← Nederland

ECLI:NL:PHR:2009:BG4822

Nr. 07/10742 Mr. Machielse Zitting 18 november 2008 Conclusie inzake: [Verdachte]

  1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft verdachte op 9 mei 2007 ter zake van
  2. subsidiair "medeplegen van medeplichtigheid aan medeplegen van schending van de wetten en gebruiken van de oorlog, terwijl het feit de dood of zwaar lichamelijk letsel van een ander tengevolge heeft of het feit uiting is van een politiek van stelselmatige terreur of wederrechtelijk optreden tegen de gehele bevolking of een bepaalde groep daarvan, meermalen gepleegd" en
  3. "medeplegen van medeplichtigheid aan medeplegen van schending van de wetten en gebruiken van de oorlog, terwijl het feit de dood of zwaar lichamelijk letsel van een ander tengevolge heeft, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 17 (zeventien) jaren. Voorts heeft het hof de benadeelde partijen [namen 15 personen] niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen.
  4. Namens verdachte heeft Mr. J.P.A. van Schaik, advocaat te Veenendaal, cassatie ingesteld. Mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, heeft namens verdachte een schriftuur ingezonden houdende dertien middelen van cassatie.
  5. Namens de benadeelde partijen hebben Mrs A.A. Franken en L. Zegveld, advocaten te Amsterdam, een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie.
  6. Allereerst is aan de orde het cassatieberoep van verdachte. De dertien middelen vervat in de cassatieschriftuur zullen achtereenvolgens worden behandeld. 5.
  7. Het eerste middel, zoals door de steller van het middel bij schrijven van d.d. 15 mei 2008 gewijzigd, klaagt over de motivering van het bewezenverklaarde "gewapend conflict" in de zin van art. 1 Wet oorlogsstrafrecht (hierna: WOS

(1)) en/of impliciet het begrip burgeroorlog. De uiteindelijke strekking van het middel is dat de Hoge Raad zelf het OM niet ontvankelijk verklaart in de vervolging wegens het ontbreken van rechtsmacht. 5.
  1. Artikel 1 WOS luidde aldus: "
  2. De bepalingen van deze wet zijn van toepassing op de misdrijven, in geval van oorlog begaan of eerst in geval van oorlog strafbaar, welke zijn omschreven in: (...); 3°. de artikelen 4-9 van deze wet; (...)
  3. In geval van een gewapend conflict, dat niet als oorlog kan worden aangemerkt en waarbij Nederland is betrokken hetzij ter individuele of collectieve zelfverdediging, hetzij tot herstel van internationale orde en veiligheid, zijn de artikelen 4-9 van overeenkomstige toepassing en kunnen Wij bij algemene maatregel van bestuur bepalen, dat de overige bepalingen van deze wet geheel of ten dele van toepassing zullen zijn.
  4. Onder oorlog wordt begrepen burgeroorlog." En artikel 3: "Onverminderd het te dien aanzien in het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Militair Strafrecht bepaalde is de Nederlandse strafwet toepasselijk: 1°. op ieder, die zich buiten het rijk in Europa schuldig maakt aan een misdrijf omschreven in de artikelen 8 en 9; (...)." Artikel 8 WOS had de volgende inhoud: "
  5. Hij die zich schuldig maakt aan schending van de wetten en gebruiken van de oorlog, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren of geldboete van de vijfde categorie.
  6. Gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt opgelegd: 1°. indien van het feit de dood of zwaar lichamelijk letsel van een ander te duchten is; 2°. indien het feit een onmenselijke behandeling inhoudt; (...).
  7. Levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren, of geldboete van de vijfde categorie wordt opgelegd: 1°. indien het feit de dood of zwaar lichamelijk letsel van een ander tengevolge heeft dan wel verkrachting inhoudt; (...) 5°. indien het feit uiting is van een politiek van stelselmatige terreur of wederrechtelijk optreden tegen de gehele bevolking of een bepaalde groep daarvan; (...)." 5.
  8. Het hof heeft het volgende bewezen verklaard:
  9. subsidiair "dat Saddam Hussein Al-Tikriti en Ali Hasan Al-Majid Al-Tikriti en/of (een) ander(e) perso(o)n(en) op 5 juni 1987 te Zewa, gelegen te Irak en op 16 maart 1988 te Halabja, gelegen in Irak en op 3 mei 1988 te Goktapa (Gukk Tapah) gelegen in Irak tezamen en in vereniging (telkens) de wetten en de gebruiken van de oorlog hebben geschonden, terwijl die feiten (telkens) de dood van anderen tengevolge hebben gehad en die feiten (telkens) zwaar lichamelijk letsel van anderen tengevolge hebben gehad en die feiten (telkens) uitingen zijn geweest van een politiek van stelselmatige terreur of wederrechtelijk optreden tegen een bepaalde groep van de bevolking, door toen en (al)daar in strijd met het internationaal gewoonterecht (in het bijzonder het verbod op het gebruik van chemische wapens en/of het verbod op het gebruik van verstikkende, giftige of andere gassen en/of het verbod op het toebrengen van onnodig lijden en/of het verbod op het uitvoeren van aanvallen die geen onderscheid maken tussen militairen en burgers) en/of het bepaalde in het Gasprotocol van Genève
(1925)en/of het bepaalde in Artikel 147 Verdrag van Geneve betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd ("Vierde Geneefse Conventie", 1949) en/of het bepaalde in het "gemeenschappelijk" artikel 3 van de Verdragen van Geneve van 12 augustus 1949, (als leden van de regering (van de Republiek) van Irak) behorende tot één van de strijdende partijen in een (niet-internationaal en/of internationaal) gewapend conflict meermalen op plaatsen op het grondgebied van Irak (opzettelijk) chemische strijdmiddelen (mosterdgas) in te zetten tegen personen die zich toen en (al)daar bevonden, tengevolge waarvan die personen zijn overleden of zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen en (een deel van) de Koerdische bevolkingsgroep (stelselmatig) werd geterroriseerd terwijl die chemische strijdmiddelen (mede) werden ingezet tegen personen die niet rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnamen, te weten, burgers van Zewa en/of Halabja en/of Goktapa (Gukk Tapah), althans burgers van Noord-Irak, en de inzet van die chemische strijdmiddelen inhield de wrede en/of onmenselijke behandeling en/of verminking van deze personen en het moedwillig veroorzaken van hevig lijden bij deze personen tot het plegen van welke misdrijven verdachte en zijn mededaders tezamen en in vereniging op tijdstippen in de periode van 19 april 1984 tot en met 25 augustus 1988 in Irak en/of in Zwitserland en/of in Italië en/of in de Verenigde Staten van Amerika en/of in Japan en/of te Singapore en te Akaba in Jordanië opzettelijk gelegenheid en middelen hebben verschaft door toen en (al)daar opzettelijk thiodiglycol (TDG) bestemd voor de produktie van mosterdgas te leveren aan (de Republiek van) Irak." 2. "dat Saddam Hussein Al-Tikriti en Ali Hasan Al-Majid Al-Tikritie en/of (een) ander(e) perso(o)n(en) op 11 april 1987 te Khorramshahr gelegen in Iran en omstreeks 16 april 1987, te Alut gelegen in Iran en op 28 juni 1987 te Sardasht gelegen in Iran en te Rash Harmeh (in de directe omgeving van Sardasht) gelegen in Iran en op 22 juli 1988 te Zardeh gelegen in Iran en omstreeks 2 augustus 1988 te Oshnaviyeh gelegen in Iran tezamen en in vereniging (telkens) de wetten en de gebruiken van de oorlog hebben geschonden, terwijl die feiten (telkens) de dood van anderen tengevolge hebben gehad en die feiten (telkens) zwaar lichamelijk letsel van anderen tengevolge hebben gehad, door toen en (al)daaar in strijd met het internationaal gewoonterecht (in het bijzonder het verbod op het gebruik van chemische wapens en/of het verbod op het gebruik van verstikkende, giftige of andere gassen en/of het verbod op het uitvoeren van aanvallen die geen onderscheid maken tussen militaire en burger) en/of het bepaalde in het Gasprotocol van Genève
(1925)en/of het bepaalde in artikel 147 Verdrag van Geneve betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd ("Vierde Geneefse Conventie, 1949) (als leden van de regering (van de Republiek) van Irak) behorende tot één van de strijdende partijen in een (internationaal) gewapend conflict meermalen op plaatsen op het grondgebied van Iran (opzettelijk) chemische strijdmiddelen (mosterdgas) in te zetten tegen personen die zich toen en (al)daar bevonden, tengevolge waarvan die personen zijn overleden of zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen terwijl die chemische strijdmiddelen (mede) werden ingezet tegen personen die niet rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnamen, te weten, burgers van Khorramshahr en/of Alut en/of Sardasht en/of Rash Harmebh en/of Zardeh en/of Oshnaviyeh, althans burgers van Iran, en de inzet van die chemische strijdmiddelen inhield de wrede en/of onmenselijke behandeling en/of verminking van deze personen en het moedwillig veroorzaken van hevig lijden bij deze personen tot het plegen van welke misdrijven verdachte en zijn mededaders tezamen en in vereniging op tijdstip(pen) in de periode van 19 april 1984 tot en met 25 augustus 1988 in Irak en/of in Zwitserland en/of in Italië en/of in de Verenigde Staten van Amerika en/of in Japan, en/of te Singapore en te Akaba, in Jordanië opzettelijk gelegenheid en middelen hebben verschaft, door toen en(al)daar opzettelijk thiodiglycol (TDG) bestemd voor de produktie van mosterdgas te leveren aan (de Republiek van) Irak." 5.
  1. Het hof heeft in de bijlage, inhoudende de bewijsmiddelen, voor wat betreft het in het middel bedoelde "gewapend conflict" in de zin van art. 1 WOS en/of impliciet het begrip burgeroorlog de volgende bewijsmiddelen gebezigd: (p. 1 van de aanvullende bewijsmiddelen) "Bewijsmiddel 1: een proces-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar d.d. 19 mei 2005 inhoudende het verslag van een uitgevoerd bronnenonderzoek door deze opsporingsambtenaar. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - als verslag van dat bronnenonderzoek (F58): [pagina 6 en volgende] In hoofdzaak is gebruik gemaakt van de volgende bronnen: - 'A modern history of the Kurds', third revised edition, 2004, door David McDowell (F58 subi); - 'Report on the situation on human rights in Iraq', 19-2-1993, mr. Max van der Stoel, E/CN.4/1993/45 (H74); - 'Report on the situation on human rights in Iraq', 25-2-1994, mr. Max van der Stoel, E/CN.4/1994/58 (H75); - 'Genocide in Iraq, The Anfal Campaign against the Kurds', New York, 1993, Middle East Watch/Human Rights Watch (H7 6); - 'Bureaucracy of Repression; the Iraqi Government in it's own words', New York, 1994, Middle East Watch/Human Rights Watch (H77); - de door de Koerden in 1991 in Noord-Irak inbeslaggenomen decreten, orders, rapporten e.d. (H74 en H75); - 'Chemical Weapons use in Kurdistan', Washington 1988 (H8 3); - schriftelijke getuigenverklaring in een Belgisch dossier (H46). [pagina 12] Op 22 september 1980 valt Irak Iran binnen en breekt de Iran-Irak oorlog uit. De vijandelijkheden tussen Iran en Irak eindigen op 20 augustus
  2. Hernieuwde gewapende strijd tussen georganiseerd Koerdisch verzet en Iraakse troepen bestaat vanaf november
  3. Verschillende Iraaks-Koerdische groeperingen gaan met elkaar samenwerken om het Baath-regime omver te werpen. In 1986 vormen de Koerdische partijen KDP, PUK, KSP en ICP een gezamenlijk front tegen het Baath-regime van Saddam Hoesein. In mei 1987 sluiten nog vier partijen zich bij het KDP/PUK/KSP/ICP-front aan en vormen het 'Koerdisch front' dat onder gezamenlijk commando staat. De oorlog in Iraaks Koerdistan van Koerden tegen Iraakse regeringstroepen heeft het karakter van een guerilla - oorlog. Koerdische troepen strijden voorts van tijd tot tijd samen met Iran tegen de Iraakse regeringstroepen. [pagina 23 en volgende] Het Anfal-offensief in 1988 Het Iraakse regime brengt in de slot-Anfal naar schatting van Human Rights Watch/Middle East Watch ongeveer 200.000 soldaten in het geweer tegen Koerdische troepen van KDP en PUK, die op zijn hoogst ieder 10.000 man sterk zijn. (p. 2 van de aanvullende bewijsmiddelen) Bewijsmiddel 2: een geschrift, te weten een rapport opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2]. Dit rapport houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - als resultaat van een bronnenonderzoek (F61): [pagina 1] In hoofdzaak is gebruik gemaakt van de volgende bronnen: - overzichtslijst van het Stockholm International Peace Research Institute (SIPRI) en het Harvard Sussex Program waarin opgenomen zijn allerlei resoluties en krantenberichten; - 'Genocide in Iraq: The Anfal Campaign against the Kurds' New York 1993, Middle East Watch/Human Rights Watch; - een rapport van het Amerikaanse Department of Navy, 10 december 1990, Stephen Pelletière en Douglas Johnson; - verschillende historisch-politieke studies. In het bijzonder: o 'The longest war: The Iran-Iraq military conflict', Paladin, Londen 1990, Dilip Hiro; o 'The lessons of modern war vol II, The Iran-Iraq war', Westview press Boulder Co 1990; o 'A modern history of the Kurds', third revised edition, IB Taurus & Co, New York 2004; o 'The Kurds between Iran and Iraq' in Middle East report. Vol 16, no. 4 juli-augustus
  4. [pagina 3] Het begin van het gewapend conflict is te leggen op 22 september 1980 met de daadwerkelijke grootschalige invasie van Iraans grondgebied door Iraakse eenheden en vliegtuigen. Het einde van gevechtshandelingen in het kader van het gewapend conflict kan formeel worden gelegd op 20 augustus 1988, wanneer een wapenstilstand van kracht wordt. De wapenstilstand is overeengekomen door het aannemen van resolutie 598 van de Veiligheidsraad van 20 juli
  5. Op diezelfde datum accepteerde Irak deze resolutie, terwijl Iran bijna een jaar later volgde op 18 juli
  6. [pagina 11 en volgende] Iran trachtte de effectiviteit van het eigen optreden te vergroten door gebruik te maken van de in Irak aanwezige binnenlandse (gewapende) oppositie. Hierbij ging het met name om Iraakse Koerden, maar ook om de Arabische (sji' itische) geloofsgenoten van het islamitische bewind van Iran, die tegen het door soennieten overheerste Baath-regime wilden strijden. Er was dan ook sprake van verschillende vormen van samenwerking van Iran met Koerdische verzetsgroepen in Irak. [betrokkene 23], militair verbindingsambtenaar tussen de leiding van de PUK en het Iraanse leger, beschrijft deze samenwerking, waarbij sprake was van logistieke steun van Iran aan Koerdische verzetsgroepen en gezamenlijke militaire operaties. Zowel de KDP als de PUK opereerde in samenwerking met de Iraanse strijdkrachten, en coördineerde operaties met Iraanse operationele hoofdkwartieren. De Koerdische verzetsgroepen traden op in samenwerking met reguliere Iraanse troepen bij het bestrijden van Iraakse posten en stellingen in het noorden van Irak. Ook werd er instructie gegeven in het gebruik van door Iran geleverde wapensystemen en werden militaire operaties door Iraanse hoofdkwartieren gecoördineerd. De peshmerga hadden als sinds de jaren '60 ervaring met het uitvoeren van relatief grote acties, waarbij gebruik werd gemaakt van lichte en zware wapens. (p. 3 van de aanvullende bewijsmiddelen) Bewijsmiddel 3: Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg bij de rechtbank te 's-Gravenhage op 30 november 2005 voor zover inhoudend als verklaring van de getuige [betrokkene 2]: Ik heb meegewerkt aan het opstellen van de rapportage door Human Rights Watch. Ik heb in die hoedanigheid veel materiaal aangedragen en bestudeerd. Ik was zelf vroeger betrokken bij de strijd in Irak. Ik ben in 1979 peshmerga geworden. Peshmerga is een Koerdisch woord, dat letterlijk betekent 'degenen die de dood in de ogen zien'. Het waren ook mensen die met de Koerden streden tegen de Irakese autoriteiten. Ik heb mij in oktober 1979 aangesloten bij de organisatie. Ik kon mij toen niet direct aansluiten bij de gewapende strijd buiten de stad. Ik heb mij daarom eerst tot oktober 1990 aangesloten bij de gewapende strijd in de stad. Er was een gewapende strijd tussen de beweging van de peshmerga en de gewapende overheid, op een onderbreking van december 1983 tot februari 1985 na. In deze periode voerde de PUK geen strijd. De andere partijen, de KDP, Socialistische Partij en de Communistische Partij gingen in die periode wel door met de strijd. Deze strijd bestond uit een strijd met troepen en beide kanten hadden zware wapens. De zwaarste wapens van de strijders van de PUK waren mortiergranaten van 60 mm, 82 mm en 120 mm, 'Katushka' raketten, 'Doshika's', dat zijn middelmatige machinegeweren, een mitrailleur op een standaard met patronen in een band, te gebruiken ter verdediging tegen helikopters en andere vliegtuigen en RPG, zogenaamde 'rocket propelled grenades'. Aan Irakese kant hadden ze tanks, vliegtuigen, kanonnen van 130 mm, 155 mm en 175 mm en grote, zogenaamde 'ground to ground' raketten. De andere partijen hadden wapens die te vergelijken waren met die van de PUK, maar minder in hoeveelheid en verscheidenheid. De Socialistische Partij had geen 'Katushka' raketten en geen 120 mm mortiergranaten. De peshmerga waren een georganiseerde militia-beweging met een bevelstructuur. Het hoogste orgaan was het politbureau, daaronder was een militair bureau. Weer daaronder stonden de regioafdelingen, vervolgens de eenheden en tenslotte de onderverdeling van de eenheden. De andere bewegingen hadden ook een dergelijke structuur, alleen hadden deze dan andere namen. U vraagt mij hoe het zat met de controle van bepaalde gebieden door de overheid en de groeperingen. Had de Irakese regering controle over totaal Irak, of hadden één van de groeperingen de controle over bepaalde delen. In de periode van mijn aansluiten bij de peshmerga tot de Anfal is dit per periode verschillend geweest. In de periode van februari 1985 tot eind augustus 1988 waren de gebieden buiten de grote steden en de gebieden waar de hoofdwég doorliep tot verboden gebied verklaard. In die gebieden bevonden zich de strijders. Irak voerde soms aanvallen van één dag uit op deze gebieden. Twee gebieden waren uitgezonderd, te weten de Jafayati-vallei en het Zewa-gebied in de provincie Duhok. In de Jafayati-vallei bevond zich het hoofdkwartier van de PUK. Dit was zodanig beveiligd dat dit niet in één dag door Irak te overwinnen was. Het Zewa-gebied was onder controle van de KDP. De gebieden die door de Irakese regering tot verboden gebied waren verklaard, maakten allemaal deel uit van Koerdistan. Er waren geen andere delen van Irak tot verboden gebied verklaard. Ook was er een strijd tussen Iran en Irak. Deze oorlog is begonnen op 22 september
  7. Er was sprake van een tweeledige strijd, namelijk het conflict tussen de verzetsbewegingen en de regering van Irak en los daarvan de strijd tussen Iran en Irak, Het is wel eens voorgekomen dat de verzetsbewegingen samen met Iran tegen de regering van Irak hebben gestreden. Ook is het voorgekomen dat één van de verzetsbewegingen samen met de Iraanse Koerden tegen Iran hebben gevochten. De verschillende gewapende groeperingen en Iran hadden allemaal hun eigen doelstellingen welke ze wilden bereiken met betrekking tot Irak. Voornoemde groeperingen waren ook uitsluitend actief in Koerdistan. De Irakese regering werd in die bewuste periode gevormd door leden van de Baath partij. Zij waren allemaal van mening van de Koerden gast waren op het grondgebied van de Arabieren. De Koerden dachten dat het hun land was en daarom werd er strijd geleverd. Ze werden door Irak steeds onderdrukt. Na de wapenstilstand tussen Iran en Irak ging het Koerdische verzet door met de strijd tegen Irak. De aanvalsoperaties werden aangeduid met 'Anfal', waarvan er in totaal acht waren." 5.
  8. Voorts heeft het hof in het arrest voor wat betreft het in het middel bedoelde "gewapend conflict" in de zin van art. 1 WOS en/of impliciet het begrip burgeroorlog het volgende overwogen: (p. 30) "11.2 Het hof is van oordeel dat op grond van de gebezigde bewijsmiddelen buiten enige twijfel is komen vast te staan dat de in de tenlastelegging genoemde personen, kort gezegd het toenmalige in Irak aan de macht zijnde regime, ( lucht) aanvallen dan wel bombardementen met - al dan niet onder meer - mosterdgas heeft uitgevoerd, dan wel heeft doen uitvoeren op de onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde plaatsen in respectievelijk Irak en Iran. Zulks met de in de bewezenverklaring genoemde gevolgen. Die aanvallen hebben naar het oordeel van het hof voor zover het feit 2 (Iran) betreft plaatsgevonden in het kader van een internationaal conflict, dat tussen september 1980 en augustus 1988 tussen Iran en Irak gaande was. Voorzover die aanvallen in de bewezenverklaarde periode op de in de bewezenverklaring onder 1 subsidiair genoemde plaatsen in Irak plaatsvonden acht het hof bewezen dat deze zijn uitgevoerd in het kader van een - zoals ook door de rechtbank bewezenverklaard - internationaal en/of niet internationaal conflict. Internationaal voor zover Koerdische en/of andere oppositiegroepen die met de Iraanse troepen samenwerkten onder andere doelwit waren van de bombardementen, waarbij het hof mede acht heeft geslagen op de omstandigheid dat de oorlog van Irak met Iran ook plaatsvond in de grensstreek tussen die buurlanden en Iraanse militairen in enkele gevallen binnen de grenzen van Irak opereerden; niet-internationaal voor zover de betreffende (lucht) aanvallen gericht waren op de - in hoofdzaak - Koerdische verzetsgroepen in het eveneens langjarig gewapend conflict met die - deels samenwerkende - verzetsgroepen. Voor het bewijs van de aard van de gewapende conflicten berust het oordeel van het hof in het bijzonder op het proces-verbaal van 19 mei 2005 van een opsporingsambtenaar (F58) , dat het verslag behelst van een uitgevoerd bronnenonderzoek, alsmede op een door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] opgemaakt rapport, in het dossier opgenomen onder F
  9. Voorts berust het deels op de ter terechtzitting in eerste aanleg van 30 november 2005 afgelegde verklaring van [betrokkene 2]." 5.
  10. Blijkens de toelichting daarop voert de steller van het middel aan dat het hof de strafbaarstelling vervat in art. 8 WOS nooit van toepassing had kunnen verklaren, nu art. 1 lid 2 WOS eist dat, indien sprake is van een gewapend conflict dat niet als oorlog kan worden aangeduid, - zoals in het onderhavige geval - Nederland betrokken moet zijn bij het gewapend conflict. Doordat het hof in de hiervoren weergegeven nadere bewijsoverweging niet nader heeft gemotiveerd waaruit de Nederlandse betrokkenheid kan blijken, lijdt het arrest volgens de steller van het middel aan nietigheid en dient de Hoge Raad het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in zijn strafvervolging van verdachte terzake van de door het hof bewezen verklaarde feiten. 5.
  11. Aan de orde is aldus de vraag of het hof de WOS in de onderhavige zaak van toepassing had mogen verklaren op oorlogsmisdrijven begaan in geval van een gewapend conflict dat blijkens 's hofs oordeel niet als oorlog kan worden aangemerkt en waarbij Nederland niet is betrokken. Deze vraag werd eerder beantwoord in de zogenaamde Knezevic II beschikking - welke beschikking de steller van het middel ook op blz. 8 van de schriftuur noemt -, waarin de Hoge Raad met betrekking tot artikel 1 WOS - na beschouwingen over de geschiedenis van die bepaling - het volgende overwoog: "5.
  12. Gelet op hetgeen onder 5.2 is overwogen noopt redelijke wetsuitleg, in overeenstemming met het oogmerk van de wetgever de door Nederland aangegane verdragsverplichting ten volle na te komen, ertoe art. 1 WOS - ondanks zijn in zoverre onduidelijke bewoording - aldus te verstaan dat op de daarin vermelde artikel 8 en 9 de in het eerste, het tweede onderscheidenlijk het derde lid van art. 1 WOS vervatte beperkingen geen betrekking hebben, en in zoverre evenmin op art. 3 en op de artikelen 10 en volgende WOS."
(2)In zijn arrest betreffende het hoofd van de Afghaanse veiligheidsdienst die in 1992 in Nederland vreemdelingenrechtelijke bescherming heeft gezocht en hier is vervolgd en berecht voor marteling etc. tijdens de Russische aanwezigheid in Afghanistan in de jaren '80 herhaalde de Hoge Raad dat sedert de inwerkingtreding van het Vierde Rode-Kruisverdrag het handelen in strijd met art. 3 van het Verdrag het in art. 8 WOS omschreven misdrijf oplevert en dat - naar volgt uit de beschikking van de Hoge Raad van 11 november 1997, LJN ZD0857, NJ 1998, 463 - in zodanig geval op grond van art. 3 (oud) WOS aan de Nederlandse rechter zogenoemde universele rechtsmacht toekomt.
(3)5.
  1. Het hof heeft mitsdien terecht geoordeeld dat de strafbaarstelling vervat in artikel 8 WOS krachtens artikel 3 aanhef en onder 1 WOS van toepassing is, en het openbaar ministerie derhalve ontvankelijk verklaard in zijn strafvervolging ter zake van de door het hof bewezen verklaarde feiten. Het eerste middel faalt. 6.
  2. Het tweede middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring van de medeplichtigheid en/of het opzet van verdachte en/of van zijn medepleger genaamd [betrokkene 1]. Blijkens de toelichting daarop behelst dit middel meerdere klachten die alle zien op de motivering van het bewijs van de medeplichtigheid van verdachte aan het medeplegen van de bewezenverklaarde feiten. Deze klachten zullen achtereenvolgens worden behandeld. 6.
  3. De eerste klacht van het tweede middel klaagt over het bewijs van het opzet. 6.
  4. Het hof heeft, voor zover voor de beoordeling van deze in het middel vervatte klacht van belang, onder meer het volgende overwogen: (p. 31) "11.
  5. Met betrekking tot verdachte rol in, dan wel betrokkenheid bij vorenbedoelde aanvallen met mosterdgas is het navolgende genoegzaam komen vast te staan. 11.
  6. De verdachte heeft in de jaren 1985 tot en met 1988 de chemische grondstof TDG (thiodiglycol) aan Irak, dan wel aan een Iraakse firma geleverd. (...) 11.6 Anders dan door de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep betoogd leidt het hof in het bijzonder uit de navolgende bewijsmiddelen af dat verdachte wist dat de TDG Irak als eindbestemming had, daar aankwam en daar ook gebruikt werd. 11.
  7. Blijkens de verklaring van [betrokkene 1] (..) wist [betrokkene 1] met betrekking tot de handel in chemicaliën die hij dreef met de verdachte dat de chemicaliën Irak als eindbestemming hadden. (...) 11.
  8. Overigens heeft de verdachte ook zelf in het voorbereidend onderzoek erkend geweten te hebben dat de goederen naar Irak gingen, (...) 11.
  9. (...) [betrokkene 1] heeft op 22 juni 2005 in Japan verklaard: "Uit de in 1984 begonnen onderhandelingen bleek duidelijk dat de chemicaliën als grondstof zouden worden gebruikt voor chemische wapens." Voorts verklaarde hij toen -zakelijk weergegeven -: "rond mei of juni 1984 benaderde [verdachte] mij met de mededeling dat hij de chemische stof TMP wilde importeren. Tijdens de onderhandelingen over TMP legden zowel [betrokkene 5] als [betrokkene 6] uit dat TMP een grondstof is voor gifgas en dat er goed moest worden opgelet bij export. (...) Van [B] werd TDG gekocht. Tijdens de onderhandelingen werd door het bedrijf uitgelegd dat deze chemicaliën omgezet kunnen worden in chemische wapens als gifgas. Ik had van [betrokkene 5] en [betrokkene 7] gehoord dat voor TDG restricties waren gesteld voor export naar het Midden Oosten. Ik heb dat aan [verdachte] doorgegeven. Vanaf het begin van de onderhandelingen hebben de Japanse bedrijven en ik hem verteld dat de chemische stoffen, omgezet konden worden in chemische wapens zoals gifgas. En uit zijn woorden bleek dat hij dit al wist. [verdachte] had kennis op het gebied van chemicaliën. 11.
  10. (...) De verdachte heeft op 8 december 2004 tijdens het voorbereidend onderzoek (C.l.b.4) naar aanleiding van twee voorhanden telexberichten (H10/8586
(4)en H10/8549) van begin september 2004, waarin sprake is van gifgas en de op te geven eindbestemming van de chemicaliën verklaard: "Ik zie in een telex staan dat het als gifgas gebruikt kan worden". (...) De verdachte verklaart voorts: "Ik heb in het begin van de leveringen in persoon aan [betrokkene 8] gevraagd of van de producten gifgas gemaakt werd. In de mij getoonde telex van 3 september 1984
(5), die ik heb opgemaakt, staat final destination Triest, dat is dus eigenlijk fout. Kennelijk wil de Japanse regering de eindbestemming weten omdat in de telex staat dat het ook als gifgas gebruikt kan worden." 11.12 Uit het vorenoverwogene onder 11.10 en 11.11 kan het hof geen andere conclusie trekken dan dat verdachte reeds in de loop van 1984, althans in ieder geval in 1986 wist dat de door hem geleverde TDG zou dienen voor de productie van gif c.q. mosterdgas in Irak en dat getracht werd die bestemming te verhullen. 11.
  1. (...) Uit deze verklaringen leidt het hof af dat de verdachte ook rechtstreeks contact had met personen die de leiding hadden over, dan wel een belangrijke positie hadden in MSE ofwel Al Muthanna, de plaats waar TDG werd verwerkt tot mosterdgas, en op de hoogte was van levering van TDG via 'cover' bedrijven in Irak. 11.
  2. (...) Verdachte was op de hoogte van het feit dat Iran en Irak sedert eind 1980 oorlog voerden. (...) 11.
  3. Elders in dit arrest wordt ingegaan op de vraag of het door verdachte geleverde TDG gebruikt kan zijn bij de in de bewezenverklaring genoemde luchtaanvallen. Het antwoord op die vraag luidt bevestigend. 11.
  4. In de wetenschap van de verdachte dat zijn leveringen van TDG dienden voor de productie van mosterdgas in een land dat in een langdurige oorlog was verwikkeld met een buurland en dat getracht werd de levering van een precursor van dat gas en de productie van dat gifgas zelf zoveel mogelijk te verheimelijken ligt naar het oordeel van het hof mede besloten verdachtes wetenschap dat dat mosterdgas door Irak gebruikt zou worden in de oorlog die Irak voerde tegen en in Iran en tegen de bondgenoten, dan wel degenen die als zodanig beschouwd werden, van Iran voorzover zij ook met het Iraakse regime in Irak zelf in een gewapend conflict waren, zoals dat gebruik van mosterdgas zich ook daadwerkelijk gerealiseerd heeft. Het hof wijst er in dit verband op dat de verdachte rechtstreekse, en in een enkel geval langdurige, contacten had met vooraanstaande personen bij de productie van mosterdgas in Al Muthanna. Door zijn welbewuste bijdrage aan de productie van mosterdgas in een oorlogvoerend land wist de verdachte in de gegeven omstandigheden dat hij gelegenheid en middelen verschafte voor het daadwerkelijk gebruik van dat gas, in die zin dat hij zich er (terdege) van bewust was dat dat gebruik na de productie van dat mosterdgas volgens de normale loop der dingen, niet kon en zou uitblijven. Iets anders gezegd: de verdachte was zich er (terdege) van bewust dat dat gas bij een normale gang van zaken - 'in the ordinary cause of events'- gebruikt ging worden. Het hof gaat er daarbij vanuit dat ook de verdachte, in weerwil van het door hem omtrent zijn kennis daarover verklaarde, bekend was met het - ook toen alom bekende - niets en niemand ontziende karakter van het toenmalige regime in Irak. Het hof merkt voorts nog op dat uit niets kan blijken dat de productie van mosterdgas waaraan verdachte een belangrijke bijdrage leverde, slechts diende en bestemd was voor opslag of enig ander gebruik dan aanwending in de oorlogsvoering. Het hof overweegt daarbij - wellicht ten overvloede - dat normaliter producten geproduceerd worden met het oog op enig gebruik daarvan. Dat de verdachte kon menen dat het mosterdgas alleen voor opslag ("Stockpiling") zou worden gebruikt acht het hof geenszins aannemelijk geworden. Het enig denkbare doel daarvan zou hebben kunnen zijn het openlijk ter beschikking houden daarvan met het oog op afschrikking van de (potentiële) vijand ("deterrence"), maar ook dat acht het hof geenszins aannemelijk geworden, mede gelet op de omstandigheid dat juist angstvallig getracht werd het chemisch wapenprogramma geheim te houden, hetgeen de verdachte, in het bijzonder gelet op zijn wetenschap omtrent het gebruik van 'covernames' bekend was. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte, gezien ook het hierna onder het hoofd 'causaliteit' overwogene, - samen met anderen - opzettelijk gelegenheid en middelen verschaft tot het in de bewezenverklaring omschreven handelen van de in die bewezenverklaring aangeduide personen. Gelet op al het vorenoverwogene is de verdachte aldus opzettelijk medeplichtig geweest aan dat handelen. 11.
  5. Het hof leidt mede uit de omstandigheid (...) af dat verdachte op dat moment (6 mei 1988) nog TDG wilde leveren. Dat moment viel ruim na de aanval d.d. 16 maart 1988 op Halabja, waaromtrent verdachte op 25 mei 2005 (C.l.b.8) verklaarde dat hij "na maart 1988 diep geschokt was". Mede hieruit leidt het hof af dat de verdachte zich welbewust niet door hem bekende verschrikkingen van aanvallen met gif- dan wel mosterdgas liet weerhouden TDG aan Irak te leveren. Het hof merkt hierbij nog op dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat hem het gebruik van mosterdgas in de eerste wereldoorlog en de gevolgen daarvan al langer bekend waren. Het hof acht geenszins aannemelijk geworden dat de verdachte - zoals door hem en zijn raadslieden betoogd - zich tegenover [betrokkene 1] en de leveranciers op slinkse wijze en al trainerend aan deelname aan verdere leveringen trachtte te onttrekken. Naar het oordeel van het hof had de verdachte, zo hij dat gewild zou hebben, immers kunnen volstaan met de simpele mededeling dat hij niet meer meewerkte aan verdere leveringen. 11.
  6. (...) 11.
  7. Het hof merkt hier reeds op dat naar zijn oordeel het opzet van de verdachte met betrekking tot het onder 1 subsidiair tenlastegelegde handelen zich niet uitstrekte tot de omstandigheid dat dat handelen een uiting is geweest van een politiek van stelselmatige terreur of wederrechtelijk optreden tegen een bepaalde groep van de bevolking. Het hof neemt hierbij het in artikel 49 lid 4 van het Wetboek van Strafrecht bepaalde in aanmerking." 6.
  8. Voorts heeft het hof ter motivering van de 'causaliteit' onder meer het volgende overwogen: (p. 39) "12.1.1 Inleiding 12.1.1 Op grond van het hiervoor overwogene staat vast dat de verdachte in de jaren 1985 en volgende Thiodiglycol (TDG) aan Irak heeft geleverd, in de wetenschap dat deze stof een precursor voor mosterdgas is. Naar 's hofs oordeel is de verdachte zich er bovendien minstgenomen van bewust geweest dat het in de lijn der verwachting lag dat het gemaakte mosterdgas op het slagveld zou worden ingezet, niet alleen in het internationale gewapende conflict waarin Irak en Iran al enkele jaren met elkaar waren verwikkeld, maar ook tegen de Koerden in eigen land die de zijde van Iran hadden gekozen en zich aldus in het conflict hadden gemengd. Voor de beoordeling van het tenlastegelegde verwijt - medeplichtigheid aan schending van de wetten (en gebruiken) van de oorlog door de machthebbers in Irak door hen de genoemde precursor TDG te leveren - is het van belang om te bepalen welke rol verdachtes leveranties hebben gespeeld bij de productie van mosterdgas en de daadwerkelijke inzet van met dat gas gevulde munitie op de in de tenlastelegging genoemde plaatsen en tijdstippen. 12.1.2 Over het antwoord op deze vraag is uitvoerig gerapporteerd door de door de rechter-commissaris ingeschakelde getuige-deskundige [A], die zowel in eerste aanleg als in hoger beroep ook ter terechtzitting is gehoord. [A] had ook al in een eerder stadium het opsporingsteam bijstand verleend bij het onderzoek naar met deze materie verband houdende vragen. Hierna zal vooral worden verwezen naar het 'Rapport' van 10 november 2005 en het 'Aanvullend rapport' van 3 december 2005 van de getuige-deskundige. [A] onderscheidt in zijn rapportages ten gronde. twee scenario's, één rekenkundig scenario op basis van een stoffenbalans, welk scenario hij zelf als 'extreem' omschrijft, naast een in zijn ogen veel plausibeler 'mengscenario'. (p. 51) 12.
  9. Conclusie Op grond van hetgeen hierboven werd vermeld kan het navolgende worden vastgesteld: a) de verdachte heeft een belangrijk aandeel gehad in de levering aan het Iraakse regime van de precursor Thiodiglycol voor de vervaardiging; van mosterdgas: tenminste 38% van deze in de jaren 1980 tot en met 1988 geleverde grondstof was van hem afkomstig. Indien inderdaad vanuit het Verenigd Koninkrijk in die jaren ook nog TDG aan Irak mocht zijn geleverd doet dat gegeven géén afbreuk aan de kwalificatie van verdachtes aandeel als 'belangrijk'; b) toen leveranties van anderen uiterlijk in de loop van 1984 werden beëindigd, heeft de verdachte aldus tot het voorjaar van 1988 tenminste 1.116 ton van deze precursor geleverd; c) verdachtes eerste zending TDG is tegen de zomer van 1985 in Irak aangekomen; dat jaar leverde hij in totaal rond 197 ton. Het hof acht het op grond van hetgeen hierboven onder 12.3 werd overwogen alleszins aannemelijk dat in de loop van dat jaar ook van hem afkomstige TDG bij de productie is gebruikt en uiteindelijk als mosterdgas in munitie bij de in de tenlastelegging omschreven aanvallen is gebruikt. Doorslaggevend voor zijn medeverantwoordelijkheid voor de in de tenlastelegging genoemde aanvallen (voor zover daarbij mosterdgas werd ingezet) is het navolgende: d) vanaf 1985 was het regime voor de suppletie van de essentiële precursor TDG geheel afhankelijk van de leveranties van de verdachte; e) de voortgezette uitvoering van het verderfelijke beleid van dit regime, dat vanaf 1984 jaarlijks honderden tonnen van dit gifgas in de strijd meende te moeten gebruiken, was dus in beslissende mate zo niet geheel afhankelijk van die leveranties. Gelet op de cruciale betekenis die de leveranties TDG van de verdachte sedert 1985 voor het chemisch wapenprogramma van het regime hebben gehad is het hof van oordeel dat de verdachte (met de zijnen) medeplichtig is geweest door het verschaffen van gelegenheid en middelen aan de bewezenverklaarde aanvallen met mosterdgas in de jaren 1987 en 1988." 6.
  10. In de toelichting wordt gesteld dat het hof door te overwegen dat "verdachte zich er (terdege) van bewust was dat dat gebruik na de productie van dat mosterdgas volgens de normale loop der dingen, niet kon en zou uitblijven", en "dat de verdachte zich er (terdege) van bewust was dat dat gas bij een normale gang van zaken - "in the ordinary cause of events"- gebruikt ging worden", onvoldoende zou hebben gemotiveerd dat verdachte wist dat het regime en/of Saddam Hussein zou overgegaan tot het gebruik van mosterdgas als oorlogsmiddel. Daarmee zou het hof een onjuiste, althans te ruime maatstaf hebben gehanteerd voor het bewezenverklaarde opzet op het gronddelict. 6.
  11. Voorop staat dat medeplichtigheid dubbel opzet vereist; dat wil zeggen dat het opzet moet zijn gericht op het feit van hulpverlening (de medeplichtigheid) én op het misdrijf dat wordt ondersteund. De vraag rijst nu of het hof zulk opzet aanwezig heeft kunnen achten. 6.
  12. De steller van het middel gaat er klaarblijkelijk vanuit dat het hof heeft geoordeeld dat verdachte de grondstof heeft geleverd met voorwaardelijk opzet op de aanwending van mosterdgas door het Iraakse regime in de oorlog tegen Iran en in de strijd tegen de Koerden. Ik lees dat evenwel niet in de overwegingen van het hof. Het hof heeft opzet van verdachte aangenomen omdat verdachte wist dat het gebruik van mosterdgas door het Iraakse regime niet zou uitblijven. Aldus heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat verdachte een ingrediënt voor de aanmaak van mosterdgas heeft geleverd in de verwachting dat dat mosterdgas zou worden geproduceerd en zou worden aangewend. Het hof heeft zich daarbij onder meer gebaseerd op de vaststelling dat verdachte de bestemming van de grondstof kende en op de hoogte was van het niets en niemand ontziende karakter van het toenmalige regime in Irak. Het hof heeft zich dus niet uitgesproken over de uitkomst van een toepassing van algemene ervaringsregels maar over de inhoud van de verwachting van verdachte, over de inhoud van zijn wetenschap. 6.
  13. Dat verdachte deze verwachting had kan niet rechtstreeks blijken uit de uitlatingen van verdachte zelf. De verdachte heeft niet toegegeven dat hij wist dat de door hem geleverde stof voor de aanmaak van mosterdgas zou worden gebruikt en dat dat mosterdgas ook zou worden toegepast. Het hof heeft de inhoud van de wetenschap van verdachte afgeleid uit andere omstandigheden, welke door het hof zijn aangewezen. De conclusie die het hof trekt uit deze omstandigheden is gebaseerd op een uitleg van de gebezigde bewijsmiddelen en is dus verweven met waarderingen van feitelijke aard. Dergelijke vaststellingen en gevolgtrekkingen kunnen in cassatie slechts op hun begrijpelijkheid worden onderzocht.
(6)De conclusie die het hof heeft getrokken acht ik niet onbegrijpelijk, bezien tegen de achtergrond van de overwegingen van het hof over de medeplichtigheid en de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen. Ik wijs er in dit verband slechts op dat uit de bewijsmiddelen 61 tot en met 64 is af te leiden dat verdachte een vooraanstaande gast was op het complex van Al-Muthanna waar het mosterdgas werd geproduceerd, dat verdachte nauwe en persoonlijke contacten onderhield met degenen die daar verantwoordelijk waren voor de productie van mosterdgas en dat verdachte blijkens de gebezigde bewijsmiddelen herhaalde malen ervan op de hoogte is gesteld dat TDG de basis vormt voor de productie van mosterdgas, terwijl hij nooit heeft bemerkt dat TDG in de textiel of andere civiele industrie werd gebruikt (bewijsmiddel 57). 6.8. Ten tweede bevat het tweede middel de klacht dat het bewezenverklaarde opzet op schending van de wetten en gebruiken van de oorlog onvoldoende is gemotiveerd, aangezien het opzet niet op alle bestanddelen van het gronddelict zou zijn gericht. De strafbaarstelling vervat in artikel 8 WOS, waarin wordt verwezen naar schendingen van verdragen, zou te vaag en te wijd zijn, omdat de daarin vervatte strafbaarstellingen niet voldoen aan het vereiste van voorzienbaarheid en/ of kenbaarheid en precisie van een als wet te kwalificeren norm. Zo zou het hof de bewezenverklaring van (voorwaardelijk) opzet op het wederrechtelijk optreden door Saddam Hussein c.s. tegen een bepaalde groep van de Iraakse bevolking onvoldoende hebben gemotiveerd. Ook zou het hof, gelet op het feit dat de Nederlandse strafrechter bij de vaststelling van "opzet" een striktere interpretatie van het begrip "opzet" hanteert dan de internationale tribunalen, geen - de terminologie van de steller van het middel - supervage delictsomschrijving van artikel 8 WOS hebben mogen hanteren.
(7)6.9. Ik veroorloof mij eerst een kleine zijstap naar het opzet van de medeplichtige. De heersende leer is dat globaal opzet voor medeplichtigheid volstaat, en dat opzet op de precieze uitvoering van het misdrijf niet nodig is.
(8)Dat een zekere discrepantie door het voorwaardelijk opzet kan worden overbrugd wekt geen verbazing. In HR 13 november 2001, NJ 2002, 245 verwierp de Hoge Raad het cassatieberoep van de verdachte die veroordeeld was voor medeplichtigheid aan het opzettelijk vernielen van een telefooncel door het tot ontploffing brengen van een vuurwerkbom. Dat verdachte niet op de hoogte was van alle details van het latere handelen van de dader deed aan het bestaan van voorwaardelijk opzet niet af: "3.
  1. Het Hof heeft bewezen verklaard, verbeterd gelezen op de wijze zoals hierna onder 3.6 weergegeven, dat de verdachte opzettelijk middelen heeft verschaft tot het plegen van een misdrijf, te weten vernieling. Daartoe is vereist dat niet alleen bewezen wordt dat verdachtes opzet gericht was op het verschaffen van middelen als bedoeld in art. 48, aanhef en onder 2°, Sr, doch tevens dat verdachtes opzet gericht was op vernieling. Uit de gebezigde bewijsmiddelen heeft het Hof kunnen afleiden, dat ingevolge een gemaakte afspraak de vuurwerkbom op het afgesproken moment in het winkelcentrum de Broeklanden, alwaar de verdachte toen aanwezig was, tot ontploffing zou worden gebracht. Gelet daarop en in aanmerking genomen hetgeen het Hof heeft vastgesteld omtrent de aard van de vuurwerkbom heeft het Hof uit de gebezigde bewijsmiddelen tevens kunnen afleiden dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat door het tot ontploffing brengen van de vuurwerkbom vernielingen zouden worden aangericht en dat aldus sprake was van het tenlastegelegde opzet. Daaraan doet niet af de in het middel aangevoerde omstandigheid dat de verdachte ten tijde van het verschaffen van de middelen bij het vervaardigen van de bom niet wist dat specifiek de onderhavige telefooncel met behulp daarvan zou worden vernield." 6.
  2. Maar er is meer. Uit het eerste arrest waarin de Hoge Raad de grenzen van het opzet van de medeplichtige aan de hand van een uitleg van art. 49 lid 4 Sr nader bepaalde, HR 27 oktober 1987, NJ 1988, 492 m.nt. GEM, is immers af te leiden dat de plegers opzet gehad kunnen gehad op een ander misdrijf dan dat aan de medeplichtige voor ogen stond. In die zaak was de verdachte vrijgesproken van medeplichtigheid aan de gekwalificeerde doodslag van art. 288 Sr. De hoofddaders waren voor dat misdrijf veroordeeld, maar het hof achtte niet bewezen dat de verdachte opzet had op zo een doodslag. Wel zou verdachte opzet hebben gehad op diefstal met geweld maar omdat de hoofddaders voor gekwalificeerde doodslag waren veroordeeld en medeplichtigheid accessoir is was er volgens het hof geen plaats voor een veroordeling voor medeplichtigheid aan het ene danwel het andere misdrijf. De Hoge Raad casseerde op basis van een uitleg van art. 49, vierde lid Sr, waaruit de Hoge Raad afleidde dat de bewezenverklaring en kwalificatie van de medeplichtige die van de dader volgen ook als het opzet van de medeplichtige slechts was gericht op een deel daarvan. Het feit dat de medeplichtige slechts opzet had op diefstal met geweld stond er dus kennelijk niet aan in de weg dat hij zou worden veroordeeld voor medeplichtigheid aan het misdrijf van art. 288 Sr. De Hoge Raad overwoog immers: "6.
  3. In dit verband is van belang dat in art. 48 een beperking, overeenkomend met het bepaalde in het tweede lid van art. 47 Sr, ontbreekt en dat de in het vierde lid van art. 49 vervatte beperking uitsluitend betrekking heeft op het bepalen van de aan de medeplichtige op te leggen straf. 6.
  4. Uit de onder 6.4 genoemde wetsbepalingen, gelezen in onderling verband en samenhang, volgt enerzijds dat ten aanzien van de medeplichtige bij de bewezenverklaring en kwalificatie moet worden uitgegaan van de door de dader verrichte handelingen, ook indien het opzet van de medeplichtige slechts was gericht op een deel daarvan, en anderzijds dat het maximum van de aan de medeplichtige op te leggen straf een derde minder bedraagt dan het maximum van de straf, gesteld op het misdrijf dat de medeplichtige voor ogen stond."
(9)In HR 2 oktober 2007, LJN BA7932 kan men een bevestiging lezen van deze mogelijkheid. In die zaak hadden de hoofddaders zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van moord. Zij hadden gebruikgemaakt van de auto die verdachte aan hen had uitgeleend met de gedachte dat de anderen daarmee een gewapende overval wilden plegen. Het hof had de verdachte veroordeeld voor medeplichtigheid aan het medeplegen van moord op basis van zijn oordeel dat de verdachte, op de hoogte van het feit dat de hoofddaders vuurwapens zouden gebruiken, de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat daarbij iemand de dood zou kunnen vinden. Bij het bepalen van de straf voor de medeplichtige had het hof zich gericht op de strafbedreiging voor doodslag. De Hoge Raad overwoog: "3.
  1. Het Hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte opzettelijk middelen heeft verschaft tot het plegen van een misdrijf, te weten een moord. Daartoe is vereist dat niet alleen bewezen wordt dat verdachtes opzet gericht was op het verschaffen van middelen als bedoeld in art. 48, aanhef en onder 2°, Sr, doch tevens dat verdachtes opzet al dan niet in voorwaardelijke vorm was gericht op het misdrijf (vgl. HR 13 november 2001, LJN AD4372, NJ 2002, 245). Daarbij verdient echter opmerking dat uit de art. 47, 48 en 49 Sr, gelezen in onderling verband en samenhang, volgt dat enerzijds ten aanzien van de medeplichtige bij de bewezenverklaring en kwalificatie moet worden uitgegaan van de door de dader verrichte handelingen, ook indien het opzet van de medeplichtige slechts was gericht op een deel daarvan, en dat anderzijds het maximum van de aan de medeplichtige op te leggen straf een derde minder bedraagt dan het maximum van de straf, gesteld op het misdrijf dat de medeplichtige voor ogen stond (vgl. HR 27 oktober 1987, NJ 1988, 492). 3.
  2. Het Hof heeft in zijn hiervoor onder 3.2.2 weergegeven overwegingen tot uitdrukking gebracht dat de verdachte in algemene zin op de hoogte was van het voornemen van de daders tot het plegen van een overval, dat hij anders dan de daders geen voorbedachte raad ten aanzien van de dood van het slachtoffer heeft gehad, maar wel (voorwaardelijk) opzet op de dood van een slachtoffer. Het daarop gebaseerde oordeel van het Hof dat het handelen van de verdachte als medeplichtigheid aan moord kan worden gekwalificeerd, geeft gelet op hetgeen hiervoor onder 3.4 is overwogen, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. De in het middel gehuldigde opvatting dat in een geval als het onderhavige ook bij de medeplichtige sprake moet zijn geweest van voorbedachte raad, vindt geen steun in het recht." 6.
  3. In deze overwegingen proef ik toch wel een zekere spanning. Enerzijds verlangt de Hoge Raad dat verdachtes opzet al dan niet in voorwaardelijke vorm was gericht op het misdrijf. Anderzijds "verdient echter opmerking" dat voor medeplichtigheid aan het misdrijf van de hoofddader kan worden veroordeeld ook als het opzet van de medeplichtige slechts was gericht op een deel van de handelingen van de ander. De vraag is wat de Hoge Raad hiermee precies bedoelt. Moet het opzet van de medeplichtige inderdaad alle bestanddelen van het misdrijf omvatten, zonder dat evenwel de medeplichtige van de details op de hoogte hoeft te zijn? Of is ook mogelijk dat de medeplichtige opzet op een of meer bestanddelen van het misdrijf mist, mits hij opzet heeft op de kern van dat misdrijf. De medeplichtige die denkt dat zijn hulp strekt tot het bevorderen van een afpersing, terwijl de hoofddaders de hulp aanwenden om hun opzet om het slachtoffer van het leven te beroven uit te voeren, kan dan als medeplichtige aan het misdrijf van de hoofddaders worden veroordeeld als zijn opzet op geweldgebruik was gericht. De eerste uitleg voegt weinig toe aan de mogelijkheden die het voorwaardelijk opzet al biedt. De tweede uitleg opent de mogelijkheid tot een ruimere aansprakelijkheid van de medeplichtige, maar heeft weer als nadeel dat de grenzen van de aansprakelijkheid van de medeplichtige niet meer zo helder afgebakend zijn, omdat immers nodig is vast te stellen welk deel van de handelingen van de hoofddader zo kenmerkend is voor het misdrijf dat opzet van medeplichtige daarop voldoende is om hem strafrechtelijk aansprakelijk te maken. 6.
  4. Nu weer terug naar het lex-certabeginsel en de vraag of - gezien de vaagheid van de inhoud van "de wetten en gebruiken van de oorlog" - aan de motivering van het bewijs van het opzet nadere eisen te stellen zijn. Uitgangspunt van de steller van het middel is dat spanning met het lex-certabeginsel extra eisen doet stellen aan de motivering van opzet. Dit uitgangspunt heeft ook tot consequentie dat als dat beginsel niet in het geding is het bewijs van opzet ook geen nadere redengeving behoeft. 6.
  5. In hoger beroep heeft de verdediging geen beroep gedaan op de omstandigheid dat het voor verdachte niet duidelijk is geweest wat nu rechtens ongeoorloofd was. Een zelfstandig beroep op art. 7 lid 1 EVRM is niet gedaan. Dat verdachte niet op de hoogte is geweest van wat de wetten en gebruiken van de oorlog verbieden, of dat hij de inhoud van deze onderdelen van het volkenrecht niet heeft kunnen achterhalen is niet gesteld. Ik merk op dat ook ongeschreven recht valt onder 'law' als genoemd in artikel 7 lid 1 EVRM. Ik citeer het EHRM
(10): "
  1. Accordingly, as the Court held in its Kokkinakis v. Greece judgment of 25 May 1993 (Series A no. 260-A, p. 22, para. 52), Article 7 (art. 7) is not confined to prohibiting the retrospective application of the criminal law to an accused's disadvantage: it also embodies, more generally, the principle that only the law can define a crime and prescribe a penalty (nullum crimen, nulla poena sine lege) and the principle that the criminal law must not be extensively construed to an accused's detriment, for instance by analogy. From these principles it follows that an offence must be clearly defined in the law. In its aforementioned judgment the Court added that this requirement is satisfied where the individual can know from the wording of the relevant provision and, if need be, with the assistance of the courts' interpretation of it, what acts and omissions will make him criminally liable. The Court thus indicated that when speaking of "law" Article 7 (art. 7) alludes to the very same concept as that to which the Convention refers elsewhere when using that term, a concept which comprises written as well as unwritten law and implies qualitative requirements, notably those of accessibility and foreseeability (see, as a recent authority, the Tolstoy Miloslavsky v. the United Kingdom judgment of 13 July 1995, Series A no. 316-B, pp. 71-72, para. 37).
  2. However clearly drafted a legal provision may be, in any system of law, including criminal law, there is an inevitable element of judicial interpretation. There will always be a need for elucidation of doubtful points and for adaptation to changing circumstances. Indeed, in the United Kingdom, as in the other Convention States, the progressive development of the criminal law through judicial law-making is a well entrenched and necessary part of legal tradition. Article 7 (art. 7) of the Convention cannot be read as outlawing the gradual clarification of the rules of criminal liability through judicial interpretation from case to case, provided that the resultant development is consistent with the essence of the offence and could reasonably be foreseen." Hetzelfde geldt voor het internationale humanitaire recht waarvan overtredingen in de nationale rechtsorde zijn strafbaar gesteld. Voorts wijs ik erop dat verdachte als professionele en internationale speler op de grondstoffenmarkt heeft gehandeld met een land in oorlog, een land met een bedenkelijke reputatie. Onder deze omstandigheden mocht van verdachte, die was gewaarschuwd voor de kwalijke mogelijkheden van TDG, worden verlangd dat hij zich grondig zou laten informeren over de grenzen die het nationale en internationale recht aan zijn gedragingen stelde.
(11)Dat heeft verdachte niet gedaan, integendeel. Verdachte heeft juist voor de buitenwereld verborgen gehouden dat hij een - naar hij wist - grondstof voor mosterdgas leverde aan het regime van een dictator van een land in oorlog. 6.
  1. Het hof heeft terecht geoordeeld dat voor het onder feit
  2. subsidiair tenlastegelegde "tot het plegen van welk misdrijf verdachte opzettelijk gelegenheid en middelen heeft verschaft" voldoende is dat verdachte heeft verwacht dat de grondstof die hij leverde zou worden gebezigd voor de aanmaak van mosterdgas en dat dit mosterdgas ook zou worden gebruikt. Samengevat: gelet op het feit dat verdachte wist dat zijn leveringen van TDG dienden voor de productie van mosterdgas in een land dat in een langdurige oorlog was verwikkeld met een buurland en dat getracht werd de levering van een precursor van dat gas en de productie van dat gifgas zelf zoveel mogelijk te verheimelijken, heeft het hof uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden dat de verdachte verwachtte dat Irak gebruik zou maken van mosterdgas in de oorlog die Irak voerde tegen en in Iran en tegen de bondgenoten, en dat aldus sprake was van het tenlastegelegde opzet. 6.
  3. De derde klacht vervat in het tweede middel betreft in hoofdzaak de vraag of het handelen van verdachte daadwerkelijk de inzet van mosterdgas heeft bevorderd en bevat drie onderdelen, die achtereenvolgens zullen worden besproken. 6.
  4. In het eerste onderdeel van de derde klacht van het tweede middel wordt gesteld dat het hof niet tot een bewezenverklaring van medeplichtigheid had kunnen komen, nu verdachte door het leveren van een hoeveelheid TDG aan het Iraakse regime - door het hof vastgesteld op 38% - niet een significante of substantiële bijdrage heeft geleverd waardoor hij het grondfeit, te weten het schenden van de wetten en gebruiken van de oorlog, daadwerkelijk heeft bevorderd of gemakkelijk gemaakt als wordt vereist voor medeplichtigheid in de zin van art. 48 Sr. Nu het hof heeft vastgesteld dat 62% van de aan het Iraakse regime geleverde partij TDG niet door verdachte maar vanuit het Verenigd Koninkrijk is geleverd, had het hof niet tot een bewezenverklaring van medeplichtigheid kunnen komen, omdat niet uit te sluiten valt dat het produceren van mosterdgas bestemd voor chemische aanvallen ook mogelijk zou zijn geweest zonder verdachtes leveringen van TDG. 6.
  5. Ten aanzien van het eerste onderdeel van de derde klacht van het tweede middel geldt het volgende. Medeplichtigheid vereist dat verdachte een aantoonbare bijdrage aan het misdrijf heeft geleverd. Anders dan in de toelichting op de klacht onder 22 wordt gesteld, behoeft de bijdrage van de medeplichtige echter niet van significante of substantiële betekenis te zijn.
(12)Niet nodig is dat de medeplichtige een zo wezenlijke bijdrage aan de totstandkoming van het misdrijf heeft geleverd dat de dader zonder die bijdrage het feit niet had kunnen begaan.
(13)Evenmin achtte de Hoge Raad steun in het recht aanwezig voor de eis dat de medeplichtige 'een adequate causale bijdrage' aan het grondfeit moet hebben geleverd.
(14)Voldoende is indien kan worden vastgesteld dat de medeplichtige het strafbare feit daadwerkelijk heeft bevorderd. Onder 18 van de toelichting op middel 2 geeft het middel blijk van een verkeerde lezing van het arrest van het hof. Het hof heeft niet de mogelijkheid opengelaten dat de leveringen van verdachte niet met zekerheid hebben geleid tot het te verwachten gebruik, integendeel. In overweging 11.18 heeft het hof juist tot uitdrukking gebracht dat het gebruik van het gifgas met zekerheid te verwachten was. Wat de steller van het middel onder 19 aanvoert doet er niet aan af dat de verdediging de door de deskundige [A] gebruikte methoden van berekening niet heeft betwist. Dat de verdediging verzocht heeft om inschakeling van nog een andere deskundige om te kunnen bezien of de verklaringen van de deskundige [A] wel consistent waren doet alleen maar blijken dat de verdediging zelf geen gaten kon schieten in de verklaringen die [A] heeft afgelegd. 6.18. Dat verdachte daadwerkelijk de inzet van mosterdgas heeft bevorderd is niet onverenigbaar met het feit dat wellicht de meerderheid van de totale hoeveelheid grondstof TDG voor de bereiding van mosterdgas niet van verdachte afkomstig is. Als immers vaststaat dat de leveranties van verdachte hebben bijgedragen aan de fabricage van mosterdgas, welk mosterdgas ook daadwerkelijk is gebruikt, is er voldoende grondslag voor het aannemen van medeplichtigheid. Hetgeen de steller van het middel aanvoert over de oorsprong van de totale hoeveelheid TDG die Irak heeft ingevoerd ziet eraan voorbij dat het enkele feit dat verdachte "slechts" 38 procent van die leveranties voor zijn rekening heeft genomen onvoldoende is om aan te nemen dat de verdachte door zijn leveringen het in de bewezenverklaring vastgestelde gebruik van mosterdgas niet heeft bevorderd. Het gaat immers niet enkel om de hoeveelheid die verdachte heeft geleverd, maar zeker ook om de tijdsperiode waarin de verdachte dat heeft gedaan en de vraag in welke volgorde en op welk moment de voorraad geleverde TDG ten behoeve van de productie van mosterdgas werd aangesproken. Daarover heeft het hof onder meer overwogen: "12.3. Het mengscenario Een fundamenteel ander, in de ogen van [A] niet 'extreem' maar meest realistische scenario is, dat om een aantal redenen al kort na de eerste levering van TDG door de verdachte hoeveelheden daarvan, vermengd met hoeveelheden van 'derden' bij de productie van mosterdgas zijn gebruikt en dat dit mosterdgas betrekkelijk kort nadien in munitie terecht is gekomen en deze munitie ook daadwerkelijk is gebruikt. Dit mengscenario berust op de navolgende door [A] in zijn rapport respectievelijk ter terechtzitting in hoger beroep aangegeven overwegingen.
  1. a)bij het magazijnbeheer was geen sprake van een first in first out scenario, noch van een first in last out scenario, zulks mede op grond van het gegeven dat de containers met TDG met het oog op luchtaanvallen overal over het terrein verspreid stonden. De TDG die voorhanden was werd gebruikt;
  2. b)blijkens de in het rapport van [A] (p.27/28) weergegeven verklaringen op dat punt werd de TDG na aankomst betrekkelijk snel bij de productie van mosterdgas gebruikt;
  3. c)afhankelijk van de grootte van de batch die moest worden gemaakt, werden corresponderende verpakkingen TDG erbij gezocht;
  4. d)vermenging was ook nodig om de beoogde kwaliteit van het mosterdgas te bewerkstelligen;
  5. e)na productie werd mosterdgas in opslagtanks opgeslagen, waardoor eveneens vermenging ontstond. In dit scenario valt aan te nemen dat TDG van de verdachte in de loop van het derde kwartaal van 1985 (Rapport p. 28, anders tz
  6. hb)in munitie met mosterdgas terecht is gekomen. (...) 12.5. Conclusie Op grond van hetgeen hierboven werd vermeld kan het navolgende worden vastgesteld:
  7. a)de verdachte heeft een belangrijk aandeel gehad in de levering aan het Iraakse regime van de precursor Thiodiglycol voor de vervaardiging van mosterdgas: tenminste 38% van deze in de jaren 1980 tot en met 1988 geleverde grondstof was van hem afkomstig. Indien inderdaad vanuit het Verenigd Koninkrijk in die jaren ook nog TDG aan Irak mocht zijn geleverd doet dat gegeven géén afbreuk aan de kwalificatie van verdachtes aandeel als 'belangrijk' ;
  8. b)toen leveranties van anderen uiterlijk in de loop van 1984 werden beëindigd, heeft de verdachte aldus tot het voorjaar van 1988 tenminste 1.116 ton van deze precursor geleverd;
  9. c)verdachtes eerste zending TDG is tegen de zomer van 1985 in Irak aangekomen; dat jaar leverde hij in totaal rond 197 ton. Het hof acht het op grond van hetgeen hierboven onder 12.3 werd overwogen alleszins aannemelijk dat in de loop van dat jaar ook van hem afkomstige TDG bij de productie is gebruikt en uiteindelijk als mosterdgas in munitie bij de in de tenlastelegging omschreven aanvallen is gebruikt. Doorslaggevend voor zijn medeverantwoordelijkheid voor de in de tenlastelegging genoemde aanvallen (voor zover daarbij mosterdgas werd ingezet) is het navolgende:
  10. d)vanaf 1985 was het regime voor de suppletie van de essentiële precursor TDG geheel afhankelijk van de leveranties van de verdachte;
  11. e)de voortgezette uitvoering van het verderfelijke beleid van dit regime, dat vanaf 1984 jaarlijks honderden tonnen van dit gifgas in de strijd meende te moeten gebruiken, was dus in beslissende mate zo niet geheel afhankelijk van die leveranties. Gelet op de cruciale betekenis die de leveranties TDG van de verdachte sedert 1985 voor het chemisch wapenprogramma van het regime hebben gehad is het hof van oordeel dat de verdachte (met de zijnen) medeplichtig is geweest door het verschaffen van gelegenheid en middelen aan de bewezenverklaarde aanvallen met mosterdgas in de jaren 1987 en 1988." Het hof is ervan uitgegaan dat in 1984 de leveranties van anderen zijn gestopt en dat vanaf toen uitsluitend verdachte nog TDG aan Irak leverde. Voorts heeft het hof blijkens bewijsmiddel 67 aangenomen dat Irak met ingang van 1981 mosterdgas heeft aangewend op het slagveld. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de tabellen 5A en 5B die in bewijsmiddel 67 zijn opgenomen. Tot 1985 is dus uitsluitend TDG die van anderen afkomstig is aangewend, met ingang van 1985 ook TDG die verdachte leverde. Het hof is er voorts van uitgegaan dat er werd geproduceerd volgens een mengscenario, waarbij met ingang van 1985 de door verdachte geleverde TDG werd aangesproken. In deze gedachtegang is het logisch dat naarmate de tijd sinds 1984 verstreek het aandeel van de door verdachte geleverde TDG in de productie van mosterdgas steeds groter is geworden. Deze redenering is niet onbegrijpelijk en kan de conclusie dragen dat verdachte door zijn leveringen de aanwending van mosterdgas in 1987 en 1988 daadwerkelijk heeft bevorderd. 6.19. Het tweede onderdeel van de derde klacht van het tweede middel bestrijdt 's hofs overweging dat normaliter producten worden aangemaakt met het oog op enig gebruik daarvan en dat het onaannemelijk is geworden dat het enig denkbare doel van de opslag van het mosterdgas afschrikking van de (potentiële) vijand zou kunnen zijn geweest, mede gelet op de omstandigheid dat juist angstvallig getracht werd het chemisch wapenprogramma geheim te houden. In het middel wordt ervan uitgegaan dat deze overweging van het hof redengevend is voor de vaststelling van het hof dat verdachte medeplichtig is geweest en dat dit argument niet ten overvloede is gegeven. De steller van het middel voert aan dat dit argument van het hof onjuist is en dat daarom, mede in het licht van de rol van de afschrikking in de mondiale verhoudingen, de recente geschiedenis van Irak, en het feit dat het aanvallen met chemische wapens van een bevolking zodanig extreem is en niet eerder door het regime van Irak is gepleegd, de inzet van mosterdgas voor verdachte niet te voorzien is geweest. 6.20. Het hof heeft ten aanzien van het hier bedoelde onderdeel van de klacht onder meer het volgende overwogen: (p. 36) 11.16. In de wetenschap van de verdachte dat zijn leveringen van TDG dienden voor de productie van mosterdgas in een land dat in een langdurige oorlog was verwikkeld met een buurland en dat getracht werd de levering van een precursor van dat gas en de productie van dat gifgas zelf zoveel mogelijk te verheimelijken ligt naar het oordeel van het hof mede besloten verdachtes wetenschap dat dat mosterdgas door Irak gebruikt zou worden in de oorlog die Irak voerde tegen en in Iran en tegen de bondgenoten, dan wel degenen die als zodanig beschouwd werden, van Iran voorzover zij ook met het Iraakse regime in Irak zelf in een gewapend conflict waren, zoals dat gebruik van mosterdgas zich ook daadwerkelijk gerealiseerd heeft. Het hof wijst er in dit verband op dat de verdachte rechtstreekse, en in een enkel geval langdurige, contacten had met vooraanstaande personen bij de productie van mosterdgas in Al Muthanna. Door zijn welbewuste bijdrage aan de productie van mosterdgas in een oorlogvoerend land wist de verdachte in de gegeven omstandigheden dat hij gelegenheid en middelen verschafte voor het daadwerkelijk gebruik van dat gas, in die zin dat hij zich er (terdege) van bewust was dat dat gebruik na de productie van dat mosterdgas volgens de normale loop der dingen, niet kon en zou uitblijven. Iets anders gezegd: de verdachte was zich er (terdege) van bewust dat dat gas bij een normale gang van zaken - 'in the ordinary cause of events'- gebruikt ging worden. Het hof gaat er daarbij vanuit dat ook de verdachte, in weerwil van het door hem omtrent zijn kennis daarover verklaarde, bekend was met het - ook toen alom bekende - niets en niemand ontziende karakter van het toenmalige regime in Irak. Het hof merkt voorts nog op dat uit niets kan blijken dat de productie van mosterdgas waaraan verdachte een belangrijke bijdrage leverde, slechts diende en bestemd was voor opslag of enig ander gebruik dan aanwending in de oorlogsvoering. Het hof overweegt daarbij - wellicht ten overvloede - dat normaliter producten geproduceerd worden met het oog op enig gebruik daarvan. Dat de verdachte kon menen dat het mosterdgas alleen voor opslag ("Stockpiling") zou worden gebruikt acht het hof geenszins aannemelijk geworden. Het enig denkbare doel daarvan zou hebben kunnen zijn het openlijk ter beschikking houden daarvan met het oog op afschrikking van de (potentiële) vijand ("deterrence"), maar ook dat acht het hof geenszins aannemelijk geworden, mede gelet op de omstandigheid dat juist angstvallig getracht werd het chemisch wapenprogramma geheim te houden, hetgeen de verdachte, in het bijzonder gelet op zijn wetenschap omtrent het gebruik van 'covernames' bekend was. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte, gezien ook het hierna onder het hoofd 'causaliteit' overwogene, - samen met anderen - opzettelijk gelegenheid en middelen verschaft tot het in de bewezenverklaring omschreven handelen van de in die bewezenverklaring aangeduide personen. Gelet op al het vorenoverwogene is de verdachte aldus opzettelijk medeplichtig geweest aan dat handelen. 11.17. Het hof leidt mede uit de omstandigheid dat in een bericht van [betrokkene 1] d.d. 6 mei 1988 (H10/4750) aan een zekere [betrokkene 13] in Amerika omtrent de zaken met '[verdachte]' (hof: verdachte) onder meer vermeld staat: "he is anxiousely wishing to make shipment of 10 Ctrs T.H.D. (hof: TDG) cargoes due tot his clients are causing Materials Short Supply" en dat door verdachte op 8 december 2004 (C.1.b.4) daaromtrent verklaard is: "dat hij het zo genoemd heeft" af dat verdachte op dat moment (6 mei 1988) nog TDG wilde leveren. Dat moment viel ruim na de aanval d.d. 16 maart 1988 op Halabja, waaromtrent verdachte op 25 mei 2005 (C.l.b.8) verklaarde dat hij "na maart 1988 diep geschokt was". Mede hieruit leidt het hof af dat de verdachte zich welbewust niet door hem bekende verschrikkingen van aanvallen met gif- dan wel mosterdgas liet weerhouden TDG aan Irak te leveren. Het hof merkt hierbij nog op dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat hem het gebruik van mosterdgas in de eerste wereldoorlog en de gevolgen daarvan al langer bekend waren. Het hof acht geenszins aannemelijk geworden dat de verdachte - zoals door hem en zijn raadslieden betoogd - zich tegenover [betrokkene 1] en de leveranciers op slinkse wijze en al trainerend aan deelname aan verdere leveringen trachtte te onttrekken. Naar het oordeel van het hof had de verdachte, zo hij dat gewild zou hebben, immers kunnen volstaan met de simpele mededeling dat hij niet meer meewerkte aan verdere leveringen. 11.18. Tot de overtuiging van het hof dat de verdachte, in de wetenschap dat het door hem geleverde product voor de productie van een strijdmiddel werd gebruikt en ongeacht het met zekerheid te verwachten gebruik en de gevolgen daarvan, de grondstof voor mosterdgas TDG aan Irak leverde, werkt mede de omstandigheid dat de verdachte naar het oordeel van het hof op vele punten omtrent zijn handelen en wetenschap terzake, zoals op het punt van de eindbestemming en het gebruik van TDG voor de productie van mosterdgas, ongeloofwaardig en kennelijk leugenachtig heeft verklaard. 6.21. Wat het hof heeft overwogen over de normale gang van zaken wanneer een stof als mosterdgas wordt geproduceerd is mijns inziens een overweging ten overvloede omdat uit hetgeen het hof daarvoor heeft overwogen voldoende blijkt waarom het hof van mening is dat verdachte bekend was met de aanwending van de grondstof die hij leverde. Maar ook als men deze mening niet deelt gaan de bezwaren die de steller van het middel opvoert mijns inziens niet op. Dat afschrikking in de verhouding tussen elkaar niet welgezinde staten een belangrijke rol speelt kan ik onderschrijven. Dat betekent niet dat massavernietigingswapens die thans in de internationale verhoudingen de afschrikking dienen alleen maar daarvoor zijn ontwikkeld en geproduceerd. De Tweede Wereldoorlog levert daarvan het bewijs. In de strijd tegen Japan zijn immers wel degelijk kernwapens effectief ingezet. De steller van het middel gaat ervan uit dat het bezit van massavernietigingswapens door de ene staat een andere staat ervan kan afhouden die bezittende staat aan te vallen maar ziet eraan voorbij dat Irak gewikkeld was in een oorlog met Iran en dat dan het stadium van een machtsevenwicht gebaseerd op wederzijdse afschrikking al is gepasseerd. Het hof heeft ook benadrukt dat de verdachte TDG heeft geleverd aan een land in oorlog en tegen die achtergrond de verheimelijking van de leveringen door verdachte van deze stof geplaatst. Ik acht deze redenering niet onbegrijpelijk en de vergelijkingen die de steller van het middel maakt met de geheimhouding van wapenprogramma's in andere landen gaan volgens mij niet op omdat zij abstraheren van het feit dat Irak daadwerkelijk in oorlog was. 6.22. In het derde onderdeel van de derde klacht van het tweede middel wordt gesteld dat het bewijs dat Saddam Hussein c.s. opzettelijk gebruiken van de oorlog heeft/ hebben geschonden ontoereikend is, nu het gebruik van zogenoemde C-wapens in oorlogen ook na de totstandkoming van het Gasprotocol uit 1925 en de Geneefse Conventies straffeloos is gebleven. 6.23. Nu de steller van het middel dit onderdeel van de derde klacht niet nader onderbouwt dan door een niet te volgen verwijzing naar een toelichting elders, behoeft dit onderdeel mijns inziens geen bespreking. 7.1. Het derde middel behelst de klacht dat het hof in strijd met het in artikel 1 Sr, juncto artikel 6, 7 EVRM, 15 IVBPR, 94 Gw vervatte lex certa beginsel art. 8 WOS verbindend heeft verklaard, nu de in deze bepaling vervatte strafbaarstelling "hij die zich schuldig maakt aan schending van de wetten en gebruiken van de oorlog" dermate vaag is en een zo grote interpretatieruimte openlaat dat deze bepaling niet van toepassing dient te worden verklaard. 7.2. Onder 6.12 en 6.13 heb ik al enige aandacht gewijd aan het lex certa beginsel. Ter aanvulling merk ik het volgende op. Uit de tekst van artikel 8 WOS, zoals hiervoor onder 5.2 weergegeven, valt zonder meer op te maken dat de wetgever indertijd ervoor heeft gekozen om de exacte internationaalrechtelijke regeling niet in de wet te definiëren, maar te volstaan met een verwijzing naar het gehele internationale recht. Blijkens de MvT op de Wet Internationale Misdrijven (Wet van 19 juni 2003, Stb. 2003, 270, hierna: WIM) is de term 'wetten en gebruiken van de oorlog" synoniem aan de term "humanitair oorlogsrecht", alsmede aan de term "recht inzake gewapende conflicten" (in het Engels doorgaans aangeduid met de term "law of armed conflict".
(15)Hiermee wordt bedoeld het gehele gamma aan verdragen, regelingen, gewoonterecht en overige normen van internationaal recht waarmee waarborgen worden gecreëerd voor de bescherming van de slachtoffers van gewapende conflicten.
(16)Consequentie hiervan is dat de Nederlandse rechter met het oog op een wenselijke (en misschien zelfs verplichte) volkenrechtconforme uitleg, dikwijls zal moeten terugkeren naar de internationaalrechtelijke bron.
(17)De nationale strafrechter wordt geacht het internationaal gevormde recht toe te passen, waarna de tribunalen zich wederom (deels) zullen baseren op de voortbrengselen van nationale rechterlijke arbeid enz. Zoals ook door de steller van het middel wordt betoogd, is de (oude) bepaling van art. 8 WOS niet tot ieders tevredenheid geweest; zo stelt Van der Wilt dat de afschaffing ervan als een hele vooruitgang is gezien.
(18)Ook Bevers wijst erop dat het voordeel van één compacte alomvattende en zeer ruim en flexibel geformuleerde bepaling is dat de autonome bewegingen van het volkenrecht rechtstreeks door werken, maar dat deze formule eigenlijk niet voldoende inzichtelijk maakt welke gedragingen wel of niet strafbaar zijn.
(19)De in het middel gestelde vraag of de term 'wetten en gebruiken van de oorlog' voldoet aan het vereiste van kenbaarheid en duidelijkheid wekt dan ook geen bevreemding. 7.3. Doorslaggevend voor de conclusie dat artikel 8 WOS niettemin voldoet aan de vereisten van kenbaarheid en voorzienbaarheid is de enkele omstandigheid dat het legaliteitsbeginsel voor de Hoge Raad tot nu toe geen belemmering heeft gevormd voor de berechting van oorlogsmisdrijven ingevolge artikel 8 WOS. Reeds in 1997 bevestigde de Hoge Raad in de zaak Knesevic 's hofs oordeel dat de in de beschikking omschreven en nader gepreciseerde feiten, indien bewezen, te weten handelen in strijd met het gemeenschappelijke art. 3 van de Rode Kruis Verdragen van Genève van 1949, uit dien hoofde het in artikel 8 WOS omschreven misdrijf opleveren.
(20)Voorts vormde de inhoud van artikel 8 WOS ten aanzien van schendingen van artikel 3 van het zgn. Vierde Rode Kruis-Verdrag van 1949 voor de Hoge Raad evenmin een beletsel voor de veroordeling van twee voormalige functionarissen van de Afghaanse staatveiligheidsdienst.
(21)Het middel slaagt reeds hierom derhalve niet. Overigens merk ik nog het volgende op. Anders dan in het middel wordt gesteld, volgt juist uit de door de steller van het middel aangehaalde literatuurverwijzingen dat strafbaarstelling van schendingen van de Geneefse Conventies door middel van artikel 8 WOS is geoorloofd. Zo stellen Haentjens en Swart dat "[...] it is not to say that the conduct proscribed by international law must have been defined in each and every detail by domestic law. On the contrary, once a statute has created a proper framework for repressing international offences, it may very well refer back to international law where the definition of these offences is concerned."
(22)Voorts zijn ook nadat de blanco verwijzing naar de 'wetten en gebruiken van oorlog' in artikel 8 WOS werd vervangen door de strafbaarstelling van oorlogsmisdrijven in de WIM, de door de steller van het middel als 'vaag' aangeduide delictsomschrijvingen gehandhaafd (art. 7 WIM), náást een aantal zeer gespecificeerde delictsomschrijvingen (art. 5 en 6 WIM). Blijkens de MvT op de WIM wordt de in art. 7 WIM vervatte strafbaarstelling van "schending van de wetten en gebruiken van de oorlog" niet beschouwd als een schending van de lex certa eis op grond van de volgende overweging: "De regering is het niet eens met de in de consultatieronde wel gehoorde stelling dat deze aansluiting bij de internationale delictsomschrijvingen op sommige punten tot spanning met de lex-certa eis leidt. Daarbij merkt zij op dat waar het gaat om de eis dat voor de burger duidelijk is wat wel en wat niet mag, wel enige relativering op haar plaats is, nu het bij de internationale misdrijven in het algemeen gaat om de ernstigste misdrijven, die als het ware in een internationaal, gemeenschappelijk rechtsbewustzijn zijn geworteld."
(23)Meerdere leden van de Tweede Kamer vonden aanleiding de Minister op dit punt nadere vragen te stellen. De Minister bleef evenwel bij zijn standpunt: "Het is waar dat de omschrijvingen soms tamelijk abstracte begrippen bevatten (bijvoorbeeld "een geïnstitutionaliseerd regime van systematische onderdrukking en overheersing", artikel 1, eerste lid, onder g, van het voorstel) of verwijzen naar normen elders in het internationaal recht (bijvoorbeeld "met de opzet of andere ernstige schendingen van internationaal recht te plegen", artikel 1, eerste lid, onder f). Deze zijn evenwel noodzakelijk om een variëteit aan situaties te dekken en kunnen daarom nauwelijks uitputtend worden gedefinieerd. Om te trachten in de Nederlandse wet wèl tot zo'n definitie te komen, zou naar het oordeel van de regering het risico meebrengen dat de Nederlandse wet zou afdrijven van de internationale ontwikkelingen en in bepaalde gevallen een belemmering zou kunnen vormen voor een effectieve vervolging van de daders van internationale misdrijven. In dit verband vragen de leden van de fractie van D66 nog of van burgers wel verwacht kan worden dat zij zodanig inzicht hebben in de ontwikkeling van de internationale normstelling dat zij kunnen weten welke gedragingen nu precies zijn strafbaar gesteld. Zoals in het voorgaande aangegeven is de regering van mening dat de internationale normen zoals ze in dit wetsvoorstel in de Nederlandse wet worden geïmplementeerd voldoende bepaald en bepaalbaar zijn. Hierbij is van belang dat het om buitengewoon ernstige misdrijven gaat, die de hele wereldgemeenschap schokken en waarvan het misdadige door de gemiddelde burger dan ook zal worden ingezien. Voor zover het gaat om meer specifieke, "technische " normen, zoals sommige normen in het humanitair oorlogsrecht, moet worden bedacht dat die zich doorgaans richten tot militairen, van wie mag worden verwacht dat zij beroepshalve bekend zijn met deze normen."
(24)En: "De vragen aangaande de eisen van lex certa en nulla poena waren in 1952 ook gesteld ten aanzien van artikel 8 van de WOS. Ook destijds werd voorgesteld de gedragingen uit te schrijven, althans de vaagheid van het artikel weg te nemen door de bedoelde gedragingen ten minste op enige wijze te concretiseren. De regering antwoordde destijds als volgt: "Men kan volkenrechtelijk nagaan welke rechten en verplichtingen oorlogvoerende Mogendheden en haar militairen tegenover de vijand hebben. In het bijzonder moet men zich niet voorstellen, dat de gebruiken van de oorlog een zo vage inhoud hebben als de uiterlijke betekenis van dit woord zou doen vermoeden. [...] De wetten van de oorlog zijn de regels, die in de tractaten omtrent oorlogvoering zijn neergelegd. Dit zijn o.a. de tractaten van Genève, waarvan in de Memorie van Toelichting gewag wordt gemaakt. Daarnaast bestaan echter gebruiken van de oorlog, die allerminst alle ongeschreven gewoonterecht zijn, maar die ten dele in geschreven regels zijn geformuleerd. Het Landoorlogreglement, een der belangrijkste regelingen omtrent de rechten en verplichtingen van oorlogvoerende mogendheden, wordt algemeen beschouwd als te gelden voor alle landen ter wereld, die oorlog voeren ongeacht of dit reglement voor hen kracht van tractaat heeft of niet. Door de verwijzing naar de gebruiken van de oorlog verwijst men derhalve o.a. naar het Landoorlogreglement. Daarnaast bestaan er ook andere, niet met zoveel woorden geformuleerde gebruiken, zoals de met betrekking tot parlementariërs. [De ondergetekenden] sluiten zich gaarne bij de mening aan van die leden, welke, evenals de ondergetekenden, de totstandkoming van een internationale code van wat in de oorlog wel en niet geoorloofd is, zouden toejuichen, maar die van mening zijn, dat men niet in afwachting daarvan een misschien scherpe, doch veel te beperkte omschrijving van de oorlogsmisdrijven mag opnemen." (Kamerstukken II 1951/52, 2258, nr. 5, p. 26/27 (memorie van antwoord)). De opvattingen van de regering van 1952 worden door de huidige regering gedeeld, in de zin dat, nu ook in 2002 een alomvattend verdrag inzake alle in tijd van oorlogvoering of ander gewapend conflict geldende regels en verplichtingen ontbreekt, het niet doenlijk is om de bepalingen van alle losstaande verdragen dienaangaande, alsook ongeschreven regels dienaangaande, in onderhavig wetsvoorstel samen te vatten. Daarnaast is de regering ook thans nog van mening dat de gebruikte bewoording van artikel 8 van de WOS, en derhalve van artikel 7 van het onderhavige wetsvoorstel, niet onaanvaardbaar vaag is."
(25)7.4. Een uitstapje naar het internationale recht levert nog andere perspectieven op. Zo erkennen Ferdinandusse, Kleffner en Nollkaemper de uit de Grondwet voorvloeiende eis van de Hoge Raad dat strafrechtelijke normen in het Nederlands zijn gepubliceerd, en dat zij moeten voldoen aan de eisen van kenbaarheid en voorzienbaarheid, en dat zorgvuldigheid derhalve geboden is, maar zij betogen tegelijkertijd dat deze eisen niet principieel in de weg staan aan de toepassing van gewoonterecht op grond van een uitdrukkelijke verwijzingsregel.
(26)Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens valt op te maken dat ook verdragsrecht en zelfs gewoonterecht aan de criteria van kenbaarheid en voorzienbaarheid kunnen voldoen.
(27)Zo deed de klager in de zaak Jorgic v. Germany een beroep op artikel 7
(1)EVRM op de grond dat het voor hem ten tijde van het plegen van de tenlastegelegde feiten in 1992 in voormalig Joegoslavië niet voorzienbaar zou zijn geweest dat dit handelen nadien (in 1997) door de Duitse rechter zou worden gekwalificeerd als genocide onder Duits recht of internationaal gewoonterecht.
(28)Het EHRM oordeelde dat er geen sprake was van schending van het nullum crimen, nulla poena sine lege beginsel, nu de door de Duitse rechter toegepaste interpretatie van genocide "was consistent with the essence of genocide" en "if need be with the assistance of a lawyer, " "could reasonably be foreseen by the applicant at the material time", en wees de klacht af.
(29)Toepassing van deze door het EHRM geformuleerde toets levert voor de onderhavige casus het volgende op. Ten eerste kon het hof het handelen van verdachte, te weten het opzettelijk gelegenheid en middelen verschaffen aan het grondfeit door toen en (al)daar opzettelijk thiodiglycol (TDG) bestemd voor de productie van mosterdgas te leveren aan (de Republiek van) Irak, redelijkerwijze beschouwen als te vallen binnen het bereik van oorlogsmisdrijven. Ook aan de tweede door het EHRM vereiste voorwaarde is voldaan, nu verdachte redelijkerwijze had kunnen voorzien, eventueel na rechtsgeleerd advies te hebben ingewonnen, dat hij het risico nam om te worden vervolgd en veroordeeld op grond van zijn bewezenverklaarde handelen. In dit verband had het hof mede in aanmerking mogen nemen het - ook toen alom bekende - niets en niemand ontziende karakter van het toenmalige regime in Irak. 7.
  1. Over de vitaliteit van het Geneefse Gasprotocol van 1925 dient nog het volgende in ogenschouw worden genomen. Inderdaad dateert het Protocol al van
  2. Ik geef de inhoud ervan weer, voorzover relevant: "Protocol for the Prohibition of the Use in War of Asphyxiating, Poisonous or other Gases, and of Bacteriological Methods of Warfare. Signed at Geneva, June 17,
  3. (...) THE UNDERSIGNED PLENIPOTENTIARIES, in the name of their respective Governments : Whereas the use in war of asphyxiating, poisonous or other gases, and of all analogous liquids, materials or devices, has been justly condemned by the general opinion of the civilised world; and Whereas the prohibition of such use has been declared in Treaties to which the majority of Powers of the world are Parties; and To the end that this prohibition shall be universally accepted as a part of International Law, binding alike the conscience and the practice of nations; DECLARE: That the High Contracting Parties, so far as they are not already Parties to Treaties prohibiting such use, accept this prohibition, agree to extend this prohibition to the use of bacteriological methods of warfare and agree to be bound as between themselves according to the terms of this declaration. (...)" Het Protocol is door Irak op 8 september 1931 geratificeerd. Uit de geciteerde tekst is af te leiden dat het Protocol door de Staten als een onderdeel van het bindend internationaal recht is beschouwd en aldus ook onderdeel uitmaakt van "de wetten en gebruiken van de oorlog" waarnaar artikel 8 WOS weer verwijst. 7.
  4. Op 3 maart 1986 heeft de zaakgelastigde van Iran aan de Veiligheidsraad een brief doen toekomen waarin hij schrijft dat Irak op dezelfde dag weer bommen met mosterdgas had afgeworpen op een ziekenhuis te Baneh. De zaakgelastigde riep eerdere incidenten in herinnering waarbij Irak gebruik had gemaakt van mosterdgas.
(30)In de tachtiger jaren van de vorige eeuw en daarna zijn herhaaldelijk initiatieven genomen binnen de Verenigde Naties om het belang van het Geneefse Gasprotocol te benadrukken.
(31)Op 6 december 2006 nog is door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties resolutie 61/61 aangenomen getiteld "Measures to uphold the authority of the 1925 Geneva Protocol". Paragraaf 2 van deze resolutie heeft de volgende inhoud: "2. Renews its previous call to all States to observe strictly the principles and objectives of the Protocol for the Prohibition of the Use in War of Asphyxiating, Poisonous or Other Gases, and of Bacteriological Methods of Warfare,1 and reaffirms the vital necessity of upholding its provisions;"
(32)Dat het Gasprotocol van 1925, zoals de steller van het middel beweert, niet meer als internationaal recht kan worden aangemerkt, onder meer omdat het in het verleden herhaaldelijk is geschonden, kan ik niet onderschrijven. Sinds de tachtiger jaren van de vorige eeuw is in het kader van de Verenigde Naties herhaaldelijk aandacht gevraagd voor het belang van het Geneefse Gasprotocol. Die oproepen zijn niet verflauwd en de internationale gemeenschap heeft dat Protocol niet laten vallen. Het verbod om mosterdgas te gebruiken is dus nog steeds onderdeel van het internationale verdragenrecht. Voorts wijs ik op art. 8 van het Statuut van Rome
(33)waarin de jurisdictie van het Internationaal Strafhof voor oorlogsmisdaden onder meer als volgt is omschreven: "1.The Court shall have jurisdiction in respect of war crimes in particular when committed as part of a plan or policy or as part of a large-scale commission of such crimes. 2.For the purpose of this Statute, "war crimes" means: (...) Other serious violations of the laws and customs applicable in international armed conflict, within the established framework of international law, namely, any of the following acts: (...) (xviii) Employing asphyxiating, poisonous or other gases, and all analogous liquids, materials or devices;" Ook in deze context geldt dus het aanwenden van mosterdgas als een ernstige schending van de wetten en gebruiken van de oorlog.
(34)Het feit dat een aantal staten in conflicten er niet voor is teruggeschrokken om gifgas te gebruiken betekent nog niet dat het algemeen onderschreven verbod op het gebruik van mosterdgas geen onderdeel meer zou uitmaken van de in de internationale gemeenschap erkende normen. Het derde middel faalt mitsdien. 8.1. Het vierde middel behelst de klacht dat de feiten waaruit het gelden van het bewezenverklaarde internationaal gewoonterecht moet worden afgeleid niet zijn opgenomen in de bewezenverklaring c.q. 's hofs arrest. Blijkens de toelichting op het middel had het hof, mede uit het oogpunt van legaliteit, ex art. 79 lid 2 RO
(35)en art. 6 EVRM de feiten waaruit het gelden van het internationale gewoonterecht blijkt in zijn arrest moeten opnemen. 8.
  1. Het hof heeft in de bewezenverklaring van feit
  2. subsidiair en
  3. de tussen haakjes geplaatste zinsnede "in het bijzonder het verbod op het gebruik van chemische wapens en/of het verbod op het gebruik van verstikkende, giftige of andere gassen en/of het verbod op het toebrengen van onnodig lijden en/of het verbod op het uitvoeren van aanvallen die geen onderscheid maken tussen militairen en burgers" kennelijk opgevat als ontsproten aan het internationaal gewoonterecht. Volgens mij berust dit op een vergissing. Het gebruik van chemische wapens, meer bepaald van mosterdgas, het uitvoeren van aanvallen die niet discrimineren tussen militairen en burgers, is niet verboden door het internationaal gewoonterecht, maar in geschreven normen van het internationaal humanitair recht. Het gaat om het eerder genoemde Gasprotocol van 1925, waarvan ik de inhoud hiervoor heb weergegeven, en om de artikelen 3 en 147 van de Vierde Geneefse Conventie. Artikel 3 van deze Conventie heeft betrekking op een intern gewapend conflict en luidt als volgt: "Art.
  4. In the case of armed conflict not of an international character occurring in the territory of one of the High Contracting Parties, each Party to the conflict shall be bound to apply, as a minimum, the following provisions:
(1)Persons taking no active part in the hostilities, including members of armed forces who have laid down their arms and those placed hors de combat by sickness, wounds, detention, or any other cause, shall in all circumstances be treated humanely, without any adverse distinction founded on race, colour, religion or faith, sex, birth or wealth, or any other similar criteria. To this end the following acts are and shall remain prohibited at any time and in any place whatsoever with respect to the above-mentioned persons: (a) violence to life and person, in particular murder of all kinds, mutilation, cruel treatment and torture; (...)." Artikel 147 heeft in hoofdzaak betrekking op internationale gewapende conflicten en heeft de volgende inhoud: "Art.
  1. Grave breaches to which the preceding Article relates shall be those involving any of the following acts, if committed against persons or property protected by the present Convention: wilful killing, torture or inhuman treatment, including biological experiments, wilfully causing great suffering or serious injury to body or health, unlawful deportation or transfer or unlawful confinement of a protected person, compelling a protected person to serve in the forces of a hostile Power, or wilfully depriving a protected person of the rights of fair and regular trial prescribed in the present Convention, taking of hostages and extensive destruction and appropriation of property, not justified by military necessity and carried out unlawfully and wantonly." Het uitgangspunt van de steller van het middel is onjuist en de Hoge Raad kan de bewezenverklaring verbeterd lezen. Het middel faalt mitsdien eveneens. 9.
  2. Het vijfde middel bevat de klacht dat uit de gebezigde bewijsmiddelen voor wat betreft feit 1 subsidiair niet kan blijken dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de omstandigheid dat het door wijlen Saddam Hoessein en zijn medeplegers gepleegde feit een uiting is van een politiek van stelselmatige terreur of wederrechtelijk optreden tegen de gehele bevolking of een bepaalde groep daarvan. 9.
  3. Hiervoor heb ik in 6.5 tot en met 6.11 mij al gebogen over het vierde lid van art. 49 Sr en mij daarover al enige opmerkingen veroorloofd. Ik moge volstaan met verwijzing naar die opmerkingen en voeg daaraan nog het volgende toe. 9.
  4. Ten aanzien van het bewijs heeft het hof het volgende overwogen: (P. 38) "11.19 Het hof merkt hier reeds op dat naar zijn oordeel het opzet van de verdachte met betrekking tot het onder 1 subsidiair tenlastegelegde handelen zich niet uitstrekte tot de omstandigheid dat dat handelen een uiting is geweest van een politiek van stelselmatige terreur of wederrechtelijk optreden tegen een bepaalde groep van de bevolking. Het hof neemt hierbij het in artikel 49 lid 4 van het Wetboek van Strafrecht bepaalde in aanmerking." 9.
  5. De steller van het middel ziet in het feit dat het om terreurpolitiek gaat een subjectieve strafverzwaringsgrond. Volgens de toelichting op het middel is voor medeplichtigheid aan medeplegen van schending van de wetten en gebruiken van de oorlog, terwijl het feit uiting is van een politiek van stelselmatig terreur of wederrechtelijk optreden tegen de gehele bevolking of een bepaalde groep daarvan, meermalen gepleegd, vereist dat de medeplichtige opzet heeft op alle bestanddelen van het gronddelict, dus ook op de "grotere immoraliteit van de dader". 9.
  6. Art. 49, vierde lid, Sr luidt als volgt: "Bij het bepalen van de straf komen alleen die handelingen in aanmerking die de medeplichtige opzettelijk heeft gemakkelijk gemaakt of bevorderd, benevens hun gevolgen." 9.
  7. Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte opzettelijk gelegenheid en/of middelen heeft verschaft tot het plegen van een misdrijf, te weten schending van de wetten en gebruiken van de oorlog, terwijl het feit de dood of zwaar lichamelijk letsel van een ander tengevolge heeft of het feit uiting is van een politiek van stelselmatig terreur of wederrechtelijk optreden tegen de gehele bevolking of een bepaalde groep daarvan. Zoals de Hoge Raad overwoog in HR 2 oktober 2007, LJN: BA7932, volgt uit de art. 47, 48 en 49 Sr, gelezen in onderling verband en samenhang, dat enerzijds ten aanzien van de medeplichtige bij de bewezenverklaring en kwalificatie moet worden uitgegaan van de door de dader verrichte handelingen, ook indien het opzet van de medeplichtige slechts was gericht op een deel daarvan, en dat anderzijds het maximum van de aan de medeplichtige op te leggen straf een derde minder bedraagt dan het maximum van de straf, gesteld op het misdrijf dat de medeplichtige voor ogen stond.
(36)Dat de medeplichtige in de kwalificatie altijd de kwalificatie van het gepleegde grondmisdrijf volgt, past bij het gegeven dat de medeplichtige uit de aard der zaak de feitelijke gang van zaken niet bepaalt, daarvoor is zijn rol te ondergeschikt.
(37)9.
  1. Het hof heeft in zijn hiervoor onder 9.
  2. weergegeven overweging tot uitdrukking gebracht dat de verdachte anders dan Saddam Hussein, cq. het regime in Irak, er geen opzet op had dat het oorlogsmisdrijf werd gepleegd als uiting van een politiek van stelselmatige terreur of wederrechtelijk optreden tegen de gehele bevolking of een bepaalde groep, maar wel opzet had op het verschaffen van gelegenheid en/of middelen aan Saddam Hussein, c.q. het regime in Irak tot het plegen van schending van de wetten en gebruiken van de oorlog, terwijl het feit de dood of zwaar lichamelijk letsel van een ander tengevolge heeft gehad. Het daarop gebaseerde oordeel van het hof dat het handelen van de verdachte als medeplichtigheid aan de schending van de wetten en gebruik van de oorlog als bedoeld in art. 8, derde lid onder 5 WOS (oud) kan worden gekwalificeerd, geeft gelet op hetgeen hiervoor onder 9.
  3. is overwogen, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. De in het middel gehuldigde opvatting dat in een geval als het onderhavige ook de medeplichtige moest weten dat het door Saddam Hussein c.q. het Iraakse regime gepleegde oorlogsmisdrijf een uiting is geweest van een politiek van stelselmatig terreur of wederrechtelijk optreden tegen de gehele bevolking of een bepaalde groep, vindt geen steun in het recht. Het opzet van verdachte bestreek immers een groot deel van de oorlogsmisdaden door het Iraakse regime begaan zodat zijn bewezenverklaring en kwalificatie die van de hoofddaders konden volgen. Dat het opzet van een medeplichtige ook zou moeten zijn gericht op een subjectieve strafverzwaringsgrond waag ik te bestrijden. Een persoonlijke strafverhogende omstandigheid is ook te zien in de voorbedachte raad. Maar het opzet van de medeplichtige hoeft niet de voorbedachte raad van de hoofddaders hebben bestreken om de medeplichtige te kunnen veroordelen voor medeplichtigheid aan moord.
(38)9.
  1. Dat het hof, gelet op hetgeen hiervoor onder 9.
  2. is overwogen, het toepasselijke strafmaximum heeft bepaald op grond van het oorlogsmisdrijf in de zin van art. 8 lid 3 WOS wordt in cassatie niet bestreden. Volkomen ten overvloede merk ik in dit verband op dat in ieder geval ook voldaan was aan de strafverzwarende omstandigheid van het derde lid onder 1 van art. 8 WOS, waarop het opzet van de medeplichtige niet gericht behoeft te zijn nu het slechts om een strafverzwarend gevolg gaat waarop weer het vierde lid van art. 49 Sr van toepassing is. 10.
  3. Het zesde middel klaagt over 's hofs motivering van zijn oordeel dat sprake is van een kennelijk leugenachtige verklaring van verdachte. 10.2.Het hof heeft met betrekking tot de kennelijk leugenachtigheid van de verklaring van verdachte in zijn arrest het volgende overwogen: "11.
  4. Tot de overtuiging van het hof dat de verdachte, in de wetenschap dat het door hem geleverde product voor de productie van een strijdmiddel werd gebruikt en ongeacht het met zekerheid te verwachten gebruik en de gevolgen daarvan, de grondstof voor mosterdgas TDG aan Irak leverde, werkt mede de omstandigheid dat de verdachte naar het oordeel van het hof op vele punten omtrent zijn handelen en wetenschap terzake, zoals op het punt van de eindbestemming en het gebruik van TDG voor de productie van mosterdgas, ongeloofwaardig en kennelijk leugenachtig heeft verklaard." Voorts heeft het hof over verdachtes verklaring afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep het volgende overwogen: "11.
  5. Anders dan door de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep betoogd leidt het hof in het bijzonder uit de navolgende bewijsmiddelen af dat verdachte wist dat de TDG Irak als eindbestemming had, daar aankwam en daar ook gebruikt werd." 10.
  6. Het middel valt uiteen in twee klachten, die achtereenvolgens zullen worden besproken. 10.
  7. Ten eerste behelst het middel de klacht dat uit het arrest noch uit de aanvullende bewijsmiddelen blijkt op welke bewijsmiddelen het hof precies het oog heeft gehad voor het bewijs van de kennelijke leugenachtigheid. 10.
  8. Blijkens de hiervoor onder 10.
  9. weergegeven bewijsmotivering heeft het hof geoordeeld dat verdachte op vele punten omtrent zijn handelen en wetenschap terzake, zoals op het punt van de eindbestemming en het gebruik van TDG voor de productie van mosterdgas, ongeloofwaardig en kennelijk leugenachtig heeft verklaard. Kennelijk heeft het hof daarbij oog gehad op de verklaringen van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep op het punt van diens handelen en wetenschap terzake, zoals op het punt van de eindbestemming en het gebruik van TDG voor de productie van mosterdgas, zoals opgenomen in het proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 2, 4, 11, 16 en 25 april 2007, inhoudende onder meer: p. 10 "Ik leverde niet aan de regering van Irak, maar aan SEORGI, een onderdeel van het Ministerie van Olie. Ik wist niet dat de Republiek van Irak daarbij betrokken was. Op de vraag waarom ik deze chemische stoffen - die niets met de productie van olie te maken hebben - aan het Ministerie van Olie moest leveren, kan ik geen antwoord geven." p. 13 "Het feitelijk vervoer heb ik zelf nooit gezien. (...) Het klopt dat ik niet met zekerheid kan zeggen dat de stoffen naar Irak werden vervoerd. Ik had daar geen controle over." p. 14 "In antwoord op uw vraag of u op basis van de door mij bij de politie op 8 december 2004 afgelegde verklaring de conclusie mag trekken dat ik in ieder geval in 1986 wist dat TDG voor de productie van chemische wapens gebruikt kon worden, deel ik u mede dat ik mij niet kan herinneren of dat zo was. Wij hebben nu veel meer informatie dan toen en alles is nu ingekleurd met achteraf opgedane kennis. "De kennis vandaag is doorspekt met de gebeurtenissen van gisteren."" p. 18 "Ik veronderstelde wel dat de goederen naar Irak gingen maar ik had daarvan geen wetenschap." p. 20 "Ik wist niet dat de door mij geleverde precursoren gebruikt zouden gaan worden voor de productie van mosterdgas en dat deze daarmee een bijdrage leverden aan de productie en inzet van verboden chemische wapens. Indien ik deze kennis toen wel had gehad dan had ik de stoffen niet geleverd. Ik wist in die tijd niet of ik al dan niet verkeerd handelde en ik kan nu geen antwoord geven op de vraag of ik achteraf bezien toen voorzichtiger had moeten zijn." p. 22 "Naar mijn mening klopt deze verklaring niet. Er is niet tegen mij gezegd dat Thiodiglycol grondstof kan zijn voor de productie van mosterdgas." p. 23 "De conclusie dat ik in ieder geval in 1986 wist dat TDG voor chemische wapens kon worden gebruikt is dan ook niet juist. In reactie op de opmerking van de advocaat-generaal dat op basis van de verklaringen van [betrokkene 1] geconcludeerd kan worden dat ik in 1984 of in 1986 op de hoogte was van het mogelijk gebruik van TDG voor chemische wapens en op basis van de verklaringen van [betrokkene 15] hieromtrent dat ik in 1985 of 1986 op de hoogte was, deel ik u mede dat deze conclusie naar mijn mening eveneens onjuist is." p. 24 "De conclusie dat ik - gelet op mijn reactie na het zien van de beelden van Halabja - wel degelijk wist dat met de door mij geleverde stoffen mosterdgas werd geproduceerd - is onjuist." p. 65 "Op uw vraag of ik vóór de jaren tachtig op de hoogte was van het gebruik van gifgassen antwoord ik ontkennend. (...) U houdt mij voor dat ik eerder heb verklaard dat ik mij na de gebeurtenissen in Halabja realiseerde dat er mogelijk iets was gebeurd en dat mijn activiteiten er vanaf die op gericht waren om de handel te traineren. In antwoord op uw vraag waarom ik niet gewoon tegen mijn handelspartner heb gezegd dat ik er mee wilde stoppen deel ik u mede dat daarvoor meerdere redenen waren. Ik was heel erg geschrokken en mogelijk was er ook een gevoel van schaamte. Ik wilde niet onmiddellijk bij de leveranties betrokken zijn. Toen er voor de eerste keer om een eindbestemmingscertificaat werd gevraagd was dat voor mij een reden om de zaak te traineren. In antwoord op uw vraag of ik onder druk stond van [betrokkene 1], [betrokkene 13] en de anderen om met de handel door te gaan deel ik u mede dat zij inderdaad wel door wilden gaan maar ik dat niet wilde. Ik koos ervoor om op mijn manier mijn activiteiten te beëindigen. Dat heeft wel enige tijd geduurd maar het is mij wel gelukt." 10.
  10. Anders dan de steller van het middel kennelijk veronderstelt heeft het hof geen leugenachtige verklaring van verdachte onder de gebezigde bewijsmiddelen opgenomen. De feiten en omstandigheden die het hof in zijn geciteerde overweging heeft opgenomen zijn door het hof gebezigd als toelichting waarom het hof geen geloof heeft gehecht aan verdachtes ontkenning van wetenschap. Daarom hoefde het hof niet de bewijsmiddelen op te nemen waaruit de ongeloofwaardigheid van verdachtes ontkenning kon blijken.
(39)De eerste klacht faalt mitsdien. 10.
  1. Ten tweede klaagt het middel over 's hofs motivering van zijn oordeel dat de verklaring van verdachte ongeloofwaardig en kennelijk leugenachtig is, nu dit oordeel zijn grondslag vindt in de verklaringen van de getuigen [betrokkene 1] en [getuige 1], inhoudende verklaringen omtrent hetgeen verdachte aan hen heeft medegedeeld over de eindbestemming en het gebruik van TDG voor de productie van mosterdgas. In het middel wordt daartoe allereerst verwezen naar passages vervat in de verklaring van [betrokkene 1], die neerkomen op een weergave van door de verdachte aan hem gedane mededeling omtrent de eindbestemming en het gebruik van TDG voor de productie van mosterdgas (bewijsmiddel 58). Voorts verwijst het middel naar passages vervat in de verklaring van [getuige 1], die neerkomen op een weergave van door de verdachte aan hem gedane mededeling omtrent de eindbestemming en het gebruik van TDG voor de productie van mosterdgas (bewijsmiddel 61 en 62). 10.
  2. Het hof heeft kunnen vaststellen dat, anders dan door de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep is betoogd, verdachte wist dat de TDG Irak als eindbestemming had, daar aankwam en daar ook gebruikt werd. Dat de leugenachtigheid van een voor het bewijs gebezigde verklaring van verdachte niet kan worden afgeleid uit fricties met andere verklaringen door dezelfde verdachte afgelegd is juist. Maar zoals ik zojuist al betoogde heeft het hof hier niet een verklaring van verdachte als kennelijk leugenachtig voor het bewijs gebruikt, maar de ongeloofwaardigheid van zijn ontkenning doen steunen op het feit dat hij in het onderzoek wisselende verklaringen heeft afgelegd, en dat die ontkenning bovendien wordt weersproken door hetgeen verdachte aan anderen heeft gezegd. Voorts kan in dit verband gewezen worden op het geheel van de in bewijsoverweging onder 11.7 tot en met 11.17 opgesomde bewijsmiddelen, te weten de verklaring van verdachte in het voorbereidend onderzoek, erop neerkomende dat hij heeft geweten dat de goederen naar Irak gingen (bewijsoverweging 11.9); de verklaring van getuige deskundige [A] ter terechtzitting van 4 april 2007, waarin hij verklaart dat tonnen TDG alleen maar kunnen worden toegepast voor mosterdgas (bewijsoverweging 11.10); de verklaring van (wederom) getuige [betrokkene 1] afgelegd op 22 juni 2005 in Japan, en bevestigd ter terechtzitting in eerste aanleg op 2 december 2005, waarin hij verklaart dat hij verdachte vertelde dat de chemische stoffen omgezet konden worden in chemische wapens zoals gifgas; en dat hij samen met verdachte chemicaliën exporteerde vanuit Japan tussen oktober 1984 en mei 1986 (bewijsoverweging 11.10); de telexberichten van de verdachte en of diens bedrijven, [betrokkene 1], SEORGI en aanleverende bedrijven, waaruit valt op te maken dat getracht wordt de aard en eindbestemming van de chemicaliën te verheimelijken, en dat verdachte daarvan wist en hieraan meewerkte (bewijsoverweging 11.11); de verklaring van [betrokkene 12], ex echtgenote van verdachte (bewijsoverweging 11.14); het bericht van [betrokkene 1] d.d. 6 mei 1988 omtrent zaken met verdachte, waarin staat dat verdachte 'is anxiously wishing to make shipment of 10 Ctrs T.H.D. (TDG) cargoes due to his clients are causing materials short supply' (bewijsoverweging onder 11.17). De overweging van het hof komt er dus op neer dat en waarom het hof wel geloof hecht aan deze bewijsmiddelen en niet aan de ontkennende verklaring van verdachte ter terechtzitting. Het middel faalt derhalve ook in dit onderdeel. 11.
  3. Het zevende middel behelst de klacht dat de gebezigde bewijsmiddelen onderling tegenstrijdig zijn. 11.
  4. De toelichting op het middel behelst de klacht dat het proces-verbaal van verhoor door de rechter-commissaris d.d. 11, 12 en 13 april 2005 van de getuige [getuige 1] (bewijsmiddel 62), voor zover inhoudende "FFDC (Full Final and Complete Disclosure) bevat dus voor zeker 80% de waarheid", alsmede de verklaring van [A] ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 4 april 2006 (bewijsmiddel 69), voor zover inhoudende: "In antwoord op uw vraag hoe het mogelijk is dat de cijfers die UNSCOM hanteert niet altijd samenvallen met de cijfers uit de FFCD deel ik u mede dat de hoeveelheden wel overeenkomen, maar de tijdbalken niet. De effecten daarvan blijken uit de tabellen in mijn rapport. Bovendien zijn in de FFCD ook enkele leveringen opgenomen waarover geen zekerheid bestond. Later werd dan alsnog duidelijk of een bepaalde levering al dan niet had plaatsgevonden. Wanneer ik in mijn rapport naar de cijfers van UNSCOM verwijs dan zijn die meer betrouwbaar dan de cijfers van de Iraakse autoriteiten." innerlijk tegenstrijdig zijn met het proces-verbaal van verhoor van de rechter-commissaris d.d. 30 mei 2005 van [A] (bewijsmiddel 64), voor zover inhoudende "de FFCD van 1995 geeft een goed beeld van het wapenprogramma met betrekking tot mosterdgas". Subsidiair wordt gesteld dat de combinatie van deze bewijsmiddelen onbegrijpelijk is. Volgens de steller van het middel zouden de in bewijsmiddel 62 en 69 besloten liggende constatering dat de FFCD een 20% fouten marge kent, ofwel 20% onwaarheid bevat, innerlijk tegenstrijdig zijn met de in bewijsmiddel 64 besloten liggende constatering dat de FFCD "een goed beeld" geeft. 11.
  5. Volgens vaste rechtspraak behoeft de rechter niet te motiveren waarom hij bepaald bewijsmateriaal niet heeft gebruikt en ander materiaal wel. Selectie en waardering van het bewijsmateriaal is een zaak van de feitenrechter. De Hoge Raad grijpt slechts dan in, als de bewijsmiddelen elkaar in belangrijke mate tegenspreken. In geval van tegenstrijdigheid tussen verschillende bewijsmiddelen zal op deze grond worden gecasseerd,
(40)tenzij de tegenstrijdigheid van zeer ondergeschikt belang is.
(41)11.
  1. De in het middel bedoelde tegenstrijdigheid tussen de bewijsmiddelen 62 en 69 enerzijds en bewijsmiddel 64 anderzijds bestaat in werkelijkheid niet. Daarbij wijs ik er allereerst op dat de in de toelichting op het middel bedoelde bewijsmiddelen voor wat betreft het punt van de betrouwbaarheid van de cijfers in het Final and Complete Disclosure (FFCD) onvolledig zijn weergegeven. Het voor het bewijs gebezigde proces-verbaal van verhoor van de rechter-commissaris d.d. 11, 12 en 13 april 2005 van de getuige [getuige 1] (bewijsmiddel 62) houdt voor wat betreft de betrouwbaarheid van de cijfers FFCD het volgende in: (p. 84) "U vraagt naar de betrouwbaarheid van de cijfers in de FFCD. Ik zeg u dat de informatie uit de FFCD is onderzocht door inspectieteams. Zij hebben ook contact opgenomen met de leveranciers van de grondstoffen. Het ging hen met name om de hoeveelheden die waren geleverd en niet zozeer om de periode waarin was geleverd. De cijfers uit de FFCD bevatten voor zeker 80% de waarheid. U vraagt of een gedeelte dan niet de waarheid bevat. De FFCD is naar mijn inschatting voor 80% gebaseerd op documenten en voor de rest op het geheugen van mensen. De FFCD bevat dus voor zeker 80% de waarheid. Ik voeg daar aan toe dat de betrouwbaarheid van de cijfers van de FFCD is onderzocht door de ISG onder leiding van [betrokkene 22] en is in orde bevonden." Voorts houdt het voor het bewijs gebezigde de verklaring van getuige-deskundige [A] ter zitting van het hof d.d. 4 april 2006 (bewijsmiddel 69) voor wat betreft de betrouwbaarheid van de cijfers in het FFCD het volgende in: (p. 109) "In 1995 werd de eerste echt complete FFCD uitgebracht. (...) Deze informatie betrof onder meer de productie van mosterdgas. Dat deze informatie betrouwbaar was bleek ook later toen zes landen nog aanvullende documenten aan UNMOVIC hebben verschaft en waaruit duidelijk werd dat er grote parallellen zijn met de FFCD rapporten. Tussen de FFCD van augustus 1995 en de FFCD van november 1995 bestaan geen relevante verschillen wanneer het gaat om chemische wapens zoals mosterdgas. In antwoord op uw vraag hoe het mogelijk is dat de cijfers die UNSCOM hanteert niet altijd samenvallen met de cijfers uit de FFCD deel ik u mede dat de hoeveelheden wel overeenkomen, maar de tijdbalken niet. De effecten daarvan blijken uit de tabellen in mijn rapport. Bovendien zijn in de FFCD ook enkele leveringen opgenomen waarover geen zekerheid bestond. Later werd dan alsnog duidelijk of een bepaalde levering al dan niet had plaatsgevonden. Wanneer ik in mijn rapport naar de cijfers van UNSCOM verwijs dan zijn die meer betrouwbaar dan de cijfers van de Iraakse autoriteiten." Ten slotte houdt het voor het bewijs gebezigde proces-verbaal van verhoor van de rechter-commissaris d.d. 30 mei 2005 van [A] (bewijsmiddel 64) voor wat betreft de betrouwbaarheid van de cijfers in het FFCD het volgende in: (p. 89) "U vraagt naar de betrouwbaarheid van de cijfers uit de FFCD. (...) UNSCOM wilde vooral de historie van het wapenprogramma kennen. Zo' n historie is een logisch geheel. Wanneer je daar over beschikt, kun je beter de hiaten herkennen. Eerst wilde Irak dit niet geven. Daarom zijn er in totaal ongeveer zeven versies van de FFCD. De FFCD van 1995 geeft een goed beeld van het wapenprogramma met betrekking tot mosterdgas. Ik ben ervan overtuigd dat Irak ten aanzien van mosterdgas heeft geprobeerd zo goed mogelijk eerlijk verslag te doen. Irak had geen belangstelling meer om hierover iets verborgen te houden. Irak wilde de VN inspecteurs zo snel mogelijk kwijt, om zo andere programma's, zoals het VX programma, te beschermen. De gehele chemische industrie van Irak is doorgelicht. Letterlijk elke fabriek in Irak is bezocht door inspecteurs. " Voorts voeg ik daar nog aan toe dat het hof, hoewel niet in de toelichting op het middel vermeld, voor het bewijs heeft gebezigd de bij de rechtbank op 28 november 2005 afgelegde verklaring van de getuige-deskundige [A] (bewijsmiddel 65). Deze verklaring houdt voor wat betreft de betrouwbaarheid van de cijfers in het FFCD het volgende in: (p. 93) "FFCD staat voor Full Final and Complete Disclosure en houdt in een declaratie van Irak aan de Verenigde Naties. De eerste versie bestond uit één pagina, de laatst versie uit tienduizenden. U houdt mij voor dat het dossier de FFCD van 1995 bevat en dat er in 1996 en 2002 ook exemplaren zijn verschenen. Dat klopt. Het exemplaar uit 1995 is betrouwbaar, want in de latere versies zijn er geen gegevens bijgekomen. Er zijn wel stukken toegevoegd ter onderbouwing. (...)" 11.
  2. Gelet op de hiervoren weergegeven volledige inhoud van de in het middel weergegeven passages van de bewijsmiddelen 62, 64 en 69, alsmede de hieraan toegevoegde hiervoren weergegeven passage van bewijsmiddel 65, heeft het hof de verklaringen kennelijk aldus verstaan - en kunnen verstaan -, dat de verklaringen van getuige [getuige 1] en de verklaring van de deskundige [A] ter zitting in hoger beroep niet tegenstrijdig zijn met de door [A] bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring. De verklaring van [getuige 1] (bewijsmiddel 62) dient immers kennelijk aldus te worden gelezen dat hij instaat voor de juistheid van de documenten waarop de FFCD is gebaseerd, maar uit eigen wetenschap zijn hand niet in het vuur durft te steken voor die onderdelen van de FFCD die putten uit het menselijke geheugen. De getuige-deskundige [A] heeft uit de doeken gedaan dat er aanvankelijk nog wel enige onzekerheid bestond over enkele leveringen maar dat later alsnog duidelijk werd of die al dan niet hadden plaatsgevonden. Hetzelfde geldt voor de in bewijsmiddel 69 vervatte verklaring van [A] inhoudende: 'dat deze informatie betrouwbaar was bleek ook later toen zes landen nog aanvullende documenten aan UNMOVIC hebben verschaft en waaruit duidelijk werd dat er grote parallellen zijn met de FFCD rapporten'. In onderlinge samenhang bezien blijkt uit dit samenstel van verklaringen dus dat de getuige Al Saeed geen zekerheid kon verschaffen over de juistheid van de inhoud van de mondelinge overlevering, maar dat die zekerheid wel is geleverd door nagekomen documenten. Aldus verstaan zijn de in het middel bedoelde verklaringen niet onderling tegenstrijdig. 12.
  3. Het achtste middel behelst de klacht dat het hof niet redengevende bewijsmiddelen heeft gebezigd. 12.
  4. Volgens de toelichting op het middel zouden de in het middel weergegeven gedeeltes van de verklaring van getuige-deskundige [A] afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 28 november 2005 (bewijsmiddel 65) niet redegevend zijn, aangezien deze de bewijsvoering verzwakken. Deze passages houden het volgende in: (p. 96) "Op de vraag van de voorzitter vanaf welk moment volgens het hoogstwaarschijnlijke scenario de grondstoffen van [verdachte] een wezenlijke bijdrage gevormd moeten hebben voor de op het slagveld gebruikte mosterdgas, antwoord ik dat op die vraag geen antwoord te geven is. Je moet dan uitgaan van de situatie dat de hoeveelheid die is geleverd, 1100 ton, is verbruikt vóór de oorlog. Vervolgens moet je dan gaan terugrekenen. Dan kom je uit bij het extreme scenario. Het enige dat je weet is dat alles op is. Dan kom je uit in mei 1987." (p. 98) "In de rapportage staan meerdere opslagtanks vermeld waarin bulkopslag mogelijk was en de raadsman vraagt mij of ik kan uitsluiten of in augustus 1985 er tanks waren welke volledig niet inzetbaar waren voor de productie van mosterdgas. Nee, dat kan ik niet. Ik kan ook niet uitsluiten dat er tanks zijn blijven staan. Het is eveneens mogelijk dat er mosterdgas werd bewaard in deels of geheel lege tanks. Het is eveneens mogelijk dat er tanks waren waarin geen mosterdgas gemaakt met grondstoffen door [verdachte] zat en dus ook bommen zonder dit mosterdgas." 12.
  5. Ik moet toegeven dat de discussie waarvan bewijsmiddel 65 op blz. 96 van de aanvulling verslag doet niet uitblinkt in helderheid. Een pagina eerder verklaarde [A] dat, uitgaande van de mengtheorie en van het gegeven dat de TDG die na de oorlog is aangetroffen, ongeveer 48 ton, door anderen dan verdachte is geleverd, hoogstwaarschijnlijk vanaf medio 1985 mosterdgas, dat geproduceerd is op basis van de leveringen van verdachte, op het slagveld is gebruikt.
(42)Naast de mengtheorie bestaat volgens [A] nog een extreem scenario (p. 100). In het extreme scenario kunnen uiterste grenzen worden aangegeven, te weten het tijdstip waarop munitie op het slagveld is gebruikt die niet gevuld kán zijn met mosterdgas dat gemaakt is van door verdachte geleverde grondstoffen en anderzijds het tijdstip waarop die munitie mosterdgas bevat dat wel gemaakt móet zijn met behulp van

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.