Nr. 08/02755 J Mr. Knigge Zitting: 27 januari 2009 Conclusie inzake: [Verdachte]
(1)Dat maakt het onaannemelijk dat [betrokkene 1] met de door het Hof voor het bewijs gebezigde zin iets anders zou hebben bedoeld dan: we zouden zogenaamd een straatroof plegen. Ik merk daarbij op dat de voorzitter van het Hof bij de ondervraging van de verdachte van deze niet-letterlijke lezing lijkt te zijn uitgegaan ("De voorzitter houdt mij voor dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] allebei verklaard hebben dat we de jongen zogenaamd gingen beroven"). Het is misschien allemaal maar een spel van woorden (waarvan de portee de verdachten mogelijk is ontgaan), maar juist daarom zou het in het licht van het gevoerde verweer niet zonder meer begrijpelijk zijn als het Hof aan het taalgebruik zulke verstrekkende conclusies zou hebben verbonden. Ik ga er daarom vanuit dat het Hof dit niet heeft gedaan.
- Rest de vraag of het arrest voldoende gegevens bevat die duidelijk maken dat het Hof het aangevoerde eenvoudig niet aannemelijk heeft geacht (hetgeen onder omstandigheden een toereikende weerlegging van een Meer en Vaart-verweer oplevert). In dit verband kan gewezen worden op de verklaring van het slachtoffer (bewijsmiddel 1) dat de daders weggingen toen een man aan kwam lopen. Daarin ligt mogelijk als het oordeel van het Hof besloten dat daarin de verklaring lag dat de straatroof niet is doorgezet (en niet in het feit dat de verdachten slechts deden alsof). Ook het opnemen van bewijsmiddel 4, inhoudende dat verdachte in de zakken van de jongen voelde en dreigende woorden sprak, kan erop wijzen dat het Hof niet alleen de uitdrukkelijke ontkenning van verdachte op dit punt niet geloofwaardig oordeelde, maar ook geen geloof hechtte aan diens ontkenning van het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening.
- Toch meen ik na enig aarzelen dat een en ander het gemis aan een expliciet oordeel van het Hof niet kan ondervangen. Het blijft toch wat gissen naar de gedachtegang van het Hof. De onduidelijkheid wordt daarbij alleen maar versterkt door hetgeen het Hof in het kader van de strafmotivering met betrekking tot het aangevoerde overwoog. Daarin lijkt immers besloten te liggen dat het Hof het op zich wel aannemelijk achtte dat sprake was van een (misplaatste) grap. Hoe dat zich verhoudt tot de bewezenverklaring van het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening verdient dan wel enige toelichting.
- Het middel slaagt.
- Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
- Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG 1 Dit verklaart [betrokkene 1] aan het begin van zijn verhoor. Zie p. 1 (dossierpagina 039) van het desbetreffende proces-verbaal. Aan het slot van zijn verhoor verklaart [betrokkene 1]: "Ik heb hem niet willen beroven" (p. 3; dossierpagina 041). Tijdens het gehele verhoor houdt [betrokkene 1] vol dat het alleen maar om een geintje ging.