C07/091HR Mr. F.F. Langemeijer Zitting 9 januari 2009 (bij vervroeging) Conclusie inzake: [Eiser] tegen ING Bank N.V. Deze incassozaak leent zich voor een verkorte conclusie.
(2)hield in dat, als gevolg van de achteraf onjuist gebleken inlichting van de bank over een kredietruimte van € 80.000,-, de debetstand mede is ontstaan door de handelwijze van de bank zelf. De gevolgen hiervan behoren volgens de grief niet, althans niet volledig, voor rekening van de schuldenaar te komen. 2.
- Dit verweer, dat evenzeer ervan uitging dat het overgeboekte bedrag in opdracht van de schuldenaar ten laste van de rekening-courant is gebracht, is door het hof behandeld. Zoals gezegd, heeft het hof een bewijsopdracht gegeven met betrekking tot de gestelde (achteraf onjuist gebleken) inlichting van de bank. In het eindarrest is het bewijs niet geleverd geacht. Met dit laatste oordeel ontviel de feitelijke basis aan het verweer. In feite beoogt het middel een nieuw verweer te introduceren, namelijk dat de bank - of de omstreden inlichting nu wel of niet is gegeven - de opdracht van de schuldenaar tot overboeking niet had mogen uitvoeren. Voor zulk een nieuw verweer is in cassatie geen plaats. 2.
- Middel II is gericht tegen het eindarrest. Inhoudelijk bouwt de klacht uitsluitend voort op middel I, zodat zij deelt in het lot daarvan. De middelen nopen niet tot de beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
- Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, 1 Onderdeel 1.6 mist zelfstandige betekenis naast de voorgaande klachten en behoeft daarom geen afzonderlijke bespreking. 2 Samengevat aan het slot van rov. 4.3.1 van het tussenarrest; zie ook de MvG onder 19.