Nr. 07/12508 E Mr. Knigge Zitting: 27 januari 2009 Conclusie inzake [Verdachte]
(3)"Beoordeling van het middel. Het middel berust blijkens de toelichting kennelijk op een stelling welke hierop neerkomt dat, nu het hier een vereniging betreft met een ideeel doel en de door het spel verkregen inkomsten bestemd waren om de kosten van die vereniging te bestrijden, het geven van gelegenheid als meerbedoeld niet 'als bedrijf is uitgeoefend' in de zin van art. 31, lid 1, Wet op de kansspelen. Deze stelling kan niet als juist worden aanvaard daar zij eraan voorbijziet dat bedoeld gelegenheid geven kan geschieden op zulk een geregelde en stelselmatige wijze dat, ook bij aanwezigheid van vorenomschreven omstandigheden, van een 'als bedrijf uitoefenen' in evenbedoelde zin kan worden gesproken."
- Het beroep dat in het middel wordt gedaan op HR 13 november 1990, NJ 1991, 278 gaat niet op. De desbetreffende overweging luidt, voor zover hier van belang: "Beoordeling van het tweede middel Het hof heeft omtrent een blijkens het proces-verbaal van terechtzitting namens de verdachte gevoerd verweer in zijn arrest overwogen en beslist: O., dat namens verdachte ten verwere is aangevoerd, dat de vereniging [C] een besloten kring van personen vormt en derhalve de gelegenheid niet voor het publiek is opengesteld waardoor art. 1 Wet op de kansspelen niet van toepassing is; dat het kienspel voorts niet bedrijfsmatig door de vereniging wordt georganiseerd; O. hieromtrent: (...) dat bovendien voldoende blijkt van een bedrijfsmatig karakter van het tot kienen gelegenheid geven gelet op de omstandigheid dat uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen, dat geregeld en stelselmatig en zeer grootschalig kienavonden door verdachte en zijn compagnon werden georganiseerd, waarbij zijn lokaliteit door hem beschikbaar werd gesteld; dat hij, verdachte, bovendien zorgde voor voldoende personeel teneinde de spelers van consumpties te kunnen voorzien. Aldus overwegende heeft het hof het verweer terecht en op goede gronden verworpen."
- Hieruit kan niet worden afgeleid dat de Hoge Raad "bedrijfsmatig" uitlegt als én geregeld én stelselmatig én zeer grootschalig. Wél kan daaruit worden afgeleid dat het niet van een verkeerde rechtsopvatting getuigt als de grootschaligheid als een relevante factor (hetgeen iets anders is dan een noodzakelijke voorwaarde) wordt betrokken bij het oordeel dat sprake is van bedrijfsmatig handelen. Hetzelfde geldt voor andere factoren, zoals een eventueel winstoogmerk en de eventuele aanwezigheid van personeel om de spelers van consumpties te voorzien. De steller van het middel lijkt te miskennen dat "geregeld" en "stelselmatig" onderscheiden factoren zijn. De stelselmatigheid heeft vooral te maken met het georganiseerde karakter van het optreden. Vandaar dat bijvoorbeeld grootschaligheid niet irrelevant is. Dat immers vereist nogal wat organisatie.
- Het gelegenheid geven was in casu georganiseerd in de vorm van een vereniging. De organisatie is in de bewijsmiddelen weergegeven. Gelet daarop is het oordeel van het Hof dat niet alleen sprake was van geregeld handelen, maar ook van stelselmatig handelen niet onbegrijpelijk.
- Al hetgeen in de schriftuur te berde wordt gebracht teneinde de kleinschaligheid te benadrukken en daarmee aan te tonen dat geen sprake is van "zeer grootschalig" kan verdachte dus niet baten.
- Het vijfde middel faalt ook.
- Het zesde middel klaagt over de motivering van het oordeel dat het onder 1 bewezenverklaarde feit een strafbaar feit oplevert. Volgens het middel ontbreekt die motivering, hetgeen nietigheid met zich mee zou brengen.
- Als ik het goed begrijp, meent de steller van het middel dat de gemotiveerde verwerping van het beroep op art. 2 Wks niet als een motivering van de kwalificatiebeslissing kan gelden omdat die verwerping is gegeven onder het kopje "Bespreking bewijsverweer". Het middel faalt reeds omdat dit gegeven aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het Hof geen afbreuk doet.
- Ik merk daarbij op dat de onjuiste kop voortvloeit uit het feit dat de verdediging het beroep op art. 2 Wks zelf - ten onrechte - primair heeft gepresenteerd als een bewijsverweer om dat verweer vervolgens subsidiair ook nog als een kwalificatieverweer te presenteren (zie het laatste punt van de pleitnota).
- Het middel faalt.
- Ambtshalve wijs ik erop dat na het instellen van het cassatieberoep inmiddels meer dan twee jaren zijn verstreken. Nu is volstaan met het opleggen van een geheel voorwaardelijke straf, zal verdachte het met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden, moeten doen.
- Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
- Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad zal constateren dat de redelijke termijn is overschreden en voorts tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG 1 Deze zaak hangt samen met de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 2] (nr. 07/10806 E) en [medeverdachte 3] (nr. 07/12501 E) in welke zaken ik heden eveneens concludeer. 2 Vgl. bijv. HR 17 november 1993, NJ 1993, m.nt. Van Veen. Het gehonoreerde beroep op afwezigheid van alle schuld staat een bewezenverklaring opzettelijk cocaïne in Nederland brengen niet in de weg. 3 Zie met betrekking tot andere wetten o.m.: HR 19 januari 1999, NJ 1999, 293; HR 27 maart 2001, LJN BD0740; HR 18 april 2006, LJN AU8098 en HR 15 april 2008, LJN BC9410.