Nr. 07/11112 Mr Jörg Zitting 9 december 2008 Conclusie inzake: [verzoeker=verdachte]
(1)is hij 4 maal bij haar aan de deur geweest, heeft hij haar 8 maal gebeld, 2 maal een brief gestuurd, haar zoon ge-sms't, tweemaal in een supermarkt toenadering gezocht en is hij veelvuldig in de buurt van haar werk opgedoken.
- De Hoge Raad let bij de vraag of van stelselmatigheid sprake is op: de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen, op de omstandigheden waaronder zij hebben plaats gevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer (HR 29 juni 2004, NJ 2004, 426, m.nt. De Jong). In deze zaak bestond het stalken uit het voortdurend in de buurt van het slachtoffer rondhangen. In het op 16 december 2008 uitgesproken arrest ging het om zes steeds grimmiger wordende brieven die in een periode van twee weken waren verzonden, waarvan er één was thuis bezorgd. Uw Raad deed de zaak met art. 81 RO af (LJN BD3697). In het op 13 december 2005 uitgesproken, eveneens met art. 81 RO afgedane, arrest (AU5796) ging het om het in de brievenbus stoppen van door de verdachte geschreven brieven, werd het slachtoffer op haar werk en thuis opgebeld, kwam hij bij haar aan de deur, reed hij regelmatig stapvoets langs de woning van het slachtoffer en reed hij wel eens achter haar auto aan. aan.
- In het licht van de eisen die in de jurisprudentie worden gesteld aan de stelselmatigheid van de belaging leveren de bewijsmiddelen in de onderhavige zaak de gemotiveerde weerlegging op van het verweer dat verzoekers toenaderingen niet voldoende veelvuldig zijn geweest om van stelselmatigheid te kunnen spreken.
- Bizar is het verweer dat het sms-gedrag van verdachte niet wederrechtelijk is omdat het slachtoffer niet te kennen heeft gegeven van die contacten niet gediend te zijn. Immers, het van "schatje" afkomstige bericht - waarmee verzoeker wordt bedoeld - van 14 januari 2006 houdt in: "nou en als je dan toch niet wilt opnemen de beste wensen voor 2006 dat het een knallend jaar mag worden! ben er weer. liefs [...]." Hieruit blijkt dat verzoeker weet dat het slachtoffer geen contact met verzoeker wenst te hebben of te krijgen. In de tot bewijs gebezigde bijlage met "Berichten, Postvak in" van het telefoontoestel van het slachtoffer is dit het tweede daarin opgenomen bericht en gedateerd op 14 januari
- Desondanks zendt verzoeker nadien nog 24 sms-berichten naar het slachtoffer. Ook na 7 februari 2006 - als het slachtoffer door verzoeker is aangesproken bij de C1000 in Ulft en zij dat gesprek afkapt en wegloopt - stuurt hij nog sms-berichten. Kortom: ook dit verweer vindt zijn weerlegging in de gebezigde bewijsmiddelen.
- 's Hofs oordeel dat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan belaging is voldoende gemotiveerd. Ik attendeer erop dat het hof zich op dezelfde dag heeft gebogen over een andere strafzaak tegen verzoeker waarin hij terecht stond wegens bedreiging van [het slachtoffer] en haar kinderen en waarvoor hij tot 14 januari 2006 gedetineerd heeft gezeten.
- Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende overweging. Ambtshalve gronden waarop Uw Raad de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.
- Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G 1 De verdediging gaat blijkens de pleitnotitie uit van zo'n 20 SMS-berichten.