Nr. 07/10806 E Mr. Knigge Zitting: 27 januari 2009 Conclusie inzake: [Verdachte]
(3)), mag het er voor gehouden worden dat het Hof niet meer heeft bedoeld dan weer te geven dat de verdachte naast zijn typische voorzitterstaken ook wel eens betrokken was bij de dagelijkse gang van zaken.
- Het tweede punt betreft de passage die door het Hof als volgt is samengevat: "Er werden bij de vereniging altijd enkele vaste spelen aangeboden. Er werd een indeling van de bemanning van de tafels gemaakt.". Door deze weergave zou de verdachte in de mond zijn gelegd dat het bestuur de indeling van de bemanning van de tafels maakte. Ik kan dat er niet inlezen. De weergegeven passage schetst de gang van zaken binnen de vereniging en is redengevendheid voor de bewezenverklaring van het door de vereniging gelegenheid geven tot de beoefening van het kansspel. De interne taakverdeling doet daarbij niet ter zake. Het bewijs van het feitelijk leidinggeven berust daarop alleen in zoverre, dat daaruit blijkt dat de verdachte van de gang van zaken op de hoogte was.
- Het vierde middel faalt ook.
- Het vijfde middel klaagt kennelijk over de verwerping van het verweer dat in de onderhavige casus geen sprake is van "bedrijfsmatig" handelen. Het Hof zou een onjuist (of onvolledig) criterium hebben aangelegd, gelet op HR 13 november 1990, NJ 1991,
- Een en ander zou betekenen dat niet alleen het onder 1 tenlastegelegde feit ten onrechte is bewezenverklaard, maar ook de onder 3 en 4 tenlastegelegde feiten, die betrekking hebben op het "exploiteren" van speelautomaten in de zin van de artt. 30h en 30t Wks.
- Het Hof heeft het verweer als verworpen als bij de bespreking van middel 1 is weergegeven. Het Hof heeft in casu gewezen naar de wetsgeschiedenis en jurisprudentie en daaruit afgeleid dat - anders dan werd aangevoerd - niet beslissend of sprake is van een winstoogmerk. Het Hof heeft "bedrijfmatig" daarbij uitgelegd als "geregeld en stelselmatig". Dat oordeel sluit aan bij hetgeen de Hoge Raad in HR 1 mei 1979, NJ 1979, 445 overwoog met betrekking tot "als bedrijf uitoefenen" in de zin van art. 31 lid 1 (oud) Wks:
(4)"Beoordeling van het middel. Het middel berust blijkens de toelichting kennelijk op een stelling welke hierop neerkomt dat, nu het hier een vereniging betreft met een ideeel doel en de door het spel verkregen inkomsten bestemd waren om de kosten van die vereniging te bestrijden, het geven van gelegenheid als meerbedoeld niet 'als bedrijf is uitgeoefend' in de zin van art. 31, lid 1, Wet op de kansspelen. Deze stelling kan niet als juist worden aanvaard daar zij eraan voorbijziet dat bedoeld gelegenheid geven kan geschieden op zulk een geregelde en stelselmatige wijze dat, ook bij aanwezigheid van vorenomschreven omstandigheden, van een 'als bedrijf uitoefenen' in evenbedoelde zin kan worden gesproken."
- Het beroep dat in het middel wordt gedaan op HR 13 november 1990, NJ 1991, 278 gaat niet op. De desbetreffende overweging luidt, voor zover hier van belang: "Beoordeling van het tweede middel Het hof heeft omtrent een blijkens het proces-verbaal van terechtzitting namens de verdachte gevoerd verweer in zijn arrest overwogen en beslist: O., dat namens verdachte ten verwere is aangevoerd, dat de vereniging '[A]' een besloten kring van personen vormt en derhalve de gelegenheid niet voor het publiek is opengesteld waardoor art. 1 Wet op de kansspelen niet van toepassing is; dat het kienspel voorts niet bedrijfsmatig door de vereniging wordt georganiseerd; O. hieromtrent: (...) dat bovendien voldoende blijkt van een bedrijfsmatig karakter van het tot kienen gelegenheid geven gelet op de omstandigheid dat uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen, dat geregeld en stelselmatig en zeer grootschalig kienavonden door verdachte en zijn compagnon werden georganiseerd, waarbij zijn lokaliteit door hem beschikbaar werd gesteld; dat hij, verdachte, bovendien zorgde voor voldoende personeel teneinde de spelers van consumpties te kunnen voorzien. Aldus overwegende heeft het hof het verweer terecht en op goede gronden verworpen."
- Hieruit kan niet worden afgeleid dat de Hoge Raad "bedrijfsmatig" uitlegt als én geregeld én stelselmatig én zeer grootschalig. Wél kan daaruit worden afgeleid dat het niet van een verkeerde rechtsopvatting getuigt als de grootschaligheid als een relevante factor (hetgeen iets anders is dan een noodzakelijke voorwaarde) wordt betrokken bij het oordeel dat sprake is van bedrijfsmatig handelen. Hetzelfde geldt voor andere factoren, zoals een eventueel winstoogmerk en de eventuele aanwezigheid van personeel om de spelers van consumpties te voorzien. De steller van het middel lijkt te miskennen dat "geregeld" en "stelselmatig" onderscheiden factoren zijn. De stelselmatigheid heeft vooral te maken met het georganiseerde karakter van het optreden. Vandaar dat bijvoorbeeld grootschaligheid niet irrelevant is. Dat immers vereist nogal wat organisatie.
- Het gelegenheid geven was in casu georganiseerd in de vorm van een vereniging. De organisatie is in de bewijsmiddelen weergegeven. Gelet daarop is het oordeel van het Hof dat niet alleen sprake was van geregeld handelen, maar ook van stelselmatig handelen niet onbegrijpelijk.
- Al hetgeen in de schriftuur te berde wordt gebracht teneinde de kleinschaligheid te benadrukken en daarmee aan te tonen dat geen sprake is van "zeer grootschalig" kan verdachte dus niet baten.
- Het vijfde middel faalt ook.
- Het zesde middel klaagt over de motivering van het oordeel dat het onder 1 bewezenverklaarde feit een strafbaar feit oplevert. Volgens het middel ontbreekt die motivering, hetgeen nietigheid met zich mee zou brengen.
- Als ik het goed begrijp, meent de steller van het middel dat de gemotiveerde verwerping van het beroep op art. 2 Wks niet als een motivering van de kwalificatiebeslissing kan gelden omdat die verwerping is gegeven onder het kopje "Bespreking bewijsverweer". Het middel faalt reeds omdat dit gegeven aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het Hof geen afbreuk doet.
- Ik merk daarbij op dat de onjuiste kop voortvloeit uit het feit dat de verdediging het beroep op art. 2 Wks zelf - ten onrechte - primair heeft gepresenteerd als een bewijsverweer om dat verweer vervolgens subsidiair ook nog als een kwalificatieverweer te presenteren (zie het laatste punt van de pleitnota).
- Het middel faalt.
- Het zevende middel (abusievelijk wordt dit middel met VIII aangeduid) tenslotte klaagt erover dat in het proces-verbaal van de terechtzitting de verklaring van [medeverdachte 3] (het middel rept af en toe van [medeverdachte 3], maar ik neem aan dat hier [medeverdachte 3] wordt bedoeld) niet staat opgenomen.
- Het proces-verbaal van de terechtzitting maakt eerst melding van de omstandigheid dat de zaak tegen verdachte "gelijktijdig (doch niet gevoegd) behandeld wordt met de zaak tegen de verdachten in hetzelfde feitencomplex [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1]". De zaken zijn dus van elkaar gescheiden. Dat brengt mee dat al hetgeen ter terechtzitting voorvalt in de zaak van een medeverdachte, alleen in het daarop betrekking hebbende proces-verbaal van de terechtzitting wordt vermeld. Dat hetgeen de medeverdachte in zijn eigen zaak verklaart ook in het proces-verbaal van de terechtzitting van de gelijktijdig behandelde zaak tegen de verdachte moet worden vermeld, vindt geen steun in het recht.
- Ook het zevende middel faalt.
- Alle middelen falen en kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.
- Ambtshalve wijs ik erop dat na het instellen van het cassatieberoep inmiddels meer dan twee jaren zijn verstreken. Gelet op de omstandigheid dat is volstaan met het rechterlijk pardon als bedoeld in art. 9a Sr, zal verdachte het met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden, moeten doen.
- Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
- Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad zal constateren dat de redelijke termijn is overschreden en voorts tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG 1 Deze zaak hangt samen met de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 3] (nr. 07/12501 E) en [medeverdachte 1] (nr. 07/12508 E) in welke zaken ik heden eveneens concludeer. 2 Vgl. bijv. HR 17 november 1993, NJ 1993, m.nt. Van Veen. Het gehonoreerde beroep op afwezigheid van alle schuld staat een bewezenverklaring opzettelijk cocaïne in Nederland brengen niet in de weg. 3 Voor het bewijs van "gelegenheid geven" is het verschil al helemaal irrelevant: bewezen is immers niet dat de verdachte gelegenheid heeft gegeven, maar dat de vereniging dat deed. 4 Zie met betrekking tot andere wetten o.m.: HR 19 januari 1999, NJ 1999, 293; HR 27 maart 2001, LJN BD0740; HR 18 april 2006, LJN AU8098 en HR 15 april 2008, LJN BC9410.