instandhouding van een duurzaam aan het bedrijf gebonden voorraad goederen en strekt om het door die goederen vertegenwoordigde, wisselende geldsbedrag als factor bij de winstberekening uit te schakelen; dat zulks medebrengt dat dit stelsel wel kan worden toegepast op een als voorraad aan te merken hoeveelheid goederen, doch niet op aan onderhanden arbeid bestede arbeidskosten als hier bedoeld; (...)." 4.2. De substantialistische gedachtegang die aan het ijzeren-voorraadstelsel ten grondslag ligt, volgde u al ruim twintig jaar eerder in de zgn. ruilarresten.
(43)U overwoog in HR 21 juni 1932, B. 5237: "(...) dat weliswaar (...) het (...) met goed koopmanschap niet in strijd is rekening te houden met de waarde, waarop de verworven goederen bij den ruil zijn gewaardeerd, doch het evenzeer niet strijdig is met dat gebruik om (...) bij een methode, waarbij alleen gerealiseerde winst in aanmerking wordt genomen, ingeval van ruil van een deel van den handelsvoorraad tegen andere onroerende goederen, die eveneens tot den handelsvoorraad gaan behooren, geen winst te berekenen (...)." De belangrijkste voorwaarde voor toepassing van de ruilgedachte is dat geen winst gerealiseerd wordt omdat de opbrengst van een goed gebruikt moet worden tot financiering van een ander goed dat functioneel en economisch dezelfde plaats in de onderneming inneemt; dus noodzakelijk is voor de instandhouding van de bestaande onderneming. De ruildoctrine is beperkt tot functioneel-economisch gelijksoortige goederen.
(44)Voor het ijzeren-voorraadstelsel geldt een enigszins vergelijkbare 'soortgelijk, althans soortverwant'-eis (zie 4.3 hieronder). 4.3. Hét ijzeren-voorraadarrest - sindsdien vaste rechtspraak
(45)- is HR 7 maart 1956, nr. 12 623, BNB 1956/121, met noot Smeets, waarin u overwoog: "(...) dat belanghebbende met ingang van haar van 1 Mei 1949 tot ultimo April 1950 lopende boekjaar verlangt over te gaan tot een stelsel van voorraadwaardering, waarvan de kern is, dat de normale - gestadig aan te houden - voorraad grond- en hulpstoffen, goederen in bewerking en gerede producten bestendig wordt gewaardeerd naar het prijspeil bij den aanvang van dat boekjaar, ofwel naar de lagere marktwaarde op den balansdatum; dat zodanig stelsel slechts dan in overeenstemming met goed koopmansgebruik kan worden geacht, indien het den waarborg inhoudt, dat aan het volgende wordt voldaan: a. dat wordt uitgegaan van den normalen voorraad bij het begin van het boekjaar 1949/1950, met dien verstande, dat ook in latere boekjaren de waardering naar het prijspeil op 1 Mei 1949 slechts mag worden betrokken op een voorraad, die wat betreft den omvang der goederen gelijk en wat betreft den aard der goederen - zij het dat grond- en hulpstoffen, goederen in bewerking en gerede producten elkaar zullen kunnen vervangen - soortgelijk althans soortverwant is aan den normalen voorraad per den genoemden datum, terwijl de mogelijk daarboven aanwezige voorraad wordt gewaardeerd op den kostprijs (of op de lagere marktwaarde op den balansdatum) (...). O. dat in het licht van het bovenstaande het waarderingsstelsel, zoals dit in de uitspraak is geformuleerd, niet als in overeenstemming met goed koopmansgebruik kan worden aanvaard, aangezien het niet den waarborg biedt, dat aan de gestelde vereisten wordt voldaan; (...) dat het niet gerechtvaardigd is de hoeveelheid goederen, waarmede de vaste voorraad te eniger tijd is vergroot, te waarderen naar het prijspeil van 1 Mei 1949, aangezien daardoor een verlies tot uitdrukking zou kunnen worden gebracht, waartoe in redelijkheid geen aanleiding bestaat, terwijl geen reden valt aan te wijzen, waarin een voorraad, welke uit goederen van een geheel anderen aard bestaat dan waaruit de normale voorraad per 1 Mei 1949 bestond, naar het prijspeil op dien datum van tot dezen voorraad behoord hebbende onverwante goederen zou mogen worden gewaardeerd; (...). dat het stelsel, waarbij een bepaalde voorraad naar een vasten basisprijs wordt gewaardeerd, zijn doel en rechtvaardiging vindt in den wens om bij oplopend prijspeil de bij den verkoop van dien voorraad verkregen opbrengst, voorzover deze moet worden besteed om den voorraad aan te vullen en aldus de onderneming op het bestaande peil te handhaven, voor de winstberekening buiten aanmerking te doen blijven; dat het, bij aanvaarding van dit uitgangspunt, redelijk is, dat, wanneer op den balansdatum een manco bestaat, er bij de waardering van den voorraad rekening mede wordt gehouden, dat die voorraad met de daaraan ontbrekende goederen dient te worden aangevuld; dat anders een door niets gemotiveerd verschil in uitkomst zou worden verkregen in gevallen, waarin de noodzakelijke aanvulling van den voorraad reeds voor den balansdatum is geschied, en in gevallen, waarin die noodzakelijke aanvulling eerst na den balansdatum heeft plaats gevonden. (...)." 4.4. De parlementaire geschiedenis van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (Wet IB 1964) bevat de volgende uiteenzetting van doel en strekking van het ijzeren-voorraadstelsel:
(46)"De bedoeling en het resultaat van deze wijze van waardering is, dat de met de verkoop van tot de normale voorraad behorende goederen behaalde winst wordt gesteld op het verschil tussen het bedrag van de verkoopopbrengst en het bedrag dat is of moet worden besteed om de verkochte goederen te vervangen. De ondernemer wordt aldus in staat gesteld ook in geval van prijsstijging de aanvulling van zijn voorraad tot het normale peil met eigen middelen te financieren.'' Hoewel de noodzaak van permanente financiering van de normale voorraad de grondslag is van het ijzeren-voorraadstelsel, heeft u in HR 5 september 1979, nr. 19 081, met conclusie Van Soest, BNB 1980/215, met noot Slot, het ijzeren-voorraadstelsel toegestaan ongeacht hoe de normale voorraad is gefinancierd:
(47)"dat (...) doel en rechtvaardiging [van het ijzeren-voorraadstelsel; PJW] aanwezig zijn ongeacht de wijze, waarop de desbetreffende voorraad is gefinancierd; dat de voordelen voortvloeiende uit de in de onderneming gevolgde wijze van financiering naar de eigen daarvoor geldende regelen in de winst worden betrokken (...).'' Slot's commentaar op dit oordeel is uiterst cynisch en kritisch. Van ambtswege:
(48)ijzeren-voorraadstelsel en jaarrekeningenrecht (r.o. 5.7.2 Hof) 4.5. Onder de IFRS
(49)en het Nederlandse civiele jaarrekeningrecht is het ijzeren-voorraadstelsel inmiddels niet meer toegestaan.
(50)Ook het Lifo-systeem zal binnenkort niet meer zijn toegestaan. Deze methoden geven kennelijk onvoldoende inzicht in het vermogen (de werkelijke waarde) van de onderneming (true and fair value). Het Hof heeft geoordeeld (r.o. 5.7.2) dat het niet (meer) toegestaan zijn van het ijzeren-voorraadstelsel in de commerciële jaarrekening (titel 9, afd. 6, Boek 2 BW) geen reden is voor verwerping van dit stelsel voor de fiscale winstberekening. Het Hof ziet in EG-rechtelijk, civielrechtelijk, maatschappelijk, en commercieel voortgeschreden inzicht geen aanleiding om van de gevestigde fiscale voorraadwaarderingsleer af te wijken. Ik zie voor u geen aanleiding om het daar van ambtswege mee oneens te zijn, hoezeer ook de literatuur
(51)voorziet dat het ijzeren-voorraadstelsel en het lifo-stelsel te eniger tijd niet meer afgezegend zullen worden als fiscaal goed koopmansgebruik. Er zou sprake zijn van wijzigingen niet alleen in het jaarrekeningrecht, maar ook in bedrijfseconomisch inzicht, waarvan fiscale afwijking niet kan worden gerechtvaardigd met een beroep op een specifieke wetsbepaling, de algemene opzet of het beginsel van de belastingwet (vgl. HR 8 mei 1957, nr. 12 931, BNB 1957/208, met noot Smeets).
(52)De ontwikkelingen in het jaarrekeningrecht leiden er inderdaad toe dat de bedrijfseconomie minder substantialistisch naar voorraadstelsels kijkt; de nadruk is meer op fair value accounting komen te liggen. De geschetste ontwikkelingen zijn in elk geval geen aanleiding om het fiscale toepassingsbereik van substantialistische voorraadwaardering uit te breiden. Beperking zou eerder passen in de tijdgeest, alsmede in de in de literatuur
(53)gesignaleerde meer algemene terugtred van het voorzichtigheidsbeginsel binnen goed koopmansgebruik. Het lijkt mij echter nog niet zo ver dat u u daar van ambtswege toe geroepen zou moeten voelen. Normale voorraad 4.6. Voorraden zijn de "zaken die ter bewerking, verwerking of verkoop en derhalve als bestemd tot de omzet in het bedrijf aanwezig zijn,"
(54)ook genoemd vlottend kapitaal.
(55)Bij de bepaling van de omvang van de voorraad wordt veelal onderscheiden tussen de technische (of fysieke) voorraad en de economische voorraad.
(56)De fysieke voorraad is de feitelijk in de onderneming aanwezige voorraad. De economische voorraad is de voorraad waarover de onderneming prijsrisico loopt,
(57)dat is de technische voorraad plus de gekochte, maar nog niet aan de onderneming geleverde goederen (vooraankopen) minus de reeds verkochte, maar nog niet geleverde goederen (voorverkopen). 4.7. De ratio van het ijzeren-voorraadstelsel (continuïteit) brengt mee dat de toepassing ervan beperkt wordt tot de normale voorraad. Zoals bleek, verstaat u daaronder de voorraad die nodig is om het productieproces bij de bestaande bedrijfscapaciteit ongestoord voortgang te doen vinden.
(58)Deze voorraad kan uit verschillende schijven bestaan met elk hun eigen basisprijs. Speculatieve voorraden behoren niet tot de normale voorraad. U overwoog in HR BNB 1959/29 met betrekking tot een surplus: "dat immers voor de financiering van dien tijdelijken hogeren voorraad geen vermogen aan het bedrijf verbonden behoeft te blijven; (...)." Binnen één ijzeren voorraad moeten de goederen voorts niet alleen economisch, maar ook technisch soortgelijk, althans soortverwant zijn. In HR 30 november 1994, nr. 28 639, met conclusie Verburg, BNB 1995/102, met noot Slot, overwoog u: "De (...) opvatting dat bij de toepassing van een ijzeren-voorraadstelsel is voldaan aan de eis dat de goederen soortgelijk althans soortverwant zijn, indien zij in het bedrijf dezelfde functie vervullen en derhalve in economische zin elkaar kunnen vervangen, kan niet als juist worden aanvaard. De grondslag van het stelsel is de veronderstelling dat ondanks de geregelde inkoop en verkoop van goederen de vaste voorraad in beginsel onveranderd aan het bedrijf gebonden is, aan welke veronderstelling slechts is voldaan indien de desbetreffende goederen ook in technische zin soortgelijk of soortverwant zijn." 4.8. Het is bij de normale of ijzeren voorraad volgens Slot
(59)te doen om de "voorraad die op technische en economische gronden jaarlijks gemiddeld aanwezig moet zijn, waarbij het gemiddelde wordt bepaald met uitschakeling van kortstondige en zich ten hoogste enkele malen per jaar voordoende uitschieters naar boven en beneden." 4.9. Bij sommige bedrijven zullen voorinkopen en voorverkopen elkaar niet veel ontlopen en zal de technische (fysieke) voorraad dus niet sterk van de economische voorraad afwijken. Met name bij ondernemingen die op bestelling werken kan dat anders zijn. Slot zet uiteen dat voor de toepassing van de (bedrijfseconomische) vervangingswaardetheorie de normale voorraad alsdan niet de technische, maar de economische is:
(60)"
  1. (...) dat de normale voorraad gelijk is aan de maximale in de loop van het jaar voor de bedrijfsuitoefening noodzakelijke voorraad, (...). De omvang van deze noodzakelijke voorraad bevat als positieve elementen het bestelniveau en de meest economische bestelgrootte. Het bestelniveau wordt bepaald door die omvang van de aanwezige voorraad welke, met een zekere veiligheidsmarge, voldoende is om, gezien de levertijd, te voorkomen dat door een tekort aan voorraad stagnatie in het bedrijf optreedt. De opvatting, dat de normale voorraad een gemiddelde voorraad zou zijn, is slechts verdedigbaar als praktische oplossing in bepaalde gevallen, nl. indien deze gemiddelde voorraad met eigen vermogen wordt gefinancierd. Normale voorraad is immers noodzakelijke voorraad en deze is de maximaal noodzakelijke voorraad. Niet in overeenstemming met de vervangingswaardeleer en het ijzerenvoorraadstelsel, die zich immers bezig houden met waardeveranderingen van goederen en niet van vorderingen, is de zienswijze als zou de normale voorraad slechts positieve elementen kunnen bevatten nl. de technische voorraad, vermeerderd met lopende inkoopcontracten. Een aanwijzing voor de onjuistheid van deze opvatting is bovendien, dat de som van de normale voorraden bij de verschillende schakels van de bedrijfskolom, (...) groter zal zijn dan de totale aanwezige voorraad (...). (...) de vervangingswaardetheorie- en dit geldt eveneens voor het ijzeren-voorraadstelsel - [bevat] geen elementen, welke waarborgen, dat bij de winstbepaling rekening wordt gehouden met de toegenomen vermogensbehoefte doordat bij gestegen goederenprijzen meer krediet moet worden verleend. Er wordt uitsluitend gelet op de waardestijging van de normale goederenvoorraad. Deze voorraad vatte men op als economische voorraad. (...). Een bedrijf, dat zijn in bestelling zijnde voorraad reeds heeft verkocht, bezit die voorraad economisch niet meer, zodat waardestijging van die voorraad niet leidt tot vermogensaanwas welke eventueel dient te worden gereserveerd. (...). Uit het vorenstaande vloeit tevens voort, dat de technische voorraad als normale voorraad ondeugdelijk is, tenzij als praktische oplossing in gevallen waarin de economische voorraad niet belangrijk van de technische pleegt af te wijken. Een verkochte, maar nog niet geleverde voorraad, levert voor het bedrijf slechts risico's op die in het algemeen verzekerbaar zijn. Het prijsriscio is echter voor rekening van de afnemer. Economisch is het zijn voorraad." 4.
  2. Uw rechtspraak leert dat goed koopmansgebruik in elk geval toelaat om de economische voorraad als normale voorraad te beschouwen: met voorinkopen en voorverkopen mag rekening worden gehouden (zie HR 19 juni 1957, nr. 13 149, BNB 1957/240
(61), HR 12 februari 1958, nr. 13.389, BNB 1958/90
(62), beide met noot Smeets en HR 13 oktober 1999, nr. 33 570, BNB 2000/20, met noot Slot
(63)). 4.
  1. Uit HR BNB 1958/90 volgt voorts dat indien de economische voorraad ten grondslag wordt gelegd aan het ijzeren-voorraadstelsel, de belastingplichtige bij de bepaling van de normale voorraad soms voorverkopen mag veronachtzamen; in het berechte geval mocht dat omdat de belanghebbende bij haar bevoorradingsbeleid abstraheerde van voorverkopen. U overwoog: "dat, indien aan de winstberekening op basis van het ijzeren-voorraadstelsel de economische voorraad ten grondslag wordt gelegd, gelijk belanghebbende wil, hieruit weliswaar volgt, dat voor de beantwoording van de vraag of op enigen balansdatum een manco aanwezig is, niet uitsluitend gelet moet worden op den voorraad, die in feite aanwezig is, maar tevens op de vooraankopen en op de voorverkopen, doch hieruit niet voortvloeit, dat ook bij de vaststelling van de grootte van den normalen voorraad steeds met voorverkopen rekening moet worden gehouden; dat de Raad van Beroep heeft vastgesteld, dat de bevoorradingspolitiek van belanghebbende gericht is op het waarborgen van een ongestoord verloop van het productieproces en met voorverkopen geen rekening houdt; dat derhalve in het onderhavige geval voor den Raad geen aanleiding bestond bij de bepaling van den normalen voorraad rekening te houden met voorverkopen of met de door het middel daaronder mede begrepen verkopen aan leden krachtens de voor dezen volgens het middel bestaande verplichting tot afneming; (...)." Smeets annoteerde in BNB: "
  2. (...) is m.i. in dit arrest bevestigd, dat een ondernemer die geheel of ten dele op bestelling werkt en de voorraden waardeert volgens het stelsel van de normale voorraden, fiscaalrechtelijk niet verplicht is de methode van de economische voorraad in plaats van de technische voorraad te volgen. Eigenlijk volgt dit reeds uit het arrest BNB 1957/240 (...). Het dwingend voorschrijven van de economische voorraad kan m.i. van de HR moeilijk worden verwacht, omdat hij fiscaalrechtelijk zelfs bij grote ondernemingen veel als niet strijdig met goed koopmansgebruik aanvaardt, hetgeen volgens de "pure" bedrijfseconomie moeilijk verdedigbaar is (...)." 4.
  3. Ik meen dat dit arrest - meebrengende dat bij de bepaling van het manco rekening wordt gehouden met voorverkopen, maar dat dat niet hoeft bij de bepaling van de normale voorraad - een zeer beperkt toepassingbereik heeft. De vraag rijst ook of in het huidige tijdgewricht nog zoveel gewicht gegeven kan worden aan het beleid van de ondernemer (in casu het bij de inkoop abstraheren van voorverkopen). Dat beleid neemt immers niet weg dat er feitelijk wél voorverkopen zijn. Het arrest kan mijns inziens in elk geval niet ingeroepen worden (veronachtzamingsbeleid kan fiscaal niet gevolgd worden) in geval van structurele voorverkopen (ik zou haast zeggen: "ijzeren" voorverkopen), omdat anders in strijd met de realiteit een structureel manco zou kunnen ontstaan. Zelfs degenen die betogen dat met voorverkopen geen rekening behoeft te worden gehouden (zoals Meeles
(64)), maken uitzonderingen indien (
  1. i)op bestelling wordt geproduceerd of (
  2. ii)de technische voorraad en/of de vooraankopen zijn/worden beïnvloed door de stand van de orderportefeuille. 4.13. De fiscale literatuur
(65)is algemeen van mening dat als normale voorraad zowel de technische als de economische voorraad kan worden genomen. Zo schrijft Slot - overigens onder verwijzing naar de hiervoor geciteerde afwijkende bedrijfseconomische opvattingen
(66): "Een nog niet uitdrukkelijk beantwoorde vraag is of de technische voorraad als normale voorraad kan gelden. Goed koopmansgebruik zal dit onzes inziens zeker toelaten, temeer omdat het in de regel alleen de technische voorraad is die dient te worden gefinancierd. (...)." De genoemde literatuur gaat niet of nauwelijks in op de vraag of dit ook geldt bij aanzienlijke verschillen tussen de technische en de economische voorraad. Wel vermeldt de Vakstudie vennootschapsbelasting:
(67)"Het is niet geheel duidelijk of de normale voorraad, welke volgens HR 19 juni 1957, nr. 13 149, BNB 1957/240 (...) en HR 12 februari 1958, nr. 13 389, BNB 1958/90 (...) naar objectieve maatstaven los van het beleid van de ondernemer moet worden vastgesteld, steeds naar keuze van de belastingplichtige op zowel de technische als de economische voorraad mag worden gebaseerd. Zo kan men zich afvragen of een bedrijf, dat prijsrisico's door manipulatie van aan- en verkopen, al dan niet via de termijnmarkt, zoveel mogelijk tracht uit te schakelen, verplicht is uit te gaan van de economische voorraad. Voorzover tot een groter bedrag beslag op eigen vermogen wordt gelegd, zou bij een dergelijk standpunt de doelstelling van het ijzeren-voorraadstelsel niet tot zijn recht komen. (...). Het lijkt (...) [gelet op HR BNB 1958/90; PJW] verdedigbaar te stellen, dat, ingeval pas wordt gekocht nadat het eindproduct is verkocht, de normale voorraad met inachtneming van de voorverkopen moet worden vastgesteld. Tevens lijkt het verantwoord het ijzerenvoorraadstelsel op de technische voorraad toe te passen. Voorts rijst de vraag of er verschil is tussen een productiebedrijf en een handelsonderneming. Bij productie heeft de bevoorrading veelal specifieke betekenis voor het gaande houden van het productieproces, tot op zekere hoogte los van de verkopen. Wellicht brengt dit mede dat voor handelsgoederen, als wordt uitgegaan van de economische voorraad, steeds met voorverkopen moet worden rekening gehouden. Daarbij kan, ondanks HR 7 maart 1956, nr. 12 623, BNB 1956/121 (...), nog worden bedacht, dat het bij handel om dezelfde goederen gaat, terwijl bij productie aardverandering plaatsvindt. Anderzijds is het zekerstellen van de afzet bij veel bedrijven even belangrijk als het gaande houden van de productie. (...). " 4.14. Anders dan de Staatssecretaris,
(68)lees ik in het boven (4.11) geciteerde arrest HR BNB 1958/90 niet de algemene verplichting om voor de toepassing van het ijzeren-voorraadstelsel uit te gaan van de economische voorraad, al wordt inderdaad in het algemeen over de economische voorraad prijsrisico gelopen. Ik lees in uw jurisprudentie echter evenmin dat het de belastingplichtige steeds (onder alle omstandigheden) vrij staat te kiezen voor de technische voorraad als normale voorraad. Het hangt van de feitelijke bedrijfsvoering en de daaruit voortvloeiende (beperking van) prijsrisico's af. 4.
  1. De vraag of toepassing van het ijzeren-voorraadstelsel op de technische in plaats van de economische voorraad in belanghebbendes geval strookt met goed koopmansgebruik, moet dus beoordeeld worden aan de hand van de bijzondere omstandigheden van belanghebbendes bedrijfsvoering. Bespreking van het eerste principale middel 4.
  2. Het Hof heeft de partijen gevolgd in hun opvatting dat het door de belanghebbende gehanteerde stelsel van jaarwinstberekening - voorraadwaardering gecorrigeerd met ROP en met ongerealiseerde resultaten op futures en valutatermijncontracten - in beginsel in overeenstemming is met goed koopmansgebruik (zie r.o. 5.4). Dit is in cassatie evenmin in geschil. 4.
  3. De belanghebbende heeft voor het Hof als volgt betoogd dat zij voor de toepassing van het ijzeren-voorraadstelsel van de technische voorraad cacaobonen mag uitgaan:
(69)"4.1.
  1. Dat X haar prijsrisico op forward sales tracht te beperken doet er niet aan af, (...) dat de opbrengsten uit de bonen niet aangewend zouden hoeven worden of moeten worden om andere bonen aan te kopen. (...). 4.1.
  2. Uit [de jurisprudentie van de Hoge Raad] volgt dat (...) [u]itgangspunt is (...) dat wordt uitgegaan van de technische voorraad. (...). 4.1.14 Volledigheidshalve zij benadrukt dat het gezien het belang van X om te beschikken over een voorraad in de rede ligt dat zij als uitgangspunt de technische voorraad neemt; haar bevoorradingspolitiek is gericht op het waarborgen van een ongestoord productieproces." 4.
  3. De Inspecteur heeft daartegenover voor het Hof gesteld dat toepassing van het ijzeren-voorraadstelsel op de technische voorraad in casu onverenigbaar is met goed koopmansgebruik, met name met het realiteitsbeginsel, omdat zij leidt tot verliesneming waartoe in redelijkheid geen aanleiding bestaat. In zijn verweer in feitelijke instantie heeft de Inspecteur onder meer betoogd (i) dat het gehanteerde stelsel in strijd is met de ijzeren-voorraadgedachte omdat prijsrisico's op de voorraad ontbreken, (ii) dat het gaat om onderhanden werken in plaats van voorraden en (iii) dat de keuze voor de technische voorraad onverenigbaar is met goed koopmansgebruik:
(70)"De stelling van B dat haar voorraadpolitiek is gericht op een ongestoord productieproces en dat de technische voorraad daarbij van belang is onderschrijven wij niet. Uiteraard is het streven van iedere ondernemer - mede - gericht op een ongestoord productieproces. Relevant voor toepassing van de normale voorraad is of belastingheffing over inflatiewinsten voornoemd proces dreigt te verstoren. In het geval van B is de omvang van de normale voorraad in technische zin weliswaar van belang voor het ongestoord verlopen van het productieproces, doch van belastingheffing over inflatiewinsten die het productieproces kunnen verstoren is in casu geen sprake. In zoverre mist de technische voorraad feitelijke grondslag voor de toepassing van het stelsel. Als geen prijsrisico wordt gelopen doet zich de in de jurisprudentie omschreven rechtvaardigingsgrond om de onderneming bij oplopend prijspeil op het bestaande niveau te handhaven zich niet voor. Het onverkort toepassen van het stelsel in een situatie als hier aan de orde leidt tot ongerijmde uitkomsten. (...) Nu B zelf haar economische voorraad op nihil probeert te houden, doch hier bij de fiscale waardering aan voorbij gaat, handelt zij in strijd met de realiteit." 4.19. Het Hof heeft dit betoog van de Inspecteur niet gevolgd. 4.20. De Staatssecretaris voert daartegen in cassatie (opnieuw) aan dat B niet haar technische voorraad als uitgangspunt mag nemen, omdat - samengevat - (
  1. i)zij door het systeem van de nagestreefde 'flat priced position' structureel nagenoeg geen prijsrisico loopt op haar voorraden en (
  2. ii)van inflatiewinsten op de voorraden geen sprake kan zijn omdat de gehele fysieke voorraad steeds (op elk moment) geheel is verkocht tegen een reeds vastgestelde prijs (en van een relevant debiteurenrisico kennelijk geen sprake is). De economische realiteit van een gesloten positie en een reeds verkochte fysieke voorraad leidt er zijn inziens toe dat de voorraad op balansdatum op kostprijs moet worden gewaardeerd. 4.21. De belanghebbende bestrijdt het eerste principale middel uitvoerig bij verweer, daarbij deels overlappend met haar hieronder te bespreken incidentele beroep in cassatie. Zij stelt onder meer dat geen sprake is van een 'gesloten voorraadpositie die kwalificeert als een hedge.' Zij stelt voorts dat het naar nihil tenderen van de cumulatieve flat priced position niets zegt over de vraag of en de mate welke B prijsrisico's loopt.
(71)Ik verwijs voor de bespreking van dit betoog naar de bespreking van het overlappende incidentele beroep (zie onderdeel 6 hieronder). Dat doe ik ook voor haar stellingen dat zij wel degelijk prijsrisico's loopt op de fysiek aanwezige voorraad,
(72)en dat bij de voorverkopen, voorinkopen, technische voorraad en futures geen sprake is van samenhangende posten die overall in waardeontwikkeling zodanig correleren dat nauwelijks restrisico optreedt.
(73)4.22. Geen geschil bestaat over de omvang van de technische (fysieke) voorraad cacaobonen per balansdatum (31 mei 1997). Het Hof heeft die technische voorraad als normale voorraad aanvaard en heeft de omvang van de economische voorraad niet vastgesteld; het Hof heeft dan ook (r.o. 5.7.3) in het midden gelaten of de flat priced position gelijk staat aan B's economische voorraad per balansdatum. 4.23. Het Hof heeft vastgesteld dat de belanghebbende streeft naar een situatie waarin de voorverkopen volledig worden gedekt door (
  1. i)fysieke voorraad, (
  2. ii)voorinkopen en (iii) futures, alsmede naar een situatie waarin prijsrisico's (en valutarisico'
  3. s)op voorraad en orderpositie (halffabrikaten omgerekend naar bonenequivalenten; r.o. 2.6) worden geminimaliseerd (zie r.o. 5.3 en 5.7.4). Het Hof heeft voorts vastgesteld dat de belanghebbende daar (op de langere termijn bezien) ook "goeddeels" in slaagt, met name dat haar cumulatieve flat priced position structureel (over een periode van meer dan 12 toekomstige maanden) naar nihil tendeert. 4.24. De flat priced position (in metrieke tonnen bonen) is kennelijk een overzicht om de prijsrisico's in kaart te brengen (zie r.o. 2.9 Hof) en wordt door de belanghebbende als volgt berekend:
(74)Fysieke voorraden grondstoffen + Fysieke voorraden gereed product, omgerekend in metertonnen bonen +Vooraankopen grondstoffen -Verkochte cacaomassa en boter, omgerekend in metertonnen bonen Long of short positie +/-Future-contracten (in metertonnen bonen) Flat priced position (in metertonnen bonen) Het resultaat (de onderste regel) lijkt mij de positie in mt bonen waarover de belanghebbende prijsrisico's loopt. 's Hofs feitelijke oordeel dat het naar nihil tenderen van die onderste regel erop wijst, mede gezien de overige vastgestelde feiten, dat de belanghebbende structureel streeft naar een (in mijn ogen: economische) voorraad ad nihil, acht ik niet onbegrijpelijk. Eén van die overige vastgestelde feiten is dat de voorraad op de commerciële balans wordt verantwoord tegen theoretical cost (zie de boven genoemde concernrichtlijn), hetgeen kennelijk inhoudt: kostprijs. De belanghebbende bestrijdt niettemin ook in cassatie (i) dat de flat priced position gelijk gesteld zou kunnen worden aan de economische voorraad, (ii) dat die economische voorraad nihil zou zijn en (iii) dat over die voorraad nagenoeg geen prijsrisico zou worden gelopen.
(75)Zij heeft niet bestreden dat de in de opstelling figurerende technische voorraad, vooraankopen en voorverkopen deel uitmaken van haar economische voorraad, maar wel dat de futures er ook bij zouden horen 'als feitelijk inkoopcontract' (goederen in bestelling), nu die futures uitdrukkelijk niet gericht zijn op levering van cacaobonen voor de productie (dergelijke inferieure standaardbonen wil de belanghebbende toch niet verwerken), maar - zie 's Hofs r.o. 2.7 - op beperking van prijsrisico's op de voorverkopen.
(76)4.25. Ik moet zeggen dat ik dit argument niet goed begrijp. Aanvaarding ervan leidt tot de bevinding dat belanghebbendes economische voorraad negatief is, hetgeen mij haar procespositie niet lijkt te dienen.
(77)Wat daar van zij, u kunt mijns inziens, anders dan de Staatssecretaris meent,
(78)de omvang van de economische voorraad in cassatie niet vaststellen, nu de cassatieprocedure voor het daarvoor benodigde feitenonderzoek geen plaats biedt. Indien de economische voorraad beslissend is, zal dus verwezen moeten worden. Ik zal er hier verder veronderstellenderwijs van uit gaan dat de economische (normale) voorraad per balansdatum (nagenoeg) nihil is of, zoals de belanghebbende wil, negatief is.
(79)4.
  1. Zoals boven (onderdelen 4.9 t/m 4.15) betoogd, volgt uit uw jurisprudentie niet dat een keuze voor de fysieke (in plaats van de economische) voorraad als de normale voorraad steeds (onder alle omstandigheden) strookt met goed koopmansgebruik. Het Hof is daar echter kennelijk wel vanuit gegaan: het wijst bij het aan de belanghebbende toestaan van de keuze voor de technische voorraad op de "gevestigde leer inzake fiscale voorraadwaardering" (r.o. 5.7.3) en op de "gangbare opvattingen, zoals die onder meer tot uitdrukking komen in de jurisprudentie van de Hoge Raad" (r.o. 5.7.4). 4.
  2. Het Hof heeft het standpunt van de fiscus dat de keuze voor de technische voorraad bij de belanghebbende onverenigbaar is met goed koopmansgebruik verworpen omdat de belanghebbende volgens het Hof rekening mag houden "met de bijzondere kenmerken van de aan het bedrijf van B gebonden voorraad" (r.o. 5.7.5). Uit r.o. 5.2 volgt dat het Hof bedoelt dat niet aannemelijk is dat de belanghebbende "produceert op bestelling," maar wel dat de inkopen van B afhangen van de omvang van de productiecapaciteit (en slechts indirect van de verkoopresultaten). De Staatssecretaris bestrijdt dit feitelijke oordeel met een motiveringsklacht
(80)die mijns inziens doel treft, ook bezien in het licht van hetgeen de belanghebbende voor het Hof heeft aangevoerd.
(81)Volgens 's Hofs vaststellingen lopen de voorverkopen van de halffabrikaten structureel in de tijd vóór op de voorinkopen van cacaobonen (r.o. 2.5) en volgt daaruit dat gedurende het litigieuze jaar de volledige technische voorraad (gerekend in bonenequivalenten) steeds geheel is verkocht.
(82)De toelichting op het eerste principale middel
(83)betoogt mijns inziens terecht dat deze situatie voor de toepassing van het ijzeren-voorraadstelsel slechts vergelijkbaar is met verkoop op bestelling (want niet met productie op voorraad, die er immers economisch niet is). De volgens het Hof structurele voorverkopen (r.o. 2.6) leiden tot een structurele aanzienlijke net short positie en kunnen alsdan naar mijn mening zonder nadere motivering - die ontbreekt - bij de bepaling van de normale voorraad niet buiten beschouwing worden gelaten. Ik zal dit hieronder (onderdeel 4.28 e.v.) nader uiteenzetten. 's Hofs motivering is ook onvoldoende gezien zijn vaststelling dat in belanghebbendes bedrijfsvoering de minimalisatie van prijsrisico's centraal staat (r.o. 5.3). Zonder nadere motivering is dan niet begrijpelijk dat de voorinkopen slechts indirect worden beïnvloed door de stand van de voorverkopen en de fysiek aanwezige voorraden. 4.28. Belanghebbendes bedrijfsvoering wijkt blijkens 's Hofs vaststellingen op twee punten af van de in een ijzeren-voorraadomgeving veronderstelde standaardsituatie: (i) B heeft haar gehele productie op voorhand verkocht, en (ii) B slaagt er op de langere termijn bezien structureel in haar prijsrisico's te beheersen: zij neemt niet in significante mate open posities in ten opzichte van het basisprijsrisico op cacaobonen (r.o. 5.3). Bij een (hier veronderstelde) economische voorraad ad nihil leiden prijswijzingen per saldo niet tot vermogensmutaties. In de concernrichtlijn (zie r.o. 2.10) - die de belanghebbende zegt te volgen
(84)- komt dit als volgt tot uiting: "X's inventories that are valued at market are hedged against the risk of price changes with cash contracts and futures contracts (...). Price changes on physical inventory are substantially offset by gains and losses on the contracts." Grondslag van het ijzeren-voorraadstelsel is de veronderstelling dat ondanks de geregelde inkoop en verkoop van goederen een vaste voorraad in beginsel permanent aan het (draaien van het) bedrijf gebonden is. Deze grondslag doet zich in casu niet voor. Belanghebbendes fysieke voorraad (in bonenequivalenten) is op elk moment geheel verkocht, zodat - vanuit een oogpunt van voorkoming van schijnwinsten - geen sprake is van een 'duurzaam aan het bedrijf gebonden voorraad' (HR BNB 1959/29). Evenmin is in casu sprake van 'inkopen ter aanvulling van de voorraad om de onderneming op het bestaande peil te handhaven' (HR BNB 1956/121): de voorinkopen zijn immers eveneens steeds in zeer aanzienlijke mate verkocht, zodat eerder ingekocht wordt om aan aangegane leveringsverplichtingen te kunnen voldoen.
(85)In die omstandigheden kan niet gezegd worden dat zich geen winstrealisatie voordoet (zie ook onderdeel 4.2 hierboven inzake de ruilarresten). In feite worden in het ijzeren-voorraadstelsel zoals door Hof toegestaan reeds verkochte voorraden gewaardeerd ver onder de vervangingsinkoop en ver onder de kostprijs. Reeds (voor)verkochte voorraad moet mijns inziens echter op kostprijs worden gewaardeerd. Bij (afwezigheid van significant debiteurenrisico en) een op de langere termijn naar nihil tenderend prijsrisico kunnen de (achterlopende) inkopen steeds worden gefinancierd uit de (voorlopende) voorverkopen van de halffabrikaten. 4.
  1. Het Hof heeft een deel van de voorraad aan het bedrijf van de belanghebbende gebonden geacht uit ander dan schijnwinstoogpunt, nl. het productieproces: er is een minimale hoeveelheid cacaobonen nodig om de machines aan de gang te houden (vgl. r.o. 5.2: 'waarborging continue productie van halffabrikaten bij de belanghebbende'). Die technisch gebonden voorraad is echter eveneens steeds verkocht en er wordt geen prijsrisico op gelopen. 4.
  2. Dat toepassing van het ijzeren-voorraadstelsel op belanghebbendes technische voorraad op gespannen voet staat met de realiteit, volgt uit 's Hofs r.o. 5.7.5 zelf, waarin het Hof immers oordeelt dat de belanghebbende niet behoeft uit te gaan van de door het Hof wél vastgestelde realiteit
(86)dat de gehele technische voorraad in beginsel steeds is verkocht. Volgens het Hof mogen op balansdatum reeds vastliggende voorverkopen, voor zover niet gedekt door technische voorraad of voorinkopen, voor de fiscale winstberekening worden toegerekend aan nog te kopen bonen (tegen marktprijs). Een zodanige toepassing van het ijzeren-voorraadstelsel (toerekening van reeds vastliggende voorverkopen aan nog te plaatsen toekomstige inkooporders, hoewel sprake is van transactiewinst) is mijns inziens in strijd met zowel het realiteitsbeginsel als het matchingbeginsel.
(87)Er wordt een verlies genomen dat feitelijk (bij een naar nihil tenderend prijsrisico en een (normale) economische voorraad ad nihil) niet zal worden geleden. Het Hof laat zich ten onrechte leiden door het voorzichtigheidsbeginsel (r.o. 5.7.5), althans heeft zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd. 4.
  1. Ik meen daarom dat het eerste principale middel doel treft. In de omstandigheden van de belanghebbende kan niet uitgegaan worden van de technische voorraad, is althans 's Hofs oordeel dat de technische voorraad uitgangspunt mag zijn, onvoldoende gemotiveerd. Verwijzing moet volgen voor feitelijk onderzoek naar de omvang van de (normale) economische voorraad, met name naar de verhouding tussen de (lange termijn) flat priced position en de economische voorraad. Bij de vaststelling van de normale economische voorraad moet naar mijn oordeel een langere termijn worden beschouwd (zie ook onderdeel 4.3 hiervoor).
  2. Het ROP (tweede principale middel) 5.
  3. Het ROP - een correctiesysteem op de waardering van de voorraden op marktprijzen - is het verwachte transactieresultaat vanuit de veronderstelling dat op balansdatum alle lopende verkoopcontracten nagekomen moeten worden (r.o. 2.13.1). Op de (netto)
(88)-contractwaarde van de forward sales minus de waarde van de technische voorraad (stock valuation), wordt de zogeheten net long/short in mindering gebracht. Dit is het saldo van de forward purchases en de waarde van de nog in te kopen bonen (e.e.a. minus nog te verkopen cacaopoeder), alles bepaald naar marktprijzen per balansdatum. 5.2. Het tweede principale cassatiemiddel betreft het in de berekening van het ROP (bij de forward sales) voorkomende aspect stock valuation; dat is de waardering van de technische (fysiek aanwezige) voorraad. De fiscus wil - indien de belanghebbende het ijzeren-voorraadstelsel mag toepassen op de technische voorraad - uitgaan van de fiscale waarde, nl. de waarde volgens het ijzeren-voorraadstelsel, en niet van de marktprijs. De Inspecteur betoogde dat de ROP-exercitie het verwachte transactieresultaat berekent als ware er een eindafrekening,
(89)en dat een eindafrekening bij een gesloten positie alle verschillen tussen de fiscale en commerciële waardering zichtbaar maakt. Bij een gesloten positie wordt de fiscale afwaardering van de voorraden naar ijzeren-voorraadprijzen gecompenseerd door een (concomitant) hoger verwacht transactieresultaat (ROP). Deze stelling is door het Hof in r.o. 5.8 verworpen op gronden analoog aan de gronden die het eerste principale middel mijns inziens terecht bestrijdt. Daarom slaagt mijns inziens ook onderdeel a van het tweede principale middel. Na verwijzing komt dit tweede geschilpunt mijns inziens slechts aan de orde indien zou blijken dat B's economische voorraad positief is en zij het ijzeren-voorraadstelsel moet toepassen op de (normale) economische voorraad.
(90)In dat geval zal ook aan de orde komen belanghebbendes - door het Hof daar gelaten - stelling dat in de berekening van het ROP de marktwaarde van de voorraad twee maal voorkomt, eenmaal positief en eenmaal negatief, door de partijen aangeduid als de zgn. eliminatiepostenkwestie.
(91)5.
  1. Het tweede geschilpunt is voorts relevant indien u het standpunt van het Hof volgt dat het ijzeren-voorraadstelsel in casu op de technische voorraad kan worden toegepast. Voor dat geval heeft het Hof mijns inziens terecht geoordeeld (r.o. 5.8) dat de consequentie van toestaan van het ijzeren-voorraadstelsel is dat B bij de berekening van het ROP de voorraad mag elimineren naar commerciële boekwaarde; anders zou immers het fiscaal nuttige effect van toepassing van het ijzeren-voorraadstelsel worden teruggenomen.
  2. Het incidentele cassatieberoep (ongerealiseerde winsten en verliezen) 6.
  3. B heeft aanvankelijk de openstaande contracten (forward purchases, forward sales, futures en valutatermijncontracten) naar de marktwaarde per balansdatum
(92)gewaardeerd en aldus (het saldo) van de winsten en verliezen daarop tot haar resultaat gerekend. De belanghebbende klaagt in cassatie over deze feitelijke vaststelling van het Hof, maar tevergeefs, daar zij geenszins onbegrijpelijk is. In bezwaar heeft zij zich nader op het standpunt gesteld dat de ongerealiseerde positieve resultaten op openstaande contracten fiscaal buiten beschouwing moeten blijven. Het Hof heeft dat standpunt verworpen (r.o. 5.9.1 e.v.). Hij heeft op dit punt doorslaggevende betekenis gegeven aan de realiteits- en matchingbeginselen, waar hij bij de eerste twee geschilpunten het voorzichtigheidsbeginsel liet prevaleren. Tegen dit oordeel over het derde geschilpunt richt de belanghebbende incidenteel vier middelen en een serie "preliminaire" klachten, voornamelijk over 's Hofs feitenvaststelling. De rechtsstrijd voor het Hof over matching van ongerealiseerde resultaten 6.2. Belanghebbendes beroepschrift voor het Hof vermeldt:
(93)"X waardeert per balansdatum haar (...) openstaande contracten. Bij die waardering wordt bezien tegen welke prijs een identiek contract voor wat betreft volume en overeengekomen leveringstermijn per balansdatum kan worden gesloten. Die prijs wordt vergeleken met de prijs waarvoor de contracten daadwerkelijk zijn afgesloten. Omdat het administratief nog niet mogelijk is ieder contract separaat te volgen, wordt daarbij uitgegaan van een gemiddelde prijs. Afhankelijk van de uitkomst wordt een - ongerealiseerd - verlies, dan wel een - ongerealiseerde - winst geconstateerd. (...).
(94)Slechts als er sprake zou zijn van een 'perfect hedge' - qua moment van aangaan, looptijd, omvang, object, etc. - zou wellicht plaats kunnen zijn voor een samenhangende waardering, (...) van een perfect hedge [is hier] geen sprake (...)." 6.3. De Inspecteur verweert zich als volgt:
(95)"(...) 7.3.
  1. Uit de wijze waarop belanghebbende de ongerealiseerde resultaten berekent, blijkt dat er een volledige correlatie bestaat tussen de prijsontwikkeling van de forward sales, forward purchases en de nog in te kopen cacaobonen. (...). Echter niet alleen de waarde van de lopende contracten worden door de ontwikkeling van de cacaoprijs geraakt. Dat geldt uiteraard ook voor de technische voorraad cacaobonen. Deze voorraad wordt op balansdatum geherwaardeerd naar marktwaarde. (...). 7.3.2 Om werkelijk inzicht te krijgen in de effecten van de prijsontwikkeling van de cacao, moeten alle (on)gerealiseerde resultaten in de beschouwing worden betrokken. Zo blijkt dat de loss on open position van ƒ 37,3 mio, binnen het administratieve systeem van belanghebbende nagenoeg geheel gecompenseerd is met tegengestelde (on)gerealiseerde winsten. Dit past ook bij een economische voorraad van nagenoeg nihil. Door de voorraden op marktwaarde te herwaarderen is er een winst van ƒ 24 mio gerealiseerd. Daarnaast is er een ongerealiseerde winst van de stijging van de cacaoprijs die voor een belangrijk deel het gevolg is van een stijging van het Gbp. Zoals verwacht kon worden is het verlies als gevolg van deze koersontwikkeling gecompenseerd door middel van een winst op forex contracten. Het totaal van (on)gerealiseerde winsten in de voorraadwaardering op balansdatum is als volgt: [volgt overzicht opgenomen in r.o. 2.15 van de Hofuitspraak; PJW]. 7.3.3 De ƒ 3.7 mio (on)gerealiseerde winst die resteert, is uiteindelijk het resultaat op een flat priced position die (nagenoeg) naar nihil tendeert. (...). De herwaardering van de voorraad van ƒ 24 mio beschouwt zij als gerealiseerde winst. (...). Uit het overzicht blijkt dat de ongerealiseerde winsten die belanghebbende wenst te elimineren direct samenhangen en volledig worden gecompenseerd met het wel verantwoorde ongerealiseerde verlies op de forward sales. Of met andere woorden: er wordt nu een ongerealiseerd verlies op forward sales in het fiscale resultaat verantwoord, waarvan vaststaat, dat het door de tegengestelde correlatie met de overige contracten en de aanwezige technische voorraad nimmer zal worden geleden. 7.3.5: Nu vaststaat dat er een volledige correlatie bestaat tussen de individuele resultaten op voorraad, forwards en futures (in feite zijn deze resultaten volledig gebaseerd op de marktnotering van cacaobonen) is er geen enkele reden om deze resultaten uiteen te rafelen en apart op de balans te verantwoorden. (...). 7.3.
  2. (...). De verwerking in de balans van belanghebbende illustreert de verregaande samenhang tussen de diverse elementen. Als gevolg van het feit dat belanghebbende nu op kunstmatige wijze tracht de diverse elementen apart te behandelen wordt miskend dat hier slechts de waardering van één balanspost, te weten voorraden ter discussie staat. (...)." 6.
  3. De belanghebbende heeft in repliek voor het Hof tegengesproken dat volledige (uitdovende) correlatie zou bestaan in de prijsontwikkeling van forwards, futures en fysieke voorraad. Zij heeft gesteld dat zij wel degelijk prijsrisico's loopt, met name over de zogenoemde prijsdifferential en de zogenoemde spread, alsmede ten aanzien van het cacaopoeder.
(96)Over de flat priced position - en de prijsrisico's per afzonderlijke periode - betoogde zij (onderdelen 2.21 e.v.): "Uit het verweerschrift blijkt dat de Inspecteur een overheersend belang toekent aan de 'flat priced position.' In feite is het zo dat deze hele procedure is ingegeven door het belang dat hij daaraan toekent. De wijze waarop de Inspecteur met de flat priced position omgaat, berust echter op een misverstand. (...). Een long dan wel short positie en de flat priced position worden op enig moment bepaald, zowel voor de afzonderlijke toekomstige maanden als cumulatief voor die maanden. (...). Wanneer B spreekt over de long dan wel short positie en de flat priced position refereert B aan de kolom uiterst rechts. Daarin is de cumulatieve positie resulterend uit de verschillende posities per afzonderlijke maanden weergegeven. (...). Zoals vermeld, zijn in de cumulatieve berekening alle maanden begrepen. (...). Er wordt in die cumulatieve berekening dus geen rekening gehouden met bijvoorbeeld het tijdstip waarop B BV aan haar leveringsverplichtingen jegens de afnemers moet voldoen. Dit leidt ertoe dat als men cumulatief long staat, men in bepaalde afzonderlijke perioden heel goed short kan staan en vice versa. (...). Als de long dan wel short positie cumulatief min of meer nihil is, zegt dat dus niet dat die positie per afzonderlijke maanden eveneens min of meer nihil is. Het tegendeel is het geval. Slechts de long dan wel de short positie per future maanden geeft aan hoe men er in de tijd bezien voor staat wat betreft het differentialrisico. (...). Hoewel per mei 1997 de flat priced position tot en met eind 1999/begin 2000 slechts -132 [mt] bedraagt (waardoor de indruk zou kunnen worden gewekt dat de flat priced position naar nhil tendeert) blijkt dat per afzonderlijke maand de flat priced position enorm fluctueert. Per afzonderlijke maand wijzigt die flat priced position en daarmee ook het prijsrisico, bezien per balansdatum, aanzienlijk (...)." 6.5. De Inspecteur heeft als volgt gedupliceerd:
(97)"Het saldo van de fysieke voorraadwaardering en de resultaten op de lopende contracten leidt tot de uiteindelijke waardering van de voorraad op de fiscale en commerciële balans. (...). Zo echter zou moeten worden aangenomen dat de tot dit activum [voorraad; PJW] behorende onderdelen uit verschillende balansposten bestaan, dan zijn wij van mening dat zij vanwege de onderlinge verbondenheid, in samenhang moeten worden gewaardeerd. (...). Wat belanghebbende in feite voorstaat is het uiteenrafelen van de balanspost voorraad om vervolgens alleen de minnen in de fiscale winstberekening mee te nemen. Wij lichten dit met een voorbeeld toe: Verkopen op termijn (1000*4); (Voorraad: 1000*4). Het resultaat op deze voorverkoop is nihil. Stel nu dat de marktprijs op balansdatum is gedaald van 4 naar
  1. (...). Uit het voorbeeld blijkt dat het uiteindelijke resultaat vaststaat, ongeacht de marktbeweging van de prijs. Per saldo wordt geen prijsrisico gelopen, zodat in samenhang moet worden gewaardeerd. Belanghebbende wenst nu de afwaardering van de voorraad te nemen en de ongerealiseerde winst op de verkopen uit te stellen. Dit doet zij door de voorraad op 3000 op de balans te zetten zonder rekening te houden met de 'gain on open position' van
  2. (...). Uit (...) het verweerschrift blijkt dat belanghebbende (...) op deze wijze ruim ƒ 18 mio als ongerealiseerde winst uit het resultaat wil elimineren, terwijl de werkelijke (on)gerealiseerde winst slechts ƒ 3,7 mio bedraagt. Wij achten dit in strijd met het realiteitsbeginsel van goed koopmansgebruik." Hij heeft daarbij voorts aangevoerd:
(98)"(...) om het resultaat op de open forward sales contracten te berekenen maakt belanghebbende gebruik van een indirecte berekeningsmethode. (...). Anders dan bij de forward purchases en de nog in te kopen cacaobonen is bij de forward sales een directe methode niet toepasbaar, omdat er van de forward sales contracten geen marktnotering bestaat. Wat men nu feitelijk doet is het result on open position in totalen berekenen, waaruit vervolgens het result on open purchase contracten wordt geëlimineerd. (...). Deze methodiek is uitsluitend toepasbaar indien de prijsontwikkeling in alle genoemde contracten volledig met elkaar correleert. (...). Indien er, zoals belanghebbende nu beweert, geen volledige correlatie zou bestaan tussen de nog in te kopen cacaobonen, de forward purchases en de forward sales, dan zou het ongerealiseerde resultaat op de forward sales niet op deze wijze berekend kunnen worden. (...). Tenslotte zij gewezen op § 2.34 van de [Conclusie van Repliek; PJW]. Belanghebbende merkt daar op [ten aanzien van het cacaopoederrisico; PJW]: "(...). Waar de prijs voor cacaomassa en cacaoboter een directe correlatie heeft met de termijnprijs, dus de prijs van de cacaobonen (...)." 6.6. Bij geschrift dat door de partijen als "Nader Stuk" wordt aangeduid, heeft de belanghebbende voor het Hof onder meer betoogd:
(99)"I. 12. De richtlijnen van de Amerikaanse moedermaatschappij houden in dat de voorraad tegen marktwaarde wordt gewaardeerd. (...). Deze waarde geeft geen inzicht in de prijs waarvoor de voorraad is aangeschaft. Teneinde die vast te kunnen stellen, wordt deze voorraad gecorrigeerd met een aantal posten. Het betreft (
  1. i)het result on open position (...), en (
  2. ii)het ongerealiseerde resultaat op openstaande future-contracten en het ongerealiseerde resultaat op openstaande valutatermijncontracten (...). I.13 Uitgaande van een 'perfect hedge' (...), leidt een en ander tot de 'historical cost' van de voorraad. Dit is een theoretische benadering, die niet strookt met de realiteit waar bijvoorbeeld in openstaande contracten ook transactiewinsten zijn berekend en/of waar er ook positieresultaten zijn. Slechts als deze elementen verwijderd zouden kunnen worden, zou een 'theoretical cost' bij benadering kunnen worden berekend. In de onderhavige jaren was het voor B BV administratief onmogelijk zo'n berekening te maken. (...). I.24. Als B BV het goed ziet, vreest de Inspecteur dat B BV de ongerealiseerde verliezen fiscaal ten laste van haar resultaat wenst te brengen, en de ongerealiseerde winsten niet. Dit berust op een misvatting. B BV saldeert de ongerealiseerde winsten op de openstaande future-contracten namelijk met de ongerealiseerde verliezen op de openstaande future-contracten, en de ongerealiseerde winsten op de openstaande valutatermijncontracten met de ongerealiseerde verliezen op de openstaande valutatermijncontracten. De 'correcties' zijn derhalve saldobedragen. B BV handelt met andere woorden in overeenstemming met het arrest [HR BNB 2004/214; het hedge-arrest; PJW]. (...). I.26 Wellicht meent de Inspecteur dat voor wat betreft de future-contracten geldt dat deze 'samenhangend' gewaardeerd moeten worden met de openstaande verkoopcontracten. Zo dit is wat hij meent, miskent hij dat de future-contracten betrekking hebben op cacaobonen en dat de verkoopcontracten betrekking hebben op halffabrikaten. Het object is dus niet hetzelfde, nog afgezien van het feit dat er niet tegenover ieder contract een future-contract staat. I.27 In verband met het valutarisico (...) zij het volgende opgemerkt. Het is B BV door de Amerikaanse moedervennootschap toegestaan om hierop tot maximaal USdollars 7,5 miljoen valutarisico's te lopen. B BV bewaakt haar valutarisicopositie dan ook. Zij sluit niet per aan- en verkoopcontract in een vreemde valuta een 'tegenhangend' valutatermijncontract. (...). Wat gebeurt is dat de ver- en aankoopcontracten in dezelfde valuta met elkaar 'gesaldeerd' worden. Vervolgens wordt een valutatermijncontract gesloten, dat overigens qua omvang niet aansluit bij dit saldo. (...). Omdat wordt aangeknoopt bij een saldo van diverse contracten, die alle een verschillende looptijd hebben, is er bij dit valutatermijncontract voorts geen verband met de looptijd van de betreffende contracten. Er is dus in het geheel geen sprake van de situatie waarop de overweging van de Hoge Raad doelt." 6.7. De Inspecteur heeft voor het Hof als volgt gepleit: "(...). Een verplichte samenhangende waardering geldt te meer als de gesloten positie betrekking heeft op een en dezelfde balanspost. Voor de vraag in hoeverre posten met elkaar samenhangen acht ik de nieuw ingevoerde IFRS regels illustratief. Hierin wordt een hedge als 'zeer effectief' gedefinieerd (met als gevolg dat samenhangende waardering is voorgeschreven) wanneer de correlatie tussen de waardeontwikkeling van de tegengestelde elementen van de hedge zich tussen de 80 en 125% beweegt. Wanneer de flat priced position van belanghebbende naar deze criteria wordt beoordeeld, dan staat niet ter discussie dat van een 'zeer effectieve hedge' moet worden gesproken. Samenhangende waardering is dan geboden. (...). Het bestaan van (enig) prijsrisico op die positie doet echter niet af aan een verplicht samenhangende waardering. Een volledige inperking (perfect hedge) lijkt slechts in theorie mogelijk. Deze gedachte is ook terug te vinden in de meermalen aangehaalde interne richtlijn. In dat verband moet ook de term 'theoretical' worden gelezen. Het zou naar mijn mening in overeenstemming met goed koopmansgebruik zijn uitsluitend dit saldo in de heffing te betrekken op basis van de asymmetrie van goedkoopmansgebruik (...).
(100)Tenslotte wijs ik er nog maar eens op dat de kern van het hedge-arrest is, dat ongerealiseerde winsten wél tot het resultaat moeten worden gerekend.
(101). (...) De kern van de overweging [van de Hoge Raad in het hedge-arrest; PJW] is dat (...) indien geen vermogensmutatie optreedt, (...) waardering niet los [zal] mogen plaatsvinden. 6.
  1. Nu zich daartegen geen cassatiemiddel richt, staat in cassatie vast dat de enkele omstandigheid dat B op haar commerciële balans het ROP en de ongerealiseerde resultaten op futures en valutatermijncontracten doet opgaan in de waardering van de post Voorraad, niet meebrengt dat al deze vermogensbestanddelen fiscaalrechtelijk als één activum moeten worden gewaardeerd (r.o. 5.5). Preliminaire incidentele klachten (onderdelen V.1.1 t/m V.1.15 toelichting) 6.
  2. De toelichting op de middelen bevat vele motiveringsklachten tegen vele van 's Hofs feitelijke vaststellingen (onderdeel 2 Hofuitspraak) en tegen 's Hofs preliminaire overwegingen omtrent het geschil (onderdeel 5 Hofuitspraak). 6.
  3. De feitenrechter is vrij in de keuze en de waardering van de bewijsmiddelen.
(102)Die keuze en waardering behoeven geen motivering, behoudens bijzondere gevallen. De uitleg van gedingstukken is een feitelijke kwestie, waar de Hoge Raad buiten blijft zolang die uitleg niet onbegrijpelijk is. 6.
  1. Veel klachten van de belanghebbende zijn, zoals ik in onderdeel 0.8 ook reeds opmerkte voor de cassatiefase, gebaseerd op beschouwingen over mogelijke en in elk geval niet vastgestelde feiten in latere jaren dan het litigieuze en doen dus in zoverre niet ter zake voor dit jaar. Dit hangt waarschijnlijk deels samen met het gegeven dat de belanghebbende beroep heeft ingesteld tegen aanslagen over meer jaren. Het Hof hoeft in deze procedure (over 1996/1997) niet expliciet te overwegen dat het zijn feitelijke vaststellingen baseert op feiten die wél in dat relevante jaar vielen en hoeft dus ook niet te rechtvaardigen dat het geen acht slaat op voor dat jaar irrelevante stellingen over mogelijke feiten in andere jaren. Voor zover de belanghebbende preliminair klaagt over vaststellingen met betrekking tot het differentialrisico, verwijs ik naar de bespreking van haar tweede middel (onderdelen 6.35-6.38); voor wat betreft het cacaopoederrisico verwijs ik naar de bespreking van haar derde middel (onderdeel 6.39). Dat dat niet erg overzichtelijk is, is een gevolg van de mate van overzichtelijkheid van de processtukken. 6.
  2. Onderdeel V.1.2 van het cassatieverweer- en incidentele beroepschrift richt zich met een motiveringsklacht tegen 's Hofs vaststelling (r.o. 2.4) dat halffabrikaten worden verkocht op een termijn die varieert van 8 tot 24 maanden. Met verwijzing naar haar conclusie van repliek voor het Hof stelt de belanghebbende dat de maximale termijn waarop cacaopoeder wordt verkocht, 12 maanden is.
(103)Uit de stukken van het geding
(104)blijkt echter dat de termijn van 8 tot 24 maanden door de belanghebbende zelf is gesteld. Dat geldt ook voor het gebruik van de productiecapaciteit in het litigieuze jaar. 's Hofs feitelijke vaststelling in r.o. 2.4 is dan ook geenszins onbegrijpelijk. 6.13. Voor zover onderdeel V.1.3 een motiveringsklacht bevat over 's Hofs vaststelling dat de verkoop van cacaopoeder een mutatie in de long/short positie te weeg brengt, lijkt het gegrond,
(105)nu uit een cacaoboon zowel boter als poeder geproduceerd wordt en cacaopoeder niet in de berekening wordt opgenomen omdat anders dubbeltellingen zouden ontstaan, maar dit leidt niet tot cassatie omdat deze fout geen invloed heeft gehad op 's Hofs oordelen. De belanghebbende klaagt voorts over de onbegrijpelijkheid van 's Hofs overweging dat zij structureel short zit. Zij geeft niet aan waaruit zou volgen dat zij niet structureel short zit, noch hoe haar positie (de economische voorraad) dan wél is. Ik meen dat 's Hofs vaststelling, gelet op de stukken van het geding,
(106)geenszins onbegrijpelijk is. 6.
  1. Onderdeel V.1.4 richt zich met een motiveringsklacht tegen 's Hofs r.o. 2.
  2. Dit onderdeel leidt niet tot cassatie omdat de desbetreffende vaststelling niet van invloed is geweest op 's Hofs uitspraak. Het onderdeel richt zich voorts tegen r.o. 5.7.3 en betwist dat B zou streven naar minimalisering van het prijsrisico op cacao. Met name gelet op de in r.o. 2.10 weergegeven concernrichtlijn is 's Hofs oordeel op dit punt echter geenszins onbegrijpelijk. In elk geval op de langere termijn bezien streeft de belanghebbende naar - en slaagt zij in - minimalisering van dat risico. Onderdeel V.1.5 bevat geen zelfstandige klacht. Onderdeel V.1.6 richt zich tegen 's Hofs vaststelling (r.o. 2.7) dat B' futures vrijwel nooit tot uitlevering leiden. Deze vaststelling is echter, gelet op de gedingstukken,
(107)geenszins onbegrijpelijk. 6.
  1. Onderdeel V.1.7 bevat een motiveringsklacht tegen r.o. 2.
  2. Deze klacht slaagt. Zoals volgt uit r.o. 2.8 en de in r.o. 2.10 genoemde concernrichtlijn gebruikt B valutatermijncontracten om haar valutakoersrisico's af te dekken. Uit de gedingstukken
(108)blijkt dat deze valutarisico's niet tot uitdrukking komen in de flat priced position - een positie in hoeveelheden - zodat daarin ook geen rekening wordt gehouden met valutatermijncontracten (zie ook onderdeel 6.26). 's Hofs vaststelling dat in de flat priced position mede valutatermijncontracten zijn verwerkt, is dus niet begrijpelijk.
(109)Weliswaar heeft de Inspecteur de door hem zo genoemde 'flat priced position' (r.o. 2.15) per balansdatum berekend op het saldo van het ROP, de resultaten (in guldens) op valutatermijncontracten, futures en herwaardering voorraad (waarin dus wél posities in valutatermijncontracten zijn verwerkt), maar als het Hof is uitgegaan van deze 'flat priced position', dan heeft het Hof miskend dat dit niet (geheel) hetzelfde is als de in r.o. 2.9 bedoelde - door B opgestelde - cumulatieve flat priced position, die naar nihil tendeert. Ook in dat geval is 's Hofs uitspraak dus onvoldoende gemotiveerd (zie ook onderdeel 6.26). 6.16. Onderdeel V.1.7 richt zich voorts tegen 's Hofs vaststelling (r.o. 2.9) dat in de flat priced position rekening wordt gehouden met futures. Ik meen echter dat die vaststelling niet onbegrijpelijk is, gelet op hetgeen de belanghebbende zelf stelde in haar conclusie van repliek.
(110)Het onderdeel klaagt ook, onder verwijzing naar stukken voor het Hof, dat de vraag in welke mate er 'afdekking' is, slechts kan worden beantwoord door de zogenoemde Industry Account en Trade Account samen te trekken.
(111)Pas in haar "Nader Stuk" voor het Hof
(112)heeft de belanghebbende dit standpunt ingenomen. Bij de berekening van de flat priced position, neergelegd in de Industry Account, wordt volgens de belanghebbende voorondersteld dat met het doorgeven van een inkoop of een forward sale door Industry aan Trading meteen het risico van termijnprijswijzingen volledig wordt gedekt. De realiteit zou pas blijken als de Industry en Trade account worden "samengetrokken" (wat dat ook moge zijn); alsdan zou blijken dat B - ook cumulatief - over een substantiële hoeveelheid bonen termijnprijsrisico's loopt (náást het door de belanghebbende gestelde differentialrisico).
(113)Het Hof heeft dit betoog kennelijk niet aannemelijk geacht: "het Hof leest in de stellingen van belanghebbende niet dat B in enigszins betekenende mate open posities inneemt ten opzichte van het basisprijsrisico (termijnprijsrisico; PJW) op (standaard)cacaobonen" (r.o. 5.3), en: "de cumulatieve flat priced position tendeert naar nihil" (r.o. 2.9). Deze feitelijke oordelen zijn niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd, mede gelet op de tegenstrijdige en soms ongrijpbare stellingen die de belanghebbende op dit punt heeft ingenomen. In haar conclusie van repliek schrijft zij bijvoorbeeld: "Hoewel per mei 1997 de flat priced position tot en met eind 1999/begin 2000 slechts -132 [mt] bedraagt (...)." Eventuele uit haar tegenstrijdige en onoverzichtelijke uiteenzettingen voortvloeiende onduidelijkheden blijven voor haar risico. 's Hofs oordelen zijn niet onbegrijpelijker dan belanghebbendes stellingen en uiteenzettingen, zij het dat 's Hofs vaststelling over valutaposities in de flat priced position (zie onderdeel 6.15 hiervoor) mijns inziens inderdaad niet begrijpelijk is. 6.17. Onderdeel V.1.12 richt zich met een motiveringsklacht tegen r.o. 2.13.1. De omschrijving die het Hof heeft gegeven van het ROP is echter niet onbegrijpelijk in het licht van de gedingstukken.
(114)Onderdeel V.1.13 klaagt er op zichzelf terecht over dat r.o. 2.15 onbegrijpelijk is. De Inspecteur heeft de flat priced position van B inderdaad niet berekend op ƒ 3.693.710, want uit de gedingstukken blijkt dat dat bedrag niet op de flat priced position ziet, maar op het saldo van ongerealiseerde resultaten, opgebouwd uit de in r.o. 2.15 genoemde onderdelen (ROP, resultaten op valutatermijncontracten en futures en herwaardering voorraad). Voor zover in dit onderdeel mede wordt betoogd dat het Hof er ten onrechte vanuit is gegaan dat in de flat priced position ook valuta-termijncontracten zijn verwerkt, treft het doel (zie onderdeel 6.15 hiervoor en onderdeel 6.26 hierna). 6.18. Onderdeel V.1.14 is een herhaling. Onderdeel V.1.15 leidt niet tot cassatie bij gebrek aan belang. Saldowinst? (eerste incidentele middel; onderdelen V.2.1 - V.2.12 toelichting) 6.19. Het eerste middel richt zich tegen r.o. 5.9.1 en r.o. 5.9.2 (zie onderdeel V.2.9) en verwijst naar het kritische commentaar van Pieterse bij de Hofuitspraak in NTFR 2006/5, dat onder meer inhoudt: "9. Mij dunkt dat 's hofs - op het door H.P.W. Snijders (zie WFR 2004/6601) beschreven saldowinststelsel voor direct realiseerbare financiële activa en passiva gebaseerde - opvatting ten aanzien van hedging niet besloten ligt in het hedgearrest (...). Het hof formuleert in casu een nieuwe rechtsregel door (impliciet) te oordelen dat ook buiten de sfeer van de valutaproblematiek vermogensbestanddelen in samenhang moeten worden bezien. Het gaat in deze zaak namelijk (ook) om de toepassing van hedge accounting op zogenoemde niet-tijdcongruente balansposten (zoals termijncontracten;...). Ik meen echter dat het hof de (vereiste) onderlinge samenhang tussen de verschillende vermogensbestanddelen te snel aanneemt, althans lijkt aan te nemen, omdat uit de uitspraak van het hof de aangelegde causaliteitsmaatstaf onvoldoende blijkt - de termen naar nihil tendeert en goeddeels bieden weinig houvast -, en dat ook in een geval als het onderhavige een hogere correlatiegraad noodzakelijk is, alvorens goed koopmansgebruik dwingt tot hedge accounting (...)". 6.20. In de bijlage die bij deze conclusie en twee andere hoort, heb ik uiteengezet (onderdeel 5) dat ook buiten de sfeer van valutarisico's vermogensbestanddelen onder omstandigheden samenhangend moeten worden gewaardeerd. Dat is mijns inziens het geval als de factoren die de waardedaling of -stijging van die vermogensbestanddelen bepalen, in zodanige mate tegengesteld (uitdovend) correleren dat realiter geen of alleen een restrisico (saldorisico) resteert. Bij de rechterlijke beoordeling van risico-uitdoving kan betekenis toekomen aan het historisch-causale verband tussen vermogensbestanddelen en aan de doelstelling van de onderneming, maar ook aan de inrichting van de administratie en van de commerciële jaarrekening. Zoals in de bijlage betoogd (onderdeel 5), noopt B' structurele streven naar beheersing van prijs- en valutarisico's op voorraad- en orderpositie (zie r.o. 5.9.1), op zichzelf niet tot verplichte samenhangende waardering. Er moet ook in feite samenhang (afdekking) bestaan, zodanig dat in feite de risico's (op het saldorisico
  1. na)zijn gedekt. 6.21. In r.o. 5.9.2 gaat het Hof ervan uit dat uw hedge-arrest HR BNB 2004/214 niet inhoudt dat saldering van ongerealiseerde winsten en verliezen slechts verplicht is bij een perfecte hedge. Ik meen (zie de bijlage, onderdelen 3 en 5) dat dit uitgangspunt op zichzelf juist is, maar het zegt niets over de vraag welke perfectiegraad vereist is om samenhangende waardering (saldering) verplicht te achten als goed koopmansgebruik. Het Hof heeft geoordeeld (r.o. 5.9.1) dat een gesplitste (asymmetrische) fiscale behandeling van de ongerealiseerde verliezen en de ongerealiseerde winsten in de omstandigheden van de belanghebbende een "volstrekt kunstmatig karakter" zou hebben. Het saldo van de met elkaar samenhangende ongerealiseerde winsten en verliezen moet volgens het Hof - in een bedrijf als dat van de belanghebbende - per productgroep worden bepaald (r.o. 5.9.1). Het gaat dan naast het ROP om de resultaten op futures, valutatermijncontracten en de herwaarderingswinst op de technische voorraad. 6.22. Het oordeel dat in casu van samenhangende resultaten sprake is, is zeer feitelijk. Het Hof noemt als omstandigheden die zijns inziens in casu tot saldering nopen: (
  2. i)het - uit de bedrijfsvoering, de concernrichtlijn en de inrichting van de administratie volgende - structurele streven van B naar beheersing van prijsrisico's en valutarisico's op globaal niveau (r.o. 5.3); (
  3. ii)de vaststelling dat B niet in enigszins betekenende mate open posities inneemt ten opzichte van het (basis)prijsrisico op (standaard) cacaobonen (r.o. 5.3); (iii) de over een langere periode naar nihil tenderende cumulatieve flat priced position (r.o. 5.9.1), waaruit het Hof afleidt (
  4. iv)dat B over een langere periode "goeddeels" slaagt in de minimalisatie van prijs- en valutarisico's. Het Hof heeft ten slotte mede aan het feit dat B in haar commerciële (en fiscale; PJW) jaarrekening het ROP en de ongerealiseerde resultaten op futures en valutatermijncontracten doet opgaan in de waardering van de post "Voorraad" een aanwijzing ontleend dat het gaat om vermogensbestanddelen, transacties en instrumenten die in haar bedrijfsvoering een bepaalde samenhang vertonen (zie r.o. 5.5). 6.23. Dit alles is op zichzelf feitelijk en geenszins onbegrijpelijk, maar het laat in het midden welke maatstaf het Hof heeft aangelegd. Het Hof spreekt in r.o. 5.5 van een 'bepaalde' correlatie. Voor wat betreft de prijsontwikkeling van de forward sales, de forward purchases, de fysieke positie en de futures gaat het Hof kennelijk uit ("spiegelbeeld" (r.o. 5.9.1)) van een nagenoeg volledige correlatie; een zo hoge correlatiegraad is mijns inziens rechtens voldoende voor de rechtskundige conclusie dat goed koopmansgebruik tot samenhangende waardering noopt, zodat alsdan slechts resteert de vraag of 's Hofs enigszins impliciete oordeel over die correlatiegraad voldoende gemotiveerd is (zie daarover onderdeel A. hieronder). Maar het Hof is, zoals boven reeds bleek, er ten onrechte van uit gegaan dat de flat priced position ook valutarisico's weer zou geven (zie daarover onderdeel B. hieronder). A. PRIJSRISICO'S OP DE CACAOBONEN (FLAT PRICED POSITION) 6.24. Het eerste incidentele middel betoogt (onderdeel V.2.10) dat het Hof heeft miskend dat "future-contracten, valutatermijncontracten, forward sales en forward purchases geen gelijksoortige contracten met gelijksoortige economische risico's zijn." Ik meen dat het middel slaagt voor zover het Hof valutarisico's met termijnprijsrisico's heeft gelijkgesteld (zie onderdeel B hieronder). Voor wat betreft de overige contracten meen ik met de Inspecteur en de Staatssecretaris
(115)dat belanghebbendes wijze van bepaling van het resultaat op forward sales (herleiding uit het ongerijmde: zie r.o. 2.13.4) en haar berekening van de flat priced position alleen aan het daarmee beoogde doel beantwoorden als de prijsontwikkelingen van de samenstellende onderdelen van de flat priced position in hoge mate of geheel uitdovend met elkaar correleren. Bij de bepaling van die flat priced position rekent de belanghebbende voor alle samenstellende delen in bonenequivalenten (zie r.o. 2.6), zodat binnen die positie sprake is van equivalente goederen. Er bestaat geen marktnotering voor cacaohalffabrikaten, maar de verkoopprijs van cacaomassa en cacaoboter is direct gecorreleerd aan de termijnmarkt in Londen, aldus ook de belanghebbende.
(116)Hoewel de belanghebbende heeft gesteld dat de prijs van cacaopoeder niet direct gecorreleerd is aan de termijnmarktprijs,
(117)heeft zij volgens het Hof niet aannemelijk gemaakt dat en op welke wijze dit van belang is voor de waardering van de in geschil zijnde posten (zie ook r.o. 5.9.4, waartegen zich het derde middel richt). De verkoop van cacaopoeder brengt voorts - volgens de belanghebbende - op zichzelf geen wijziging in de long/short positie, omdat cacaopoeder een bijproduct van cacaoboter is. 6.
  1. Dat sprake is van zeer hoog gecorreleerde risico's - van posten die in waardeontwikkeling uitdovend samenhangen - kon het Hof afleiden uit zijn eigen wetenschap c.q. de algemene bekendheid dat bonen bonen zijn, alsmede uit zijn zijn vaststellingen dat B de futures gebruikt om haar prijsrisico op forward sales te beperken (r.o. 2.7) en dat zij niet in enigszins betekenende mate open posities inneemt ten opzichte van het basisprijsrisico op cacaobonen (r.o. 5.3), en voorts uit de concernrichtlijn van de belanghebbende (die per productgroep wordt toegepast; zie r.o. 2.10), die bepaalt dat de hedge ertoe leidt dat prijswijzigingen op de voorraad wezenlijk ('substantially') worden gecompenseerd door de tegengestelde positie. Ik meen dat het Hof aldus een zeer hoge correlatiegraad kon aannemen tussen (de resultaten op) de samenstellende onderdelen van de flat priced position (de resultaten op de technische voorraad, de voorinkopen, de voorverkopen en de futures). De vastgestelde feiten kunnen 's Hofs conclusie dragen dat een ongerealiseerd resultaat op een openstaand verkoopcontract (verlies op de onderliggende waarde) gepaard gaat met een compenserend ongerealiseerd resultaat (winst) op een openstaand inkoopcontract of futurecontract of op de fysieke voorraad, en andersom. 's Hofs oordeel dat in de gegeven omstandigheden de ongerealiseerde winsten en verliezen elkaars "spiegelbeeld" vormen, is aldus voldoende gemotiveerd en zijn gevolgtrekking dat goed koopmansgebruik dan dwingt tot hedge accounting getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Het eerste incidentele middel faalt mijns inziens in zoverre. B. VALUTARISICO'S EN VALUTATERMIJNCONTRACTEN 6.
  2. B gebruikt valutatermijncontracten om haar koersrisico's af te dekken op de samenstellende onderdelen van de flat priced position: de forward purchases, forward sales en futures (r.o. 2.8). Dat strookt met de concernrichtlijn ter zake (zie r.o. 2.10). Uit de gedingstukken volgt dat de belanghebbende de valutarisico's zo veel mogelijk afdekt door middel van die valutatermijncontracten.
(118)Het Hof is er echter ten onrechte vanuit gegaan dat het gegeven dat de cumulatieve flat priced position over een langere periode naar nihil tendeert, erop zou wijzen dat belanghebbende er tevens in zou slagen om haar valutarisico's te minimaliseren (r.o. 5.9.1 Hofuitspraak; zie ook onderdeel 6.15 hiervoor). Zoals het middel (onder meer onderdelen V.2.7, V.2.10 en onderdeel V.1.7 hiervoor) terecht stelt, kan dat niet worden afgeleid uit de cumulatieve flat priced position, die een positie in hoeveelheden weergeeft en geen valutarisico's insluit. 's Hofs oordeel dat B, over een langere periode bezien, "goeddeels" zou slagen in haar streven om ook valutarisico's met betrekking tot de voorraad- en orderpositie te beheersen, is aldus niet begrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd. Zodra de resultaten op flat priced position in geld worden berekend, komt uiteraard betekenis toe aan het gegeven dat deze positie (de verschillende contracten) in verschillende valuta luidt/luiden. Verwijzing moet volgen om vast te stellen of en zo ja, in hoeverre bij de belanghebbende tegenover ongerealiseerde winsten op de valutatermijntransacties verliezen staan op tegengestelde valutaposities (en andersom), dus op de onderdelen van de flat priced position. In de bijlage (onderdeel 5) heb ik uiteengezet dat ook al is geen sprake van een perfect hedge, het nemen van ongerealiseerde valutaverliezen en het tegelijkertijd uitstellen van het nemen van concomitante ongerealiseerde valutawinsten in strijd komt met het realiteitsbeginsel van goed koopmansgebruik. De verwijzingsrechter moet nagaan tot hoever belanghebbendes global hedge haar risico op realisering van ongerealiseerde valutaverliezen uitsluit. Daarbij moet mede de feitelijke betekenis worden betrokken van belanghebbendes stelling dat het haar is toegestaan om tot een bepaald bedrag valutarisico te lopen. In zoverre meen ik dat het eerste incidentele cassatiemiddel slaagt. Rest van het eerste incidentele middel 6.27. Voor zover het middel wijst op prijsrisico's die zouden voortvloeien uit de Trade Account, (onderdeel V.2.3), mist het doel. Ik verwijs naar de bespreking van onderdeel V.1.7 in onderdeel 6.16. De belanghebbende voert voorts aan dat het niet gaat om de cumulatieve positie, maar om de posities per afzonderlijke periode (per afzonderlijke futuremaand), en dat per die maand wél significante prijsrisico's worden gelopen. De belanghebbende heeft echter in haar conclusie van repliek (voor het Hof) zelf aangegeven dat wanneer zij het over de long/short positie of over de flat priced position heeft, zij refereert aan de cumulatieve positie.
(119)Kennelijk heeft zij mede daarom het belang van de flat priced position per afzonderlijke periode voor het Hof onvoldoende aannemelijk gemaakt; het Hof heeft in haar stellingen niet gelezen dat B in betekende mate open posities inneemt ten opzichte van het basisprijsrisico (r.o. 5.3). Onderdeel V.2.5 kan niet tot cassatie leiden omdat weliswaar vele onduidelijkheden zijn blijven bestaan, maar de betekenis van het begrip 'productgroep' duidelijk genoeg is. Die betekenis volgt voldoende uit onderdeel 2.20 van de uitspraak, een en ander in verband met het door de belanghebbende zelf vervaardigde overzicht van ongerealiseerde winsten op openstaande contracten (bijlage 12 bij het beroepschrift). De Staatssecretaris merkt in incidenteel verweer terecht op
(120)dat de belanghebbende zelf het beste op de hoogte is van haar productgroepen en de ongerealiseerde resultaten daarop; zij heeft in de bezwaarfase zelf nader het standpunt ingenomen dat zij voor fiscale doeleinden alle ongerealiseerde winsten ter zake van openstaande posities mag uitstellen. Het gaat om een totaal van ƒ 49.710.000 aan ongerealiseerde winst, betrekking hebbende op alle divisies en op de bijbehorende productgroepen. 6.28. Onderdeel V.2.6 is door de belanghebbende ingetrokken bij incidentele repliek (§ 2). De onderdelen V.2.7 en V.2.8 betogen dat de forward sales, de valutatermijncontracten en de future-contracten geen betrekking hebben op cacaobonen en dat geen sprake is van resultaten die als elkaars spiegelbeeld zijn te beschouwen. Voor zover het de valutatermijncontracten betreft, slagen deze onderdelen (zie onderdeel 6.26 hierboven). Voor het overige falen zij, omdat zij miskennen dat de belanghebbende voor de flat priced position rekent in cacaobonenequivalenten (r.o. 2.6). Ook de in onderdeel V.2.9 ingenomen stelling dat de objecten van de contracten (die de flat priced position bepalen) van elkaar afwijken, miskent dit gegeven. Uitgaande van de door het Hof aangenomen samenhang tussen de samenstellende delen van die positie, handelt de belanghebbende, anders dan dit onderdeel betoogt, niet in overeenstemming met HR BNB 2004/214 door slechts te salderen per contractsoort. Onderdeel V.2.9 richt zich voorts vergeefs tegen r.o. 5.9.2: gelet op hetgeen de belanghebbende heeft gesteld in het beroepschrift voor het Hof,
(121)is de weergave van de door de belanghebbende ingenomen stelling niet onbegrijpelijk. Onderdeel V.2.11 tenslotte miskent dat voor de vraag of goed koopmansgebruik noopt tot samenhangende waardering van vermogensbestanddelen, niet ter zake doet of sprake is van één activum. Differential en spread (tweede incidentele middel; onderdelen V.3.1 - V.3.5 toelichting) 6.
  1. Het tweede middel richt zich met diverse klachten tegen 's Hofs oordeel (r.o. 5.9.3) dat ter zake van differential en spread sprake is van marginale en volgtijdig voor beheersing vastbare risico's. De rechtsstrijd voor het Hof over de differential en spread risico's 6.
  2. De belanghebbende heeft voor het Hof aangevoerd dat:
(122)"(...) als een future-contract wordt afgesloten (als vermeld staat niet tegenover iedere forward sale een future-contract) het prijsrisico slechts ten dele wordt afgedekt. De risico's die voortvloeien uit bijvoorbeeld de differential en de spread zijn namelijk niet af te dekken (...)." Zij heeft in haar beroepschrift voor het Hof de volgende omschrijving gegeven van de bedoelde differential- en spreadrisico's:
(123)"Op het moment dat deze forward sales worden afgesloten, wordt de prijs vastgesteld. Op dat moment moeten de cacaobonen, benodigd voor het nog te produceren, maar al wel verkochte product nagenoeg altijd nog geoogst worden. Eerst ten tijde van de oogst is bekend wat de te betalen prijs voor de grondstof - de cacaobonen - is. Teneinde toch een kostprijsberekening te kunnen maken wordt de prijs voor cacaobonen op de termijnmarkt voor cacaobonen in Londen als uitgangspunt genomen. Deze prijs wordt vervolgens gecorrigeerd met een zogenoemde 'differential'. De differential reflecteert het verwachte prijsverschil tussen de boon welke als ijkpunt is genomen en de werkelijk bij de productie gebruikte boon. Elementen die het te verwachten prijsverschil bepalen zijn: - het land waaruit de boon afkomstig is; de verwachte kwaliteit van de specifieke oogst; - de verwachte beschikbaarheid van de boon (...) - het verschil tussen de uitleverdatum waarvoor op de termijnmarkt een contract kan worden afgesloten en de uitleverdatum van het product zoals overeengekomen met de klant ('spread'). (...). In het bijzonder een juiste inschatting van de differential, (...), is amper te maken. De reden is de grilligheid van het verloop daarvan, zoals blijkt uit het schematisch overzicht van de gemiddelde differential over de jaren 1996 t/m 2002 (...). B loopt dan ook op haar forward sales een substantieel prijsrisico. (...). Future contracten (...); een afdekking van het prijsrisico uit hoofde van de differential is niet mogelijk. Voorts is het prijsrisico op de basisprijs niet geheel af te dekken. De future-contracten afgesloten op de termijnmarkt voor cacaobonen hebben namelijk een maximale looptijd (22 maanden) die korter is dan de termijn waarop forward sales voor cacaoproducten worden afgesloten. Daarnaast lopen de future-contracten niet op ieder gewenst moment af, maar slechts op bepaalde tijdstippen per jaar. (...)." 6.31. In haar conclusie van repliek voor het Hof herhaalt de belangh

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.