ECLI:NL:PHR:2009:BG4017
Zaaknr. C07/174HR Mr. Huydecoper Zitting van 7 november 2008 Conclusie inzake [Eiseres] eiseres tot cassatie tegen de Woningbouwvereniging Beter Wonen Patrimonium verweerster in cassatie Feiten en procesverloop 1. De eiseres tot cassatie, [eiseres], heeft vanaf 1981 ruimte gehuurd van (de rechtsvoorgangster van) de verweerster in cassatie, Beter Wonen. Het ging om huur van bedrijfsruimte als bedoeld in art. 7:290 lid 2 BW(1) (namelijk: om een garagebedrijf).
Beter Wonen heeft de huurovereenkomst opgezegd. Zij beriep zich er onder meer op dat zij de verhuurde ruimte dringend nodig had voor eigen gebruik, bestaande uit sloop ten dienste van de realisatie van een woningcomplex. [Eiseres] heeft niet met de beëindiging van de huurovereenkomst ingestemd.
Bespreking van het cassatiemiddel 6. Het resterende cassatiemiddel, oorspronkelijk aangevoerd als onderdeel 3, betreft de verwerping, door het hof, van het namens [eiseres] gedane beroep op art. 7:309 BW. 's Hofs verwerping van dit betoog van [eiseres] berust op de vaststelling dat de werken waar de sloop- en nieuwbouwplannen van Beter Wonen op gericht waren, niet kunnen worden aangemerkt als "werken in het algemeen belang" in de betekenis die in art. 7:309 BW aan die bijstelling toekomt.
Het middel strekt ertoe dat 's hofs verwerping van dit betoog van een verkeerde rechtsopvatting blijk geeft of in elk geval onvoldoende gemotiveerd is (in het licht van de argumenten die van de kant van [eiseres] ter ondersteuning van dit betoog zouden zijn aangevoerd).
De wetgever heeft niet nader aangegeven wanneer wij mogen aannemen dat aan die maatstaf voldaan is. Het werd (dus) aan de rechtspraak overgelaten om de hier beoogde grens nader af te bakenen(8).
Men heeft twee gevallen van elkaar willen onderscheiden die ongeveer als volgt kunnen worden beschreven: aan de ene kant de gevallen waarin, omdat die gevallen (sterke) verwantschap vertonen met die waarin onteigening in aanmerking zou komen, de huurders ook voor een overeenkomstige bejegening in aanmerking komen; en aan de andere kant de gevallen waarin de beweegredenen die de verhuurder voor beëindiging van de huur heeft, onvoldoende overeenkomst vertonen met de situatie waarin ook onteigening zou kunnen plaatsvinden; in welk geval nadere schadeloosstelling van de huurders (buiten de kaders die de huurwetgeving daar overigens voor aangeeft) juist niet in aanmerking behoort te komen.
Het gaat dan om twee gevallen die conceptueel heel goed van elkaar te onderscheiden zijn, maar waartussen zich een geleidelijk verloop - een "glijdende schaal" - aftekent. In concrete zaken is het daarom lastig om te beoordelen of een geval in de ene dan wel de andere categorie thuis hoort.
Er bestaat een ruime groep "openbare werken" waarvoor geldt dat zonder aarzeling kan worden vastgesteld dat deze maatstaf daarop van toepassing is. Dat betreft dan werken die met "typische" overheidsaangelegenheden te maken hebben: defensie, verkeer en waterhuishouding, openbare gebouwen en terreinen e.t.q.
Als wij ons buiten die groep begeven, wordt het lastiger. Er zijn voorzieningen die de overheid zich aantrekt - volkshuisvesting, onderwijs, (zieken)zorg -, maar waar ook particuliere bedrijven of instellingen een grotere of kleinere rol spelen. Daar valt al minder makkelijk te bepalen of daarmee verband houdende werken, zeker wanneer het niet de overheid is die die entameert, als "werken in het algemeen belang" zijn te categoriseren.
Men kan aan de hand van deze korte omgang vaststellen dat het algemeen belang bij de meeste projecten die afbraak en nieuwbouw impliceren wel enige rol speelt; maar dat het algemeen belang daarbij van groter of kleiner "belang" kan zijn.
Voor het verlies van zijn rechten als huurder buiten het geval van onteigening geldt eerder het omgekeerde: in sommige gevallen kan dan aanspraak worden gemaakt op enige vergoeding - bijvoorbeeld een tegemoetkoming (niet: schadevergoeding!) terzake van verhuis- en inrichtingskosten, zie art. 7:275 en 7:297 BW; maar het uitgangspunt is dat de huurder met beëindiging van zijn huurrechten (conform de daarvoor geldende, en in het algemeen wel "huurdersvriendelijke" regels) rekening heeft te houden, en dat die beëindiging géén aanspraken op schadevergoeding of tegemoetkomingen anderszins oplevert(12).
Daarmee is ook gegeven waarom de grens die wij hier onderzoeken (volgens mij) niet zo ruim mag worden getrokken als in alinea 13 hiervóór werd aangegeven (en verworpen). Hoewel de wetgever de toepasselijkheid van art. 7:309 BW niet heeft beperkt tot gevallen waarin bij het uitblijven van minnelijke verkrijging stellig onteigening zou zijn gevolgd, ligt in de rede dat hem, wetgever, wel gevallen voor ogen hebben gestaan die met onteigening vergelijkbaar zijn; en dat geen vergaande "uitholling" is beoogd van het zojuist aan het slot van alinea 14 beschreven "huurrechtelijke" uitgangspunt.
Alleen bij het eerstgenoemde amendement is de strekking van de desbetreffende bijstelling nader verduidelijkt: die uitdrukking "is gekozen ten einde aansluiting te krijgen aan de terminologie van de Onteigeningswet en te voorkomen, dat schadeloosstelling zou moeten worden betaald in gevallen waarin niet tot onteigening zou kunnen worden overgegaan."] 18. Uit de in alinea 16 aangehaalde passage blijkt overigens dat de regeling die wij hier onderzoeken ook van toepassing is als de uitvoering van de in het algemeen belang te verwezenlijken werken niet door overheidslichamen zal plaatsvinden maar door "particulieren". Elders in de parlementaire geschiedenis is deze gedachte - waarmee het wetsontwerp afweek van het van de commissie-Houwing afkomstige voorontwerp - uitvoerig toegelicht(17). De wetgever hield er blijkens deze beschouwingen (al) rekening mee dat "de realisering van een gemeentelijk plan voor een deel of voor het geheel door particuliere ondernemers geschiedt zonder de tussenfase van eigendomsverkrijging door een publiekrechtelijk lichaam". Ik lees hierin echter niet dat het in een dergelijk geval niet, of in mindere mate, zou moeten gaan om "uitvoering van werken in het algemeen belang". Dat lijkt mij ook niet goed verenigbaar met de overigens aan de regeling ten grondslag gelegde ratio.
De door mij hiervóór besproken gedachten roepen het beeld op, dat niet iedere "bijmenging" van aspecten van algemeen belang voldoende is, om huurbeëindiging met het oog op sloop en nieuwbouw binnen het bereik van art. 7:309 BW te brengen: ware dat anders, dan zou in een aanzienlijk aantal gevallen die niet of niet goed vergelijkbaar zijn met "onteigenings-gevallen", een vergoeding op de voet van het onteigeningsrecht zijn geïntroduceerd, en zou het tegengestelde huurrechtelijke uitgangspunt vergaand zijn "uitgehold".
Maar daarmee is nog maar zeer gedeeltelijk aangegeven welke mate van "bijmenging" van aspecten van algemeen belang wél als voldoende mag gelden om art. 7:309 BW toepasselijk te laten zijn.
Het beeld wordt nog wat verder gecompliceerd doordat in de afgelopen decennia voor zaken die daarvóór geheel of in overwegende mate door of vanwege de overheid werden behartigd, particuliere initiatieven zijn toegelaten of zelfs aangemoedigd, waarbij ook op aanzienlijke schaal "privatisering" heeft plaatsgehad van instellingen die daarvóór als typische (semi-)overheidsinstellingen werden beschouwd. De scheidslijn tussen wat in het algemeen belang en wat (vooral) in het particuliere belang werd gedaan, is er daardoor niet duidelijker op geworden; en er zijn (veel) meer gevallen gekomen waarin algemeen belang en particulier belang allebei, in wisselende "mengverhoudingen", een rol spelen.
Waar van een project niet blijkt dat het aansluit bij overheidsbeleid (dat op doeleinden van algemeen belang gericht is), ligt weinig voor de hand dat de hier vereiste urgentie aanwezig is. Dan is dus ook weinig aannemelijk dat het project voldoet aan de voorwaarden die voor onteigening gelden; en ligt het, in het verlengde daarvan, niet erg voor de hand om het desbetreffende geval in het kader van art. 7:309 BW met dat van onteigening op één lijn te stellen(20).
Het middel beroept zich daartoe op de overweging (rov. 1.11.1) uit het bestreden arrest waarin het hof zijn oordeel dat hier niet van de bedoelde "werken" sprake is (mede) baseert op de bevinding dat voor het door Beter Wonen te realiseren object niet geldt dat "het gebouwde 'het publiek' dient".
Onteigening (of de daarmee verwante figuur van herinrichting) vindt immers weliswaar plaats in het algemeen belang; maar de in concreto gerealiseerde (deel)projecten kunnen heel goed alléén, of in sterk overwegende mate, voor niet-openbaar gebruik, en zelfs voor louter particulier gebruik zijn aangewezen. Onteigening met het oog op de volkshuisvesting, waarin de Onteigeningswet in de art. 77 e.v. afzonderlijk voorziet, zal in de meeste gevallen "particulier" gebruik (van de te realiseren woningen) ten doel hebben(23). Van onteigening met het oog op de vestiging van bedrijfs- of industrieterreinen kan mutatis mutandis hetzelfde gezegd worden.
Nu het hof een verkeerde maatstaf heeft aangelegd ligt in de rede dat (ik meen dat) het bestreden arrest moet worden vernietigd en dat de aanspraak die [eiseres] op art. 7:309 BW wil baseren, opnieuw moet worden beoordeeld met inachtneming van de juiste maatstaf. Vernietiging zou echter achterwege kunnen blijven wanneer zou moeten worden vastgesteld dat het dossier geen aanknopingspunten bevat die een andere uitkomst dan de door het hof gevondene zouden kunnen ondersteunen.
De motiveringsklacht van onderdeel 3 biedt de gelegenheid om ook dit aspect van de zaak te onderzoeken.
Volgens mij heeft [eiseres] de omstandigheden waarop hier een beroep wordt gedaan echter niet aan haar aanspraken op de voet van art. 7:309 BW ten grondslag gelegd. Als men kijkt naar de vindplaatsen uit de stukken waarnaar onderdeel 3 verwijst, ziet men dat bevestigd: voor een belangrijk deel wordt verwezen naar stellingen uit stukken van de kant van Beter Wonen, en hier en daar ook naar producties die niet in het kader van dit geschilpunt zijn overgelegd (althans: waarop niet in dat kader een beroep is gedaan).
Wat daar staat vat ik aldus samen, dat ook werken in opdracht van een particuliere organisatie en in het eigen commerciële belang van die organisatie, onder art. 7:309 BW kunnen vallen; dat woning(nieuw)bouw, en zeker het realiseren van een sociale woonvoorziening, in het algemeen belang geacht moet worden; en dat niet nodig is dat het werk een openbare of publieke functie heeft. Verder wordt nog aangevoerd dat het feit dat het om werk in het algemeen belang zou gaan ook zou blijken uit de omstandigheid dat (al-dan-niet langs de weg van vrijstelling) wijziging van de planologische bestemming van de onderhavige locatie nodig was.
Men zou, denk ik, met dit gegeven voor ogen kúnnen oordelen dat er in de feitelijke instanties onvoldoende was gesteld om te kunnen onderbouwen dat het door Beter Wonen beoogde project onder de werking van art. 7:309 BW moet worden gebracht. Als men inderdaad zo oordeelt zou, zoals ik in alinea 29 suggereerde, [eiseres] geen belang hebben bij de daar onder ogen geziene vernietiging (en zou die dus ook niet hoeven te volgen).
Daarbij legt nog enig gewicht in de schaal dat namens [eiseres] was benadrukt dat Beter Wonen een woningbouwvereniging is die blijkens haar statuten mede het algemeen belang behartigt(25).
Per saldo lijkt mij daarom dat de vernietiging die ik in alinea 29 opperde, toch als aangewezen moet worden aangemerkt. Er is nog - enige - ruimte voor een feitelijke herbeoordeling van de zaak met een andere uitkomst dan die, die het hof in het bestreden arrest heeft bereikt.
Conclusie Ik concludeer tot vernietiging van het bestreden arrest, met verdere beslissingen als gebruikelijk.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden 1 Ofschoon de huurovereenkomst dateert van (lang) vóór de inwerkingtreding, per 1 augustus 2003, van de huidige titel 4 van boek 7 BW (waarin art. 7:290 e.v. BW zijn opgenomen), wordt de onderhavige zaak ingevolge art. 205 OwNBW beheerst door de bepalingen van de nieuwe wet.
2 Dit vonnis is gepubliceerd in WR 2006, 2.
3 Op de reconventionele vordering heeft de kantonrechter vervolgens beslist dat [eiseres] aanspraak heeft op een tegemoetkoming van € 125.000,-. (Het vonnis waarbij dat werd beslist is als productie bij akte van 14 november 2006 in deze procedure overgelegd.) In het onderhavige cassatieberoep speelt deze beslissing geen rol.
4 Er is in de eerste aanleg een tussenvonnis gewezen vóór het genoemde (deel)vonnis. Beide vonnissen waren in appel aan de orde; en beide werden bekrachtigd. Het eerste (tussen)vonnis speelt echter voor de beoordeling in cassatie geen rol.
5 Het arrest van het hof is van 27 februari 2007. De cassatiedagvaarding is op 25 mei 2007 uitgebracht.
6 Zie voor de regeling van art. 42 Onteigeningswet bijvoorbeeld Telders, nieuw voor oud, 2006, nrs. 642 e.v., en i.h.b. nrs. 644 en 648 - 650; en S&J-editie 24, 2002, p. 114 - 120.
7 Terwijl huurders misschien juist bereid zouden zijn om een deel van "hun" schadeloosstelling aan de eigenaar af te staan, als die het maar op "gedwongen" onteigening liet aankomen: Kamerstukken II 1966 - 1967, 8875, nr. 3, p. 12.
8 In lid 4 van art. 7:309 BW wordt wel een geval genoemd waarin in elk geval moet worden aangenomen dat het om werken in het algemeen belang gaat, namelijk: als er sprake is van verwezenlijking van een bestemmingsplan, strekkend tot reconstructie van een bebouwde kom. Minder "sprekende" gevallen worden echter aan de rechtspraak overgelaten: Kamerstukken II 1966 - 1967, 8875, nr. 3, p. 16 - 17 (hierna in alinea 16 geciteerd).
9 Zie overigens, als het woonruimte betreft, de enigszins vergelijkbare regeling van art. 7:281 BW; T&C Huurrecht, Huydecoper, 2006, art. 281, aant. 1 en HR 8 november 1996, NJ 1997, 150.
10 HR 30 november 1994, NJ 1995, 668 m.nt. MB, rov. 3.8 - 3.10.
11 Telders, Nieuw voor oud, 2006, nrs. 501 - 503.
12 Beide mogelijkheden worden in de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 1966 - 1967, 8875, nr. 3, p. 16, r.k.) dan ook duidelijk tegenover elkaar gesteld.
13 Kamerstukken II 1966 - 1967, 8875, nr. 3, p. 16 - 17.
14 Kamerstukken 1960 - 1961, 5195, nr. 16.
15 Kamerstukken 1960 - 1961, 5195, nr. 15.
16 Beide amendementen zijn, mede omdat de regering aan het daarin voorgestelde was tegemoetgekomen, bij de mondelinge behandeling ingetrokken, zie o.a. de Handelingen II zitting 1960 - 1961, deel II, p. 2774 en 2775.
17 Kamerstukken II 1966 - 1967, 8875, nr. 3, par. 20 (p. 12 - 13).
18 Onteigening, eigendomsbeperking en kostenverhaal (losbl.), Van Zundert, p. 1.A - 4 en, in verband met "particuliere" bouwprojecten p. 1.A - 73 en 74.
19 HR 12 december 1986, NJ 1987, 357, rov. 3.
20 Tot dusver heb ik de doctrine over "ons" wetsartikel nog maar weinig genoemd. Over de nauwkeurige afbakening van de grens die ons hier bezig houdt, biedt de doctrine (dan) ook niet zo veel houvast. Ik noem hier Huurrecht (losbl.), Berkvens, art. 309, aant. 11 - 12, 14, 15 en 23; Asser - Abas (Huur) 5-IIA, 2007, nrs. 331 - 332; T&C Huurrecht, Rossel, 2006, art. 309, aant. 1, aant. 2 sub b en c, aant. 4 en 5; Evers, Huurrecht bedrijfsruimten, 2003, p. 200 - 206; Dozy - Jacobs, Hoofdstukken huurrecht (etc.), 1999, p. 459 - 461.
21 Het valt op dat, "spiegelbeeldig", in de rechtspraak van het EHRM is aanvaard dat de nationale autoriteiten over een vrij ruime "margin of appreciation" beschikken bij het beoordelen of het voor ontneming van eigendom (ingevolge het eerste Protocol bij het EVRM) vereiste "public interest" in een concreet geval aanwezig is (zie bijvoorbeeld Telders, Nieuw voor oud, 2006, nr. 102). Men kan vermoeden dat ook hierbij het inzicht een rol speelt dat beoordeling van de aanwezigheid van (voldoende) "public interest" een feitelijke appreciatie vergt die op het niveau van de hoogste rechterlijke instanties niet ten volle kan worden getoetst.
22 Voor een treffend voorbeeld verwijs ik naar HR 10 april 1998, NJ 1998, 666 m.nt. WMK, rov. 3.5 - 3.7.
23 Wel moet er dan sprake zijn van een "publiek belang van enig publiekrechtelijk lichaam" (Kamerstukken II 13 924, nr. 18, p.35; zie ook S&J-editie 24, p. 216 e.v.); maar dit belang kan er wel (mede) in bestaan dat door het bieden van particuliere huisvesting aan het (publieke) volkshuisvestingsbelang (en/of aan belangen van ruimtelijke ordening) wordt tegemoetgekomen (Onteigening, eigendomsbeperking en kostenverhaal (losbl.), Van Zundert, p. 1.A - 73 en 74).
24 Onder vele andere beslissingen verwijs ik naar HR 17 oktober 2008, RvdW 2008, 953, rov. 3.3.4 en 3.3.5; HR 12 januari 2007, RvdW 2007, 88, rov. 3.4 en HR 15 december 2006, RvdW 2007, 7, rov. 3.8.
25 Zoals in onderdeel 3 onder (iv) wordt aangevoerd. Deze stelling had [eiseres] weliswaar alleen in de eerste aanleg specifiek naar voren gebracht (en in appel dus niet expliciet herhaald; voor [eiseres], als appellante, geldt niet dat die kon profiteren van het bredere effect van de zogenaamde "devolutieve werking van het appel"); maar het gaat hier om een gegeven dat van de kant van Beter Wonen (begrijpelijkerwijs) niet was betwist. Daarom denk ik dat dit gegeven ook in appel in de beoordeling moest worden betrokken.