Nr. 07/10970 Mr Jörg Zitting 16 september 2008 Conclusie inzake: [Verzoeker = verdachte]
(1999)blz. 127). Inhoudelijk heeft de wetgever het begrip ongeval niet willen wijzigen ten opzichte van het oude artikel 36 WVW (Kamerstukken 1990-1991, 22030, nr. 3, blz. 68). Het normale spraakgebruik dient dus nog steeds richtinggevend te zijn. Volgens Krabbe is reeds van een ongeval sprake indien personen of voorwerpen heftig tegen elkaar aankomen, zelfs als dat geen schade veroorzaakt.
- Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat verzoeker toen hij werd achtervolgd door de politie met zijn auto (Opel Vectra) tijdens een inhaalmanoeuvre een auto heeft geraakt. Uit de bewijsmiddelen die het hof ten aanzien van de andere feiten heeft gebezigd kan bovendien worden afgeleid dat verzoeker tijdens de politieachtervolging met hoge snelheid heeft gereden.
- Nu uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verzoeker met zijn voertuig met hoge snelheid een voertuig heeft geraakt en dit "naar zijn idee ook heeft gevoeld," getuigt 's hofs oordeel dat sprake is geweest van een verkeersongeval niet van een onjuiste rechtsopvatting en is dat oordeel niet onbegrijpelijk gemotiveerd.
- Het middel kan niet slagen.
- Het derde middel houdt in dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat een ander schade is toegebracht.
- De Hoge Raad heeft op 10 juni 1975, NJ 1975, 488 geoordeeld dat de algemene ervaring leert dat bij een aanrijding tussen twee auto's in de regel aan die auto's schade wordt toegebracht.
- Nu uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verzoeker zich bewust is geweest van de aanrijding (gevoeld) en de algemene ervaring leert dat bij een aanrijding schade wordt toegebracht, is de bewezenverklaring toereikend gemotiveerd.
- Het middel faalt.
- Het vierde middel klaagt over de opgelegde ontzegging van de rijbevoegdheid.
- Het bestreden arrest houdt met betrekking tot de ontzegging van de rijbevoegdheid het volgende in: "Mede ter bescherming van de verkeersveiligheid zal het hof ter zake van het feit onder 3 primair van parketnummer 01-830340-05 en voor een duur als hieronder vermeld aan de verdachte de bevoegdheid ontzeggen om motorrijtuigen te besturen."
- Onder feit 3 primair is verzoeker veroordeeld wegens poging tot doodslag. De stellers van het middel voeren aan dat het niet mogelijk is een ontzegging van de rijbevoegdheid uit te spreken bij een niet- voltooid delict.
- Art. 179a, eerste lid, WVW 1994, welk artikel bij wet van 24 juni 1998, Stb. 375, iwt. 1 februari 1998 is ingevoerd, houdt in dat ook bij veroordeling wegens de misdrijven genoemd in de artikelen 287 of 289 Sr een ontzegging van de rijbevoegdheid kan worden uitgesproken. Deze constructie waarbij een bijkomende straf voor een commuun delict in een bijzondere wet wordt geregeld, werd door de betrokken ministers van Justitie en Verkeer en Waterstaat ongebruikelijk genoemd: "Deze constructie is echter noodzakelijk geworden doordat wij, zoals wij in de nota naar aanleiding van het verslag hebben uiteengezet, ervan af hebben gezien om in de WVW 1994 een delict op te nemen specifiek toegesneden op het opzettelijk veroorzaken van de dood of het letsel van een ander in het verkeer. De alternatieve constructie - de ontzegging van de rijbevoegdheid opnemen in het Wetboek van Strafrecht - wijzen wij van de hand. Het zou afbreuk doen aan het algemene karakter van het Wetboek als wij daarin de heel specifieke, typisch verkeersrechtelijke straf van de ontzegging van de rijbevoegdheid zouden opnemen voor één of slechts enkele delicten begaan in heel specifieke omstandigheden. (Kamerstukken 1995-1996, 24112, nr. 6).
- Art. 78 Sr houdt in: "Waar van misdrijf in het algemeen of van enig misdrijf in het bijzonder gesproken wordt, wordt daaronder medeplichtigheid aan, poging tot en voorbereiding van dat misdrijf begrepen, voorzover niet uit enige bepaling het tegendeel volgt." De WVW 1994 kent geen eigen equivalent van art. 78 Sr.
- De steller van het middel behoort tot de "sommigen" die "hebben betoogd dat art. 78 de grond vormt voor strafbaarheid van poging en medeplichtigheid. In deze visie zou art. 91 bewerkstelligen dat poging en medeplichtigheid geen bestaansgrond heeft buiten het Wetboek van Strafrecht, aangezien die bepaling juist Titel IX, waarin art. 78 is opgenomen, niet noemt. Deze opvatting is niet heersend," aldus Cleiren & Nijboer in T&C Sr,6e, aant. 6 op art.
- De grond voor strafbaarheid van poging in de bijzondere wetgeving moet derhalve worden gezocht in art. 46 Sr, welk artikel op grond van art. 91 Sr wel van toepassing is op bijzondere wetten.
- Het middel dat stelt dat een ontzegging van de rijbevoegdheid niet kan worden uitgesproken indien sprake is van een poging tot doodslag, vindt dus geen steun in het recht. Ik voel mij daarbij gesteund door de Hoge Raad die geen reden zag voor ambtshalve cassatie in HR 30 maart 2004, LJN: AO3242, HR 18 januari 2005, LJN:AR7269 en HR 16 augustus 2005, LJN:AT
- Het middel is tevergeefs voorgesteld.
- Gronden waarop Uw Raad de bestreden beslissing ambtshalve zou behoren te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
- Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G