Nr. S 08/00459 H Mr. Schipper Zitting: 23 september 2008 Conclusie inzake: [Aanvrager] 1. [Aanvrager] (hierna ook: de aanvrager) is bij arrest van het Hof te Arnhem van 20 februari 2002
(1)ter zake van 1 primair., 2 primair., 3 primair. en 4 primair., telkens opleverende "het medeplegen van verkrachting, meermalen gepleegd", 5 subsidiair. "het medeplegen van feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd", 7 primair. "het medeplegen van met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam" en
- "het medeplegen van met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen", veroordeeld tot acht jaren gevangenisstraf. Tevens is bevolen dat de aanvrager ter beschikking zal worden gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege. Voorts heeft het Hof de vorderingen van vijf van de benadeelde partijen gedeeltelijk toegewezen en aan de aanvrager schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, een en ander als in het arrest omschreven. Twee benadeelde partijen zijn niet-ontvankelijk verklaard in hun vordering tot schadevergoeding.
- Tegen deze uitspraak van het Hof heeft [aanvrager] beroep in cassatie ingesteld. Bij arrest van 30 september 2003 heeft de Hoge Raad de bestreden uitspraak vernietigd wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art 6 lid 1 EVRM, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf. De Hoge Raad heeft de opgelegde gevangenisstraf verminderd tot zeven jaar en zeven maanden en het ingestelde cassatieberoep voor het overige verworpen.
(2)De veroordeling van de aanvrager werd hiermee onherroepelijk. 3. Namens [aanvrager], heeft mr. G.G.J. Knoops, advocaat te Amsterdam, een aanvraag ingediend tot herziening van deze onherroepelijke veroordeling, die op 1 februari 2008 bij de Hoge Raad is ingekomen. Op de zitting van de Hoge Raad van 22 april 2008 heeft mr. G.G.J. Knoops de aanvrage tot herziening mondeling toegelicht en tevens stukken overgelegd. Later heeft mr. Knoops nog het aangekondigde nadere rapport van prof. dr. H. Crombag, getiteld: "twee transcripties" (mei 2008), toegezonden, dat op 16 juni 2008 is ontvangen. 4. Voor een goed begrip van de bespreking van deze zaak geef ik hieronder de bewezenverklaring en de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen weer. 5. In het arrest waarvan herziening wordt gevraagd is ten laste van de aanvrager als bewezenverklaring opgenomen dat: 1. hij op tijdstippen in de periode van 1 april 1996 tot 18 mei 1999, in de gemeente Enschede, tezamen en in vereniging met anderen (lees: door, Sch) geweld en een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1], geboren 1985, telkens heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1], hebbende hij, verdachte en/of (een van) zijn mededader(
- s)- hun/zijn penis in de mond van die [slachtoffer 1] gebracht en/of - hun/zijn penis en/of hun vinger(
- s)in het geslacht van die [slachtoffer 1] gebracht en telkens bestaande dat geweld en/of die andere feitelijkheid en/of die bedreiging met geweld hierin dat verdachte en/of (een van) zijn mededader(
- s)- die [slachtoffer 1] heeft/hebben geslagen en/of geschopt en/of - dat hij, verdachte en/of (een van) zijn mededader(
- s)ten aanzien van die [slachtoffer 1] gebruik heeft/hebben gemaakt van het geestelijk en/of lichamelijk overwicht dat hij, verdachte en/of (een van) zijn mededader(
- s)op die [slachtoffer 1] had(den) en aldus telkens voor die [slachtoffer 1] een bedreigende situatie heeft/hebben doen ontstaan. 2. hij op tijdstippen in de periode van 1 april 1996 tot 18 mei 1999, in de gemeente Enschede, tezamen en in vereniging met anderen door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 2], geboren 1987, telkens heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2] hebbende hij, verdachte en/of (een van) zijn mededader(
- s)- hun/haar/zijn genitaliën en/of hun/haar/zijn tong en/of borst(
- en)in de mond van die [slachtoffer 2] gebracht en/of - hun/haar/zijn vinger(
- s)en/of hun/zijn/haar tong in het geslacht van die [slachtoffer 2] gebracht en (telkens) bestaande dat geweld of die andere feitelijkheid en/of die bedreiging met geweld hierin dat verdachte en of (een van) zijn mededader(
- s)- die [slachtoffer 2] heeft/hebben geslagen en/of geschopt en/of hardhandig vastgepakt en/of - dat hij, verdachte en/of (een van) zijn mededader(
- s)ten aanzien van die [slachtoffer 2] gebruik heeft/hebben gemaakt van het geestelijk en/of lichamelijk overwicht dat hij, verdachte en/of (een van) zijn mededader(
- s)op die [slachtoffer 2] had(den) en aldus telkens voor die [slachtoffer 2] een bedreigende situatie heeft/hebben doen ontstaan. 3. hij op tijdstippen in de periode van 1 november 1997 tot 1 september 1998 in de gemeente Enschede, tezamen en in vereniging met anderen, door geweld en/of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld een jongetje genaamd [slachtoffer 3], geboren in 1986, telkens) heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen (lees: die, Sch) mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 3], hebbende hij, verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(
- s)- hun/zijn/haar genitalien in de mond van die [slachtoffer 3] gebracht en/of - zijn/hun penis in de anus van [slachtoffer 3] gebracht en telkens bestaande dat geweld en/of die andere feitelijkheid en/of die bedreiging met geweld hierin dat hq (lees: hij, Sch), verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(
- s)- die [slachtoffer 3] heeft/hebben uitgekleed en/of - die [slachtoffer 3] (op een stoel) heeft/hebben vastgebonden en/of - het hoofd van die [slachtoffer 3] naar voren en achteren heeft/hebben bewogen - die [slachtoffer 3] heeft/hebben geblinddoekt en/of - een pistool tegen het hoofd van [slachtoffer 3] heeft/hebben gehouden en/of - die [slachtoffer 3] hardhandig heeft/hebben vastgepakt en/of - die [slachtoffer 3] tegen het gezicht en/of tegen zijn penis en/of elders tegen het lichaam heeft/hebben geslagen en/of gestompt. - dat hij, verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(
- s)ten aanzien van die [slachtoffer 3] gebruik heeft/hebben gemaakt van het geestelijk en/of lichamelijk overwicht dat hij, verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(
- s)op die [slachtoffer 3] had(den) en aldus (telkens) voor die [slachtoffer 3] een bedreigende situatie heeft/hebben doen ontstaan. 4. hij op tijdstippen in de periode van 1 april 1996 tot 1 januari 1999, in de gemeente Enschede, tezamen en in vereniging met een ander door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld een meisje, genaamd [slachtoffer 4], geboren in 1987, telkens heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 4], hebbende hij, verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(
- s)- zijn genitaliën in de mond van die [slachtoffer 4] gebracht en/of - hun/zijn penis in de anus van [slachtoffer 4] gebracht en/of - hun/zijn/haar vinger(
- s)in de anus van die [slachtoffer 4] gebracht en/of - een of meer voorwerp(
- en)in het geslacht en/of in de anus van die [slachtoffer 4] gebracht en (telkens) bestaande dat geweld of die andere feitelijkheid en/of die bedreiging met geweld hierin dat hij, verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(
- s)- genoemde [slachtoffer 4] heeft/hebben geslagen en/of - (de handen van) die [slachtoffer 4] heeft/hebben vastgebonden en/of - [slachtoffer 4] heeft/hebben geblinddoekt en/of - [slachtoffer 4] heeft/hebben uitgekleed en/of - een pistool tegen hoofd van [slachtoffer 4] heeft/hebben gehouden en/of een mes op/voor de keel, althans het lichaam, van [slachtoffer 4] heeft/hebben gezet/gehouden, en/of -tegen die [slachtoffer 4] heeft/hebben gezegd -zakelijk weergegeven- dat [slachtoffer 4] zou worden neergeschoten of doodgemaakt indien zij niet aan zijn penis zou zuigen en/of -dat hij, verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(
- s)ten aanzien van die [slachtoffer 4] gebruik heeft/hebben gemaakt van het geestelijk en/of lichamelijk overwicht dat hij, verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(
- s)op die [slachtoffer 4] had(den) en aldus telkens voor die [slachtoffer 4] een bedreigende situatie heeft/hebben doen ontstaan. 5. hij op tijdstippen in de periode van 1 november 1997 tot 1 januari 1999 in de gemeente Enschede, tezamen en in vereniging met anderen, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld een meisje, genaamd [slachtoffer 5], geboren in 1989, telkens heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, hebbende hij, verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(
- s)- het geslacht van die [slachtoffer 5] vastgepakt en/of daarin geknepen en/of betast en/of - de billen en/of de borsten en/of de borstreek en/of de rug van [slachtoffer 5] betast en telkens) bestaande dat geweld of die andere feitelijkheid en/of die bedreiging met geweld hierin dat hij, verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(
- s)- die [slachtoffer 5] de woning (met kracht) naar binnen heeft/hebben getrokken en/of die [slachtoffer 5] heeft/hebben vastgebonden en/of - die [slachtoffer 5] heeft/hebben geblinddoekt en/of - een pistool tegen het hoofd van [slachtoffer 5] heeft/hebben gehouden en/of - die [slachtoffer 5] hardhandig heeft/hebben vastgepakt en/of - dat hij, verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(
- s)ten aanzien van die [slachtoffer 5] gebruik heeft/hebben gemaakt van het geestelijk en/of lichamelijk overwicht dat hij, verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(
- s)op die [slachtoffer 5] had(den) en aldus telkens voor die [slachtoffer 5] een bedreigende situatie heeft/hebben doen ontstaan. 7. hij op een tijdstip in de periode van 3 november 1997 tot 23 juli 1998 te Enschede, tezamen en in vereniging met anderen met [slachtoffer 6], geboren 1993, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd die mede bestond(
- en)uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 6], hebbende hij, verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(
- s)- (een) vinger(s), en/of (een) stokje(
- s)en/of (een) spuit(
- en)in de anus van die [slachtoffer 6] gebracht en/of - met een mes in de penis van die [slachtoffer 6] gesneden. 8. hij op een tijdstip in de periode van 1 april 1996 tot 18 mei 1999 in de gemeente Enschede, tezamen en in vereniging met anderen [slachtoffer 7], geboren 1988 die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd hebbende hij verdachte en/of een of meer van) zijn mededader(
- s)bij die [slachtoffer 7] met (een) stokje(
- s)en/of (een) spuit(
- en)de penis en/of de anus aangeraakt." 6. Het Hof heeft deze bewezenverklaring doen steunen op de volgende bewijsmiddelen:
(1). Een hoofdproces-verbaal met nummer 00-800088 van 11 april 2000, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als relaas van de verbalisant [verbalisant 1]: "Op 17 mei 1999 werden aangehouden: [slachtoffer 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum]
- [slachtoffer 2], geboren te [geboorteplaats, op [geboortedatum]
- Beiden verdachten zijn kinderen van: [aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953 en [betrokkene 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum]
- Tijdens het onderzoek tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] werd er door 38 personen aangifte gedaan van seksueel misbruik van hun kinderen. Uit het onderzoek bleek dat de slachtoffers met geweld en/of bedreiging met geweld werden gedwongen zich uit te kleden. [Slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] drongen vervolgens met hun vingers en/of voorwerpen vagina's en anussen van kinderen binnen. Het gezin [van aanvrager] is op 10 april 1990 komen wonen op het adres [a-straat 1] te [woonplaats]. Op 1 november 1994 is het gezin [van aanvrager] op het adres [b-straat 1] te [woonplaats] gaan wonen. Op 13 november 1997 is het gezin [van aanvrager] op het adres [c-straat 1] te [woonplaats] gaan wonen. In de verhoren verklaren [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] over oom [betrokkene 2]. Dit is [betrokkene 2], geboren op [geboortedatum] 1960 te [geboorteplaats], wonende [d-straat 1], [woonplaats]. Zakendossiers: [Slachtoffer 3], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987, wonende [e-straat 1] te [woonplaats]. [slachtoffer 7], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988, wonende [f-straat 1] te [woonplaats]. [slachtoffer 4], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987, wonende [g-straat 1] te [woonplaats]. [slachtoffer 5], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989, wonende [h-straat 1] te [woonpaats]. [slachtoffer 6], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993, wonende [c-straat 2] te [woonplaats]."
(2). Een proces-verbaal van verhoor van politie van 3 juni 1999, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als de tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 1]: "Ik ben de moeder van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Wij zijn van de [a-straat 1] te [woonplaats] naar de [b-straat 1] te [woonplaats] verhuisd, dat was op 26 oktober 1995. Wij zijn op 17 november 1997 verhuisd naar de [c-straat 1] te [woonplaats]. In oktober 1998 is [slachtoffer 2] met spoed geplaatst in de Eik te Oldenzaal. [Slachtoffer 1] zat daar net een week eerder. Mijn man en ik zijn een week voor de kerst 1998 verhuisd naar de [d-straat 1], op dit adres woont mijn broer [betrokkene 2]. Via de gezinsvoogd is geregeld dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] eens per week mochten komen."
(3). Een proces-verbaal van verhoor van politie van 22 mei 1999, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als de tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van [slachtoffer 1]: "Ik heb al verteld dat [slachtoffer 2] een spuitje gevonden had bij of in de zandbak en dat wij samen een spuitje gehaald hebben bij de apotheek. Ik heb bij [slachtoffer 6] en [slachtoffer 5] een spuitje in de anus en/of vagina gedaan."
(4). Een proces-verbaal van verhoor van politie van 8 oktober 1999, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als de tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van [slachtoffer 1]: "Ik wil eerst beginnen te vertellen over de mishandelingen, in mijn herinneringen is dit begonnen op mijn 4e jaar. Ik kreeg toen regelmatig een tik of een schop of een stomp. Dit deed mijn vader. Ik kreeg ook wel klappen van mijn moeder. Hoe ouder ik werd hoe erger het werd met de mishandelingen. Ik kreeg altijd klappen, schoppen en stompen. Op een moment werd ik uit huis geplaatst, toen ik tien jaar was mocht ik regelmatig een weekendje naar huis. Ik weet dat ik nog geen elf jaar oud was. Ik weet dat gewoon. Na mijn elfde kwam ik pas thuis en het is voor mijn elfde gebeurd. Mijn moeder ging met [slachtoffer 2] naar de bingo, ik was alleen thuis met mijn vader. Mijn vader deed de gordijnen dicht en smeet mij op de bank, ik zag en voelde dat hij mijn kleren uitdeed. Ik voelde dat mijn vader met zijn penis bij mij naar binnenging. Hij ging er helemaal in, voor mijn gevoel was dat mijn vagina. [Slachtoffer 2] moest naar het ziekenhuis. Papa kwam terug naar huis om te vertellen wat [slachtoffer 2] had. Toen op dat moment gebeurde het. Ik werd toen op dat moment weer verkracht door hem. Ik liet zojuist iets ontglippen: "Hij wist wel dat ik niet meer wilde." Ik bedoel hiermee papa en [betrokkene 2] afzuigen. Ik moest zuigen bij [betrokkene 2] en zo. [Betrokkene 2] kwam 3 / 4 keer in de week, dan werd je gefilmd en moest je ook zuigen. Mama was daar gewoon bij, ze keek, anders kan ik niet zeggen. Ze vond het gewoon. [Slachtoffer 2] werd ook veel geslagen door [betrokkene 2] en mijn moeder. [Slachtoffer 2] moest aan de penis van [betrokkene 2] en Papa zuigen. Deed ze dat niet dan kreeg ze klappen. In het begin kreeg [slachtoffer 2] heel veel klappen van [betrokkene 2]. Toen [slachtoffer 2] hem niet meer zoog, begon hij met mij. Ik wilde in het begin ook niet en kreeg dan klappen. Gelukkig kwam hij niet in mijn mond klaar. Hij haalde dan zijn piemel eruit. Zowel aan de [c-straat] als de [b-straat] moesten [slachtoffer 2] en ik kinderen mee naar binnen nemen. Wij moesten seksspelletjes met deze kinderen doen van Pappa, Mamma en [betrokkene 2], zoals penis knijpen en dingen in de anus en de vagina stoppen. Mijn vader heeft mij een keer gedwongen met [slachtoffer 6]. Ik moest hem overal knijpen, in zijn piemel en zo. Als ik het niet deed dan kreeg ik klappen. [Betrokkene 2] was daar soms ook bij."
(5). Een proces-verbaal van verhoor van politie van 4 november 1999, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als de tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van [slachtoffer 1]: "Jullie vragen mij welke kinderen wij mee naar binnen moesten nemen. Volgens mij heb ik dat al verteld. Het waren onder anderen [slachtoffer 4], [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6]."
(6). Een proces-verbaal van verhoor van politie van 21 oktober 1999, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als de tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van [slachtoffer 1]: "Als wij uit school kwamen zei mijn vader: "Ga maar naar buiten, haal ze maar op". Hij noemde dan een naam. Ik liep dan naar een van die kinderen en zei: "Mijn vader wil je wat vragen". Het kind liep dan mee. Jullie vragen mij wat mijn vader en mijn [betrokkene 2] zelf met de kinderen deden. [Slachtoffer 6] hebben ze de piemel omgedraaid en met de mond. Ik heb ook een keer gezien dat er een sneetje in de piemel van een jongen werd gemaakt. Volgens mij was het [slachtoffer 6] of [slachtoffer 7]. Het was aan de [c-straat]."
(7). Een proces-verbaal van verhoor van politie van 10 december 1999, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als de tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van [slachtoffer 1]: "Toen wij nog aan de [b-straat] woonden is [slachtoffer 2] door pa in de kelder misbruikt. [aanvrager] ging naar de kelder en [slachtoffer 2] moest mee, [slachtoffer 2] wilde niet en ze schreeuwde heel erg. Ik hoorde haar ook schreeuwen in de kelder. Toen ze weer uit de kelder kwamen, was haar gezicht rood en dik, er was ook een arm kapot en geschaafd. Ik vroeg aan [slachtoffer 2] wat er gebeurd was, ze durfde niets te zeggen. Ik was toen 11 jaar en [slachtoffer 2] 9 jaar toen dit gebeurde."
(8). Een proces-verbaal van bevindingen van 13 oktober 1999, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als relaas van de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3]: "[Betrokkene 1] verklaarde dat haar dochter [slachtoffer 1] haar man [aanvrager] had moeten pijpen. Zij verklaarde dat zij erbij was geweest terwijl dat was gebeurd. Zij dacht dat het in totaal twee of drie keer was gebeurd. Het was gebeurd aan de [b-straat] in de slaapkamer van [aanvrager] en [betrokkene 1]."
(9). Een proces-verbaal van verhoor van politie van 12 oktober 1999, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als de tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van [betrokkene 1]: "Als ik vanaf de [b-straat] naar de bingo ging, dan gaf [slachtoffer 1] heel duidelijk aan dat ze met mij mee wilde naar de bingo. Ze wilde absoluut niet bij papa blijven. Ze was namelijk bang voor papa. Van meerdere keren kan ik mij herinneren dat [slachtoffer 1] boven op mij zat te wachten en huilde."
(10). Een proces-verbaal van verhoor van politie van 5 oktober 1999, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als de tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 3]: "Ik ben als maatschappelijk werkster in dienst van Stichting Maatschappelijke Dienstverlening Enschede - Haaksbergen. Ik heb [betrokkene 4] een paar keer begeleid. Op 3 oktober 1999 hebben wij [slachtoffer 1] bezocht. [Slachtoffer 1] zei: Papa heeft mij ook verkracht. Haar moeder en [slachtoffer 2] waren niet thuis. Haar moeder was met [slachtoffer 2] in het ziekenhuis. Het was beneden op de bank gebeurd. Ik heb toen de vraag gesteld: "Is hij ook bij jou naar binnen geweest". Ik zag dat [slachtoffer 1] "ja" knikte."
(11). Een schriftelijk bescheid, zijnde een brief van Dr. E. Everhardt, gynaecoloog, opgemaakt op 28 december 1999, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-: "Op 6 december 1999 zag ik [slachtoffer 1], geboortedatum [geboortedatum] 1985. Onderzoek: De hymenaalring heeft een status na defloratie. De anus toont op 6 uur aan de dorsale zijde een groef die zou kunnen passen bij een oud litteken."
(12). Een proces-verbaal van verhoor van politie van 17 juli 1999, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als de tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van [slachtoffer 2]: "Ik ben heel bang voor [betrokkene 2]. Hij schopte en sloeg mij altijd. Hij deed seksspelletjes. Ook met andere kinderen. [Betrokkene 2] kneep in mijn plasser. Hij kijkt ook boos als hij likt en knijpt."
(13). Een proces-verbaal van verhoor van politie van 22 oktober 1999, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als de tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van [slachtoffer 2]: "Mijn vader was wel blij als ik kinderen binnen haalde. Papa zei tegen mij wat ik met de kinderen moest doen. Als ik dat niet deed dan kreeg ik kontje kermis. Ze kregen een theedoek voor de ogen. Dat was een blinddoek. Papa deed dat wel en mama en [betrokkene 2]. Ik moest [slachtoffer 5] en [slachtoffer 8] binnen halen. Ik ging naar buiten en vroeg of ze kwamen spelen bij mij binnen en dan kwamen we binnen. [Slachtoffer 1] en ik en papa en [betrokkene 2] stopten dingen in de poeperd van de kinderen. Mijn vader zorgde ervoor dat de kinderen ophielden met schreeuwen. Hij zei gemene dingen en hij sloeg en schopte ze."
(14). Een proces-verbaal van verhoor van politie van 2 november 1999, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als de tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van [slachtoffer 2]: "Ik noem een piemel altijd potlood en dat van een meisje puntenslijper, de vagina noem ik dus puntenslijper. [Aanvrager] kan je ook goed hard vastpakken. [Aanvrager] knijpte mijn armen expres blauw. Ik sliep wel eens bij papa en mama in bed, papa deed van alles bij mama, alles wat mannen en vrouwen doen. Papa stopte de potlood in de puntenslijper van mama of in de mond of in de andere kant het gaatje. Jullie vragen wat de andere kant is. Ik vind dat te vies om uit te leggen. Hij stopte de potlood ook in de mond bij mij. Ik vond dat niet leuk. Ik voelde mij bang. Ik moest huilen. Papa zei: "hou je kop!" Ik moest dat van hem. Het potlood smaakte vies. Het smaakte heel modderig (opmerking verbalisanten: [slachtoffer 2] trekt een heel vies gezicht en rilt). Jullie vragen naar de kinderen die bij ons thuis zijn geweest. Dat waren onder anderen [slachtoffer 3], [slachtoffer 4], [slachtoffer 5], [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7]."
(15). Een proces-verbaal van verhoor van politie van 19 november 1999, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als de tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van [slachtoffer 2]: "[Betrokkene 2] nam op wat ik bij de kinderen deed. Hij nam alles van mij en [slachtoffer 1] op zoals wat in de anus stoppen en in de puntenslijper. Als [betrokkene 2] er was, dan werden de kinderen geblinddoekt. Ik heb een heleboel opgeschreven. Ik vind het moeilijk om het te zeggen. En voorts inhoudende als relaas van verbalisanten: Hieronder volgt hetgeen [slachtoffer 2] heeft opgeschreven: Mamma, lik titje; lik plasser, lik anus, dat moest ik van haar doen. Pappa, Lik piel, lik kont, dat moest ik doen van mijn vader. [Betrokkene 2] lik piel, lik kont, dat moest ik van hem doen."
(16). De verklaring van [betrokkene 4], afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van het Hof op 6 februari 2002, voor zover onder meer inhoudende -zakelijk weergegeven-: "Ik ben een dochter van de verdachte [aanvrager]. [Betrokkene 1] is mijn stiefmoeder. [Betrokkene 2] is mijn oom. Ik heb meerdere verklaringen afgelegd in deze strafzaak. Toen ik dertien jaar was, heb ik gezien dat mijn vader wapens in huis had. Hij had een pistool. Ik heb gezien dat hij buiten met dat pistool op paaltjes schoot. Dit pistool bewaarde hij in een geheime bergplaats in een kast. Ik wist van deze geheime bergplaats omdat daar de messen werden bewaard toen [slachtoffer 1] 7 of 8 jaar was en zij zelfmoord wilde plegen. Ik heb video-opnamen gezien waarop [slachtoffer 1] was opgehangen aan de kapstok en een pistool in haar mond werd gestopt. Ik heb deze band gezien toen ik ongeveer 18 jaar was en ik bij mijn vader in huis verbleef. Toen ik uit bed kwam hadden [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] deze videoband op staan. Op deze band stonden ook andere kinderen. Ik ken deze kinderen niet bij naam, maar wel van gezicht. Het waren kinderen uit de buurt. Op de band stonden geen gezichten van volwassenen. Er stonden alleen kinderen, vagina's, penissen en handen op. Mijn Vader, [aanvrager], heb ik op de band herkend. Ik herkende hem aan zijn trouwring en aan de stippen op zijn hand. De trouwring was van zilver en aan de bovenkant en onderkant van de ring zat een sierstreepje. [Slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] namen veel kinderen mee naar huis. Ik was aanwezig toen een van de ouders kwam klagen over [slachtoffer 1]. Zij zou een stokje in de anus van een kind hebben gedrukt. [Betrokkene 1] zei dat het niet waar kon zijn. Ik heb zelf een keer gezien dat [slachtoffer 1] een stokje in de anus van een kind duwde. Toen ik er wat van zei, zei [slachtoffer 1] tegen mij dat Papa en Mamma het heel gewoon vonden." En voorts in het bijzonder ook ten aanzien van het onder 3 primair telastegelegde:
(17). Een proces-verbaal van verhoor van politie van 20 oktober 1999, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als de tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 5]: "Als vader van [slachtoffer 3] wil ik aangifte doen. Op school is [slachtoffer 3] zo door [slachtoffer 2] onder druk gezet dat hij naar de woning van [slachtoffer 2] aan de [c-straat] is gegaan. [Slachtoffer 3] werd naakt vastgebonden op een stoel. [Slachtoffer 3] had het over een pistool waarmee hij bedreigd is door deze mensen. [Slachtoffer 3] werd met een knuffelbeestje over diens geslachtsdeel gestreeld. De moeder zat met het geslachtsdeel van [slachtoffer 3] te spelen, ze heeft [slachtoffer 3] in het gezicht geslagen, omdat [slachtoffer 3] niet mee wilde werken. Een andere keer heeft de vader van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] met zijn piemel in [slachtoffer 3] zijn bips gezeten. Een oom met donker haar, waarvan [slachtoffer 3] de naam verder nog niet in mijn richting heeft aangegeven, heeft ook met zijn piemel in de bips van [slachtoffer 3] gezeten. De vader zou [slachtoffer 3] hebben afgetrokken. De oom deed ook de piemel in de mond van [slachtoffer 3]. Vervolgens werd het hoofd van [slachtoffer 3] vastgepakt en werd heen en weer bewogen."
(18). Een proces-verbaal van verhoor van politie van 22 oktober 1999, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als de tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van [slachtoffer 3]: "Ze hebben mij met een touw vastgemaakt. Die oom heeft mij toen naar zijn huis gebracht. Ik ben daar met de auto naar toe gegaan, maar ik weet niet meer met welke. En toen deed hij heel vies met mij. Die man heeft mij afgetrokken. Dat huis was aan de [d-straat]. Op de bank wilde ze mij neuken. En dat wilde ik niet. Trekken ze zo de broek van mij uit. Ik ben acht keer bij [slachtoffer 1] in huis geweest en twee keer bij die oom. Toen ik daar was hebben zij mij met een pistool bedreigd. Die oom heeft mij van achteren gepakt en die vader heeft mij van voren gepakt. Die oom heeft mij bij de kont gebeukt. Hij heeft de piemel in mijn kont gedaan. En die vader heeft mij aan de voorkant afgetrokken. En toen zei die moeder het is mijn beurt en zij heeft aan mijn dinges gelikt, mijn piemel. Die vader en die oom bonden mij met touw vast en die moeder hield mijn handen vast. Ze hebben mij bedreigd met een zwart pistool. De vader deed dat zo op mijn hoofd. Die oom heeft mij in mijn gezicht en op mijn schouder geslagen. Ik moest bij die oom aan de piemel likken en ook moest ik hem aftrekken. Dat was heel zuur. Bij de moeder moest ik aan de kut likken. Toen ik dat niet wilde heeft ze mij geslagen. In de ballen."
(19). Een proces-verbaal van verhoor van politie van 20 oktober 1999, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als de tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 5]: "Ik heb op aanwijzing van mijn zoon [slachtoffer 3] de route gereden die mijn zoon ook zou hebben gereden in de auto van de oom van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Hij wees het perceel [d-straat 1] aan. Vervolgens vertelde [slachtoffer 3] dat de auto die voor de deur van de woning stond, de auto was waarin hij gezeten had. Het betreft een grijze Honda Prelude met een lekke band."
(20). Een proces-verbaal van bevindingen van 20 oktober 1999, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als relaas van de verbalisant [verbalisant 4]: "Naar aanleiding van de verklaring van [betrokkene 5] ben ik naar de [d-straat] te [woonplaats] gegaan. Voor perceel [1] stond een grijskleurige personenauto, merk Honda, type Prelude, kenteken [AA-00-BB]."
(21). Een proces-verbaal van bevindingen van 10 maart 2000, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als relaas van de verbalisant [verbalisant 3]: "Uit opgave van het historisch bestand van voertuigen bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer blijkt dat de personenauto, merk Honda, type Prelude, kenteken [AA-00-BB], van 21-09-96 t/m 14-09-99 in het bezit was van [betrokkene 2], wonende [d-straat 1] te [woonplaats]."
(22). Een schriftelijk bescheid, zijnde een brief van A.N. Bosschaart, kinderarts, opgemaakt op 8 november 1999, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-: "[Slachtoffer 3], geboren [geboortedatum] 1987. Lichamelijk onderzoek (3 november 1999): Anus, op 12 tot 1 uur erg dunne huid, ten teken van oud litteken. Het litteken aan de anus kan passen bij seksuele kindermishandeling. Nadat ik hem hier op aanspreek vertelt hij mij spontaan wat er is gebeurd."
(23). De verklaring van A.N. Bosschaart, kinderarts van beroep, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van het Hof op 29 oktober 2001, voor zover onder meer inhoudende -zakelijk weergegeven-: "Ik heb [slachtoffer 3] gezien op 3 november 1999. Ik neem behoorlijk wat tijd om het kind op zijn gemak te stellen en een band op te bouwen met het kind. Tijdens het medisch onderzoek vertelde [slachtoffer 3] uit zich zelf dat de papa van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hem met zijn penis van achter had gepenetreerd. Ook vertelde hij dat hij de penis van de vader in de mond had moeten nemen en dat de moeder van de meisjes zijn hoofd op en neer bewoog. Terwijl [slachtoffer 3] dit vertelde begon hij te kuchen en te kokhalzen. Uit mijn onderzoek bleek dat [slachtoffer 3] niet verkouden was. Dit was voor mij een aanwijzing dat [slachtoffer 3] herbeleefde wat hij had beleefd. Hetgeen [slachtoffer 3] mij vertelde kwam op mij authentiek over. Een kind kan zoiets niet acteren."
(24). Een proces-verbaal van verhoor van politie van 28 augustus 2000, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als de tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van [betrokkene 6]: "[Slachtoffer 3] is door Bosschaart onderzocht. Hij heeft kleine littekens aan zijn anus. [Slachtoffer 3] heeft ook nu nog vaak last van vieze onderbroeken. Het lijkt wel of hij ontlasting verliest. Ik kan niet precies vertellen wanneer het begonnen is. Ik weet wel dat het in 1998 al zo was, misschien al wel eerder. [Slachtoffer 3] is altijd al een druk kind geweest, maar op een gegeven moment ging hij ander gedrag vertonen. In de zomer van 1998 is mijn schoonvader overleden. Ik weet dat [slachtoffer 3] toen erg extreem was in zijn gedrag. Hij gedroeg zich al een half jaar vreemd, maar in die periode viel het mij heel erg op. Hij ging wel drie keer per dag douchen, soms hoorde ik hem zelfs wel midden in de nacht douchen." Hierbij een nadere overweging van het Hof die luidt als volgt: "Bij het uitwerken van de bewijsmiddelen is het hof gebleken dat in het dossier twee geboortedata van [slachtoffer 3] worden vermeld. In het "Relaas onderzoek [slachtoffer 3]", zakendossier C, wordt [geboortedatum] 1986 als geboortedatum van [slachtoffer 3] vermeld. Onder meer in de aangifte staat vermeld dat [slachtoffer 3] op [geboortedatum] 1987 is geboren. Nu in de achterliggende stukken als geboortedatum van [slachtoffer 3] steeds [geboortedatum] 1987 is vermeld, beschouwt het hof de vermelding in voornoemd relaas als een kennelijke verschrijving. In de telastelegging is als geboortejaar van [slachtoffer 3] 1986 opgenomen, een verschrijving die is overgenomen in de bewezenverklaring. Het hof leest de telastelegging en bewezen verklaring alsnog verbeterd. De verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad nu hij ter terechtzitting er blijk van heeft gegeven dat hij weet wat hem wordt verweten." En voorts in het bijzonder ook ten aanzien van het onder 4 primair telastegelegde:
(25). Een proces-verbaal van verhoor van politie van 22 oktober 1999, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als de tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van [slachtoffer 4]: "[Slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en hun vader en moeder deden altijd vieze dingen met mij. Die vader zei: "Kom maar binnen". Ik ging op de bank zitten en toen zei hij: "Ik heb een cadeautje voor je". Hij deed toen die de theedoek voor mijn ogen. Toen ging die vader eerst naar de wc en toen pakte die het pistool omdat ik dat niet wou. Toen moest ik mijn mond open doen en aan zijn piemel zuigen en trekken. Hij zei: "Je moet het doen anders schiet ik je dood". Toen pakte hij dat pistool. Het was een echt pistool. Hij deed er een goudgele kogel in. Toen ik op de piemel aan het zuigen was, ging hij plassen en ik moest dat doorslikken. Hij ([aanvrager]) zei dit moet je niet aan je moeder vertellen, anders schiet ik je vader en moeder ook neer, of ik steek je vader en moeder neer. Ik durfde niets tegen mijn vader en moeder te zeggen. Ik was een keer aan het bukken en toen deed die vader zijn piemel bij mij in de kont, maar ik kreeg toen de theedoek weer voor mijn ogen, als ze iets bij mij deden kreeg ik alleen maar een theedoek voor mijn ogen. Ik moest mij eerst helemaal uitkleden en toen wilde ik dat niet, toen pakte hij ([aanvrager]) messen en toen deed hij dat zo hier en toen zei hij als je dat niet doet dat snij ik jou de hoofd eraf. Dat mes voelde heel scherp. De moeder van [slachtoffer 2] had het mes in de hand. Toen ging [slachtoffer 2]'s moeder met de tong overal overheen en deed [slachtoffer 2]'s vader een pornofilm in de video en ik moest daar naar kijken en toen ging die vader met zijn piemel bij mij bips en dat wou ik niet. Hij deed de piemel bij mij in de kont. Ik moest dan naar de televisie kijken. Als ik dat niet deed kreeg ik iedere keer, iedere keer klappen. De man en de vrouw op de video deden vieze dingen. Ik moest de vrouw van hem ([aanvrager]) op de borsten kusjes geven en likken. En ik moest mijn vinger in haar kruis doen. Een keer deden ze gewoon twee stoelen aan elkaar en ik moest daar naakt opliggen en toen deed ze pindakaas en slagroom over mij hele lijf heen en gingen zij dat allemaal oplikken. Daar waren [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ook bij. De pindakaas en slagroom zat ook tussen mijn kruis. [Slachtoffer 2] zijn vader likte de slagroom en pindakaas tussen mijn kruis weg. Heel veel keer moest ik naakt op een stoel zitten en dan werd ik met touw op de stoel geboeid, van dat snijtouw. Ik moest een keer naar een pornofilm kijken en ik wilde naar die kant kijken en toen kreeg ik van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] heel veel klappen en toen stompte ze mij. Ik ben ook naar een ander huis geweest. Ik weet niet waar het was, ik weet niet waar hij woonde, volgens mij was dat die oom. Hij heette [betrokkene 2] of [betrokkene 2] of zoiets. Het is al bijna drie jaar geleden. Ik was toen negen. Ik ken een jongetje, die heet [slachtoffer 3] of zo, [slachtoffer 3]. Toen zei hij tegen mij: "Doet [slachtoffer 2] ook vieze dingen bij jou". [Slachtoffer 2]'s oom heeft op mijn kruis gelikt. Toen ging ik huilen en toen kreeg ik klappen van hem."
(26). Een proces-verbaal van bevindingen van 21 november 1999, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als relaas van de verbalisant [verbalisant 5]: "[Slachtoffer 4] vertelde dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] met een stokje in haar vagina zaten te friemelen."
(27). Een schriftelijk bescheid, zijnde een brief van A.N. Bosschaart, kinderarts, opgemaakt op 13 januari 2000, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-: "Anamnestisch (voornamelijk anamese van ouders): Forse aanwijzingen voor ernstige lichamelijke en seksuele mishandeling van [slachtoffer 4]. Een en ander wordt door haar tijdens het lichamelijk onderzoek bevestigd." En voorts in het bijzonder ook ten aanzien van het onder 5 subsidiair telastegelegde:
(28). Een proces-verbaal van bevindingen van 22 maart 2000, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als relaas van de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 2]: "Uit het Bedrijfs Processen Systeem van de politie Twente blijkt dat op 4 februari 1998 via 112 is gebeld door [slachtoffer 5] met de mededeling dat zij was misbruikt. Zij was hevig geëmotioneerd en vertelde dat zij weer van dat meisje de broek naar beneden moest doen. Met dat meisje bedoelde zei [slachtoffer 2] of [slachtoffer 1], wonende [c-straat 1] te [woonplaats]."
(29). Een proces-verbaal van verhoor van politie van 22 juli 1998, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als de tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 7]: "Ik ben getrouwd met [betrokkene 8]. Wij hebben twee dochters, [slachtoffer 5] en [slachtoffer 8]. In februari
(1998)kwam de politie aan de deur. [Slachtoffer 5] zou de politie hebben gebeld vanuit een telefooncel. [Slachtoffer 5] vertelde dat [slachtoffer 2] haar zo had vastgepakt dat zij niet meer los kon komen. [Slachtoffer 2] zei tegen [slachtoffer 5] dat zij haar broek naar beneden moest doen. Op een gegeven moment is het [slachtoffer 5] gelukt zich los te rukken en is ze hard naar de telefooncel gerend. In de telefooncel heeft [slachtoffer 5] 112 gebeld. Volgens mij is het telefoontje niet helemaal duidelijk overgekomen, maar wel zo dat de politie is gaan kijken. Ik hoorde dat [slachtoffer 5] de politieauto heeft aangehouden en het over kinderlokkers heeft gehad."
(30). Een proces-verbaal van 2 juni 1999, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als relaas van de verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 6]: "Op 2 juni 1999 werd [slachtoffer 5] gehoord. Het slachtoffer [slachtoffer 5] verklaarde zes keer seksueel te zijn benaderd. Ze vertelde over de eerste keer: "Ik ben opgewacht bij de bushalte van de Europaschool. Dit was op een maandag in de winter van 1998, ik ben van de fiets getrokken"."
(31). Een proces-verbaal van verhoor van politie van 23 november 1999, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als de tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van [slachtoffer 5]: "Ik ben bij [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en de vader en moeder in huis geweest. Ik had daar een blinddoek om, zes keer. De vader heeft mij bedreigd met een pistool. Omdat ik naar boven moest en zo en ik dat niet wilde. Ik mocht niets aan mijn vader of moeder zeggen. Ze zeiden: "Als je het waagt om het aan je vader of je moeder te vertellen dan schiet ik je dood". Zo deden ze dat steeds. En ze hebben mij heel hard naar binnengetrokken en toen hebben ze mij een blinddoek omgedaan. De moeder deed de deur open. Die twee zusjes hebben mij uitgekleed en zij hebben mij vastgebonden aan het bed. En die twee zusjes hebben aan mijn fluitje gezeten, en ze gingen met hun vingertjes in en boven mijn fluitje. Ze hebben ook in mijn rug geknepen. Die vader gaf opdrachten aan de zusjes, je moet bij haar in het fluitje zitten en zo en bij mij in de tietjes knijpen. De vader heeft ook de touwen vastgeknoopt. Een tweede keer schopte die zusjes mij ook heel hard, en die vader die sloeg mij wel eens. Ik moest onderzoeken laten doen in het ziekenhuis en toen zei de dokter dat er iets weg was bij mijn fluitje. En dat is weg omdat ze er steeds in deden in mijn fluitje. Het gebeurde toen ik in groep 5 zat."
(32). Een schriftelijk bescheid, zijnde een brief van A.N. Bosschaart, kinderarts, opgemaakt op 8 juli 1999, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-: "[Slachtoffer 5], geboren [geboortedatum] 1989. Lichamelijk onderzoek (01-01-99) grote openstaande hymenstatus na defloratie. Anamnestisch en ook bij lichamelijk onderzoek aanwijzingen passend bij seksuele kindermishandeling." En voorts in het bijzonder ook ten aanzien van het onder 7 primair telastegelegde:
(33). Een proces-verbaal van verhoor van politie van 17 mei 1999, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als de tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van [slachtoffer 1]: "Ik heb [slachtoffer 6] zijn penis omgedraaid en een dun stokje bij hem tussen de billen gedaan. Ik bedoel daarmee dat ik dat in zijn poepgat heb gestopt."
(34). Een proces-verbaal van verhoor van politie van 5 augustus 1998, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als de tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 9]: "Ik ben getrouwd met [betrokkene 10] en wij hebben samen twee kinderen, de oudste zoon is [slachtoffer 6] en hij is geboren op [geboortedatum] 1993. Sinds ongeveer anderhalf jaar woont de familie [van aanvrager] aan de [c-straat 1] te [woonplaats]. Het gezin bestaat uit vader, moeder en twee dochters, [slachtoffer 1] is 12 jaar oud en [slachtoffer 2] is 10 jaar oud. Eind vorig jaar werden wij gewaarschuwd door een meisje van ongeveer 8 jaar bij ons uit de buurt. Zij vertelde mijn vrouw dat zij vieze spelletjes met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] heeft moeten spelen. Een aantal keren is het gebeurd dat [slachtoffer 6] ging spelen en dat wij hem uit het oog verloren. We gingen dan zoeken en vonden hem met [slachtoffer 2] in de bosjes."
(35). Een proces-verbaal van verhoor van politie van 10 oktober 1999, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als de tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 9]: "Afgelopen vrijdag 8 oktober 1999 begon [slachtoffer 6] tegen mij te praten over [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1]. [Slachtoffer 6] vertelde mij dat hij van een van de meisjes zijn broek naar beneden moest doen. Hierna had [slachtoffer 2] aan zijn piepie getrokken. [Slachtoffer 6] bedoelt met zijn piepie zijn piemel. De meisjes hadden gezegd dat ze hem eraf zouden snijden. Ook vertelde [slachtoffer 6] dat hij was vastgebonden op een bed. [Aanvrager], de vader van de meisjes, zou daar bij hebben gestaan."
(36). Een proces-verbaal van bevindingen van 4 februari 2000, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als relaas van de verbalisant [verbalisant 2]: "Op woensdag 2 februari 2000 was ik bij de familie [van slachtoffer 6], ik was daar in verband met de voorbereiding van [slachtoffer 6] op een studioverhoor in Nijverdal. Tijdens mijn gesprek met [slachtoffer 6] overhandigde de moeder van [slachtoffer 6] mij een briefje waarop teksten geschreven waren. De moeder van [slachtoffer 6] vertelde mij dat zij dit had geschreven en dat het uitlatingen van [slachtoffer 6] betroffen. Op het briefje stond: [Aanvrager] heeft ook het pistool op mijn hooft gezet. [Aanvrager] heeft mij buiten op het bed vastgebonden en mij buiten aan hekje vastgebonden. De moeder wou me de piepie er af snijden met een heel groot en scherp mes. De vader heeft me aan de piepie gezeten en de vader heeft hete koffie over mijn piepie gegooid en dat deed heel zeer want ik had een hele rode piepie."
(37). Een proces-verbaal van verhoor van politie van 7 december 1999, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als de tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 11]: "Ik ben de zus van [betrokkene 12]. Zij is de moeder van [slachtoffer 6]. Afgelopen voorjaar, ik denk februari of maart 1999 was ik op visite bij mijn zus en haar man. Op een gegeven moment was mijn zus haar kinderen kwijt. Zij vertelde dat de kinderen misschien bij de achterburen waren. Volgens mij heet die familie [achternaam aanvrager]. Ik heb bij die familie aangebeld en ik zag dat een vrouw de deur open deed. Ik vroeg aan die vrouw of mijn neefjes [slachtoffer 6] en [slachtoffer 9] daar waren. Die vrouw zei tegen mij dat mijn neefjes daar niet waren. Ik hoorde echter het geluid van schreeuwende kinderen afkomstig vanaf de bovenverdieping. Ik hoorde een jongensstem: "Laat me los, laat me gaan". Ik herkende die stem als zijnde van [slachtoffer 6]. Ik hoorde een meisjesstem zeggen: "Ik laat jullie niet gaan. Jullie blijven hier". Ik vroeg nogmaals aan die vrouw of mijn neefjes daar waren. Die vrouw zei opnieuw tegen mij dat mijn neefjes daar niet waren. Ik zei toen tegen die vrouw dat ik mijn neefjes hoorde schreeuwen en dat ik ze mee wilde hebben, anders haalde ik de politie erbij. Die vrouw en ik stonden op dat moment in de hal van de woning. Even later hoorde ik de deur op de bovenverdieping open gaan en zag ik dat [slachtoffer 6] en [slachtoffer 9] naar beneden renden. Ik zei: "Kom maar bij tante [...]". [Slachtoffer 6] en [slachtoffer 9] vlogen mij vervolgens om de hals alsof ze mij al heel lang niet meer hadden gezien. Ik had de indruk dat ze echt doodsbang waren. Ik heb [slachtoffer 6] en [slachtoffer 9] meegenomen naar de woning van mijn zus aan de [c-straat]."
(38). Een proces-verbaal van verhoor van politie van 8 mei 2000, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als de tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 11]: "In december 1999 ben ik door een collega van u gehoord. Ik heb toen gezegd dat ik in het voorjaar van 1999 bij de familie [achternaam aanvrager] aan de deur ben geweest. Ik heb mij vergist. Dat was in het voorjaar van 1998, in februari of maart denk ik en dus niet in 1999."
(39). Een proces-verbaal van verhoor van politie van 9 februari 2000, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als de tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 13]: "[Betrokkene 13] verklaarde dat zij [slachtoffer 6] had opgehaald van de schoolbus. Zij verklaarde dat zij met [slachtoffer 6] meeliep naar de [c-straat] en dat [slachtoffer 6] spontaan uit zichzelf begon te vertellen over [aanvrager en betrokkene 1]. [Slachtoffer 6] had tegen [betrokkene 13] verteld dat ze hem hadden vastgebonden op bed en dat de vader zijn broek naar beneden had getrokken. [Slachtoffer 6] moest stil blijven liggen, want de vader had een pistool op zijn hoofd gezet. [Slachtoffer 6] had daarbij met zijn wijsvinger naar zijn rechterslaap gewezen. [Slachtoffer 6] had tevens verteld dat de moeder een mes had en dat zij zijn piemel eraf wilde snijden. De moeder had hem ook vastgebonden aan een rek." En voorts in het bijzonder ook ten aanzien van het onder 8 primair telastegelegde:
(40). Een proces-verbaal van verhoor van politie van 12 oktober 1999, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als de tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 14]: "Ik wens aangifte te doen van vermoedelijke overtreding van de artikelen 246 en 247 van het Wetboek van Strafrecht ten opzichte van mijn zoon, genaamd [slachtoffer 7], geboren [geboortedatum] 1988. Met deze persoon zijn buiten echt ontuchtige handelingen gepleegd. De handelingen bestonden uit het volgende: bedreigen, het doodmaken van hem en zijn ouders, het onzedelijk betasten van zijn penis en het inbrengen van voorwerpen in de anus."
(41). Een proces-verbaal van verhoor van politie van 3 december 1999, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als de tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van [slachtoffer 7]: "Ik wil vertellen dat ik bij [slachtoffer 2] heb gespeeld en dat zij hele rare dingen deed. Ze deed allemaal blaadjes en steeltjes achter in mijn broek."
(42). Een proces-verbaal van verhoor van politie van 19 november 1999, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als de tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van [slachtoffer 7]: "[Slachtoffer 2] deed al haar kleren uit en ging boven op mij liggen en die vader was aan het filmen. En [slachtoffer 2] ging mij allemaal stokjes achter in de broek doen, van die prikkelstokjes. Dat deed heel erg zeer, ik had mijn hele bips rood en toen moest mijn vader daar iedere keer zalf op doen. Ik ben maar 1 keer daar geweest en dat was voor de grote vakantie twee jaar geleden."
(43). Een proces-verbaal van verhoor van politie van 19 november 1999, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als de tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 15]: "[Slachtoffer 7] is toen hij zeven jaar oud was naar de [a]-school gegaan. Ik weet dat [slachtoffer 2] daar toen ook op zat. [Slachtoffer 7] is een keer bij [slachtoffer 2] thuis geweest, dat was op een woensdag middag. Op een gegeven moment kwam [slachtoffer 7] thuis en vertelde dat [slachtoffer 2] van school af was en dat zij in de gevangenis zat. [Slachtoffer 7] vertelde dat [slachtoffer 2] van school af was omdat ze rare spelletjes deed met kinderen van school. Mijn man heeft [slachtoffer 7] van school gehaald en [slachtoffer 7] begon meteen te vertellen dat [slachtoffer 2] ook wel dingen bij hem had gedaan. [Slachtoffer 2] had aan zijn piemel getrokken en iets in zijn bips gedaan. [Slachtoffer 7] wist niet wat het was, maar wel dat het zeer deed."
(44). Een proces-verbaal van verhoor van politie van 25 augustus 2000, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als de tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van [betrokkene 14] en [betrokkene 16]: "Terugkijkend naar de periode waarin het misbruik heeft plaatsgevonden, kunnen wij ons herinneren dat hij klaagde over een pijnlijke anus. Wij hebben toen gekeken en zagen dat de anus rood was. Wij hebben er toen zalf opgedaan. [Slachtoffer 7] klaagde over een zere bips toen hij destijds door [aanvrager] werd thuisgebracht. [Aanvrager] zei toen meteen: "Dat komt doordat de bagagedrager zo hard is". Daarna klaagde hij dus over een pijnlijke anus." Beknopte beschrijving van de gang van zaken
- In de kern genomen gaat het hier om twee opeenvolgende, elkaar overlappende opsporingsonderzoeken. In 1998 start de politie Twente een opsporingsonderzoek naar twee minderjarige zusjes, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], die ervan worden verdacht dat zij ontuchtige handelingen hebben gepleegd met een groot aantal buurtkinderen. Dit onderzoek krijgt de naam [A] ([A], Sch). Tijdens dit onderzoek komen ook de vader, moeder en oom van beide meisjes in beeld. Zij worden verdacht van ontucht met genoemde meisjes en andere (jonge) kinderen. Het onderzoek naar de vader, moeder en oom krijgt de naam [A]
- Het [A]2 onderzoek resulteert in vervolgingen en veroordelingen van de vader, moeder en oom. De vader, die de aanvrager tot herziening is, wordt op 5 april 2001 door de Rechtbank te Almelo
(3)voor meerdere (zware) seksuele misdrijven veroordeeld. In hoger beroep wordt de aanvrager wederom veroordeeld. Deze veroordeling heb ik reeds onder 1 aangeduid.
- Op 13 maart 2006 heeft prof. H.F.M. Crombag, rechtspsycholoog en tevens hoogleraar Sociaal Wetenschappelijke Bestudering van het Recht aan de Universiteit Maastricht, deze zaak, die ook wel bekend staat als de "Enschedese ontuchtzaak", aangemeld bij de voorzitter van het College van procureurs-generaal met het verzoek deze door te geleiden naar de Commissie evaluatie afgesloten strafzaken (CEAS). Voornoemde rechtspsycholoog is één van de deskundigen geweest in de zaak tegen de aanvrager, benoemd door de behandelend rechter-commissaris. Hem was gevraagd een onderzoek in te stellen naar de betrouwbaarheid van de verklaringen van de beide minderjarige zusjes. Crombag is in de hem ter beschikking gestelde stukken een aantal namen van slachtoffertjes tegengekomen waarvan hij niet kon nagaan of die door de politie al dan niet zijn gehoord. Hij heeft het vermoeden dat deze slachtoffertjes mogelijk wel door de politie zijn gehoord, maar dat de van hen opgenomen verklaringen niet aan de rechter zijn voorgelegd. Crombag vindt deze kwestie van belang omdat niet belastende verklaringen van zulke kinderen niet alleen geen bijdrage zouden leveren aan het bewijs tegen de verdachten, maar ook steun zouden kunnen geven aan een alternatieve interpretatie van het bewijsmateriaal of een tegenverhaal. Naar aanleiding van een advies van de toegangscommissie van de CEAS heeft het College van procureurs-generaal een driemanschap van de CEAS opdracht gegeven om onderzoek te doen. De CEAS
- Het College heeft het driemanschap, onder leiding van mr. I.A. Vermeulen, gevraagd onderzoek te doen naar de volgende vraag: "Is aan de rechter relevante informatie onthouden die mogelijk tot een ander oordeel had kunnen leiden, doordat de processen-verbaal van de verhoren van een aantal slachtoffer/getuigen geen deel uitmaakten van het procesdossier?"
- Door Crombag waren nog twee andere punten van kritiek op het onderzoek aangedragen, te weten: a. er is uitgegaan van één scenario, met voorbijzien van andere mogelijkheden (hierbij wordt gewezen op het fenomeen van collaborative storytelling) en b. op de wijze waarop de beide zusjes en de zes andere vermeende jonge slachtoffers zijn verhoord, is majeure kritiek mogelijk. Het College heeft besloten dat deze twee aangedragen kritiekpunten overeenkomstig het advies van de toegangscommissie niet in onderzoek zouden worden genomen, omdat deze bekend waren bij de behandelend rechter-commissaris, de Rechtbank en het Hof.
- Op 15 december 2007 heeft de commissie Vermeulen uit de CEAS in deze zaak het onderzoeksrapport aangeboden aan het College van procureurs-generaal. Het College heeft het rapport vervolgens aan de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad overhandigd en hem daarbij verzocht het rapport te beoordelen en te bezien of hij daarin aanleiding ziet een herzieningsverzoek in te dienen bij de Hoge Raad dan wel in dit verband nog nader onderzoek gewenst acht. Daarnaast heeft het College het Wetenschappelijk Bureau van het OM opdracht gegeven op korte termijn advies uit te brengen over de te stellen eisen aan de inhoud van het strafdossier. Op 18 december 2007 is het rapport van de onderzoekscommissie Vermeulen openbaar geworden.
(4)- De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad heeft de behandelend Advocaat-Generaal verzocht te onderzoeken of hij in de bevindingen van het rapport aanleiding ziet nader onderzoek te bevorderen.
- Hoofdstuk II, § 2.2 van het onderzoeksrapport houdt onder meer het volgende in: "Het driemanschap stelde begin 2007 vast dat zich, hetzij in het [A]-dossier, hetzij in het [A]2-dossier, hetzij in beide dossiers, één of meer documenten bevonden met betrekking tot het merendeel van de door de heer Crombag in zijn rapportage aan de rechter-commissaris opgesomde 'niet met name genoemde kinderen'. Het betrof hoofdzakelijk (imprimé) aangiftes van ouders van slachtoffers, uitgewerkte studioverhoren van slachtoffers en een enkele op andere wijze opgenomen verklaring van een slachtoffer. Met deze vaststelling had de opgeworpen vraag verwoord in de opdracht van het College van procureurs-generaal reeds voor een belangrijk deel beantwoord kunnen worden. Het driemanschap constateerde bij een nadere analyse van het aan de rechter voorgelegde dossier echter ook dat zich in het politiearchief (op het eerste gezicht relevante) stukken bevonden, die niet ter kennis van de rechter waren gebracht. Hetzelfde gold voor een aantal in het politiejournaal vastgelegde onderzoeksverrichtingen, waarvan het driemanschap heeft moeten vaststellen dat daarvan geen proces-verbaal was opgemaakt. Daar kwam bij dat de heer Crombag in het op 5 oktober 2006 met hem gevoerde gesprek de mogelijkheid opperde dat verklaringen van slachtoffers na de terechtzitting aan het dossier toegevoegd zouden zijn. Vorenstaande was voor het driemanschap aanleiding om zich voor onder andere de inventarisatie en vergelijking van de politie- en justitiedossiers vanaf maart 2007 te doen bijstaan door een multidisciplinair vanuit een vijftal politieregio's samengesteld Evaluatie Team, met ervaring in de evaluatie van grootschalige onderzoeken, onder leiding van hoofdinspecteur van Regiopolitie Zuid-Holland-Zuid de heer G.C.E. Jonkheijm en landelijk officier van justitie forensische research mevrouw mr. E.E. van der Bijl. Bij deze inventarisatie en vergelijking is ook een door één van de advocaten van de verdachten ter beschikking gesteld dossier betrokken. De inspanningen die nodig waren om over alle informatie te kunnen beschikken, die het Evaluatie Team voor de inventarisatie en vergelijking nodig had, in het bijzonder voor het toegankelijk krijgen van informatie die zich niet in het aan de rechter voorgelegde dossier bevond, hebben meer tijd gekost dan het driemanschap wenselijk achtte. Gaandeweg het onderzoek bleek dat zich bij de Regiopolitie Twente en het Arrondissementsparket Almelo nog stukken en audio- en videobanden bevonden, waarover het driemanschap niet de beschikking had. Ook bleken op een computer van de Regiopolitie Twente (T-schijf) nog digitale bestanden te staan, waarvan het driemanschap niet eerder kennis had kunnen nemen. Bij het verzoek aan politieambtenaren die destijds deel uitmaakten van het [A]- en [A]2-team om eventueel nog aanwezige persoonlijke documenten aan het onderzoeksteam ter beschikking te stellen, kwam naar voren dat die documenten volgens de bevraagde politieambtenaren inmiddels waren vernietigd. Vorengenoemde inventarisatie en vergelijking door het Evaluatie Team bracht aan het licht dat de door het College van procureurs-generaal gestelde onderzoeksvraag, restrictief geïnterpreteerd, mogelijk negatief beantwoord zou moeten worden, maar dat bij een wat extensievere interpretatie van de onderzoeksvraag "Is aan de rechter relevante informatie onthouden die mogelijk tot een ander oordeel had kunnen leiden?" het antwoord wellicht anders zou kunnen zijn. Op basis van deze constatering heeft het driemanschap besloten om de onderzoeksopdracht te verbreden tot de hiervoor geformuleerde vraag."
- De conclusies en het advies van het driemanschap luiden als volgt: "§ 8.1 Conclusies Met betrekking tot de beperkte onderzoeksvraag is de conclusie van het driemanschap dat er geen informatie aan de rechter is onthouden die mogelijk tot een ander oordeel had kunnen leiden, doordat processen verbaal van een aantal slachtoffers/getuigen geen deel uit hebben gemaakt van het procesdossier. Ook is niet gebleken dat na de terechtzitting stukken aan het dossier zijn toegevoegd. De desbetreffende door de heer Crombag opgeworpen vraag dient derhalve ontkennend te worden beantwoord. Voor het overige merkt het driemanschap het volgende op. Uit de voorafgaande hoofdstukken komt een beeld naar voren van een zeer complexe, gevoelige en met het oog op de waarheidsvinding lastige zaak. De betrokken professionals zijn zich daarvan zeer bewust geweest. Men heeft er steeds naar gestreefd de kwaliteit van de waarheidsvinding hoog te houden, en de (vermoedelijke) slachtoffers te informeren. Omdat de verdachten ontkenden en bewijs anders dan bewijs door getuigen nagenoeg ontbrak lag het accent zwaar op de verklaringen van de slachtoffers. Vrijwel alle belastende verklaringen zijn opgenomen in een periode dat veel over deze zaak is geschreven en gesproken. Daar komt bij dat in de verklaringen van de slachtoffers niet of nauwelijks feiten en omstandigheden worden aangetroffen die zich leenden voor objectieve verificatie. In verklaringen beschreven concrete gebeurtenissen worden niet bevestigd in verklaringen van kinderen die bij dezelfde gebeurtenissen aanwezig geweest zouden zijn. Daarnaast is de wijze waarop (een deel van) de verhoren hebben plaatsgevonden naar het oordeel van het driemanschap risicovol te noemen. Dat geldt met name voor de vele verhoren van [slachtoffer 1] ([slachtoffer 1], Sch) en [slachtoffer 2], ([slachtoffer 2], Sch) die aanvankelijk als verdachten, later als getuigen zijn gehoord. Nu echter rechtbank en hof kennis hebben genomen van de kritiek die diverse deskundigen op (een aantal van de) verhoren hebben uitgeoefend ligt het buiten de taakopdracht van het driemanschap daarop nader in te gaan, laat staan een oordeel daarover te vellen. Dit slothoofdstuk is daarom toegespitst op de in het voorafgaande ontwikkelde bredere vraagstelling: "Is aan de rechter relevante informatie onthouden die mogelijk tot een ander oordeel had kunnen leiden?" Het driemanschap acht zich niet in staat om op die vraag een stellig antwoord te geven. Het is niet uitgesloten dat de rechtbank of het hof, wanneer het over bijvoorbeeld meer informatie met betrekking tot de persoonlijkheid van de halfzus zou hebben beschikt, ervan zou hebben afgezien haar verklaring voor het bewijs te gebruiken, maar dat is allesbehalve zeker. Daar komt nog bij dat het zeer de vraag is of in dat geval de verdachten zouden zijn vrijgesproken. Bij deze stand van zaken stelt het driemanschap vast dat de rol van de halfzus, gezien vanuit het gezichtspunt van kwalitatief verantwoorde opsporing, ongelukkig is geweest. Het is moeilijk te begrijpen waarom het team en de zaaksofficier bevorderen dan wel toelaten dat een persoon die volgens de teamleider binnen het team destijds als 'borderliner' wordt aangemerkt, en als iemand met wier verklaringen zeer behoedzaam moest worden omgesprongen, zo'n cruciale rol speelt rond de aangifte van [slachtoffer 1] op 8 oktober
- Het doet zonder meer vreemd aan dat deze halfzus, nota bene ook nog vergezeld door haar maatschappelijk werkster, het verhoor van [slachtoffer 1] op die datum bijwoont en aldaar ook het woord heeft gevoerd, al is dat niet volledig opgetekend in het aan de rechter overgelegde proces-verbaal van het verhoor. Deze ongewenste gang van zaken wekt sterk de indruk dat de hulpverlening aan de slachtoffers in zekere zin heeft geprevaleerd boven het streven naar optimale zuiverheid bij de waarheidsvinding. Het is maar de vraag of de mogelijke schade aan die waarheidsvinding voldoende is gecompenseerd doordat de halfzus door de rechtbank en het gerechtshof ter terechtzitting is gehoord. Zoals in § 7.3 beschreven, heeft het driemanschap de telefoontaps op het nummer van vader, die zich op de T-schijf bevonden die nog aanwezig bleek op het politiebureau in Enschede, door het Evaluatie Team laten analyseren. Slechts een klein deel daarvan is destijds uitgewerkt. Deze uitwerking is overigens niet aan het dossier toegevoegd. In het relaas proces-verbaal van de politie is aangegeven dat in de periode voorafgaande aan de aanhouding van de verdachten is getapt. Dat betekent dat rechter en verdediging van die taps op de hoogte waren, en desgewenst deze taps of delen daarvan, althans voor wat betreft de periode vóór de aanhouding van de verdachten, hebben kunnen afluisteren. Dit bevestigt de algemene indruk die het driemanschap heeft van het politiële en justitiële onderzoek: men heeft gestreefd naar transparantie; er is geen enkele aanwijzing gevonden dat men relevante informatie heeft willen achterhouden. Vast staat wel dat de inhoud van de taps geen enkele rol heeft gespeeld bij de onderzoeken ter terechtzitting. Men kan zich afvragen of het beeld dat de rechter heeft gekregen van de verdachten zou zijn gekanteld wanneer hij kennis zou hebben genomen van die inhoud. Uit de analyse van het Evaluatie Team is in ieder geval gebleken dat deze op geen enkele wijze belastend was voor de verdachten; mogelijk zelfs integendeel. Zo zegt vader op een gegeven moment tegen [slachtoffer 1] dat zij "de waarheid moet vertellen". Het driemanschap heeft aan de dagelijks teamleider en aan de zaaksofficier de vraag voorgelegd of het niet opmerkelijk is dat de toepassing van deze onderzoeksmethode over een aanzienlijke periode helemaal niets belastends heeft opgeleverd. De zaaksofficier antwoordde hierop dat zij dit juist kenmerkend vond voor de persoonlijkheid van vader, die zij een zeker raffinement toedichtte. De teamleider kon hiervoor geen verklaring geven. Het driemanschap meent, mede gelet op hetgeen door deskundigen van het Pieter Baan Centrum over vader is gerapporteerd, dat de opvatting van de zaaksofficier niet erg aannemelijk is, en gekleurd is door de overtuiging dat vader inderdaad de hoofddader was. Diens gedrag wordt achteraf door de gekleurde bril van de overtuiging geïnterpreteerd. Hoe dit zij, het driemanschap meent dat het juist was geweest wanneer meer informatie uit de taps aan de processtukken zou zijn toegevoegd, met name ook de bovenbedoelde aansporing van vader aan zijn oudste dochter. Het driemanschap is van oordeel dat niet kan worden uitgesloten, wanneer men de optelsom maakt van de informatie die volgens hem niet of in onvoldoende mate aan de stukken is toegevoegd de conclusie kan worden getrokken dat de rechter, als hij van die informatie kennis had genomen, tot een andersluidend oordeel zou zijn gekomen. Hiermee is ook de verruimde onderzoeksvraag beantwoord. § 8.2 Overwegingen ten overvloede. Dat betreft in de eerste plaats de volgens alle betrokkenen betreurenswaardig slechte communicatie tussen de CRI-deskundigen en het onderzoeksteam en de zaaksofficier (en in een later stadium de advocaat-generaal). Nadat de CRI-deskundigen hun rapport, dat zeer kritisch uitviel, bij het team hadden ingeleverd is er geen rechtstreekse communicatie geweest tussen deze deskundigen en de teamleiding en de zaaksofficier. Wel waren er contacten tussen hogere echelons van de betrokken organen, maar die leidden niet tot verheldering of toenadering. Integendeel: op enig moment blijkt dat één van beide CRI-medewerkers tot persona non grata is verklaard in de politieregio Twente; een nogal bizarre stap. Het is het driemanschap gebleken dat ook nog vandaag de dag door alle betrokkenen op geëmotioneerde toon wordt gesproken over de gang van zaken. Het is jammer dat het team en de zaaksofficier niet over hun op zichzelf begrijpelijke verontwaardiging over de harde kritiek zijn heengestapt, en niet onmiddellijk een gesprek hebben belegd om de gevoelens en standpunten over en weer uit te wisselen. Dit klemt temeer, nu - gelet ook op de eveneens zeer uitgesproken kritiek van de heer Crombag, en deels ook het commentaar van de psycholoog - juist de wijze van verhoren het hart van het onderzoek raakte. Wanneer de communicatie zo slecht verloopt beneemt men zich de kans om van fouten te leren. Hierbij moet wel worden aangetekend dat de zaaksofficier en de teamleider hebben bevestigd dat het team van een aantal aanbevelingen in het CRI-rapport wel gebruik heeft gemaakt. In dit verband is het treffend dat de dagelijks teamleider in zijn tweede gesprek met het driemanschap ruiterlijk heeft toegegeven dat met name de verhoren van de beide dochters niet voldeden aan de (ook toen reeds) geldende maatstaven. Het 'shoppen' tussen de beide dochters door steeds hetzelfde verhorend koppel rechercheurs was ook naar destijds heersende inzichten niet aan de maat. In een notoir lastige zaak als de onderhavige, waarin nauwelijks bewijs anders dan bewijs door getuigen voorhanden is en bijna alles draait om de verklaringen van zeer jeugdige slachtoffers, waaronder de psychisch kwetsbare dochters c.q. nichten van de verdachten, is een verantwoorde verhoortechniek van doorslaggevend belang. Het driemanschap stipt nog een tweede punt aan. Dit betreft de rol van de tijdens het [A] - en [A]2 onderzoek geconsulteerde orthopedagoge, die door het hof als deskundige is gehoord. Het is aannemelijk dat haar expertise voor de overtuiging van de rechter een rol heeft gespeeld, getuige de overweging van het hof dat het hof gelet op de verklaringen van de verschillende deskundigen van oordeel is dat er binnen de wetenschap geen overeenstemming bestaat over de mate van beïnvloedbaarheid van (jonge) getuigen en orthopedagoge ter terechtzitting van het hof van 6 februari 2002 heeft verklaard dat de laatste wetenschappelijke onderzoeken uitwijzen dat de mate van beïnvloedbaarheid van kinderen met een intelligentieleeftijd van 6 jaar of ouder niet veel groter is dan de beïnvloedbaarheid van volwassenen, waarbij de beïnvloedbaarheid ten aanzien van randgebeurtenissen groter is dan die ten aanzien van de centrale gebeurtenis. Ook verklaarde de orthopedagoge voor het hof dat onderzoek heeft aangetoond dat het meerdere keren horen van jonge getuigen, in tegenstelling tot hetgeen men eerder aannam, een positieve uitwerking kan hebben op de waarheidsgetrouwheid van de betreffende verklaringen. De heer Crombag heeft als punt van kritiek naar voren gebracht dat hij niet in de gelegenheid is geweest op de verklaring van deze deskundige te reageren. Nu de verklaringen van beide deskundigen ten overstaan van de zittingsrechter (in hoger beroep) zijn afgelegd past het het driemanschap niet over deze gang van zaken een oordeel uit te spreken. Wél stelt het driemanschap vast dat er enige onduidelijkheid bestaat over de rol van de door het onderzoeksteam geconsulteerde orthopedagoge. Zelf stelt zij dat haar inbreng slechts de state of the art in de wetenschap betrof met betrekking tot de gevolgen van seksueel misbruik van jeugdigen voor die jeugdigen, en de manier waarop zij hun ervaringen verwerken. In die geest past inderdaad haar verklaring ter zitting van het hof. Maar daarmee is slecht te rijmen dat - blijkens enkele aantekeningen in het politiejournaal - het team haar een oordeel heeft willen laten geven over de betrouwbaarheid van enkele getuigenverklaringen van jeugdige slachtoffers. Niet is overigens gebleken dat zij een dergelijk oordeel inderdaad heeft gegeven. Zelf heeft zij verklaard zich daar niets van te herinneren. Het driemanschap staat hierbij stil omdat zij meent dat het ongewenst is wanneer er onduidelijkheid bestaat over de exacte opdracht aan deskundigen. § 8.3 Advies Al met al stelt het driemanschap vast dat het opsporingsonderzoek op integere wijze en met grote inzet is uitgevoerd. Op geen enkele wijze is gebleken van pogingen om informatie achter te houden. Op diverse punten heeft het driemanschap bevonden dat aanvullende informatie uit het onderzoek bij de stukken had moeten worden gevoegd. Deze bevinding leidt niet tot het oordeel dat het rechterlijk oordeel waarschijnlijk wezenlijk anders had geluid. Het driemanschap is zich er evenwel terdege van bewust dat de feitelijke basis van de veroordelende uitspraken, gelet op de zware kritiek van alle betrokken deskundigen op de kwaliteit van de verhoren (de orthopedagoge heeft zich immers niet over de concrete getuigenverklaringen uitgelaten) fragiel is. De informatie die door het onderzoek van het driemanschap is toegevoegd maakt die basis nog fragieler. Het driemanschap kan er niet omheen, alles overziende, de bange vraag onder ogen te zien of de veroordeelden wellicht onschuldig zijn aan bewezen verklaarde feiten. Zelf hebben de veroordeelden steeds volgehouden onschuldig te zijn. Voor vader heeft de ontkenning tot gevolg dat hij waarschijnlijk nog lang in de TBS-kliniek zal moeten blijven. Nader onderzoek zou mogelijk de twijfel kunnen wegnemen. Een dergelijk onderzoek zou ingrijpend en belastend zijn voor de slachtoffers en hun omgeving. Het driemanschap realiseert zich dat bij de uitvoering van dat onderzoek zich allerlei problemen van praktische aard kunnen voordoen, maar acht dat niet voldoende reden om daar bij voorbaat vanaf te zien. Dat gegeven moet worden afgewogen tegen de overweging dat er mogelijkerwijs onschuldigen zijn gestraft en dat een onschuldige van zijn vrijheid beroofd blijft. Het is niet aan het driemanschap te adviseren over de inrichting van het hier bedoelde onderzoek. Het driemanschap adviseert daartoe over te gaan, zodat tenminste een poging wordt ondernomen de bestaande twijfel weg te nemen." Het kader waarbinnen de herzieningsaanvrage dient te worden beoordeeld
- Het buitengewone rechtsmiddel van herziening biedt de mogelijkheid om in bijzondere omstandigheden een veroordeling die al onherroepelijk is geworden toch ongedaan te maken. Een herzieningsverzoek kan aldus eerst worden gedaan wanneer een strafzaak reeds is afgerond en de betrokkene definitief is veroordeeld. De bedoeling van de herzieningsregeling is niet om dit strafproces bij de Hoge Raad nog eens over te kunnen doen en een veroordeling, die reeds onherroepelijk is, nog eens ter discussie te stellen. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijk verklaring van het Openbaar Ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.
- In een recent arrest heeft de Hoge Raad nog eens het kader beschreven waarbinnen een aanvrage tot herziening als de onderhavige dient te worden beoordeeld
(5): "6.1. Uitgangspunt van het Nederlandse recht is dat een veroordeling die door de Nederlandse strafrechter is uitgesproken, na het verstrijken van de beroepstermijnen voor het instellen van gewone rechtsmiddelen en eventueel na het daadwerkelijk benut zijn van die rechtsmiddelen, onherroepelijk wordt. Slechts onder bijzondere omstandigheden is een inbreuk op die onherroepelijkheid mogelijk, namelijk ingeval een aanvrage tot herziening van een dergelijke veroordelende uitspraak wordt ingediend en na onderzoek gegrond wordt bevonden. Dat is in het eerste lid, aanhef en onder 2°, van art. 457 Sv aldus tot uitdrukking gebracht dat als grondslag voor een herziening, voor zover hier van belang, slechts kan dienen een omstandigheid die bij het onderzoek op de terechtzitting de rechter niet is gebleken en die het ernstige vermoeden wekt dat, ware zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid tot vrijspraak van de veroordeelde. De aanwending van het buitengewone rechtsmiddel van herziening kan daarom slechts in uitzonderlijke gevallen leiden tot heropening van een strafproces dat met een onherroepelijke rechterlijke beslissing was afgerond. 6.2. De aard van het onderhavige rechtsmiddel brengt mee dat de aangevoerde grond voor herziening niet reeds bij de eerdere berechting mag zijn gebleken. In dat geval is immers geen sprake van een nieuwe omstandigheid in de zin van art. 457 Sv (hierna aan te duiden als 'novum'), maar van een omstandigheid die de rechter die de veroordeling uitsprak, in zijn oordeel heeft kunnen betrekken. 6.3. Onvoldoende is ook dat de nieuwe omstandigheid mogelijk zou hebben geleid tot een andere afloop van de strafzaak, in dit geval tot vrijspraak van de aanvrager. Art. 457 Sv is in dat opzicht strikter. Het eist immers dat door de nieuwe omstandigheid het 'ernstig vermoeden' moet ontstaan dat de rechter de aanvrager zou hebben vrijgesproken indien hij destijds met dat novum bekend was geweest. 6.4. De enkele omstandigheid dat het voorbereidend onderzoek dan wel het onderzoek op de terechtzitting niet volledig is geweest, levert evenmin een grond voor herziening op. Dit is slechts anders indien de in herziening overgelegde gegevens grond geven voor het oordeel dat - voor zover hier van belang - het Hof de aanvrager zou hebben vrijgesproken van het tenlastegelegde indien het destijds bekend was geweest met die nieuwe gegevens. Een en ander geldt ook indien - zoals in het onderhavige geval - het College van Procureurs-Generaal na het onherroepelijk worden van de veroordeling een "oriënterend vooronderzoek" heeft doen instellen waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport. De stelling dat dit "oriënterend vooronderzoek" onvolledig is geweest en/of dat de onderzoekers onjuiste conclusies hebben getrokken uit hun bevindingen, kan op zichzelf geen grond voor herziening vormen. 6.5. Voorts kan het novum slechts een omstandigheid van feitelijke aard betreffen. Een mening, overtuiging of gevolgtrekking kan in het algemeen niet als een omstandigheid van feitelijke aard worden aangemerkt. Dat brengt mee dat het oordeel van een deskundige in beginsel - behoudens bijzondere omstandigheden - slechts dan als een novum kan gelden indien deze deskundige is uitgegaan van feiten en/of omstandigheden van feitelijke aard welke niet bekend waren dan wel niet geacht kunnen worden bekend te zijn geweest aan de rechter die de uitspraak heeft gewezen waarvan herziening wordt gevraagd. Daarbij verdient opmerking dat aan de omstandigheid dat de deskundige op wiens bevindingen de bewezenverklaring in belangrijke mate steunt, nadien tot een ander oordeel komt, in beginsel meer gewicht kan worden toegekend dan aan een - van die deskundige afwijkend - oordeel van een andere deskundige. 6.6. Op grond van art. 459 Sv moet de herzieningsaanvrage de bewijsmiddelen vermelden waaruit het novum kan blijken. De aanvrager kan dus niet volstaan met het aanvoeren van een novum met het doel dat de Hoge Raad daarnaar een nader onderzoek zal (doen) verrichten. Het is de aanvrager die tot op zekere hoogte aannemelijk moet maken dat en waarom de eerder oordelende rechter tot een vrijspraak zou zijn gekomen indien hij ten tijde van de behandeling van de strafzaak op de hoogte was geweest van hetgeen in de herzieningsaanvrage naar voren is gebracht." 17. Tegen de hiervoor geschetste achtergrond dienen de aangevoerde herzieningsgronden te worden beoordeeld. Bespreking van de aanvrage / de aangevoerde herzieningsgronden 18. De aanvrage beslaat 45 pagina's en doet een beroep op diverse omstandigheden die, naar wordt gesteld, op zichzelf dan wel in samenhang met elkaar het ernstige vermoeden wekken dat de aanvrager zou zijn vrijgesproken van het hem ten laste gelegde, dan wel het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zou zijn verklaard in de strafvervolging van de aanvrager terzake, indien het Hof bij het onderzoek van de zaak met deze gegevens bekend zou zijn geweest. Als bijlagen bij het herzieningsverzoek zijn gevoegd de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd, het rapport van de CEAS van december 2007 (als ik hierna over de CEAS spreek dan bedoel ik hiermee het driemanschap onder leiding van mr. Vermeulen dat dit rapport heeft uitgebracht), de reactie van het College van procureurs-generaal van 18 december 2007 op dit rapport, een aan de raadsman van de aanvrager gerichte brief van [getuige 1] van 4 juli 2007 behelzende een verslag van een gesprek met buren van het gezin van de aanvrager en een aan de raadsman van de aanvrager gerichte brief van prof. Crombag van 7 december 2005. 19. De raadsman brengt in het herzieningsverzoek tot uitdrukking dat dit voor een groot deel is gebaseerd op het onderzoeksrapport van 18 december 2007 van de CEAS. Bestudering van het herzieningsverzoek en dit rapport voert mij tot de conclusie dat het herzieningsverzoek vrijwel geheel steunt op dit rapport. Ik zal dit hierna nader verduidelijken. Het herzieningsverzoek werpt allereerst de vraag op of een rapportage van de CEAS, een ambtelijk advies- en onderzoekscommissie van het Openbaar Ministerie, als een novum kan gelden in de zin van art. 457, eerste lid sub 2, Sv en gaat vervolgens uit van zes herzieningsgronden, waarbij de vijfde herzieningsgrond vijf deelaspecten bevat. 20. De zes genoemde gronden houden - zeer verkort en zakelijk weergegeven - het volgende in: - De eerste grond is gebaseerd op de bevinding van de CEAS dat geen gericht recherche onderzoek is gedaan naar eventuele beïnvloeding van de slachtoffers bij het afleggen van de voor de aanvrager belastende verklaringen en naar diverse concrete relaties tussen hen. - De tweede grond bouwt verder op de bevinding van de CEAS dat er verschillen aan het licht zijn gebracht tussen de van de verhoren van de slachtoffers gemaakte video/geluidsbanden en de uitgewerkte verbatim-verslagen. - In de derde herzieningsgrond wordt aangevoerd dat uit een door de CEAS met de zaaksofficier gehouden interview blijkt dat de wijze waarop de zaaksofficier leiding heeft gegeven aan het opsporingsonderzoek het risico van te grote betrokkenheid en te weinig distantie heeft meegebracht. - De vierde herzieningsgrond gaat uit van de kennisneming door de CEAS van documenten waaruit blijkt dat na inlevering door het opsporingsteam van het opsporingsproces-verbaal van 11 april 2000 nog een aantal onderzoekshandelingen is verricht maar dat een deel van de resultaten daarvan zich niet in het procesdossier bevindt. - De vijfde herzieningsgrond is onderverdeeld in een vijftal deelaspecten die telkens berusten op bevindingen van de CEAS:
- a)Er is onvoldoende of te weinig onderzoek gedaan naar aanknopingspunten die de verdachten een alibi zouden kunnen verschaffen of de verklaringen van de slachtoffers zouden kunnen ondersteunen.
- b)Er had onderzoek kunnen plaatsvinden ter verificatie van aspecten die kleven aan de totstandkoming van de verklaring van slachtoffer C.
- c)Er kleven gebreken aan de wijze waarop de jeugdige slachtoffers zijn verhoord.
- d)De halfzus [betrokkene 4] heeft bij de totstandkoming van de eerste belastende verklaring van [slachtoffer 1] een zodanige rol gespeeld dat het Hof bij wetenschap daarvan deze verklaring van [slachtoffer 1] niet, althans niet zonder meer voor het bewijs zou hebben gebruikt.
- e)er is een aantal onderzoekshandelingen verricht met een negatief resultaat of met een resultaat dat voor het onderzoek niet van belang werd geacht terwijl voeging in het dossier van de resultaten van deze onderzoekshandelingen van belang waren voor de beeldvorming van de rechters. - Als zesde herzieningsgrond wordt aangevoerd dat het oordeel van de getuige-deskundige Lamers, hetwelk aan de bewijsredenering van het Hof ten grondslag ligt, onjuist althans onvolledig is. Hierbij wordt verwezen naar het aanvullend schrijven/rapport van prof. Crombag van 7 december 2005. 21. De als bijlage bij het herzieningsverzoek gevoegde aan de raadsman van de aanvrager gerichte brief van [getuige 1] van 4 juli 2007 behelzende een verslag van een gesprek met de buren van het gezin [van aanvrager] bevat geen gegevens die op zichzelf tot herziening zouden kunnen leiden. Het door Crombag in zijn op 16 juni 2008 ontvangen rapport van mei 2008 aan de orde gestelde onderwerp betreft de niet volledige weergave in het verbatim proces-verbaal van hetgeen de halfzuster van [slachtoffer 1] heeft gezegd tijdens het verhoor van [slachtoffer 1] op 8 oktober 1999. Echter deze problematiek is ook behandeld in het rapport van de CEAS. De aanvraag berust dus - ik herhaal het - vrijwel geheel op de bevindingen van de CEAS. 22. Hiervoor onder 15 en 16 heb ik de achtergrond weergegeven waartegen een herzieningsaanvraag moet worden beoordeeld. Als tegen deze achtergrond de bevindingen, de conclusies en het advies van de CEAS worden bezien, acht ik het volgende van belang. 23. Met betrekking tot de door het College van procureurs-generaal doorgeleide vraag van Crombag is de CEAS tot de conclusie gekomen dat er geen informatie aan de rechter is onthouden die mogelijk tot een ander oordeel had kunnen leiden doordat processen-verbaal van een aantal slachtoffers/getuigen geen deel uit hebben gemaakt van het procesdossier en dat evenmin is gebleken dat na de terechtzitting stukken aan het dossier zijn toegevoegd. 24. De bevindingen van de CEAS naar aanleiding van de vraag van Crombag kunnen derhalve naar mijn mening geen grond opleveren voor herziening. 25. De CEAS heeft, zoals onder 13 kan worden gelezen, de door het College van procureurs-generaal voorgelegde onderzoeksvraag verbreed tot de vraag "is aan de rechter relevante informatie onthouden die mogelijk tot een ander oordeel had kunnen leiden". Op deze vraag acht de CEAS zich niet in staat om een stellig antwoord te geven. Opgemerkt wordt dat het bijvoorbeeld niet uitgesloten is dat de Rechtbank of het Hof, wanneer meer informatie met betrekking tot de persoonlijkheid van de halfzus beschikbaar zou zijn geweest, ervan zou hebben afgezien haar verklaring voor het bewijs te gebruiken, maar dat dit allesbehalve zeker is. In § 8.3 stelt de CEAS het volgende vast: Het opsporingsonderzoek is op integere wijze en met grote inzet uitgevoerd. Op geen enkele wijze is gebleken van pogingen om informatie achter te houden. Op diverse punten had aanvullende informatie uit het onderzoek bij de stukken moeten worden gevoegd. Deze bevinding leidt echter niet tot het oordeel dat het rechterlijk oordeel waarschijnlijk wezenlijk anders had geluid, als die informatie wel bij de stukken was gevoegd. 26. De hiervoor bedoelde bevindingen van de CEAS zijn dan ook niet aan te merken als omstandigheden die het ernstige vermoeden in zin van art. 457, eerste lid onder 2, Sv doen ontstaan dat het Hof tot een ander oordeel zou zijn gekomen indien deze bekend waren geweest. Ook voor de bevindingen van de CEAS naar aanleiding van de verbrede onderzoeksvraag geldt derhalve naar mijn mening dat deze geen grond kunnen opleveren voor herziening. 27. Na tot de hiervoor genoemde bevindingen en conclusies te zijn gekomen, heeft de CEAS in haar rapport tot uitdrukking gebracht dat zij gelet op de zware kritiek van alle betrokken deskundigen op de kwaliteit van de verhoren er niet om heen kan de "bange vraag" onder ogen te zien of de veroordeelden wellicht onschuldig zijn aan bewezenverklaarde feiten. Als gevolg daarvan is een zekere spanning ontstaan tussen de rechterlijke uitspraken in deze zaak en de opvattingen van de CEAS. 28. Ik zal nu de in het herzieningsverzoek aangevoerde herzieningsgronden specifiek bespreken. Voorts zal ik aandacht schenken aan het arrest van het Hof tegen de achtergrond van de door de CEAS onder ogen geziene "bange vraag" of de veroordeelden wellicht onschuldig zijn aan bewezenverklaarde feiten. 29. De aanvrager meent dat het rapport van de CEAS, een ambtelijke advies- en onderzoekscommissie van het Openbaar Ministerie, nu dat zodanige twijfel naar voren brengt over de juistheid van de veroordeling, op zich als een novum kan gelden in de zin van art. 457, eerste lid onder 2, Sv. De conclusies van de CEAS moeten volgens de aanvrager worden beschouwd als een oordeel in feitelijke zin c.q. een oordeel gebaseerd op nieuwe feitelijke gegevens die binnen het kader van het begrip novum grondslag kunnen vormen voor een verzoek tot herziening. Bovendien kan, omdat de CEAS een intern orgaan is van het OM, worden betoogd dat het oordeel van het driemanschap het ernstige vermoeden in de zin van art 457 Sv wekt dat, als het Hof Arnhem destijds bekend was met het gegeven dat het Openbaar Ministerie zelf van mening was dat het een fragiele zaak vervolgde, dit Hof tot een ander oordeel was gekomen. 30. Hierover kan ik kort zijn. Ik verwijs naar hetgeen ik hiervoor onder 15 en 16 heb opgemerkt over het buitengewone rechtsmiddel herziening. Een rapport van de CEAS vormt op zich niet een omstandigheid van feitelijke aard die het ernstig vermoeden wekt dat ware deze bekend geweest bij het onderzoek ter terechtzitting zou hebben geleid tot een ander oordeel van de strafrechter. Wel kan de inhoud van een zodanige rapportage een novum in de zin van art. 457 Sv opleveren. Daarvan is - zoals ik hiervoor onder 23 tot en met 26 heb uiteengezet - in deze zaak geen sprake. Of de CEAS kan worden aangemerkt als een orgaan van het OM, wil ik hier in het midden laten. Wel ben ik van mening dat de enkele mening of overtuiging van de CEAS dat de feitelijke basis van de veroordelende uitspraken fragiel is, niet kan worden aangemerkt als een novum.
(6)- De in de aanvrage als eerste novum gepresenteerde omstandigheid heeft betrekking op de beïnvloeding van de, in het kader van het [A]2-onderzoek, afgelegde belastende verklaringen jegens de aanvrager. Gebleken is dat geen gericht rechercheonderzoek is gedaan naar eventuele beïnvloeding en dat er diverse concrete relaties tussen de vermeende slachtoffers bestaan. Dit laatste kan onder meer worden vastgesteld op grond van een aantal politiejournaals die niet in het strafdossier blijken te zijn gevoegd, die nieuwe info bevatten over de wijze en mate van beïnvloeding van getuigen, en op grond van een nieuwe getuigenverklaring (als productie 4 gehecht aan de herzieningsaanvrage). De aanvrager is, met het driemanschap, van oordeel dat niet is uit te sluiten dat onderlinge beïnvloeding van slachtoffers in dit opsporingsonderzoek een grote rol heeft gespeeld en dat het Hof aan de hand van deze nieuwe gegevens wellicht aanleiding zou hebben gehad om anders te oordelen over de mate van aannemelijk gemaakt zijn van de betreffende beïnvloeding van de getuigen.
- Ik wijs er allereerst op dat de omstandigheid dat niet is uit te sluiten dat onderlinge beïnvloeding van slachtoffers in dit opsporingsonderzoek een grote rol heeft gespeeld en dat het Hof aan de hand van deze nieuwe gegevens wellicht aanleiding zou hebben gehad om anders te oordelen over de mate van aannemelijk gemaakt zijn van de betreffende beïnvloeding van getuigen, niet kan worden aangemerkt als een omstandigheid in de zin van art. 457 Sv die ware deze bekend geweest het ernstige vermoeden wekt dat de strafrechter anders zou hebben geoordeeld.
- De als productie 4 bij de aanvrage gevoegde aan de raadsman van de aanvrager gerichte brief van [getuige 1] van 4 juli 2007 behelst een verslag van een op die datum gevoerd gesprek van [getuige 1] met [betrokkene 13 en 17], buren van de familie [van aanvrager]. Het verslag bevat positieve meningen van de dochter over [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en mededelingen van haar kant over de bejegening door de politie die haar aanvankelijk als verdachte en later als slachtoffer had aangeduid. De dochter vermeldt dat zij na de verhoren bang was geworden. De moeder beschrijft een politie-inval bij haar thuis en vermeldt dat zij daardoor doodsbang waren. Het verslag bevat echter geen enkele feitelijkheid die als nieuwe omstandigheid in de zin van art. 457 Sv in de zaak van de aanvrager dient te worden aangemerkt.
- Een aantal aspecten van mogelijke beïnvloeding van slachtoffers hebben deel uitgemaakt van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en waren derhalve aan de rechter bekend. Het Hof heeft immers een in hoger beroep gevoerd verweer als volgt weergegeven en verworpen: "Namens verdachte is betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Hiertoe is aangevoerd dat: (...) c. de verklaringen afgelegd in deze strafzaken zijn beïnvloed door de publiciteit die de strafzaken "[aanvrager] I", zijnde de strafzaken tegen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1], teweeg hebben gebracht, waardoor niet meer te achterhalen is wat getuigen uit eigen wetenschap hebben verklaard, terwijl deze publiciteit mede door het optreden van politie en justitie is veroorzaakt; (...) Het hof oordeelt over een en anders als volgt. (...) Ten aanzien van het onder c gevoerde verweer stelt het hof voorop dat in strafzaken als de onderhavige (een zedenzaak met een groot aantal jonge) slachtoffers), niet is te voorkomen dat nadat de delicten in de openbaarheid zijn gekomen ten aanzien van slachtoffers en/of getuigen die naar aanleiding van publicaties over deze strafzaak aangifte doen of een verklaring afleggen, de mogelijkheid van beïnvloeding door deze publiciteit bestaat. Voorts hebben politie en justitie zowel bij het onderzoek in "[aanvrager] 1", de strafzaken tegen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1], als bij het onderzoek in de zaken tegen verdachte en zijn medeverdachten, naast het opsporingsonderzoek, onder meer door samenwerking met hulpverleners en door voorlichting op scholen, ook aandacht besteed aan de ernstige gevolgen die seksueel misbruik kan hebben voor de slachtoffers van dit misbruik. Het hof erkent dat bij deze werkwijze een belangenafweging is gemaakt tussen enerzijds het belang dat de verdachten hebben bij het achterwege blijven van beïnvloeding van mogelijke getuigen en/of slachtoffers en anderzijds de belangen die de kwetsbare, jeugdige slachtoffers en hun ouders hebben bij tijdige hulpverlening. Naar het oordeel van het hof is niet aannemelijk geworden dat als gevolg van voormelde belangenafweging sprake is geweest van een onaanvaardbare relevante beïnvloeding van verklaringen van getuigen en slachtoffers. (...)
- De eerste herzieningsgrond kan niet tot herziening leiden.
- De in de aanvrage als tweede novum gepresenteerde omstandigheid houdt in dat er substantiële verschillen aan het licht zijn gebracht tussen de video/geluidsbanden, inhoudende de verhoren van de vermeende slachtoffers, en de uitgewerkte verbatim-verslagen. Als punt van kritiek is in de aanvrage nog geuit, dat het Hof geen kennis heeft genomen van de video/geluidsbanden van de verhoren en daardoor een onjuist beeld van de verhoren heeft verkregen, immers: "door het niet meekrijgen van non-verbaal gedrag en intonatie van de gegeven antwoorden gaat veel voor de interpretatie van de verklaring van belang zijnde info verloren", aldus de aanvrager.
- Aan de aanvrager kan worden toegegeven dat het door de rechter zelf waarnemen van video/geluidsbanden van de verhoren van slachtoffers meerwaarde heeft. Aan de beslissing om dit achterwege te laten liggen vaak overwegingen van praktische aard ten grondslag. Het is echter naar mijn mening niet onmogelijk om de afgelegde verklaringen te interpreteren zonder kennisneming van de video/geluidsbanden, zeker als daarbij gebruikt gemaakt wordt van de mening van deskundigen die deze banden wel hebben waargenomen. Waar het in het kader van deze zaak om gaat is of de aangevoerde kritiek een novum oplevert in de zin van art. 457 Sv. Dat is niet het geval. De stelling dat er sprake is van substantiële verschillen tussen de van de verhoren gemaakte video/geluidbanden en de uitgewerkte verbatim-verslagen, vindt geen steun in het rapport van de CEAS. Bovendien was de omstandigheid dat er sprake is van verschillen bekend aan de rechter en heeft deze deel uitgemaakt van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep. Het Hof heeft daarover als volgt geoordeeld: "Namens verdachte is betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Hiertoe is aangevoerd dat: (...) e. dat de verhoren onjuist zijn weergegeven nu er verschillen bestaan tussen de banden van de verhoren, de verbatim-verslagen van deze verhoren en de samenvatting van deze verhoren. (...) Het hof oordeelt over een en anders als volgt. (...) Ten aanzien van het onder e gevoerde verweer is het hof gebleken dat er verschillen bestaan tussen de weergave van verklaringen in processen-verbaal, de transcripties in de verbatim-verslagen en de bandopnamen van de verhoren, maar naar het oordeel van het hof zijn deze verschillen niet zodanig van omvang of aard dat de processen-verbaal die in deze strafzaak zijn opgemaakt daarom niet voor het bewijs zijn te gebruiken. Voorts is niet aannemelijk geworden dat politie of justitie doelbewust onjuistheden in de processen-verbaal hebben (doen) opnemen teneinde de rechter verkeerd in te lichten en/of bewijsmateriaal tegen de verdachten te "produceren". (...)
- De als tweede herzieningsgrond aangevoerde omstandigheid kan evenmin tot herziening leiden.
- In de aanvrage wordt als derde herzieningsgrond het volgende aangevoerd. De CEAS heeft de zaaksofficier een interview afgenomen omtrent de rol van het Openbaar Ministerie tijdens het opsporingsonderzoek. Geconstateerd wordt dat de wijze waarop de zaaksofficier leiding heeft gegeven aan het opsporingsonderzoek het risico van te grote betrokkenheid en te weinig distantie met zich heeft meegebracht. Als aan het Hof destijds bekend was geweest dat vanuit het Openbaar Ministerie zelf zou zijn erkend dat er sprake was van een te grote betrokkenheid en dat te weinig distantie van de zijde van het Openbaar Ministerie was betracht gedurende het opsporingsonderzoek, zou dit zeker een reden kunnen zijn geweest om de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging ter discussie te stellen.
- Hierover wil ik kort zijn. Het lijkt mij evident dat de constatering dat de wijze waarop de zaaksofficier leiding heeft gegeven aan het opsporingsonderzoek het risico van te grote betrokkenheid en te weinig distantie heeft meegebracht, niet het ernstige vermoeden kan wekken dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk zou zijn verklaard indien het Hof hiermee bekend was geweest. Terzijde wil ik er in dit verband nog wel op wijzen dat de CEAS in haar rapport ook tot uitdrukking heeft gebracht dat het opsporingsonderzoek op integere wijze en met grote inzet is uitgevoerd.
- Ook de als derde herzieningsgrond aangevoerde omstandigheid kan niet tot herziening leiden.
- De vierde herzieningsgrond en het vijfde deelaspect van de vijfde herzieningsgrond lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
- De vierde herzieningsgrond heeft betrekking op de verrichte onderzoeksactiviteiten na overdracht van het proces-verbaal aan het Openbaar Ministerie. Na inlevering van het proces-verbaal op 11 april 2000 zijn door het onderzoeksteam nog een aantal onderzoekshandelingen verricht waarvan een deel zich niet bij het procesdossier bevond. Zo zijn er bijvoorbeeld verscheidene opsporingshandelingen verricht met betrekking tot de halfzus [betrokkene 4] en op 30 januari 2001 zijn nog twee meisjes, leerlingen van dezelfde school voor moeilijk lerende kinderen als waarop [slachtoffer 2] heeft gezeten, in de studio gehoord. De CEAS heeft kennis genomen van deze documenten en merkt op dat zij met betrekking tot de verdachten geen aanvullende informatie bevat, die het vermoeden van seksueel misbruik door de drie verdachten jegens [slachtoffer 1] of [slachtoffer 2] of andere kinderen ondersteunt. De conclusie die in de aanvrage aan het vorenstaande wordt verbonden, is dat dit niet-belastend onderzoeksmateriaal het Hof tot een ander oordeel had kunnen brengen, althans de overtuiging van het Hof had kunnen veranderen.
- Het vijfde deelaspect van de vijfde herzieningsgrond houdt het volgende in. Er is een aantal onderzoekshandelingen verricht met hetzij een negatief resultaat, hetzij een resultaat dat voor het onderzoek niet van belang werd geacht, maar zij waren naar de mening van de CEAS wel degelijk van belang voor de beeldvorming van de feitenrechters. Vervolgens worden de volgende vier onderzoekshandelingen besproken. Het onderzoeksteam heeft destijds geconcludeerd dat er geen extreme uitgaven hebben plaatsgevonden en voorts is ook het bestaan van andere bankrekeningen niet gebleken. Ook heeft het onderzoeksteam destijds onderzoek gedaan naar het mogelijk huren van pornovideobanden door verzoeker en oom. Het resultaat was negatief. Daarnaast hebben vader, moeder en oom consequent getuigd van hun onschuld in diverse tapgesprekken, waarbij door de oom zelfs concrete voorbeelden zijn genoemd waarmee hij zijn onschuld heeft gepoogd aan te tonen. Tot slot is er een buurtonderzoek gehouden door de politie op 3 en 4 februari 2000 en dat heeft geen informatie opgeleverd over het mogelijk seksueel misbruik in de woning van oom "die voor het team van belang was". De desbetreffende politiejournaals en tapverslagen bevinden zich niet in het dossier. Vorenstaande gegevens zijn niet alleen nieuw, maar wettigen, aldus de aanvrager, ook het "ernstig vermoeden".
- De in deze herzieningsgronden aan de orde gestelde punten raken de vraag welke eisen dienen te worden gesteld aan de inhoud van een strafdossier. Of anders gezegd: dienen alle op opsporingsonderzoekactiviteiten betrekking hebbende documenten - alsnog - door het Openbaar Ministerie in het strafdossier te worden gevoegd of kan voeging achterwege blijven als het niet van belang zijnde stukken betreft. Indien van het laatste wordt uitgegaan rijst de vraag wanneer een document niet van belang is en aan de hand van welke criteria de selectie van stukken dient plaats te vinden. Hierover bestaat nog niet in alle opzichten de gewenste duidelijkheid. Terecht heeft het College van procureurs-generaal dan ook naar aanleiding van het rapport van de CEAS besloten het Wetenschappelijk Bureau van het OM opdracht te geven advies uit te brengen over de aan een inhoud van een dossier te stellen eisen.
- Hoe dit ook zij, in deze zaak is men kennelijk van mening geweest dat de hiervoor onder 43 en 44 bedoelde documenten niet van belang waren. In het kader van deze herzieningsprocedure rijst dan de vraag of kennisneming van deze documenten de rechter tot een ander oordeel zou hebben gebracht. De CEAS heeft bevonden dat op diverse punten aanvullende informatie uit het onderzoek bij de stukken had moeten worden gevoegd, maar heeft als haar mening tot uitdrukking gebracht dat deze bevinding niet leidt tot het oordeel dat het rechterlijk oordeel waarschijnlijk wezenlijk anders had geluid. Ik ben het op dit punt eens met de CEAS.
- De onder 43 bedoelde documenten hebben betrekking op de halfzus [betrokkene 4] en op een tweetal schoolgenoten van [slachtoffer 2]. De inhoud ondersteunt niet het vermoeden van seksueel misbruik door onder andere de aanvrager jegens [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] of andere kinderen. Dat betekent echter niet, mede gelet op het feit dat [betrokkene 4] ter terechtzitting als getuige is gehoord, dat deze informatie het ernstige vermoeden wekt dat de verdachte zou zijn vrijgesproken indien het Hof daarvan kennis had gehad.
- De onder 44 bedoelde documenten hebben betrekking op het feit dat niet is gebleken dat door de aanvrager en de medeverdachten extreme uitgaven zijn gedaan en dat evenmin is gebleken van het bestaan van bankrekeningen, dat het resultaat van het onderzoek naar het mogelijk huren van pornovideobanden door de aanvrager en de oom negatief was, dat de aanvrager en zijn echtgenote alsmede de oom in diverse tapgesprekken consequent hebben getuigd van hun onschuld en dat een buurtonderzoek geen informatie heeft opgeleverd over mogelijk seksueel misbruik in de woning van de oom. Ook de inhoud van deze documenten kan naar mijn mening niet het ernstig vermoeden wekken dat de aanvrager zou zijn vrijgesproken indien het Hof met de resultaten van deze onderzoekshandelingen bekend was geweest. Het Hof is er bij zijn oordeelsvorming immers al vanuit gegaan dat er op deze punten geen voor de aanvrager belastend bewijsmateriaal bestond aangezien het dossier daarover niets bevatte.
- Bij gelegenheid van de mondelinge toelichting op het herzieningsverzoek op 22 april 2008 heeft de raadsman van de aanvrager in dit verband nog betoogd dat nu het hiervoor onder 43 en 44 bedoelde ontlastende materiaal welbewust is achtergehouden, de aanvrager bij het Hof geen eerlijk proces heeft gehad in de zin van art. 6, eerste en derde lid, EVRM. Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat een dergelijk verzuim leidt tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting. Aangevoerd wordt dat de bedoelde stukken niet alleen sec als nieuwe feiten zijn te beschouwen, maar ook dat het onthouden van ontlastend materiaal aan het strafdossier thans voor aanvrager een nieuw verweer vormt, wat een novum is. Immers, een onregelmatigheid bij de bewijsgaring kan onder het bereik van de herziening vallen.
- Het beroep dat de aanvrager doet op schending van het recht op een eerlijk proces zoals gegarandeerd in art. 6, eerste en derde lid, EVRM versta ik aldus dat de aanvrager betoogt dat er nieuwe omstandigheden zijn gebleken die het ernstige vermoeden doen ontstaan dat het onderzoek der zaak zou hebben geleid tot niet ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie als deze omstandigheden aan het Hof bekend waren geweest. Het gaat - zoals ik hiervoor onder 47 en 48 heb uiteengezet - om informatie die niet het ernstig vermoeden wekt dat de aanvrager zou zijn vrijgesproken indien het Hof daarmee bekend was geweest. De aanvrage vermeldt geen enkele bewijsmiddel waaruit kan blijken dat welbewust ontlastend materiaal aan de aanvrager is achtergehouden. Tijdens de mondelinge toelichting is daarnaar ook niet verwezen. Het rapport van de CEAS vormt daarvoor ook geen grondslag. Integendeel in § 8.3 stelt de CEAS vast dat het opsporingsonderzoek op integere wijze en met grote inzet is uitgevoerd. Op geen enkele wijze is gebleken van pogingen om informatie achter te houden.
- De vierde herzieningsgrond en het vijfde deelaspect van de vijfde herzieningsgrond kunnen niet tot herziening leiden.
- De vijfde herzieningsgrond is onderverdeeld in een vijftal deelaspecten, die volgens de aanvrager ieder voor zich als een zelfstandig novum zijn aan te merken en betreft niet in het strafdossier opgenomen voor de aanvrager ontlastende informatie.
- In het eerste deelaspect wordt, overeenkomstig het oordeel van de CEAS, aangevoerd dat er naar de informatie met betrekking tot slachtoffers, verdachten en pleegplaatsen, onvoldoende of te weinig diepgaand onderzoek is gedaan. Zo is uit de verklaringen van de slachtoffers niet op te maken op welke datum en tijd het seksueel misbruik heeft plaatsgevonden. Uit het voorgelegde dossier is niet op te maken of gericht rechercheonderzoek is gedaan naar bijvoorbeeld een mogelijk alibi van de verdachten in de betreffende periode, naar details die de slachtoffers hebben verteld over de verschillende pleegplaatsen en/of naar andere aanknopingspunten die de verklaringen van de slachtoffers zouden kunnen ondersteunen. Vaststaat dat geen uitgebreid technisch sporenonderzoek is gedaan in de woning of de auto van de oom.
- De vraag of er onvoldoende of te weinig diepgaand onderzoek is gedaan naar bijvoorbeeld een alibi voor de aanvrager of naar aanknopingspunten die de verklaringen van de slachtoffers zouden kunnen ondersteunen, wil ik in het midden laten. Of zodanig onderzoek mogelijk is en tot resultaten kan leiden hangt af van veel omstandigheden. Ik noem het tijdsverloop sinds het plaatsvinden van de voorvallen, niet voldoende precieze aanduidingen van tijd en plaats door de slachtoffers, de leeftijd, het geheugen en de kwetsbaarheid van mogelijke getuigen, de beschikbaarheid van technische sporen, de beschikbare mankracht en tijd enz. Met de CEAS ben ik van mening dat er sprake is geweest van een zeer complexe, gevoelige en met het oog op de waarheidsvinding lastige zaak en dat men bij het politiële en justitiële onderzoek heeft gestreefd naar transparantie en geen relevante informatie heeft willen achterhouden. Ik constateer verder dat er sprake is geweest van een omvangrijk opsporingsonderzoek. Het van het Hof ontvangen dossier bestaat uit 11 ordners en 2 ordners met verslagen van in opdracht van het Hof uitgewerkte verhoren.
- Voor de beoordeling van de aanvrage tot herziening op dit punt is het volgende van belang. De enkele omstandigheid dat het voorbereidend onderzoek niet volledig zou zijn geweest levert geen grond op voor herziening.
(7)De aanvrage kan dan ook in zoverre niet tot herziening leiden.
- Het tweede deelaspect betreft de bevinding van de CEAS dat er destijds onderzoek had kunnen plaatsvinden "ter objectieve verificatie" van de aspecten die kleven aan de totstandkoming van de belastende verklaring van vermeend slachtoffer C. (met slachtoffer C. wordt bedoeld [slachtoffer 3], C. is de aanduiding van het zakendossier dat op hem betrekking heeft, Sch). Benadrukt wordt dat de belastende verklaring van C. van 20 oktober 1999 voor het bewijs is gebruikt en in het bijzonder van belang is geweest voor de bewijsredenering van het Hof, omdat deze verklaring, tezamen met de aangifte van [slachtoffer 1] van 8 oktober 1999, alsmede de verklaring van E. (met E. wordt bedoeld slachtoffer [slachtoffer 4], E. is de aanduiding van het zakendossier dat op haar betrekking heeft, Sch), de aanzet heeft gegeven tot het verhoren van andere kinderen over de vermeende rol van de aanvrager. Hierbij wordt onder meer aangevoerd dat er sterke aanwijzingen zijn gevonden dat de oom en C. elkaar niet hebben gekend zodat beschuldigingen van C. wel eens onjuist kunnen zijn.
- Ook voor dit deelaspect geldt dat de enkele omstandigheid dat het voorbereidend onderzoek niet volledig zou zijn geweest geen grond oplevert voor herziening. Reeds daarom kan de aanvrage op dit punt niet tot herziening leiden. Daarnaast wil ik er wel op wijzen dat het Hof blijkens de gebezigde bewijsmiddelen - hiervoor onder 6 sub 17 tot en met 24 weergegeven - heeft vastgesteld dat slachtoffer [slachtoffer 3] de woning van de oom heeft aangewezen aan zijn vader en dat de auto die hij herkende als de auto waarmee hij naar zijn zeggen naar het huis van de oom is vervoerd, daadwerkelijk van de oom bleek te zijn.
- In het derde deelaspect wordt betoogd dat de onderliggende verhoren niet in het teken van waarheidsvinding, maar van hulpverlening stonden. Het is de vraag of de rechter er zich voldoende van bewust is geweest waarom niet alle studioverhoren conform het geldende Protocol Studieverhoren zijn afgenomen. Met name het feit dat de studioverhoren het accent hebben gekregen van hulpverleningsverhoren en niet van juridische verhoren ten behoeve van de waarheidsvinding, leidt ertoe dat de betrouwbaarheid van de verhoren aan kracht heeft ingeboet. Bovendien heeft men zich tweemaal niet gehouden aan de hoofdregel dat een strafrechtelijk studioverhoor in beginsel eenmaal plaatsvindt. Betoogd wordt dat sprake is van toepassing van onjuiste methodiek daar waar het gaat om het verhoren van de kinderen. De bewijsconstructie is in belangrijke mate gebaseerd op de verklaringen van kinderen en het Hof is van de aanname uitgegaan dat deze verhoren hebben plaatsgevonden in het kader van de waarheidsvinding. Nu dit niet zo blijkt te zijn, heeft dit uiteraard consequenties voor de bewijsredenering van het Hof.
- In dit deelaspect wordt de kwaliteit van de studioverhoren aan de orde gesteld. Hierover is in de strafzaak zowel in eerste aanleg als in hoger beroep uitvoerig gedebatteerd. Uiteraard is de weging van de wijze waarop deze verhoren hebben plaatsgehad, van het grootste belang voor de door de strafrechter te nemen beslissingen. Echter - ik herhaal het - de bedoeling van de herzieningsregeling is niet om het strafproces bij de Hoge Raad nog eens over te kunnen doen en een veroordeling, die reeds onherroepelijk is, nog eens ter discussie te stellen indien er niet sprake is van een novum.
- Dat de kwaliteit van de studioverhoren uitvoerig aan de orde is geweest blijkt onder meer uit het volgende. De door de rechter-commissaris benoemde deskundige drs. H.J. Emmelkamp, psycholoog, heeft onderzoeken ingesteld naar de geloofwaardigheid van de verklaringen zoals deze op videoband zijn opgenomen van [slachtoffer 3], [slachtoffer 4], [betrokkene 18], [slachtoffer 6], [slachtoffer 5], [betrokkene 17] en [slachtoffer 7]. Van deze onderzoeken zijn op data in de maand maart 2000 telkens verslagen opgemaakt, die zich bij de stukken bevinden en in beide instanties onderwerp van bespreking zijn geweest. Hetzelfde geldt voor het onder verantwoordelijkheid van prof. Crombag uitgebrachte rapport van de Universiteit van Maastricht van 31 januari
- Over de wijze waarop de verhoren hebben plaatsgehad zijn N.M. Nierop en C. Schippers als getuige-deskundigen in hoger beroep gehoord. Beiden waren werkzaam als gedragsdeskundigen bij de Afdeling moord- en zedenzaken van het Korps Landelijke Politiediensten. In die hoedanigheid zijn zij eind oktober 1999 benaderd om bijstand te verlenen aan het [A]-team. In het kader daarvan hebben zij een kritisch CRI-rapport gedateerd 7 januari 2000 uitgebracht inhoudende een verhooradvies met betrekking tot de [aanvrager]-zaak. Verder heeft ter terechtzitting in hoger beroep de getuige-deskundige F. Lamers-Winkelman, orthopedagoge en wetenschappelijk onderzoekster werkzaam bij de Vrije Universiteit, een verklaring afgelegd over het verhoren van kinderen. Ook Emmelkamp en Crombag zijn bij de behandeling in hoger beroep als getuige-deskundigen gehoord over de wijze van verhoren.
- Het Hof heeft met zoveel woorden geoordeeld - zoals hiervoor onder 34 is weergegeven - dat er een belangenafweging is gemaakt tussen enerzijds het belang dat de verdachten hebben bij het achterwege blijven van beïnvloeding van mogelijke getuigen en/of slachtoffers en anderzijds de belangen die de kwetsbare, jeugdige slachtoffers en hun ouders hebben bij tijdige hulpverlening, maar dat niet aannemelijk is geworden dat als gevolg daarvan sprake is geweest van een onaanvaardbare relevante beïnvloeding.
- Kortom het lijkt mij evident dat er wat dit deelaspect betreft geen sprake is van een nieuwe omstandigheid van feitelijke aard. Voor zover de aanvrager er tevens over bedoelt te klagen dat de wijze van verhoren in strijd is geweest met de van kracht zijnde regelgeving is nog het volgende van belang. Een eventueel verkeerde toepassing van het recht is geen grond voor herziening. Daarover had bij de berechting in feitelijke instantie en in cassatie kunnen worden geklaagd.
- Het vierde deelaspect houdt in dat er nieuw bewijs is dat onomstotelijk aantoont dat de rol van de halfzus bij de totstandkoming van de eerste belastende verklaring van [slachtoffer 1] jegens de aanvrager dusdanig is geweest dat deze afgelegde verklaring nauwelijks nog als betrouwbaar, alsmede authentiek, valt te kwalificeren. Dit kan worden vastgesteld op grond van nieuw bewijsmateriaal dat niet bij het Hof bekend was, te weten een politiejournaal van het onderzoeksteam, dat geen deel uitmaakt van het procesdossier, alsmede de brieven van 16 juli 1999 en 8 november 1999 van de maatschappelijk werkster, die een gesprek heeft gehad met halfzus [betrokkene 4]. De brief van 16 juli 1999 toont aan dat de halfzus een persoonlijkheidstoornis heeft. Dit in aanmerking genomen en gelet op de veel prominentere rol van de halfzus, was het Hof bij wetenschap hiervan in ieder geval wat [slachtoffer 1] betreft tot een andere bewezenverklaring gekomen. Voorts wordt hierbij nog als een nieuw gegeven aangevoerd dat de verbatim-uitwerking van het verhoor van [slachtoffer 1] op 8 oktober 1999, waar naast halfzus [betrokkene 4] ook de maatschappelijk werkster [betrokkene 3] en een medewerkster van de jeugdinrichting waar [slachtoffer 1] verbleef aanwezig waren, geen volledige weergave is van hetgeen op audioband is opgenomen. Met name de - vijf pagina's tellende - inbreng van de halfzus tijdens dit verhoor is weggelaten in de verbatim-uitwerking. Hierover beschikte de rechter niet volgens de CEAS. Dat de rol van de halfzus niet slechts ondersteunend is geweest, maar sturend waarbij de nodige druk is uitgeoefend, zou evident zijn. Daarna wordt nog de betrouwbaarheid van de halfzus aan de orde gesteld aan de hand van niet in het dossier opgenomen stukken, te weten een brief van 1 december 2000 en door haar gevoerde telefoongesprekken, onder meer een telefonisch gesprek tussen de halfzus en haar man op 5 november
- Voornoemde stukken zouden de betrouwbaarheid van de halfzus aantasten. Tot slot is sprake van strijdigheid met de Aanwijzing opsporing seksueel misbruik, nu de halfzus reeds op 16 juni 1999 als getuige was gehoord en zij voorts is gehoord bij het Hof ter terechtzitting van 6 februari
- Bij gelegenheid van de mondelinge toelichting op het herzieningsverzoek op 22 april 2008 heeft de raadsman van de aanvrager verwezen naar het nog in te zenden nadere rapport van prof. Crombag inzake de rol van halfzus [betrokkene 4] bij de totstandkoming van de eerste belastende verklaring van [slachtoffer 1]. Dit rapport van mei 2008 is binnengekomen ter griffie van de Hoge Raad op 16 juni
- Dit nieuwste rapport heeft naar het oordeel van de aanvrager als novum te gelden. Betoogd wordt dat uit nadere analyse van de transcripties thans een veel grotere invloed van de halfzus op de authenticiteit volgt. Het door Crombag destijds geschetste tweede scenario is, in ieder geval ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verhoren van [slachtoffer 1], nog waarschijnlijker geworden.
- De halfzus [betrokkene 4] is op 14 november 2000 als getuige ter terechtzitting in eerste aanleg gehoord. Blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal heeft zij aldaar ook verklaard over de gang van zaken tijdens de aangifte van [slachtoffer 1] op 8 oktober
- Ter terechtzitting in hoger beroep op 29 oktober 2001 is de maatschappelijk werkster [betrokkene 3] als getuige gehoord. Deze heeft blijkens het van die terechtzitting opgemaakte proces-verbaal verklaard dat zij op verzoek van de halfzus [betrokkene 4] op 8 oktober 1999 bij de aangifte van [slachtoffer 1] aanwezig is geweest en heeft verder een verklaring afgelegd over de gang van zaken tijdens de aangifte. Onder meer heeft zij verklaard dat [slachtoffer 1] en [betrokkene 4] tijdens die aangifte met elkaar hebben gesproken. [Betrokkene 4] is ter terechtzitting in hoger beroep op 6 februari 2002 zelf als getuige gehoord. Zij heeft blijkens het van die terechtzitting opgemaakte proces-verbaal aldaar onder meer verklaard dat de politie haar heeft gevraagd bij het verhoor van [slachtoffer 1] aanwezig te zijn. Rechtbank en Hof waren derhalve op de hoogte van de aanwezigheid van de halfzus bij de aangifte van [slachtoffer 1] en hebben haar daarover tijdens het onderzoek ter terechtzitting vragen kunnen stellen en hebben zich door eigen waarneming een oordeel over haar kunnen vormen. De aanwezigheid van [betrokkene 4] tijdens de aangifte van [slachtoffer 1] op 8 oktober 1999 is dan ook niet als een nieuwe omstandigheid van feitelijke aard aan te merken.
- In de brief van de maatschappelijk werkster van 16 juli 1999 wordt [betrokkene 4] omschreven als - kort gezegd - een ernstige en getraumatiseerde jonge vrouw die pathologische situaties in haar leven verdraait om maar te kunnen overleven. De brief van de maatschappelijk werkster van 8 november 1999 gericht aan de politie Enschede houdt onder meer in dat zij van één van de rechercheurs van het onderzoeksteam het verzoek had gekregen een bezoek van [betrokkene 4] aan [slachtoffer 1] voor te bereiden.
- De inhoud van de brieven van 16 juli en 8 november 1999 wekken mede gelet op het feit dat het Hof op grond van eigen waarneming ter terechtzitting in hoger beroep een oordeel over [betrokkene 4] heeft kunnen vormen, niet het ernstig vermoeden dat de aanvrager zou zijn vrijgesproken indien het Hof hiervan op de hoogte zou zijn geweest.
- De telefoongesprekken waarop de aanvrager doelt betreft allereerst een gesprek tussen een man en [betrokkene 4] waarin laatstgenoemde aangeeft bang te zijn dat zij opgepakt gaat worden voor haar weedplantage op het adres L. De man wordt dan boos omdat zij heeft verteld dat deze weedplantage van haar vader was. [Betrokkene 4] geeft hierop aan dat vader dat verdiend heeft omdat hij haar wilde laten opdraaien voor iets van zes jaar geleden. Daarnaast heeft [betrokkene 4] op 5 november 2000 telefoongesprekken gevoerd waarin zij te kennen geeft een miskraam te hebben gehad, terwijl zij met de hiervoor bedoelde man een gesprek voert waaruit blijkt dat dit niet het geval is.
- Deze telefoongesprekken hebben met deze zaak geen verband. De aanvrager voert aan dat de rechter niet mede op basis van stukken waaruit deze informatie blijkt een inschatting heeft kunnen maken van de betrouwbaarheid van [betrokkene 4] al